Terug naar de uitspraak

Parket bij de Hoge Raad 26-06-2026, ECLI:NL:PHR:2026:654

Datum publicatie02-07-2026
Zaaknummer25/02767
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Familieprocesrecht. Verjaring / rechtsverwerking
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Relatievermogensrecht. Informeel samenlevenden, financiële afwikkeling na beëindiging van affectieve relatie. Regresvordering van man op vrouw; verrekening (art. 6:131 lid 1 BW) , verjaring (art. 3:307 BW) .

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02767

Zitting 26 juni 2026

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

[de vrouw] (hierna: de vrouw)

tegen

[de man] (hierna: de man)

1Inleiding

Dit betreft een zaak over de financiële afwikkeling na beëindiging van een affectieve relatie door twee informeel samenlevenden, de man en de vrouw. In hoger beroep is onder meer geoordeeld: (i) dat de man in verband met zijn bijdrage aan het gemeenschappelijke huis een regresvordering heeft op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35; (ii) dat die vordering van de man is verjaard; en (iii) dat de man die verjaarde vordering kan verrekenen met de vordering die de vrouw verkrijgt in verband met verrekening van de overwaarde van het huis als de man erin slaagt het huis uit de gemeenschap over te nemen. Tegen het oordeel achter (iii) komt de vrouw in cassatie op, m.i. met succes. Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep van de man, dat wordt geactiveerd en is gericht tegen het oordeel achter (ii), treft m.i. ook doel. Het bestreden arrest kan dus niet in stand blijven.

2Feiten

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 2.1-2.3 van het bestreden arrest van 20 mei 2025 (hierna: het arrest). 1

(i) Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond op het [adres] , in een huis dat op 2 februari 2017 aan hen samen is geleverd, ieder voor de onverdeelde helft (hierna: het huis).

(ii) Partijen zijn het er niet over eens hoe en wanneer de relatie precies is geëindigd, maar zeker is dat deze in augustus 2022 beëindigd was. Partijen verschillen ook van mening over de wijze waarop zij met elkaar moeten afrekenen. In hoger beroep gaat het voornamelijk over het huis.

(iii) Vast staat dat partijen voor het huis € 271.768,69 hebben betaald. Daarvan is € 170.150,-- gefinancierd met een hypothecaire lening bij Triodosbank, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De man heeft een bedrag van € 101.618,69 voor zijn rekening genomen. Hij heeft de waarborgsom van € 26.500,-- en het restant van de koopsom van € 75.118,69 betaald aan de notaris.

(iv) Gedurende de samenleving en daarna is afgelost op de hypotheekschuld. In augustus 2022 bedroeg de schuld nog € 141.149,30 en per februari 2025 bedroeg de schuld volgens opgave van de man nog ongeveer € 120.000,--.

(v) Sinds partijen uit elkaar zijn, woont de man - samen met de minderjarige zoon van partijen - in het huis en betaalt hij alle lasten, waaronder de aflossing.

3. Procesverloop (op hoofdlijnen) 2

In eerste aanleg

3.1

Bij dagvaarding van 2 mei 2023 heeft de vrouw een procedure aanhangig gemaakt tegen de man bij de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank).

3.2

De vrouw vorderde, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:

- te bepalen dat het huis wordt verkocht en geleverd aan een derde;

- vervangende toestemming van de rechtbank om het huis te mogen verkopen door het geven van een verkoopopdracht aan een makelaar;

- veroordeling van de man tot volledige medewerking aan de verkoop van het huis;

- te bepalen dat partijen een redelijk bod op het huis moeten aanvaarden;

- te bepalen dat de man alle eigenaarslasten verbonden aan het huis als eigen schuld dient te voldoen zonder nadere verrekening met de vrouw;

- de man te veroordelen tot betaling van een gebruikersvergoeding totdat het huis is geleverd aan een derde.

3.3

De man heeft op 9 augustus 2023 een conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen. Hij voerde verweer en vorderde, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:

- het huis aan hem toe te delen onder de verplichting de hypotheekschuld bij de bank als zijn schuld over te nemen, met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw;

- te bepalen dat het huis wordt getaxeerd;

- te bepalen dat de overbedelingsvordering die de vrouw zal krijgen bij toedeling van het huis aan de man, en die de man zal betalen bij het notarieel transport van het huis, wordt verminderd met een bedrag van € 116.160,81 dan wel met een door de rechtbank vast te stellen aandeel in de hypotheekschuld bij de bank;

- te bepalen dat de kosten van de taxateur en de notaris inzake het huis voor rekening komen van beide partijen, ieder voor de helft;

- te bepalen dat binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis, ontslag volgt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw;

- te bepalen dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de aanslagen onroerendezaakbelasting vanaf 2022 aan de man.

3.4

De vrouw heeft op 29 november 2023 een conclusie van antwoord in reconventie genomen (hierna: de CvA i.r.).

3.5

Op 15 december 2023 vond een mondelinge behandeling plaats bij de rechtbank. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt.

3.6

Op 7 februari 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen (hierna: het vonnis). 3 Daarbij heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:

- geoordeeld dat zij geen grond ziet voor de vordering van de man in verband met de betalingen die hij heeft verricht ten behoeve van het huis van € 116.160,81 althans van € 101.618,69 (rov. 4.31, 4.35), zodat de vordering van de man ook niet verrekend kan worden met een vordering van de vrouw (rov. 4.36);

- een wijze van verdeling van het huis en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening gelast (rov. 5.3);

- bepaald: dat de vrouw aan de man de helft van de aanslagen onroerendezaakbelasting vanaf 2022 betaalt; dat de man de aan het huis verbonden eigenaarslasten (exclusief de onroerendezaakbelasting) als eigen schuld voldoet, zonder nadere verrekening met de vrouw; dat partijen hun eigen proceskosten dragen; dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is; en dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen (rov. 5.4-5.8).

In hoger beroep

3.7

Bij dagvaarding van 2 mei 2024 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).

3.8

De man heeft op 20 augustus 2024 een memorie van grieven genomen (hierna: de MvG).

3.9

In de weergave van het hof in het arrest (rov. 2.6) vorderde de man:

“dat het hof:

- het huis aan de man toedeelt onder de verplichting de hypotheekschuld bij de bank als zijn eigen schuld over te nemen en de vrouw uit de hoofdelijk aansprakelijkheid te ontslaan;

- de overbedelingsvordering van de vrouw bepaalt op de helft van de getaxeerde waarde verminderd met een bedrag van € 135.844, dan wel verminderd met [een door het hof, A-G] vast te stellen aandeel in de hypotheekschuld, subsidiair dat op de door de man te betalen overbedelingsvordering in mindering strekt een bedrag van € 50.809,35 vanwege ongerechtvaardigde verrijking;

- de vrouw veroordeelt tot betaling van de helft van de aflossingen op de schuld bij de Triodosbank vanaf februari 2017 tot aan de levering.

En als toedeling van het huis aan de man niet mogelijk blijkt bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst aan de zijde van de vrouw te rekenen met een bedrag van € 135.844,- als haar aandeel in de hypotheekschuld dan wel dat ten gunste van de man met het aandeel van de vrouw wordt verrekend een bedrag van € 50.809,35 vermeerderd met de helft van de aflossingen op de hypotheekschuld bij de bank vanaf 2 februari 2017 tot aan de levering.”

3.10

De vrouw heeft op 29 oktober 2024 een memorie van antwoord, tevens grieven in incidenteel hoger beroep genomen (hierna: de MvA).

3.11

In de weergave van het hof in het arrest (rov. 2.7) vorderde de vrouw:

“dat het hof:

- bepaalt dat het huis moet worden verkocht en dat de man daar op straffe van dwangsommen medewerking aan moet verlenen;

- artikel 3:300 lid 2 BW toepast;

- de door de rechtbank toegewezen vordering over de OZB alsnog afwijst;

- (voorwaardelijk) de man veroordeelt om vanaf 1 juli 2023 tot het moment van levering van het huis een gebruiksvergoeding te betalen van € 258 per maand.”

3.12

De man heeft op 7 januari 2025 een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep genomen (hierna: de MvA inc.).

3.13

Op 27 februari 2025 vond een mondelinge behandeling plaats bij het hof (ten overstaan van een raadsheer-commissaris). Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v).

3.14

Bij het arrest heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, in principaal en incidenteel hoger beroep het vonnis vernietigd (behoudens de beslissingen in rov. 5.1, 5.2, 5.6 en 5.7, die het hof heeft bekrachtigd) en opnieuw rechtdoende een wijze van verdeling gelast van het huis en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij de bank (rov. 3.1-3.3). Als onderdeel van de verdeling heeft het hof kort gezegd beslist dat, als het huis aan de man wordt toegedeeld, de man bevoegd is om een bedrag van € 50.809,35, waarvoor hij een (verjaarde) regresvordering heeft op de vrouw, te verrekenen met de schuld die hij aan de vrouw zal hebben in het geval van overwaarde van het huis (rov. 3.2). Bovendien heeft het hof: de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt; het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 3.4-3.6).

In cassatie

3.15

Bij procesinleiding van 15 augustus 2025 heeft de vrouw (tijdig) cassatieberoep ingesteld.

3.16

De man heeft een verweerschrift ingediend, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep van de vrouw, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

3.17

De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend, strekkende tot verwerping van dit cassatieberoep van de man.

3.18

Partijen hebben ieder een schriftelijke toelichting gegeven, de vrouw heeft nog gerepliceerd.

4Bespreking van het principaal cassatieberoep

4.1

Het cassatiemiddel van de vrouw bestaat uit een inleiding zonder klacht (deel A) en drie onderdelen met klachten (deel B). Het eerste onderdeel bevat een inleiding (onder I.0) en twee subonderdelen (I.1-I.2), gericht tegen rov. 2.15 van het arrest. Het tweede onderdeel bevat een subonderdeel (II.1), eveneens gericht tegen rov. 2.15. Het derde onderdeel behelst een voortbouwklacht (III), gericht tegen het dictum.

Onderdeel I

4.2

Het onderdeel klaagt, samengevat, als volgt.

4.2.1

Subonderdeel I.1 voert aan dat het hof in rov. 2.15 van het arrest miskent dat er voor een geldige verrekening op grond van art. 6:127 lid 2 BW sprake moet zijn van een verrekeningsbevoegdheid die al verkregen was op het moment dat de verjaring van de andere vordering (hier: de regresvordering van de man op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35) intrad. De verjaring maakt in verband met art. 6:131 BW aan een eenmaal verkregen verrekeningsbevoegdheid geen einde, maar hier was de onderhavige vordering van de man al verjaard voordat de vrouw een vordering kreeg (een vordering op de man uit overbedeling door diens overname van het huis).

4.2.2

Subonderdeel I.2 voert aan dat het bestreden oordeel ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gelet op het passeren door het hof van twee in het subonderdeel opgenomen essentiële stellingen inzake, kort gezegd, de verjaring van de vordering van de man en het nog niet bestaan van de vordering van de vrouw.

4.2.3

De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Behandeling

4.3

Het onderdeel treft doel, gelet op het volgende.

4.4

Wat doet het hof in het bestreden oordeel?

4.4.1

Het hof oordeelt in rov. 2.8-2.9 van het arrest, samengevat, dat de man (op grond van art. 6:6 BW en art. 6:10 BW) een regresvordering heeft op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35, dit vanwege de betaling door de man van € 101.618,69 in verband met de aankoop van het huis. Het hof oordeelt in rov. 2.10-2.11, weer samengevat, dat die vordering van de man is verjaard op de voet van art. 3:307 lid 1 BW (in verbinding met art. 6:38 BW) en dat het beroep van de vrouw op die verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4.2

Dan nu rov. 2.15, daarin oordeelt het hof als volgt:

“In grief 6 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een eventueel verjaarde vordering nog steeds voor verrekening in aanmerking komt. Hij verbindt hieraan in zijn petitum geen vordering. De vrouw betwist dat aan de voorwaarden voor verrekening wordt voldaan, onder meer omdat de vordering verjaard zou zijn. Artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt met zoveel woorden dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. In het geval de vrouw een vordering op de man heeft en beide vorderingen voldoen aan het bepaalde van artikel 6:127 BW staat de verjaring van de vordering dus niet aan verrekening in de weg. De grief slaagt. Als de man erin slaagt de woning uit de gemeenschap over te nemen kan hij het bedrag van € 50.809,35 verrekenen met de vordering die de vrouw dan heeft op de man in verband met de verrekening van de overwaarde.”

4.5

M.i. gaat het hof hiermee de fout in. Ik licht toe.

4.5.1

Blijkens art. 6:127 lid 2 BW is een schuldenaar bevoegd tot verrekenen, als hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is tot zowel betaling van de schuld als het afdwingen van de betaling van de vordering.

4.5.2

Een van de rechtsgevolgen van verjaring van een rechtsvordering is dat geen betaling van die vordering meer kan worden afgedwongen en nog slechts een natuurlijke verbintenis resteert. 4 Het gevolg hiervan is in het onderhavige geval dat de regresvordering van de man op de vrouw voor een bedrag van € 50.809,35 (hierna: de regresvordering van de man) niet meer voldoet aan een van de vereisten uit art. 6:127 lid 2 BW: dienaangaande is de man niet langer bevoegd tot “het afdwingen van de betaling van de vordering”. De man kan de regresvordering dus niet zonder meer in een verrekening betrekken.

4.5.3

Het hof wijst in dit verband op art. 6:131 lid 1 BW, zie onder 4.4.2 hiervoor. De bepaling luidt:

“De bevoegdheid tot verjaring eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering.”

Dit behelst een uitzondering op voornoemde vereiste dat een schuldenaar bevoegd moet zijn tot “het afdwingen van de betaling van de vordering”. De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering, in dit geval dus de regresvordering van de man, verjaart.

4.5.4

De achterliggende gedacht van art. 6:131 lid 1 BW is blijkens de wetsgeschiedenis dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis. 5 Deze verruimde verrekeningsbevoegdheid sluit aan bij art. 6:56 BW, op grond waarvan ook een beroep op opschorting kan worden gedaan als die bevoegdheid reeds bestond vóór verjaring van de vordering op de wederpartij die nakoming vordert. 6

4.5.5

Art. 6:131 lid 1 BW kent wel beperkingen, want schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van die verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening beroept, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.

4.5.6

Ik wijs op een Hoge Raad-arrest van eerder dit jaar: 7

“(…) Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. De ratio van deze bepaling is dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de in art. 6:127 lid 1 BW bedoelde verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis. 8 De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid dus voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart, maar schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.”

4.5.7

Gelet daarop is volgens de Hoge Raad “in zijn algemeenheid onjuist” het daar bestreden oordeel van het gerechtshof “dat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt”. 9

4.5.8

Blijkens rov. 2.15 van het arrest onderkent het hof dat de vrouw in het kader van grief 6 van de man heeft betwist dat aan de voorwaarden voor verrekening is voldaan, onder meer omdat art. 6:131 lid 1 BW daaraan in de weg staat. Want deze verrekening betreft (i) de regresvordering van de man op de vrouw met (ii) de mogelijke overbedelingsvordering van de vrouw op de man, maar (i) is verjaard voordat (ii) is ontstaan. 10 Uit het vervolg van rov. 2.15 blijkt dat het hof dit betoog van de vrouw verwerpt, vanuit de rechtlijnige gedachte 11 dat op grond van art. 6:131 lid 1 BW de verjaring van een vordering er niet (“dus niet”) aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt.

4.5.9

Gelet ook op 4.5.1-4.5.7 hiervoor, meen ik dat dit oordeel van het hof in zijn algemeenheid onjuist is. Dit betekent dat subonderdeel I.1 gegrond is.

4.6

Daarbij betrek ik nog het volgende.

4.6.1

Door de man is in cassatie aangevoerd dat verrekening hier toch is toegestaan, omdat de vordering en de schuld voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (want zowel de vordering als de schuld houdt verband met de gezamenlijke aankoop van het huis door de man en de vrouw) en in een dergelijk geval “verrekening te allen tijde [is] toegestaan”. 12

4.6.2

M.i. kan een dergelijke breed werkende, extensieve uitleg van art. 6:131 lid 1 BW niet worden aangenomen naar geldend recht. 13 Ik wijs in het bijzonder op het onder 4.5.6-4.5.7 hiervoor bedoelde Hoge Raad-arrest van eerder dit jaar, waarmee zo’n uitleg zich niet laat rijmen. 14 Zie bijvoorbeeld ook deze duiding van dit Hoge Raad-arrest door annotator Schuijling: 15

“(…) art. 6:131 lid 1 BW beschermt slechts een reeds vóór voltooiing van de verjaring bestaande verrekeningsbevoegdheid en schept geen bevoegdheid om een verjaarde tegenvordering te verrekenen met schulden die eerst ná de verjaring ontstaan (r.o. 3.2). (…) Art. 6:131 lid 1 BW beschermt dus alleen een verrekeningsbevoegdheid die al bestond ten tijde van de verjaring (TM, Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 503). De bepaling kan niet dienen als grondslag voor verrekening van een reeds verjaarde tegenvordering met een schuld die pas na voltooiing van de verjaring ontstaat. Toegepast op deze zaak betekent dit dat afnemers hun verjaarde (vermeende) vorderingen uit onverschuldigde betaling van aansluitbijdragen niet op grond van art. 6:131 lid 1 BW kunnen verrekenen met betalingsverplichtingen voor warmte die eerst na de verjaring ontstaan. Het oordeel van het hof is daarom, aldus de Hoge Raad, “in zijn algemeenheid onjuist” (r.o. 3.2).”

4.6.3

Kortom, het onder 4.6.1 hiervoor bedoelde betoog van de man gaat niet op.

4.6.4

Door de man is in cassatie verder aangevoerd dat indien hij “op zichzelf toch niet bevoegd zou zijn tot verrekening”, dus vanwege art. 6:131 lid 1 BW in verbinding met de verjaring van zijn regresvordering, “het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar [zou] zijn (art. 6:2 lid 2 BW) als de man niet zou kunnen verrekenen. Dit omdat de vordering en de schuld uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien”. 16, 17

4.6.5

M.i. is een dergelijke correctie op de werking van art. 6:131 lid 1 BW in een concreet geval niet ondenkbaar, maar, anders dan de man hier suggereert, geen automatisme. Dit vergt immers een weging van de omstandigheden van het concrete geval, afgezet tegen de maatstaf van art. 6:2 lid 2 BW. Daarbij kan de omstandigheid dat vordering en schuld uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien uiteraard een rol spelen, maar toch niet een op voorhand bepalende. Ik citeer nogmaals annotator Schuijling: 18

“De afnemers resteert nog een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) : onder bijzondere omstandigheden kan het onaanvaardbaar zijn dat de exploitant hen een verrekeningsmogelijkheid ontzegt, ook al ontbreekt die “in haar algemeenheid”. (…) 19 Vooral de nauwe samenhang tussen de verjaarde vorderingen en de later ontstane schulden - die verband houden met dezelfde warmteleveringsovereenkomst - kan daarbij gewicht in de schaal leggen. Deze benadering sluit aan bij art. 6:130 BW. (…). 20

4.6.6

Kortom, het onder 4.6.4 hiervoor bedoelde betoog van de man gaat evenmin op.

4.7

Overigens heeft de man in het kader van 4.6.4 hiervoor opgemerkt dat hij “heeft gesteld dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”. 21

4.7.1

Op de desbetreffende vindplaatsen - of elders in de gedingstukken van de man in feitelijke instanties - lees ik evenwel géén te onderscheiden betoog met als inhoud of strekking dat indien hij hier op zichzelf toch niet bevoegd zou zijn tot verrekening vanwege art. 6:131 lid 1 BW, dus omdat zijn regresvordering op de vrouw is verjaard voordat de mogelijke overbedelingsvordering van de vrouw op hem is ontstaan, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW) als hij ter zake niet zou kunnen verrekenen. 22, 23 Dit ondanks het expliciet zijdens de vrouw gedane beroep op art. 6:131 lid 1 BW in verbinding met verjaring van de regresvordering van de man. 24

4.7.2

Dat zo’n betoog van de man ontbreekt in die gedingstukken verbaast ook niet, want hij heeft daarin onverkort aangevoerd: 25

Grief 6:

26. Voor het geval het hof een beroep op verjaring honoreert, beroept de man zich in het kader van de betaling van de overbedelingsvordering (…) op verrekening ex art. 6:131 lid 1 BW. (…).

Toelichting:

27. De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring. (…).” 26

Bij deze opvatting, die dus onjuist is en het hof ten onrechte volgt (zie rov. 2.15), wordt aan zo’n betoog niet toegekomen.

4.7.3

Kortom, ook in zoverre gaat het onder 4.6.4 hiervoor bedoelde betoog van de man niet op.

4.8

Nu subonderdeel I.1 gegrond is en daarmee het bestreden oordeel van het hof al onderuit gaat, behoeft subonderdeel I.2 geen verdere bespreking meer.

Onderdeel II

4.9

Het onderdeel klaagt, met subonderdeel II.1, ten eerste dat het hof in rov. 2.15 van het arrest art. 23 Rv miskent. Want ondanks de - volgens de vrouw terechte 27 - vooropstelling in rov. 2.15, eerste twee zinnen, 28 beslist het hof dat de man het bedrag van € 50.809,35 mag verrekenen met de vordering die de vrouw alsdan op de man heeft in verband met de verrekening van de overwaarde. Uit art. 23 Rv volgt immers ook a contrario dat de rechter niets mag toewijzen dat niet gevorderd is, het is de rechter verboden ultra petita te gaan. Voor zover het hof van oordeel is dat deze beslissing in de vordering besloten ligt, is dit oordeel onbegrijpelijk, nu enige toelichting ontbreekt.

Behandeling

4.10

Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.

4.10.1

De vrouw mist belang bij het onderdeel, gelet op het slagen van onderdeel I. Daarmee is het bestreden oordeel immers reeds van tafel. Dit is al fataal.

4.10.2

Bovendien mist het onderdeel feitelijke grondslag, nu het eraan voorbijgaat dat het hof in rov. 2.15 van het arrest het beroep van de man op verrekening, overigens niet onbegrijpelijk, 29 opvat als een verweer van de man tegen de mogelijke overbedelingsvordering van de vrouw, 30 en dit honoreert.

Onderdeel III

4.11

Het onderdeel stelt dat indien een of meer klachten van de onderdelen I en II slagen, dit ook het dictum van het arrest aantast.

Behandeling

4.12

Het onderdeel treft doel, in het verlengde van onderdeel I.

4.13

Kort en goed: het slagen van onderdeel I tast ook het dictum van het arrest aan, voor zover dit voortbouwt op of onverbrekelijk samenhangt met het door onderdeel I met succes bestreden oordeel in rov. 2.15, te weten dat als de man er in slaagt het huis uit de gemeenschap over te nemen hij het bedrag van € 50.809,35 kan verrekenen met de vordering die de vrouw dan heeft op de man in verband met verrekening van de overwaarde.

4.14

Dit behoeft geen verdere toelichting.

Slotsom

4.15

Het cassatiemiddel van de vrouw is derhalve terecht voorgesteld.

5Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

5.1

Het incidentele cassatieberoep van de man is ingesteld “voor het geval dat een of meer klachten van het principale cassatieberoep” van de vrouw “zouden slagen”. Nu aan deze voorwaarde is voldaan, kom ik toe aan bespreking van dit cassatieberoep.

5.2

Het incidentele cassatiemiddel van de man bestaat uit een ongenummerd onderdeel met vijf klachten. Het is gericht tegen rov. 2.11 van het arrest.

“Is de rechtsvordering van de man op de vrouw verjaard? (rov. 2.11)”

5.3

Het onderdeel heeft als hoofdklacht dat onjuist en/of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 2.11 van het arrest dat zou slagen het verweer van de vrouw dat de regresvordering van de man op haar verjaard is. Dit werkt het onderdeel, samengevat, als volgt uit.

a. Het hof miskent dat de aanvullende dan wel beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW en/of art. 6:248 BW) meebrengt dat de regresvordering van de man pas opeisbaar geworden is bij het einde van de relatie van de man en de vrouw. De langdurige affectieve relatie van de man en de vrouw die met hun kind samenleefden in het huis, brengt mee dat het onredelijk dan wel onaanvaardbaar zou zijn indien de man zijn regresvordering zou kunnen opeisen zolang hun relatie voortduurde. Dat de man zijn regresvordering niet heeft opgeëist tijdens de relatie is een aanwijzing dat de man en de vrouw geen directe opeisbaarheid beoogd hebben. Nu volgens de stellingen van de man en de vrouw de relatie is geëindigd op enig moment tussen september 2021 en augustus 2022, is de vijfjarige verjaringstermijn op zijn vroegst gaan lopen in september 2021 en is de termijn nog niet verstreken.

b. Het hof miskent dat, indien de regresvordering van de man wel terstond opeisbaar zou zijn, de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW op grond van art. 3:307 lid 2 BW pas is gaan lopen van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de man aan de vrouw medegedeeld heeft tot opeising over te gaan, namelijk op 22 augustus 2022. De man en de vrouw hebben zich namelijk op grond van een overeenkomst met de verkoper van het huis hoofdelijk verbonden tot betaling van de hele koopprijs, waarbij geen termijn voor nakoming bepaald is. De regresvordering van de man is daarom een verbintenis uit overeenkomst tot nakoming na onbepaalde tijd. De vijfjarige verjaringstermijn is daarom pas gaan lopen op 23 augustus 2022 en thans nog niet verstreken.

c. Het hof miskent dat, indien de vijfjarige verjaringstermijn in februari 2017 zou zijn gaan lopen, het had moeten onderzoeken: (a) of art. 3:320 BW en art. 3:321 lid 1, aanhef en onder a BW ambtshalve toegepast moeten worden, nu de man en de vrouw met gehuwden gelijkgesteld moeten worden; dan wel (b) of de bepalingen ambtshalve naar analogie toegepast moeten worden. De man en de vrouw hadden sinds 2007 een affectieve relatie, kregen in 2009 een kind, woonden vanaf 2012 ongehuwd samen en zijn sinds 2017 gezamenlijk eigenaar van het huis. Het hof had gelet daarop reden om te onderzoeken of er grond bestaat voor toepassing (naar analogie) van de bepalingen. Het kan niet, althans niet in beginsel, van iemand verwacht worden dat hij een stuitingshandeling verricht jegens een persoon met wie hij (gehuwd of ongehuwd) samenwoont, omdat dit schadelijk is voor de onderlinge verhoudingen. Juist daarom bepaalt de wet dat er tussen niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten en tussen geregistreerde partners een grond is voor verlenging van de verjaring. Het past daarom in het systeem van het recht, en het sluit aan bij de in de wet geregelde gevallen, om ook bij ongehuwd samenwonenden de verjaringstermijn te verlengen.

d. Het hof miskent dat, indien de regresvordering van de man verjaard zou zijn, het beroep van de vrouw op die verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verwezen wordt naar de onder c hiervoor genoemde argumenten. De man heeft ook gesteld dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is gezien de gangbare feitelijke praktijk bij gehuwden, waarbij vermogensrechtelijke kwesties (ook) eerst bij het einde van de affectieve relatie aan bod komen.

e. Als het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

Behandeling

5.4

Het onderdeel treft doel, gelet op het volgende.

5.5

Ik zie aanleiding te starten met klacht b 31 in verbinding met klacht e.

5.6

In rov. 2.1, 2.3 en 2.8-2.11 van het arrest oordeelt het hof als volgt:

“2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond op het [adres] , in een huis dat op 2 februari 2017 aan hen samen is geleverd, ieder voor de onverdeelde helft (hierna: het huis). Partijen zijn het er niet over eens hoe en wanneer de relatie precies is geëindigd maar zeker is dat deze in augustus 2022 beëindigd was. Partijen verschillen ook van mening over de wijze waarop zij met elkaar moeten afrekenen. In hoger beroep gaat het voornamelijk over het huis.

(…)

2.3 (…)

Sinds partijen uit elkaar zijn woont de man, samen met de minderjarige zoon van partijen, in het huis en betaalt hij alle lasten, waaronder de aflossing.

(…)

2.8

In de grieven 2 en 3 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft vastgesteld dat hij een vordering op de vrouw heeft in verband met de betaling van € 101.618,69. Hij beroept [zich] op artikel 6:6 BW en de jurisprudentie van dit hof over die rechtsgrond. 32 De vrouw betwist de vordering en motiveert dit met een beroep het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019. 33 Volgens de vrouw kan de vordering ook niet gebaseerd worden op de artikelen 6:6 of 3:172 BW.

2.9

Het hof is van oordeel dat de grief van de man slaagt. De artikelen 6:6 en 6:10 BW zijn van toepassing. Partijen hebben het huis samen gekocht en het is hen samen geleverd. Tegenover de verkoper hebben zij zich hoofdelijk verbonden tot betaling van de hele koopprijs. Partijen hebben samen, door middel van de hoofdelijk aangegane hypothecaire lening, een deel van de koopprijs voldaan en de rest is betaald door de man. De man heeft daarmee meer dan de helft betaald van de hoofdelijke schuld aan de verkoper. De vrouw heeft geen argumenten aangedragen waarom die door de man betaalde hoofdelijke schuld haar niet voor de helft aangaat, terwijl zij wel de helft van het huis in eigendom heeft gekregen. De man heeft € 50.809,35 meer betaald dan hem in de onderlinge verhouding tot de vrouw aangaat en dus heeft de man voor dat bedrag een vordering op de vrouw.

2.10

De vrouw heeft ook gesteld dat een mogelijke regresvordering van de man is verjaard. Zij stelt dat de vordering van de man is ontstaan op 2 februari 2017 en pas voor het eerst is opgeëist op 22 augustus 2022, meer dan vijf jaar later. De man heeft in de onderbouwing van zijn vierde grief gesteld [dat] het beroep van de vrouw op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het gaat om een minimale termijnoverschrijding, de rechtszekerheid niet in het geding is en de man niet wist dat hij de verjaring diende te stuiten.

2.11

Het hof oordeelt dat het beroep van de vrouw op verjaring niet onaanvaardbaar is en slaagt. Artikel 6:38 BW bepaalt dat een vordering, als er geen termijn voor nakoming is bepaald, direct opeisbaar is. Dat betekent in dit geval dat de vordering van de man opeisbaar is vanaf de datum van het passeren van de leveringsakte en de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn zodat op grond van artikel 3:307 BW de verjaring was voltooid voordat de man zijn vordering heeft opgeëist. Verjaring is een wettelijke regeling van dwingend recht. Het toepassen van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet daarop zeer terughoudend worden toegepast. De door de man aangevoerde argumenten zijn daartoe onvoldoende. Het verweer van de vrouw dat de vordering van de man op haar voor een bedrag van € 50.809,35 is verjaard slaagt daarom.”

5.7

Het is verder dienstig, met instemming, te citeren uit twee conclusies van A-G Hartlief.

5.7.1

Ik doel op: 34

“3.46 Art. 3:307 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. 35

3.47

Dit aanvangstijdstip (het moment van opeisbaarheid) is niet voor alle gevallen even redelijk. Er zijn namelijk ook gevallen waarbij in de overeenkomst zelf al besloten ligt dat de opeising van de prestatie niet binnen een afzienbare tijd zal plaatsvinden. 36Voor die specifieke gevallen is de bijzondere regel in het tweede lid van art. 3:307 BW opgenomen. 37Daarin is bepaald dat bij een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de in lid 1 bedoelde verjaringstermijn aanvangt vanaf de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Daarmee is het aanvangstijdstip van de verjaring afhankelijk gesteld van het moment van de opeising door de schuldeiser. Om te voorkomen dat bepaalde vorderingen hierdoor in het geheel niet voor verjaring vatbaar zouden zijn, is in dit tweede lid ook bepaald dat de vordering in elk geval verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising op zijn vroegst mogelijk was. 38

3.48

Anders dan de Gemeente hier stelt, is een verbintenis waarbij “geen tijd voor de nakoming is bepaald” in de zin van art. 6:38 BW, niet hetzelfde als een “verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd” als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW. Voor de toepasselijkheid van de verjaringsregel uit art. 3:307 lid 2 BW is het enkele feit dat partijen geen tijd voor de nakoming zijn overeengekomen in de zin van art. 6:38 BW onvoldoende. De toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW is afhankelijk van de uitleg van de betreffende overeenkomst. In dat verband is bepalend of partijen beoogden dat de vordering op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, zal worden opgeëist. 39Anders gezegd: ligt in de overeenkomst besloten dat opeising, indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden? 40

3.49

Hier heeft het hof, begrijpelijkerwijs, niet aangenomen dat partijen beoogden dat de Gemeente ook na vervulling van de voorwaarden in artikel 5 haar vordering niet binnen afzienbare tijd zou opeisen. Aanknopingspunten voor de toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW zijn immers gesteld noch gebleken.”

5.7.2

En op: 41

“3.21 De verjaringsregeling voor informeel samenlevenden is daarmee op zich duidelijk: art. 3:306-310 BW zijn rechtstreeks van toepassing op hun vorderingsrechten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn een aanvang kan nemen gedurende het informele samenleven. 42 Uitzonderingen op dat uitgangspunt zijn echter denkbaar, zoals blijkt uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:307 BW (…) (met onderstreping door mij):

“Het voormelde aanvangstijdstip [van art. 3:307 lid 1 BW, A-G] 43 is evenwel niet voor alle gevallen redelijk. Er zijn immers gevallen waarin in de overeenkomst zelf al opgesloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Men denke aan (…). Ook kan gedacht worden aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich bij voorbeeld verplichten bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning, terwijl, zolang de samenleving duurt, geen reden wordt gezien om deze bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen. (…) Met het oog op dit een en ander is in artikel 3.11.11 [3:307 BW, A-G] lid 2 een bijzondere regel opgenomen voor het geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. (…) In al deze gevallen begint de in lid 1 bedoelde termijn van vijf jaren pas met de aanvang van de dag waartegen de schuldeiser aan de schuldenaar heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Zolang dit niet is geschied, begint derhalve de voormelde termijn niet te lopen”. 44 45

5.8

Dan zet ik nu, tegen deze achtergrond, de stap naar het arrest.

5.8.1

Naar daaruit blijkt, is het in de onderhavige zaak duidelijk - en aldus het hof minst genomen gebleken - dat sprake is:

- van samenlevenden (zie rov. 2.1 en 2.3 over de man en de vrouw, die een affectieve relatie hadden, hebben samengewoond in het huis en samen een kind hebben),

- die zich hebben verplicht bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning (zie rov. 2.8-2.9 over de financiering van de aankoop van het gemeenschappelijke huis, specifiek de door de man betaalde hoofdelijke schuld die de vrouw voor de helft aangaat, wat zich vertaalt in de regresvordering van de man),

- terwijl door hen, zolang de samenleving duurde, geen reden werd gezien om de desbetreffende bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen (zie rov. 2.1 en 2.10-2.11, waaruit volgt dat de man zijn regresvordering eerst heeft opgeëist op 22 augustus 2022, de maand waarvan zeker is dat daarin de affectieve relatie tussen de man en de vrouw beëindigd was). 46, 47

5.8.2

Daarbij wijs ik nog op het volgende.

5.8.3

Ten eerste dit. Nadat het hof in rov. 2.9 oordeelt dat hier art. 6:6 BW en art. 6:10 BW van toepassing zijn, herleidt het hof de regresvordering van de man blijkens rov. 2.11 naar een (rechts)vordering jegens de vrouw tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen in de zin van art. 3:307 BW. Dat het hof redeneert vanuit dit laatste, oftewel een ‘contractuele’ regresvordering van de man, is helder: in rov. 2.11 plaatst het hof de verjaringsvraag inzake de regresvordering van de man immers in de sleutel van [[“artikel 3:307 BW”, niet die van art. 3:310 BW]]. 48

5.8.4

Ten tweede dit. Het antwoord van het hof op die verjaringsvraag in rov. 2.11 is dat de regresvordering van de man is verjaard. Kort en goed: nu gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn voor nakoming van die vordering, geldt blijkens de hoofdregel van art. 6:38 BW dat die vordering opeisbaar is vanaf de datum van het passeren van de leveringsakte en de daaruit voortvloeiende verplichtingen (op 2 februari 2017), zodat de vijfjaarstermijn in art. 3:307 lid 1 BW - die het hof hier aanhoudt - was voltooid voordat de man die vordering heeft opgeëist (op 22 augustus 2022).

5.8.5

Ten derde dit. In rov. 2.10-2.11 oordeelt het hof niet dat de man heeft erkend dat de verjaringstermijn betreffende zijn regresvordering is begonnen te lopen op het door de vrouw gestelde moment, neerkomend 2 februari 2017, laat staan dat die verjaring is voltooid. 49, 50 Het is niet voor niets dat het hof in rov. 2.11 het erop gooit dat “[g]esteld noch gebleken is dat hier sprake is van een overeengekomen termijn”, en langs die weg eerst beziet - zie nader onder 5.8.7-5.8.8 hierna - of de regresvordering van de man is verjaard alvorens hij die vordering heeft opgeëist (antwoord: ja), voordat het hof beoordeelt of het verjaringsberoep van de vrouw inzake de regresvordering van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijk onaanvaardbaar is (antwoord: nee). Was volgens het hof wel sprake geweest van zo’n erkenning door de man, dan had ‘s hofs oordeel inzake de verjaring van de regresvordering van de man logischerwijs aanmerkelijk korter geluid.

5.8.6

Evenmin lees ik trouwens in rov. 2.10-2.11 dat volgens het hof de man en/of de vrouw zou(den) hebben aangevoerd dat de verjaringsvraag inzake zijn regresvordering moet worden geplaatst in de sleutel van art. 3:307 BW (laat staan specifiek lid 1 daarvan). Daarbij betrek ik dat de vrouw zich ter zake in hoger beroep juist nadrukkelijk had beroepen op art. 3:310 lid 1 BW onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het hof, 51 die het hof hier dus niet volgt. En dat ook ter mondelinge behandeling bij het hof de regeling van art. 3:307 BW (laat staan specifiek lid 1 daarvan) niet kenbaar ter sprake is gekomen, evenmin zijdens de man. 52, 53 Het hof gaat in rov. 2.11 eigener beweging voor het anker van art. 3:307 BW liggen, specifiek dus lid 1 daarvan in verbinding met art. 6:38 BW, naar ik begrijp in het verlengde van rov. 2.9. 54

5.8.7

Ten vierde, en ten slotte, dit. In rov. 2.11 verwijst het hof naar art. 6:38 BW, maar oordeelt het niet dat een verbintenis waarbij “geen tijd voor de nakoming is bepaald” in de zin van art. 6:38 BW, hetzelfde is als een “verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd” in de zin van art. 3:307 lid 2 BW. Het hof oordeelt daar immers dat er voor de regresvordering van de man niet zo’n tijd voor de nakoming is bepaald (geen “sprake is van een overeengekomen termijn”), zonder daaraan de conclusie te verbinden dat ‘dus’ wat betreft art. 3:307 BW het lid 2-regime van toepassing is. Want het hof ziet blijkens rov. 2.11, kennelijk met inachtneming van wat in de onderhavige procedure is gesteld/gebleken 55 en ondanks hetgeen aan de orde kwam onder 5.8.1, 5.8.3 en 5.8.5-5.8.6 hiervoor, 56 grond voor toepassing van het lid 1-regime van de bepaling, derhalve niet voor toepassing van het lid 2-regime daarvan. Zie onder 5.8.4 hiervoor.

5.8.8

Dat het hof zich (naar in rov. 2.11 besloten ligt) aldus eerst afvraagt welk regime het binnen de regeling van art. 3:307 BW gaat toepassen en vervolgens kiest voor dat van lid 1 daarvan (in verbinding met art. 6:38 BW) , waarop de expliciete verjaringsanalyse in rov. 2.11 zich dan toespitst, strookt ook daarmee dat partijen hun discussie rond de verjaring van de regresvordering van de man dus niet hebben geplaatst in de sleutel van art. 3:307 BW. 57 Zoals gezegd, het hof gaat in rov. 2.11 zélf voor dit anker liggen, waarbij het zich dan logischerwijs eerst voor de vraag gesteld ziet welk regime het binnen de bepaling van toepassing acht: dat van lid 1 of dat van lid 2 daarvan. 58

5.9

Dit een en ander leidt mij, voor zover relevant bij de bespreking van het onderdeel, tot deze uitkomst.

5.9.1

In het licht van het voorgaande heeft het hof met zijn in rov. 2.11 vervatte oordeel over de verjaring van de regresvordering van de man hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

5.9.2

Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake indien het hof, waar het, uitgaande van de regeling van art. 3:307 BW, 59 beziet welk regime het binnen die regeling gaat toepassen (dat van lid 1 of dat van lid 2 daarvan), miskent dat hier sprake kan zijn van een geval waarin in de overeenkomst tussen de man en de vrouw 60 zelf al besloten ligt dat de opeising van de regresvordering van de man, 61 indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden en zodoende sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, zodat dít regime - en niet dat van art. 3:307 lid 1 BW - hier van toepassing is.

5.9.3

Als het hof dat niet miskent, is diens keuze voor het regime van art. 3:307 lid 1 BW (in verbinding met art. 6:38 BW) zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk. In het bijzonder is dan onvoldoende gemotiveerd waarom volgens het hof, ondanks voorliggende kenmerken van deze zaak die wijzen richting toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW, de man en de vrouw met voornoemde overeenkomst niet beoogden dat de regresvordering van de man op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, zal worden opgeëist.

5.9.4

Ik meen dat het onderdeel dit, in het bijzonder dus met klacht b in verbinding met klacht e, in afdoende mate aan de orde stelt om succes te boeken.

5.9.5

Tot slot: het betreft hier geen ‘lood om oud ijzer’, gelet op het voorstelbare verschil in uitkomst bij toepassing van art. 3:307 lid 1 BW dan wel art. 3:307 lid 2 BW.

5.10

Bij deze stand van zaken ontvalt reeds de bodem aan rov. 2.11 en behoeven de overige klachten in het onderdeel geen bespreking.

Slotsom

5.11

Het cassatiemiddel van de man is derhalve terecht voorgesteld.

6Afronding

6.1

Gelet op 4.15 en 5.11 hiervoor kan het arrest m.i. niet in stand blijven.

6.2

Ik acht verwijzing van het geding ter verdere beoordeling en beslissing aangewezen.

7Conclusie

De conclusie strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2025, en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2025, zaaknummer 200.341.109 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

2

Zo speelden tussen partijen nog andere vorderingen dan de navolgende. Deze zijn in de onderhavige cassatieprocedure niet van belang en laat ik daarom verder rusten.

3

Zie Rb. Gelderland 7 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:599

4

Zie bijv. Asser/C.H. Sieburgh, De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte (6-II), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 387, 390.

5

Zie TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 503.

6

Zie bijv. R.J.Q. Klomp, GS Verbintenissenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (actueel t/m 5 november 2025), art. 6:56 BW, aant. 3.

7

Zie HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, NJ 2026/67, rov. 3.2, eerste alinea.

8

[Noot in het origineel, A-G:] Parl. Gesch. Boek 6, p. 503.

9

Zie HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, NJ 2026/67, rov. 3.2, tweede alinea. Zie ook de conclusie van A-G Hartlief voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2025:970), onder 3.32.

10

Zie bijv. de MvA, nrs. 47-48, waaronder: “Verder is de vordering van de man al op 2 februari 2022 verjaard, nog voordat de overbedelingsvordering van de vrouw op de man ontstond, waardoor de man geen succesvol beroep kan doen op verjaring op grond van artikel 6:131 lid 1 BW”. Zie over die verjaring bijv. ook nr. 27 aldaar.

11

En in lijn met het betoog van de man. Zie de MvG, nrs. 26-27. Zie trouwens ook rov. 2.17, waarin het hof kenbaar maakt de man nog een laatste gelegenheid te bieden om het aandeel van de vrouw in het huis over te nemen: “Het is wel zaak dat zo snel mogelijk duidelijk wordt of de man de woning kan overnemen tegen de nog te taxeren waarde. Mocht dat niet het geval zijn dan moet direct tot verkoop worden overgegaan”.

12

Zie de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.1, met verwijzingen, mede naar N.E.D. Faber, Verrekening (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, nr. 83, p. 87.

13

Zie bijv. ook R.J.Q. Klomp, GS Verbintenissenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2026 (actueel t/m 2 maart. 2026), art. 6:131 BW, aant. 5.

14

Het valt op dat de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.1 geen gewag maakt van dit Hoge Raad-arrest, al dateert deze toelichting (6 februari 2026, ingediend op 5 februari 2026) van ruim na dit arrest (23 januari 2026, diezelfde dag gepubliceerd op rechtspraak.nl) en noemt deze toelichting wel de conclusie van A-G Hartlief voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2025:970), onder 3.31.

15

Zie B.A. Schuijling in JOR 2026/142, onder 2, 4.

16

Zie de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.2, met verwijzingen naar Faber 2005, nr. 83, p. 87; HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, NJ 1992/686, rov. 3.5; en (‘vgl.’) HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:377, NJ 2019/365, rov. 3.5.

17

In de schriftelijke toelichting van de man, nr. 5.2, noot 6 merkt de man nog op: “De man heeft gesteld dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zie memorie van grieven-§ 23, 26 en 27”. Daarop kom ik terug vanaf 4.7 hierna.

18

Zie Schuijling 2026, onder 5.

19

Toevoeging A-G: hier verwijst Schuijling via ‘vgl.’ naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:377, NJ 2019/365.

20

Toevoeging A-G: hier verwijst Schuijling via ‘vgl.’ naar Faber 2005, nr. 83; annotator P. van Schilfgaarde in NJ 1992/686, onder 6; en HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0492, NJ 1992/686.

21

Zie noot 16 hiervoor.

22

Zie ook de repliek in cassatie van de vrouw, nr. 1.3.

23

Oftewel: dat een beroep van de vrouw op art. 6:131 lid 1 BW in verbinding met verjaring van die vordering van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 BW) .

24

Zie mede noot 10 hiervoor. Daarop heeft de man niet kenbaar gerespondeerd bij het hof, zie de MvA inc. en het p-v. Integendeel, zie noot 26 hierna.

25

Zie de MvG, nrs. 26-27. Nr. 23 aldaar betreft alleen de onder 4.7 hiervoor bedoelde stellingname van de man.

26

Toevoeging A-G: zie ook het p-v, p. 21: “Mr. Wolkenfelt [advocaat van de man, A-G]: (…) In art. 6:131 is geregeld dat verjaring van een vordering niet in de weg staat aan een beroep op verrekening”. En: “Mr. Wolkenfelt: Mijn cliënt heeft een beroep gedaan op verrekening met de overbedelingsvordering”.

27

Zie deel A, onder 1 over “rov. 2.15, waar het hof terecht oordeelt dat de man aan zijn stelling omtrent verrekening van de verjaarde vordering geen vordering in zijn petitum verbindt”.

28

Dus: “In grief 6 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een eventueel verjaarde vordering nog steeds voor verrekening in aanmerking komt. Hij verbindt hieraan in zijn petitum geen vordering”.

29

Zie bijv. de MvG, nrs. 26-27 en het p-v, p. 20-21, waaronder: “Mr. Wolkenfelt: Mijn cliënt heeft een beroep gedaan op verrekening met de overbedelingsvordering. Dat houdt ermee verband dat je het niet zelfstandig kunt vorderen, ervan uitgaande dat de vordering van € 50.809,35 is verjaard. Volgens mij hoef je dat dus verder niet in het petitum naar voren te brengen”.

30

Zie bijv. OM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 503 en TM en MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 503-504. Daaruit volgt dat een lid van ontwerpartikel 6.1.10.8 (nu: art. 6:131 BW) , dat bepaalde dat verrekening in iedere stand van het geding en zelfs na de uitspraak was toegestaan, was opgenomen onder meer om duidelijk te maken dat “de (…) regel van concentratie van het verweer niet belet dat de gedaagde na zijn antwoord alsnog tot verrekening overgaat en hieraan een verweer ontleent”. Het lid is vervolgens geschrapt, omdat het verwoordt wat al voldoende vaststaat. Zie ook art. 6:136 BW over de mogelijkheid van verrekening als verweer, en verder bijv. Faber 2005, nr. 97; B.A. Schuijling, Verrekening, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 16; en H.W.B. thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 146, 249.

31

Die verwijst naar rov. 2.9-2.10 van het arrest; MvT Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1410, 1411 (daaruit citeert de klacht ook); en A.G.F.M. Flos & J.L. Smeehuijzen, ‘Verjaring van vergoedingsrechten tussen ongehuwde samenwoners’, WPNR 2024/7460, § 4.2.

32

Toevoeging A-G: gedoeld wordt op Hof Arnhem-Leeuwarden 31 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4364. Zie de MvG, nrs. 10, 12.

33

[Noot (i) in het origineel, A-G:] HR 10 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:707.

34

Zie de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2021:358) voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:960, RvdW 2021/662.

35

[Noot 24 in het origineel, A-G:] Art. 6:38 en 6:39 BW zien op de opeisbaarheid van een verbintenis. Art. 6:38 BW geeft het uitgangspunt: indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan terstond nakoming worden gevorderd.

36

[Noot 25 in het origineel, A-G:] Daarbij kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan de teruggaveverbintenis van de bewaarder bij bewaargeving voor onbepaalde tijd, aan renteloze leningen en voorschotten die tussen familieleden worden verstrekt en die jarenlang een slapend bestaan leiden totdat de nalatenschap van de uitlener openvalt en aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich verplichten bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning, terwijl, zolang de samenleving duurt, geen reden wordt gezien om deze bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1410-1411.

37

[Noot 26 in het origineel, A-G:] Daarbij kan het zowel gaan om opeisbare verbintenissen als om verbintenissen die gedurende een zekere tijd niet opeisbaar zijn. Bepalend is steeds of in de overeenkomst besloten ligt dat opeising, indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 404.

38

[Noot 27 in het origineel, A-G:] Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1411.

39

[Noot 28 in het origineel, A-G:] Zie J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring, diss., Deventer: Kluwer 2008, p. 203 met verdere uitwerking van het onderscheid tussen art. 6:38 BW en art. 3:307 lid 2 BW. Ik verwijs in dit verband ook nog naar de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2016:1006) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2988, NJ 2017/25 en JA 2017/25 m.nt. M.R. Hebly, randnummers 4.10 e.v.

40

[Noot 29 in het origineel, A-G:] Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 404.

41

Zie de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2024:139) voor HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1598, RvdW 202/1073.

42

[Noot 45 in het origineel, A-G:] Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:328, randnummer 3.31, met verdere verwijzing) voor HR 23 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936, NJ 2023/145 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2023, p. 134 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2023/17 m.nt. D.A.C. Smulders en Vp-bulletin 2023/22 m.nt. S.G.M.J. Rebbens & J.M.P. Tobben.

43

Toevoeging A-G: zie ook deze conclusie van A-G Hartlief, onder 3.20: “Een vordering op grondslag (1) verjaart in beginsel door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (art. 3:307 lid 1 BW) ”.

44

[Noot 46 in het origineel, A-G:] Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1410-1411. Zie hierover ook Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman & F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 572: “In dit verband wijzen wij verder op de mogelijkheid dat een vergoedingsrecht tussen ongehuwde samenlevers een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, waardoor de korte verjaringstermijn van vijf jaar niet [bedoeld zal zijn: wel, gelet op art. 3:307 lid 2 BW, A-G] eerst aanvangt als tot opeising is overgegaan. Bij art. 3:307 lid 2 BW heeft de wetgever (…) immers onder meer gedacht aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich verplichten bij te dragen in de kosten van aankoop van een gemeenschappelijke woning, terwijl gedurende de samenleving geen reden wordt gezien de bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen (Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1411). Wij zouden de grondslag voor een vergoedingsrecht in verband met de aankoop van een woning dan ook in het algemeen eerder willen zoeken in een (eventueel stilzwijgende) overeenkomst tussen de samenlevers, dan (…) in art. 6:10 BW (waarbij op de verjaring art. 3:310 BW van toepassing is).”

45

Toevoeging A-G: zie bijv. ook Flos & Smeehuijzen 2024, p. 334: “Bij de invoering van Boek 3 BW overwoog de minister in de memorie van toelichting expliciet dat de strikte toepassing van art. 3:307 lid 1 BW, verjaring van rechtsvorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, niet geschikt is voor samenwoners”, etc.

46

Zie ook rov. 2.14, waar het hof ervan uitgaat dat tot uiterlijk in augustus 2022 nog sprake was van een gezamenlijke huishouding, daarna niet meer. Zie verder bijv. het p-v, p. 11.

47

De onderhavige klachten (waarvan het middel vraagt ze in onderling verband en samenhang te beschouwen) herhalen het niet, maar door het hele onderdeel heen loopt als rode draad onder meer dat de man en de vrouw sinds 2007 een affectieve relatie hadden, dat zij in 2009 een kind kregen, dat zij vanaf 2012 ongehuwd samen woonden, en dat zij sinds 2017 gezamenlijk eigenaar zijn van het huis. Klacht b wijst dus ook nog op andere aspecten, en verwijst daarbij nadrukkelijk mede (met citaat) naar MvT Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1410, 1411. Het valt op dat hiermee in de schriftelijke toelichting van de vrouw, nrs. 2.2-2.3 inzake klacht b niets noemenswaardigs wordt gedaan.

48

Daarmee volgt het hof m.i. de lijn als bijv. bepleit door Flos & Smeehuijzen 2024, p. 336-338, met verwijzingen. Zij schrijven onder meer: “Het gaat bij ongehuwde samenwoners (…) niet om een wettelijke regresvordering; het betreft een contractuele regresvordering en de hoofdvordering is geen schadevergoedingsvordering. De grondslag voor contractueel regres is gelegen in de overeenkomst waarin partners verklaren hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor hun gezamenlijke schuld. Toepassing van art. 3:307 BW, dat immers de verjaring van de nakoming van de verbintenis uit overeenkomst regelt, ligt dan veel eerder voor de hand [dan toepassing van art. 3:310 BW, A-G]. (…) In de vorige paragraaf is betoogd dat art. 3:307 BW van toepassing is op contractuele regresvorderingen. (…) Waar het gaat om investeringen in een woning, en daarop concentreert zich dit artikel, moet art. 3:310 BW buiten toepassing blijven bij contractuele regresvorderingen”.

49

Dit strookt ook met de stellingname van de man in hoger beroep (die het hof samenvat in rov. 2.10), waar hij aanvoerde dat “indien ervan uit wordt gegaan dat op dat moment” zijn vordering is ontstaan “en daarmee de verjaringstermijn is gaan lopen, de man op[merkt] dat hij in de zomer van 2022 de vrouw heeft laten weten zijn privé geld terug te willen ontvangen” en dat hij, samengevat, “dan ook [meent] dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”. Zie de MvG, nr. 23. Van een erkenning zijdens de man is wel sprake in rov. 2.14, maar daar gaat het over iets anders. Zie ook noot 53, tweede alinea hierna.

50

Het is goed navolgbaar dat het hof zo’n erkenning door de man evenmin afleidt uit het p-v, p. 14-15. Zie ook het p-v, p. 16, waar zijdens het hof wordt opgemerkt: “Dus we hebben de vraag: is er een vordering? Dat hangt ervan af. Het kan zijn dat die verjaard is, als hij er is”. En verder bijv. het p-v, p. 17. Daar wordt zijdens het hof gewezen op de stelling van (de advocaat van) de man dat “als de vordering van meneer in verband met de ongelijke financiering verjaard zou zijn” (dus: áls), hij dan “nog steeds wel verrekend kan worden met de overwaarde”. Ook wordt daar zijdens het hof opgemerkt: “Stel dat het zo is dat meneer een vordering heeft van zo’n € 50.000 in verband met de ongelijke financiering, en die vordering is verjaard”, etc. (dus: stél).

51

Zie bijv. de MvA, nr. 27, onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4553, rov. 5.22-5.24. In eerste aanleg - zie de CvA i.r., nr. 58 - bleef het zijdens de vrouw nog bij een cryptisch beroep op “artikel 3:300 BW” (tweemaal). Ook in het vonnis, rov. 4.26 staat niet hoe de rechtbank dit precies heeft verstaan. Zie verder het p-v, p. 15, waar zijdens het hof wordt onderkend dat de rechtbank in het vonnis “eigenlijk niets [zegt] over” wanneer de verjaringstermijn hier is gaan lopen. Tegen deze achtergrond verrast het ook niet dat de MvG, nr. 23 die verjaringsgrondslag in het midden laat.

52

Zoiets komt niet terug in het p-v. Ik lees zoiets evenmin in het p-v, p. 15. Het gaat mij te ver om uit de korte gedachtewisseling aldaar tussen het hof en de advocaat van de man inzake art. 6:38 BW (zijdens het hof te berde gebracht), of uit het vervolg van het p-v, iets anders op te maken. Zie ook noot 50 hiervoor.

53

Ik lees in het p-v evenmin iets concreets zijdens de vrouw over art. 3:307 BW, laat staan specifiek lid 1 daarvan. Haar advocaat (mr. Anik) valt daar wat betreft de regresvordering van de man terug op het eerder in hoger beroep nadrukkelijk door de vrouw gedane beroep op art. 3:310 lid 1 BW, zie noot 51 hiervoor. Zie het p-v, p. 17, waar door mr. Anik wordt opgemerkt inzake de vordering van de man “van zo’n € 50.000 in verband met de ongelijke financiering” (zie ook het p-v, p. 15 over die vordering) dat zij in de MvA heeft “aangegeven dat de vordering verjaard is”. En verder bijv. het p-v, p. 18, waar mr. Anik dit herhaalt: “de vordering is verjaard”, etc.
In het p-v, p. 18-19 gaat het vervolgens over iets anders: dat de man “maandelijks of jaarlijks” heeft “afgelost” inzake het huis / dat tijdens de relatie “meneer degene was die de vaste lasten voldeed” (mr. Anik), zijdens het hof geduid als “dat geld wat meneer er extra instopte” / “de hypotheekaflossingen”. Wat daarvan verder zij: dát te onderscheiden punt (dit betreft niet de regresvordering van de man) behandelt het hof elders in het arrest, te weten in rov. 2.13-2.14.

54

Zie ook al (als schot voor de boeg?) het p-v, p. 15, zijdens het hof: “Het gaat over art. 6:38 BW: ”, etc.

55

Waaronder de stelling van de man in de MvG, nr. 23 dat “net als de gangbare feitelijke praktijk bij gehuwden met een Amsterdams verrekenbeding vermogensrechtelijke kwesties eerst bij einde van de affectieve relatie aan bod [komen]”, wat naar de aard wel past bij art. 3:307 lid 2 BW. Dat het hof in rov. 2.11 oog heeft voor wat in de onderhavige procedure is gesteld en gebleken, blijkt ook uit rov. 2.11 zelf (“Gesteld noch gebleken”, etc.). Zie bijv. ook het p-v, p. 22, waar zijdens het hof wordt opgemerkt: “Dat betekent dat we het nog hebben over die € 50.809,35 en daar zijn een aantal argumenten genoemd aan de zijde van meneer. Daar is verweer tegen gevoerd door mevrouw en daarover moet het hof een beslissing nemen”.

56

Wat het hof dan, mede gelet op rov. 2.1, 2.3 en 2.8-2.11, ook is gebleken.

57

De vrouw heeft zich ter zake, zoals gezegd, beroepen op art. 3:310 lid 1 BW. Zie bijv. de MvA, nr. 27. Zie ook de noten 51 en 53 hiervoor.

58

Overigens kiest het hof in rov. 2.12 voor het verjaringsregime van art. 3:310 lid 1 BW. Daar gaat het evenwel om iets anders: de vordering van de man op de vrouw “wegens ongerechtvaardigde verrijking”, oftewel een “vordering tot schadevergoeding voor een verbintenis uit de wet”. Dienaangaande had de vrouw zich in hoger beroep nadrukkelijk ook beroepen op art. 3:310 lid 1 BW, zie bijv. de MvA, nr. 35.

59

Dat het hof blijkens rov. 2.11 voor de verjaringsvraag inzake de regresvordering van de man uitgaat van de regeling van art. 3:307 BW, niet die van art. 3:310 BW, wordt op zichzelf in cassatie niet bestreden en dient daarin derhalve tot uitgangspunt.
Overigens acht ik het ook goed verdedigbaar dat dit uitgangspunt van het hof op zichzelf geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zie mede noot 48 hiervoor. Iets anders is dus de vraag naar het hier toepasselijke regime binnen de regeling van art. 3:307 BW: dat van lid 1 of dat van lid 2 daarvan.

60

Welke overeenkomst in de zin van art. 3:307 BW het hof dus aanneemt, en waarbij volgens het hof door partijen dus geen tijd voor de nakoming is bepaald in de zin van art. 6:38 BW.

61

Welke vordering het hof dus ook aanneemt.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733