Terug naar de uitspraak

Gerechtshof Den Haag 12-05-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1805

Datum publicatie03-07-2026
Zaaknummer200.345.887/01
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Alimentatie. Pensioen. Pensioen van de DGA
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Vrouw is van mening dat de man en de besloten vennootschap waarvan de man de aandelen houdt niet op een correcte wijze uitvoering geven aan het echtscheidingsconvenant. Het hof is van oordeel dat man niet vereenzelvigd kan worden met de BV. De BV heet ook niet onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw. De vrouw wordt in de proceskosten van de BV veroordeeld. Met betrekking tot de door de vrouw gevorderde alimentatie is dit onderdeel verwezen naar de verzoekschrift procedure.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.345.887/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/640977/ HA ZA 23-47

Arrest van 12 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.J.W. Feddes te Alphen aan den Rijn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde sub 1,

en

[geïntimeerde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde sub 2,

en

[geïntimeerde sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde sub 3,

advocaat van geïntimeerden: mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens te Utrecht.

Het hof zal partijen hierna de vrouw, de man, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] noemen en ook de geïntimeerden sub 1 tot en met 3 gezamenlijk aanduiden als geïntimeerden.

1Procesverloop in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 8 juli 2024 waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024 (hierna: het bestreden vonnis);

- het exploot van anticipatie van de man van 5 september 2024;

- de memorie van grieven, met bijlagen;

- de memorie van antwoord van geïntimeerden sub 1 tot en met 3, met bijlagen.

1.2

Op 17 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd

1.3

Het hof zal arrest wijzen op het procesdossier bestaande uit de onder 1.1 genoemde stukken en aangevuld met de overgelegde pleitaantekeningen.

2Dictum vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024

2.1.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

in het incident:

6.1.

wijst de vorderingen van [de vrouw] af;

6.2.

compenseert de kosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen;

in de hoofdzaak, in conventie:

6.3.

veroordeelt [de man] tot betaling aan [de vrouw] van € 32.891,55, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van het exploot van de dagvaarding tot aan de datum van volledige betaling;

6.4.

compenseert de kosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak, in reconventie:

6.6.

wijst de vorderingen af;

6.7.

compenseert de kosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

draagt.

3De vorderingen van de vrouw in hoger beroep

3.1

dat het hof het bestreden vonnis tussen partijen in incident en in conventie gewezen vernietigt en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en onder verbetering en/of aanvulling:

- de vorderingen van de vrouw (zie de toenmalige ‘akte vermeerdering van eis’ van 25 september 2023) alsnog (geheel) aan haar toewijst en de man c.s veroordeelt tot betaling van de bewuste bedragen, waarbij (onder II) eigenaarslasten worden vermeerderd met € 5.439,38, de ‘autokosten’ € 9.019,89 bedragen en onder IV de alimentatie indexatie per (februari) 2017 ook nog verschuldigd is, (onderhouds)kosten aan de woning primair op € 109.128,28 worden gesteld en inzake het pensioen, evenals de levensverzekering, heeft te gelden:

van (de helft van) het opgebouwde (ouderdoms)pensioen zoals is opgebouwd gedurende het huwelijk c.q. de gehele aanspraak op partnerpensioen na echtscheiding, evenals de (helft van de) (levens)verzekering(en), nader te bepalen op basis van door de man te verstrekken gegevens, althans een door het hof of een deskundige te bepalen bedrag (aan uitkeringen), althans de door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede te bepalen dat de man c.s. binnen 14 dagen na betekening van het arrest schriftelijk aan de respectievelijke instanties meedeelt dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de uitkeringen op de expiratiedata en/of de man c.s. hoofdelijk te gelasten de helft van de commerciële waarde van de pensioenaanspraken (opgebouwd tijdens de huwelijkse periode) binnen redelijke termijn (van een maand) te storten na en bij een nader door de vrouw aan te wijzen (rekening van een) pensioenverzekeraar, althans hierover door het hof te oordelen;

- alsmede de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans een door het hof te bepalen bedrag en datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

- de man c.s. veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, alsmede – indien nakoming c.q. voldoening binnen de bedoelde termijnen niet plaatsvindt – tot betaling van nakosten.

4Beoordeling in hoger beroep

4.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij daar specifiek een grief tegen is gericht.

Het anticipatie exploot en de B.V.’s

4.2

De man heeft op 5 september 2024 een vroegere roldatum aan de vrouw doen aanzeggen middels een anticipatie exploot. De vrouw is van mening dat, nu dit anticipatie exploot niet namens de in eerste aanleg tevens gedagvaarde B.V.’s is betekend, dit vervroegd aanbrengen van de zaak dan ook niet voor die B.V.’s geldt. De vrouw doet hierbij een beroep op artikel 127 lid 3 (het hof begrijpt: 126 lid 3) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Indien deze omissie niet is te herstellen verzoekt de vrouw het hof om de B.V.’s in hun eventuele vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren althans deze vorderingen af te wijzen en een veroordelend arrest te wijzen ten aanzien van de B.V.’s.

4.3

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 126 lid 3 Rv bepaalt dat de aanzegging van de vroegere roldatum op straffe van nietigheid ook aan de medegedaagden moet worden gedaan, voor zover deze aanzegging niet mede van hen uitgaat. Nu de man en de B.V.’s in eerste aanleg dezelfde procesvertegenwoordiger hadden en zij ook in hoger beroep gedrieën, vertegenwoordigd door dezelfde procesvertegenwoordiger, een memorie van antwoord hebben ingediend gaat het hof ervan uit dat het anticipatie exploot niet alleen van de man, maar mede van de beide B.V.’s is uitgegaan. Er is dan ook geen sprake van gedaagden die niet zijn aangezegd en dus ook niet van nietigheid van de aanzegging. Het hof zal de standpunten van alle partijen in zijn beoordeling betrekken.

Goede procesorde en formulering van grieven

4.4

Geïntimeerden stellen in randnummer 7 van hun memorie van antwoord dat de vrouw een groot deel van haar grieven onduidelijk heeft geformuleerd, waardoor het niet kenbaar is waartegen zij hun verweer moeten richten. Zij stellen zich op het standpunt dat de vrouw in die grieven, te weten de grieven 1, 3 en 6, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.5

Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich dat de grieven zodanig zijn geformuleerd dat voor de wederpartij en de rechter duidelijk is tegen welke beslissingen van de rechter in eerste aanleg de grieven zich richten en welke gronden daarvoor bestaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet zodanig heeft geprocedeerd dat niet voldoende duidelijk is op welke gronden zij tegen bepaalde beslissingen van de rechtbank opkomt. Nu meerdere bezwaren van de vrouw tegen beslissingen van de rechtbank onder meerdere grieven voorkomen, zal het hof voor de duidelijkheid waar nodig de grieven per onderwerp bespreken.

De herstelfunctie van het hoger beroep

4.5

De vrouw stelt (grief 1) dat de rechtbank in het bestreden vonnis onjuiste dan wel onvolledige feiten en omstandigheden heeft opgenomen dan wel niet de nodige duiding bij deze feiten en omstandigheden heeft gegeven.

4.6

Zo er al sprake is geweest van fouten en omissies in eerste aanleg, dan kunnen deze in verband met de herstelfunctie van het hoger beroep worden hersteld. Het beroepschrift geeft de vrouw de gelegenheid om de volgens haar juiste feiten en omstandigheden alsmede de duiding daarbij aan te geven, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt. De grief behoeft dan ook geen bespreking meer.

In het geding brengen van gegevens door de man

4.7

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw om de man op grond van artikel 3:15j van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 843a Rv te veroordelen tot het onmiddellijk verstrekken van volledige inzage en afschriften aan haar van door haar nader genoemde bescheiden afgewezen.

4.8

De vrouw stelt dat deze vordering ten onrechte is afgewezen, aangezien zij recht en belang bij deze vordering heeft. De man heeft volgens haar slechts in beperkte mate inzicht verschaft in (financiële) stukken en zij heeft ten aanzien van haar vorderingen in de hoofdzaak juist nadere informatie nodig. In randnummer 28 van haar memorie van grieven somt de vrouw enkele bescheiden op die de man volgens haar nog over dient te leggen. Zij heeft deze stukken nodig om te kunnen bepalen of de man zijn verplichtingen uit het echtscheidingsconvenant is nagekomen en om de omvang van de door haar geleden schade te kunnen bepalen.

4.9

Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stellen, kort weergegeven, dat de vrouw al de beschikking heeft over alle relevante bescheiden en voorts dat niet is voldaan aan de in artikel 843a Rv genoemde cumulatieve voorwaarden voor de toewijsbaarheid van de vordering. Daarbij merken geïntimeerden nog op dat artikel 843a Rv per 1 januari 2025 is komen te vervallen, zodat de vrouw op dit artikel geen beroep meer kan doen.

4.10

Het hof merkt allereerst op dat met de inwerkingtreding per 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht artikel 843a Rv is komen te vervallen. Echter, in procedures die voor 1 januari 2025 zijn aangespannen is artikel 843a Rv nog steeds van toepassing. De onderhavige procedure is aangevangen met de appeldagvaarding van 8 juli 2024, zodat de vordering van de vrouw ex artikel 843a Rv kan worden beoordeeld.

Met betrekking tot die vordering is het hof van oordeel dat de rechtbank deze op goede gronden heeft afgewezen. Het hof neemt deze gronden, na een eigen afweging, over en maakt deze tot de zijne. Ook in hoger beroep hebben geïntimeerden nog een groot aantal financiële stukken in het geding gebracht. Zo hebben zij onder meer de jaarrekening 2023 van [geïntimeerde sub 2] overgelegd. Bij deze jaarrekening is een samenstellingsverklaring van de accountant opgenomen, uit welke verklaring volgt dat de samenstellingsopdracht is uitgevoerd volgens het Nederlandse recht, waaronder de voor de accountants geldende Standaard 4410 “Samenstellingsopdrachten”. Voormelde jaarrekening van [geïntimeerde sub 2] – waarvan de aandelen worden gehouden door de man – geeft naar het oordeel van het hof voldoende inzicht in de financiële positie van [geïntimeerde sub 2] In de toelichting op de jaarrekening is op bladzijde 16 informatie gegeven over de pensioenvoorziening. Op bladzijde 23 is vermeld dat deze pensioenvoorziening per 31 december 2023 € 748.496,- bedraagt en voorts volgt uit bladzijde 23 dat de man de uitkeringsgerechtigde is. De man heeft ook zijn jaaropgave 2024 – [geïntimeerde sub 2] – in het geding gebracht. Gelet op deze in hoger beroep in het geding gebrachte stukken alsmede het grote aantal financiële gegevens die de man in eerste aanleg in het geding heeft gebracht (waaronder zijn aangiftes Inkomstenbelasting 2014 tot en met 2023), beschikt de vrouw naar het oordeel van het hof over meer dan voldoende gegevens van geïntimeerden om haar positie juridisch in te kunnen schatten.

Benoeming deskundige

4.11

De vrouw stelt in randnummer 34 van haar memorie van grieven dat de rechtbank ten onrechte, althans zonder nadere motivering, haar vordering om een deskundige te benoemen heeft afgewezen. De man heeft deze stelling in randnummer 27 van de memorie van antwoord gemotiveerd bestreden.

4.12

Nu de vrouw haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd, is het hof van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen. De vrouw heeft slechts gesteld dat benoeming van een deskundige noodzakelijk is gezien de complexiteit en het gebrek aan afdoende stukken van de zijde van de man. De vrouw geeft niet aan wat voor deskundige benoemd zou moeten worden en ook niet wat door deze deskundige zou moeten worden onderzocht. Wat betreft het gestelde gebrek aan door de man overgelegde stukken verwijst het hof naar hetgeen hierover onder rechtsoverweging 4.10 is overwogen.

De vereenzelviging van de man en de B.V.’s

4.13

De vrouw stelt (derde grief) dat de man vereenzelvigd dient te worden met zijn B.V.’s omdat hij enig bestuurder en aandeelhouder van deze B.V.’s is en omdat de B.V.’s expliciet in het echtscheidingsconvenant zijn meegenomen. De B.V.’s zijn volgens de vrouw dan ook, net als de man, gehouden om verplichtingen uit het convenant na te komen. Los hiervan zijn de B.V.’s volgens de vrouw alsnog aansprakelijk voor schade op grond van onrechtmatige daad en/of de redelijkheid en billijkheid.

4.14.

De man c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.15

Het hof stelt het volgende voorop. In artikel 2:5 BW is het volgende bepaald: “Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijke persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit”. De rechtspersoon neemt zelfstandig deel aan het rechtsverkeer. Een rechtspersoon kan overeenkomsten aangaan en een rechtspersoon kan aansprakelijk zijn voor verbintenissen die uit de wet voortvloeien, waaronder de onrechtmatige daad. De aandeelhouder van de besloten vennootschap kan in beginsel niet vereenzelvigd worden met de B.V.

4.16

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen het concern en de verhoudingen binnen het concern besproken. Tijdens het sluiten van het echtscheidingsconvenant in 2014 was de man al enig aandeelhouder van [geïntimeerde sub 2] Zijn broer was en is enig aandeelhouder van [onderneming broer] [geïntimeerde sub 2] hield in 2014 50% van de aandelen in [geïntimeerde sub 3] De andere 50 % van de aandelen in [geïntimeerde sub 3] werden gehouden door [onderneming broer] [geïntimeerde sub 3] hield weer de aandelen in de werkmaatschappijen [werkmaatschappij 1] , [werkmaatschappij 2] , [werkmaatschappij 3] en [werkmaatschappij 4] Gezien de aandeelverhouding had de man geen beleidsbepalende zeggenschap in [geïntimeerde sub 3] en ook niet in de werkmaatschappijen van [geïntimeerde sub 3] De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de financiële positie van voormeld concern bij het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant zeer slecht was. Het concern stond onder bijzonder beheer van de bank. De vrouw heeft deze slechte financiële positie van het concern destijds tijdens de mondelinge behandeling erkend. De man heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat er tussen hem en zijn broer een zakelijk geschil van inzicht is ontstaan. De man wilde als het ware linksaf en zijn broer wilde rechtsaf met de ondernemingen. De man en zijn broer zijn met betrekking tot het concern daarom in 2019 tot een herstructurering gekomen. Kort gezegd hield dit in dat [geïntimeerde sub 2] 100 % van de aandelen kreeg in [geïntimeerde sub 3] – in welke vennootschap het onroerend goed was ingebracht – en is [onderneming broer] verdergegaan met de vroegere werkmaatschappijen van [geïntimeerde sub 3] In de visie van de man heeft de herstructurering van het concern plaatsgevonden met gesloten beurzen. Het hof heeft uit het betoog van de man begrepen dat de inkomsten die hij uit [geïntimeerde sub 2] krijgt de bron zijn waarvan de man leeft en waarvan hij de partneralimentatie voor de vrouw betaalt.

4.17

[geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] waren en zijn geen partij bij het door de man en de vrouw gesloten echtscheidingsconvenant. Nakoming van afspraken in het echtscheidingsconvenant kan dus niet van voormelde vennootschappen worden gevorderd. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw ook geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geoordeeld dat de vennootschappen onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Het feit dat er een herstructurering van het concern heeft plaatsgevonden is eveneens niet onrechtmatig jegens de vrouw. De herstructurering was noodzakelijk vanwege een zakelijk verschil van inzicht tussen beide eigenaren. Op basis van hetgeen de man ook ter zitting heeft medegedeeld heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de man niet als goed bestuurder van [geïntimeerde sub 2] heeft gehandeld. De bron van inkomsten uit [geïntimeerde sub 2] is voor de man, en indirect dus ook voor de vrouw, intact gebleven. Het hof is van oordeel dat de vrouw op basis van wat zij heeft aangevoerd geen enkele vermogensrechtelijk aanspraak heeft jegens [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3]

4.18

Gelet op het vorenstaande zal het hof in het navolgende, daar waar de vrouw nakoming van afspraken in het echtscheidingsconvenant vordert van ‘de man c.s.’ nu nog alleen maar van ‘de man’ spreken.

Verwijzing naar de verzoekschriftprocedure ex artikel 69 Rv alimentatie

4.19

De vrouw vordert in hoger beroep, met verwijzing naar haar akte vermeerdering van eis van 25 september 2023, om de man te veroordelen tot betaling aan haar:

- van € 2.321,18 aan achterstallige alimentatie;

- van de helft van het bedrag boven de € 90.000,- (bruto) aan inkomsten van de man op jaarbasis sinds 2014, een nader door de rechtbank of een deskundige te bepalen bedrag op basis van door de man te verstrekken gegevens, althans nader op te maken bij staat en de man c.s. veroordeelt dit jaarlijks te begroten met een deugdelijke en begrijpelijke onderbouwing (door een deskundige), tot het moment dat de man c.s. dit niet meer verschuldigd is;

- van € 4.141,55 PM aan achterstallige (hypotheek- en) eigenaarslasten, alsmede (€ 24.198,12 + € 1.874,52 =) € 26.072,64 PM autokosten (tot oktober 2023), althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, althans de door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- van € 57.288,80 PM aan (achterstallige) kosten voor groot en klein onderhoud van de woning, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag of door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.20

De man stelt in randnummer 5 van zijn memorie van antwoord, met verwijzing naar de grieven 1,3 en 5 van de vrouw, dat de vrouw eigenlijk op verkapte wijze wijziging van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie vordert. De vrouw is volgens de man in deze grieven niet-ontvankelijk, nu uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt (de man verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:8125) dat voor alimentatiegeschillen de verzoekschriftprocedure dwingend is voorgeschreven.

4.21

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling dit standpunt van de man expliciet aan de orde gesteld. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling betoogd dat zij nakoming vordert van een overeenkomst en dat daarvoor de dagvaardingsprocedure gevolgd moet worden.

4.22

Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn in het op 22 januari 2014 gesloten echtscheidingsconvenant het volgende overeengekomen:

“Artikel 1: Partneralimentatie

Definitieve regeling

1.1

Met ingang van 1 februari 2014 zal de man met een bedrag van € 2.000, - bruto per maand bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw, welk bedrag telkens per de eerste van elke maand door hem aan haar zal worden voldaan.

De partneralimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, zulks voor het eerst per 1 januari 2015.

1.2

Bij de bepaling van het alimentatiebedrag gaan partijen uit van een jaarlijks inkomen uit

arbeid van € 90.000, - bruto op jaarbasis aan de zijde van de man. De vrouw heeft zelf op dat moment (nog) geen inkomen uit arbeid.

Eigen inkomsten vrouw

1.3

De eventuele eigen inkomsten in de toekomst hebben geen invloed op de door de man te betalen alimentatiebijdrage voor zover deze een bedrag van € 3.000, - bruto per maand, inclusief vakantietoeslag, niet te boven gaan. Hetgeen de vrouw meer verdient dan voormeld maandbedrag zal wel worden verrekend met de alimentatiebijdrage.

Extra inkomsten man

1.4

Indien er in enig jaar sprake is van een hoger inkomen aan de zijde van de man boven het bedrag van € 90.000, - bruto op jaarbasis, bijvoorbeeld ten gevolge van salarisverhoging, de uitkering van een bonus of van dividend dan wel een combinatie hiervan zal netto equivalent van het meerdere van deze inkomsten bij helfte met de vrouw worden gedeeld.

Een eventuele verhoging van het regulier maandinkomen van de man, noodzakelijk om de rekening courantverhouding van de man met [geïntimeerde sub 2] af te lossen, wordt nadrukkelijk niet in voornoemde verdeling betrokken.

Afwijking van artikelen 1: 157 en 1: 160 BW

1.5

De alimentatieverplichting van de man duurt volgens de wettelijke bepalingen maximaal

12 jaar, te rekenen vanaf datum ontbinding huwelijk (artikel 1: 157 lid 4 BW) . Partijen komen in afwijking daarvan overeen dat de alimentatieverplichting van de man eerst eindigt op het moment dat één der partijen komt te overlijden.

Voorts komen partijen overeen dat de alimentatieverplichting van de man niet eindigt op het moment dat de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd (artikel 1: 160 BW) , tenzij deze nieuwe partner de onderhoudsverplichting van de man kan en wenst over te nemen. Indien aan een dergelijke nieuwe relatie een einde komt, herleeft alsdan de onderhoudsverplichting voor de man in de zin van dit artikel.

Extra betalingen ten behoeve van de vrouw

1.6

De man neemt gedurende de looptijd van de alimentatieverplichting tevens voor zijn rekening, de kosten van/voor:

- de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning of de huurlasten voor vervangende woonruimte vrouw;

- het ter beschikking stellen van een auto aan de vrouw, inclusief de aan het rijden van de auto verbonden kosten.

Inzage inkomensgegevens

1.7

De man en de vrouw zullen jaarlijks hun inkomstengegevens aan elkaar ter inzage

verstrekken, zulks na ommekomst van het kalenderjaar maar uiterlijk per ultimo

februari. Deze bepaling is opgenomen met oog op de uitvoering van het bepaalde in

met name de artikelen 1.3 en 1.4 van dit convenant.

Artikel 2: Gebruik echtelijke woning

Uitsluitend gebruiksrecht echtelijke woning/kosten

2.2

Partijen hebben afgesproken dat de vrouw – zolang zij dat wenst – de echtelijke woning van partijen na echtscheiding kan blijven bewonen, zulks echter onder de voorwaarde dat het handhaven van deze bestaande woonsituatie voor de man financieel haalbaar blijft aangezien hij onder meer de hypotheek- en eigenaarslasten van de woning betaalt (artikel 1.6). De man zal in het geval zich financiële problemen gaan voordoen die nopen tot verkoop van de woning aan derden hierover in overleg met de vrouw een besluit nemen, alsook ten aanzien van de alsdan te stellen verkoopcondities. De kosten voor groot en klein onderhoud van de woning komen voor rekening van de man alleen.”

4.23

Partijen verschillen van mening over de inhoud van het echtscheidingsconvenant, althans over de betekenis en uitleg van hetgeen daarin is opgenomen en de daaraan te verbinden juridische consequenties. Het echtscheidingsconvenant moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Dit criterium houdt – kort gezegd – in dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet alleen kan worden volstaan met een taalkundige benadering maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de overeenkomst mochten toekennen, en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.24

Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van het echtscheidingsconvenant met zich mee dat de artikelen 1.1 tot en met 1.6 een regeling betreffen ter zake de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Een redelijke uitleg brengt voorts met zich dat artikel 2 van het convenant een nadere uitwerking is van die partneralimentatie. In artikel 2.2 is door partijen immers expliciet overeengekomen dat de vrouw in de woning mag blijven wonen zolang dat voor de man financieel haalbaar is, nu de man onder meer de hypotheek- en eigenaarslasten van die woning betaalt. De partneralimentatie is dus opgebouwd uit een maandelijks geldbedrag, het in de door de man gefinancierde woning kunnen blijven wonen en het door de man kosteloos ter beschikking stellen van een auto aan de vrouw.

4.25

Gezien hetgeen partijen met betrekking tot de partneralimentatie zijn overeengekomen hebben de vorderingen van de vrouw zoals in 4.19 weergegeven mede betrekking op de partneralimentatie en vergoedingen die zich als partneralimentatie kwalificeren. De vrouw wenst met die vorderingen immers wijziging van de partneralimentatie zoals door partijen in het convenant overeengekomen.

4.26

Uit de wet en uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat geschillen die de kosten van levensonderhoud betreffen, ook in het geval tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten, bij verzoekschrift aan de rechter moeten worden voorgelegd. Deze procedure is dwingendrechtelijk voorgeschreven. Het hof zal dan ook op grond van artikel 69 Rv bepalen dat de procedure, voor zover deze betrekking heeft op de vorderingen van de vrouw zoals in rechtsoverweging 4.19 weergegeven, in de staat waarin deze zich momenteel bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.

4.27

In de verzoekschriftprocedure zullen aan de orde komen grief 5 het inkomen van de man boven € 90.000 (met als onderdelen management fee, dividend en rekening – courant-schuld) en grief 6 achterstallige eigenaarslasten en auto – en onderhoudskosten. Voormelde onderwerpen hangen samen met de alimentatie van de vrouw zoals vermeld in het echtscheidingsconvenant en met betrekking tot de in het convenant overeengekomen partneralimentatie wenst zij een wijziging.

Stuiting van de verjaring inzake de achterstallige partneralimentatie

4.28

De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij met betrekking tot niet-betaalde partneralimentatie de verjaring niet heeft gestuit. In de visie van de vrouw was het met de sommatie per brief van februari 2022 al duidelijk dat er nog indexatie betaald diende te worden. De vrouw stelt (randnummer 54 van de memorie van grieven) dat de man op vrijwillige basis vanaf 2014 betalingen heeft verricht waarmee de indexering alsnog vrijwillig is nagekomen althans is verrekend. De inhouding door de man van € 2.321.18 is dus onterecht en hij moet worden veroordeeld om dit bedrag, met rente, na te betalen.

4.29.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst hiervoor naar randnummer 41 van de memorie van antwoord.

4.30

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de vrouw de verjaring niet heeft gestuit. Het hof neemt deze gronden, na een eigen afweging, over en maakt deze tot de zijne. De vrouw heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Vordering tot schadevergoeding

4.31

De vrouw vordert, kort weergegeven, dat de man wordt veroordeeld om aan haar te betalen de helft van de (netto) verkoopopbrengst van aandelen/werkmaatschappijen aan derden, in elk geval € 1.402.501,50 te vermeerderen met de helft van de waarde van 50% van de aandelen in [geïntimeerde sub 3] evenals de helft van de onroerendgoedwaarde als verkoopopbrengst (in 2019), althans een door het hof of een deskundige te bepalen bedrag en/of datum, één en ander te betalen binnen 14 dagen na de vaststelling daarvan (al dan niet bij vonnis), althans door [de vrouw] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans een door het hof in goede justitie te treffen oordeel. Het hof verwijst naar de akte overlegging producties tevens vermeerdering van eis aan de zijde van de vrouw van 25 september 2023.

4.32

De vrouw stelt dat er sprake is van door haar geleden schade door toerekenbare tekortkomingen met betrekking tot de uitvoering van de verplichtingen uit het echtscheidingsconvenant (randnummer 39 memorie van grieven). Het hof begrijpt dat het gaat over de gederfde koopsom na verkoop van aandelen/deelnemingen door de man in samenhang met artikel 4.2. van het echtscheidingsconvenant waarin het volgende is opgenomen: “De man is eigenaar/enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [geïntimeerde sub 2] Deze besloten vennootschap houdt aandelen in werkmaatschappijen. Partijen zullen de netto verkoopopbrengst van deze aandelen/werkmaatschappijen bij helfte met elkaar delen indien de besloten vennootschappen/werkmaatschappijen aan derden worden verkocht. De man zal de vrouw alsdan bij het verkooptraject betrekken in dier voege dat de verkoopprijs in overleg met de vrouw zal worden bepaald.”

4.33

Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van de vrouw. In randnummer 36 van de memorie van antwoord stelt de man dat er geen sprake was van een verkoop aan een derde. Er was sprake van een transactie met gesloten beurzen, in feite een ruil dus.

4.34

Een redelijke uitleg van het echtscheidingsconvenant brengt naar het oordeel van het hof met zich dat de herstructurering van het concern zoals hiervoor reeds overwogen niet aangemerkt kan worden als een verkooptransactie. De herstructurering was noodzakelijk vanwege een zakelijk geschil tussen de man en zijn broer. De aandelen in [geïntimeerde sub 2] zijn niet vervreemd, de man is nog steeds in dienst van deze holding en geniet uit voormelde B.V. zijn inkomen. Kort samengevat heeft de vrouw naar het oordeel van het hof uit hoofde van het echtscheidingsconvenant geen vordering op de man en ook niet op de hiervoor vermelde vennootschappen. Er is dus geen rechtsgrond aanwezig op basis waarvan de man aan de vrouw enig bedrag verschuldigd is met betrekking tot de herstructurering van het concern.

Pensioenrechten en lijfrente

4.35

In artikel 8.2 van het echtscheidingsconvenant is bepaald dat het pensioen dat de man in eigen beheer heeft opgebouwd zal worden verevend volgens de in artikel 1:155 BW juncto 2 lid 1 van de Wet Verevening Pensioenrechten na scheiding opgenomen standaardregeling.

4.36

In appel vordert de vrouw met betrekking tot het pensioen: van (de helft van) het opgebouwde (ouderdoms)pensioen zoals is opgebouwd gedurende het huwelijk c.q. de gehele aanspraak op partnerpensioen na echtscheiding, evenals de (helft van de) (levens)verzekering(en), nader te bepalen op basis van door de man te verstrekken gegevens, althans een door het hof of een deskundige te bepalen bedrag (aan uitkeringen), althans de door de vrouw geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede te bepalen dat de man c.s. binnen 14 dagen na betekening van het arrest schriftelijk aan de respectievelijke instanties meedeelt dat de man gerechtigd is tot de helft van de uitkeringen op de expiratiedata en/of de man c.s. hoofdelijk te gelasten de helft van de commerciële waarde van de pensioenaanspraken (opgebouwd tijdens de huwelijkse periode) binnen redelijke termijn (van een maand) te storten na en bij een nader door de man aan te wijzen (rekening van een) pensioenverzekeraar, althans hierover door het hof in goede justitie te oordelen.

4.37

Door de man wordt gemotiveerd verweer gevoerd. Het eerste procesrechtelijke punt wat de man naar voren brengt is dat de vrouw een te summiere toelichting geeft en geen grondslag formuleert voor haar vordering met betrekking tot de verdeling van de levensverzekering.

4.38

Door de man is in randnummer 64 van zijn memorie van antwoord gesteld dat hij één polis van levensverzekering heeft bij Nationale Nederlanden polisnummer [polisnummer] . De man is de verzekeringsnemer en de verzekerde op de polis. Uit het betoog van de man volgt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de polis. De man heeft ook geen financiële middelen om de vrouw nu te betalen. Ondanks dat de vrouw in de visie van de man geen aanspraak heeft op voormelde polislevensverzekering is hij bereid om de helft van de netto-uitkering te zijner tijd aan de vrouw te betalen. Het hof begreep uit de reactie van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling dat zij daarmee akkoord is.

4.39

Met betrekking tot het pensioen in eigen beheer van de man is door de man aangevoerd dat de vrouw niet tijdig een verzoek bij de vennootschap heeft ingediend om het pensioen rechtstreeks aan de vrouw uit te keren indien de man aanspraak kan maken op zijn pensioen. De vrouw heeft alleen een vordering op de man als het pensioen aan hem wordt uitgekeerd. Voorts wordt door de man gesteld dat partijen niet met elkaar zijn overeengekomen dat de pensioenaanspraken van de vrouw moeten worden afgestort onder een door haar aangewezen levensverzekeringsmaatschappij.

4.40

Het hof overweegt als volgt. Uit het echtscheidingsconvenant volgt dat partijen met betrekking tot het opgebouwde pensioen met elkaar zijn overeengekomen dat de Wet verevening pensioenrechten van toepassing is en dat conform die wet zal worden verevend. Partijen hebben geen afspraak gemaakt dat de pensioenaanspraken van de vrouw zouden worden afgestort onder een door haar aangewezen levensverzekeringsmaatschappij. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd waarom thans elf jaar na ondertekening van het echtscheidingsconvenant de man gehouden moet zijn om de pensioenrechten af te storten. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vrouw geweest om binnen de tweejaarstermijn een verzoek bij de pensioenuitvoerder/vennootschap in te dienen om de pensioenrechten rechtstreeks aan de vrouw uit te keren indien het pensioen van de man toe uitkering komt. Nu zij dit niet heeft gedaan heeft zij alleen een vordering op de man. De grief en daarmee samenhangende vordering van de vrouw ter zake pensioen worden dus afgewezen.

Erfenissen en/of schenkingen

4.42

Partijen hebben in artikel 7.2 van het echtscheidingsconvenant vastgelegd dat de man eventuele toekomstige aan hem toekomende schenkingen en/of erfenissen met de vrouw zal delen.

4.43

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een bedrag van € 52.500, - aan erfenissen van zijn beide ouders heeft ontvangen. De rechtbank heeft bepaald dat de man de helft van dit bedrag, derhalve € 26.250,-, aan de vrouw dient te voldoen. De man heeft dit bedrag, zo heeft hij onweersproken in zijn memorie van antwoord gesteld, reeds aan de vrouw betaald. De vrouw stelt in haar negende grief dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij mogelijk recht heeft op een hoger bedrag aan erfenissen en/of schenkingen. Zij behoudt zich dan ook het recht voor op een hoger bedrag, welk bedrag zij – zo begrijpt het hof – pas kan berekenen na overlegging door de man van de noodzakelijke bescheiden.

4.44.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Door de man is in randnummer 71 van zijn memorie van antwoord aangevoerd dat de vrouw in beginsel geen enkel recht had op de schenkingen en de erfenissen die de man zou ontvangen. Partijen waren immers gehuwd op basis van huwelijkse voorwaarden. De man heeft naast het bedrag van € 52.500,- geen schenkingen of erfenissen ontvangen.

4.45

Het hof is van oordeel dat, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd dat er nog meer schenkingen en erfenissen zijn. Zij stelt slechts dat het lijkt te gaan over een deel van de erfenissen. De vordering van de vrouw tot het overleggen van nadere financiële bescheiden door de man is hiervoor al door het hof afgewezen. Grief 9 van de vrouw treft dan ook geen doel.

De lening van de vrouw aan de man

4.46

De vrouw heeft voor het huwelijk van partijen aan de man een bedrag van (omgerekend) € 5.672,25 geleend. Deze lening is opgenomen op de lijst van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden van partijen. De vrouw vordert dit bedrag van de man terug.

4.47

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst naar de randnummers 60 tot en met 62 van de memorie van antwoord.

4.48

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot zijn oordeel is gekomen dat de vrouw de voorhuwelijkse lening niet meer van de man kan terugvorderen. Het hof neemt deze gronden – na een eigen afweging te hebben gemaakt – over en maakt deze tot de zijne. Door de vrouw zijn in hoger beroep verder geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat van dit oordeel moet worden afgeweken.

Proceskosten

4.49

Nu de vrouw ook een procedure voert tegen de vennootschappen, en de vrouw op alle punten met betrekking tot haar vorderingen tegen de vennootschappen in het ongelijk wordt gesteld dient zij in de proceskosten van de vennootschappen te worden veroordeeld.

Nu erdoor man en de vennootschappen gezamenlijk verweer is gevoerd zal het hof het advocatentarief voor 1/3 toerekenen aan [geïntimeerde sub 2] en 1/3 van het advocatentarief toerekenen aan [geïntimeerde sub 3] Met betrekking tot de vennootschappen is een griffierecht van € 2.175,- in rekening gebracht.

4.50

De proceskosten tussen de man en de vrouw zal het hof zoals gebruikelijk compenseren.

5Beslissing

Het hof:

beveelt voor zover de procedure van de vrouw betrekking heeft op de partneralimentatie, zoals weergegeven in r.o. 4.19 – 4.27 in dit arrest, in de stand waarin deze zich momenteel bevindt, zal worden voortgezet met inachtneming van de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;

bepaalt dat de vrouw haar verzoek in hoger beroep op dit punt uiterlijk op 16 juni 2026 schriftelijk kan aanvullen, welk stuk moet worden ingediend met vermelding van zaaknummer 200.358.026/01 bij de griffie van team familie van dit hof;

bepaalt dat de man vervolgens in de gelegenheid wordt gesteld om op 15 juli 2026 eveneens een aanvullend stuk in te dienen eveneens bij de griffie van team familie van dit hof met vermelding van zaaknummer 200.358.026/01;

houdt de behandeling van de zaak op dit onderdeel aan tot 29 juli 2026 en zal dan beslissen of een mondelinge behandeling nog noodzakelijk is of dat een beschikking zal worden afgeven;

bekrachtigt voor het overige het bestreden vonnis van 17 april 2024 tussen de man en de vrouw;

wijst af hetgeen meer of anders door de vrouw is gevorderd van de man;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen de man en de vrouw, in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 17 april 2024 van de rechtbank Den Haag tussen de vrouw enerzijds en [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] anderzijds;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van [geïntimeerde sub 2] als volgt begroot:

  • Griffiegeld € 1.087,50

  • 1/3 advocaatkosten € 4.145, -

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van [geïntimeerde sub 3] als volgt begroot:

  • Griffiegeld € 1.087,50

  • 1/3 advocaatkosten € 4.145,-

verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af al hetgeen meer of anders door de vrouw van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.B.J. van Elden en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733