Terug naar de uitspraak

Parket bij de Hoge Raad 22-05-2026, ECLI:NL:PHR:2026:511

Datum publicatie28-05-2026
Zaaknummer25/02804
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Donorschap / draagmoederschap. Adoptie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Binnenlandse adoptiezaak. Draagmoeder met spijt. Beoordeling van het vereiste voor adoptie dat het kind van zijn ouder (i.c. de draagmoeder) in de hoedanigheid van ouder niets meer te verwachten heeft (art. 1:227 lid 3 BW) . Vetorecht bij adoptie (art. 1:228 lid 1, onder d, en lid 2 BW) .

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02804

Zitting 22 mei 2026

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

1. [de wensvader],

hierna te noemen: de wensvader, en

2. [de biologische vader],

hierna te noemen: de biologische vader,

en gezamenlijk te noemen: de wensouders,
advocaat: mr. N.C. van Steijn

tegen

1. [de draagmoeder],

hierna te noemen: de draagmoeder,

advocaat: mr. J. den Hoed.

Als belanghebbende wordt aangemerkt: [het kind] (hierna: het kind)

1Inleiding en samenvatting

1.1

In deze binnenlandse adoptiezaak gaat het om de adoptie van een kind na draagmoederschap. Naar huidig recht is in de context van een draagmoederschapsconstructie een reeks juridische stappen nodig om een familierechtelijke betrekking tussen het kind en de wensouder(s) te creëren, waarbij adoptie het sluitstuk is.

1.2

De wensouders in deze zaak kunnen, als homoseksueel stel, hun kinderwens niet zelf vervullen. Daarom zijn zij op zoek gegaan naar een draagmoeder. Zij zijn online in contact gekomen met de draagmoeder. De wensouders en de draagmoeder en haar echtgenoot hebben besloten gezamenlijk een draagmoedertraject te starten. Daartoe hebben zij een draagmoederschapsovereenkomst gesloten, gericht op – kort gezegd – de overgang van het ouderschap en het gezag naar de wensouders.

1.3

Op [geboortedatum] 2023 is het kind geboren. De biologische ouders van het kind zijn de draagmoeder en een van de wensouders. Sinds de geboorte woont het kind bij de wensouders en wordt het door hen verzorgd en opgevoed.

1.4

De bijzondere curator heeft als vertegenwoordiger van het kind de rechtbank verzocht om gegrondverklaring van de ontkenning het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder en om vaststelling van het vaderschap van de biologische vader. De wensouders hebben de rechtbank verzocht de biologische vader met het eenhoofdig gezag te belasten, de adoptie van het kind door de andere wensvader uit te spreken en te verstaan dat de wensouders gezamenlijk het gezag over het kind uitoefenen. De rechtbank heeft deze verzoeken, die toen nog door de draagmoeder en haar echtgenoot onderschreven werden, toegewezen.

1.5

De draagmoeder heeft spijt gekregen. Zij wenst toch een rol als moeder in het leven van het kind te hebben. Ze is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. Het hof heeft het adoptieverzoek en de daarmee samenhangende verzoeken alsnog afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 3 BW, op grond waarvan een adoptie slechts toegewezen kan worden als vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder(s) in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Het hof heeft ook bepaald dat de biologische vader het eenhoofdig gezag over het kind zal hebben.

1.6

In cassatie bestrijden de wensouders het oordeel van het hof over de adoptie en de daarmee samenhangende verzoeken. De cassatieprocedure draait in de kern om de vraag of het hof de juiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan genoemd vereiste voor adoptie van artikel 1:227 lid 3 BW dat het kind van een ouder (i.c. de draagmoeder) in de hoedanigheid van ouder niets meer te verwachten heeft.

1.7

Ik meen dat de klachten grotendeels slagen. Mijns inziens had het hof, gelet op de wetsgeschiedenis en het belang van het kind, bij de beoordeling van genoemd wettelijk vereiste meer feiten en omstandigheden moeten meewegen dan alleen de wensen van de draagmoeder en de omstandigheid dat het kind sinds zijn geboorte goed contact en een prettige omgang heeft gehad met de draagmoeder en haar gezin.

1.8

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. Het verwijzingshof zal, met in achtneming van alle feiten en omstandigheden, moeten beoordelen of is voldaan aan het niets meer te verwachten-vereiste. Dat is een complexe beoordeling, gelet op de gerechtvaardigde belangen van alle betrokkenen, waarbij het belang van het kind leidend is.

2Feiten en procesverloop

Feiten 1

2.1

De draagmoeder en haar echtgenoot zijn op 30 juli 2019 gehuwd. Zij hebben samen drie kinderen, die zijn geboren op [geboortedatum] 2017, [geboortedatum] 2019 en [geboortedatum] 2021. Na de geboorte van het jongste kind ontstond bij de draagmoeder de gedachte om draagmoeder te worden om gezinnen met een niet te realiseren kinderwens te kunnen helpen.

2.2

De wensouders hebben sinds 2011 een relatie. Op 14 augustus 2017 zijn zij een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. De wensouders zijn beiden van het mannelijk geslacht. Om hun kinderwens te realiseren zijn zij op zoek gegaan naar een draagmoeder.

2.3

Naar aanleiding van berichten van de wensouders op sociale media heeft de draagmoeder contact met de wensouders opgenomen. Dit contact heeft geleid tot gesprekken tussen de wensouders en de draagmoeder en haar echtgenoot over de vraag of de draagmoeder een kind zal gaan dragen voor de wensouders. De draagmoeder heeft na lang nadenken en in overleg met haar echtgenoot aan de wensouders aangeboden om draagmoeder te worden. De draagmoeder en haar echtgenoot hebben zich vervolgens gewend tot een advocaat gespecialiseerd in draagmoedertrajecten. Via deze advocaat hebben de draagmoeder en haar echtgenoot zich laten informeren over de consequenties, en juridische mogelijkheden en noodzakelijkheden om te bereiken dat uitsluitend de wensouders de juridische ouders van en ouders met gezag worden over het toekomstige kind.

2.4

De draagmoeder en haar echtgenoot enerzijds en de wensouders anderzijds hebben op 9 november 2022 een draagmoederschapsovereenkomst gesloten en ondertekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Partijen nemen in aanmerking

(…)

- [De draagmoeder] zal draagmoeder worden voor haar vrienden om altruïstische redenen er is geenszins sprake van commercieel draagmoederschap. Zij wil haar vrienden helpen bij het vormen van hun gezin.

- Partijen hebben lang en goed nagedacht over dit draagmoederschapstraject wat dit ook zal betekenen voor [de draagmoeder en haar echtgenoot] en hun kinderen.

(…)

- [De draagmoeder] zal altijd, als goede vriendin van [de wensouders], betrokken blijven bij het leven van het kind, maar het kind zal niets van de geboorteouder als ouder te verwachten hebben (…) [De draagmoeder] wordt enkel zwanger (…) om de kinderwens van [de wensouders] te vervullen. [De draagmoeder en haar echtgenoot] willen geen enkele ouderlijke verantwoordelijkheid, financieel noch anderszins, tegenover dit kind. Dat neemt niet weg dat het kind wel altijd zal weten dat [de draagmoeder] de biologisch en genetische moeder van het kind is. Daarnaast achten alle partijen het ook voor de identiteitsontwikkeling van het kind goed als er contact blijft bestaan tussen het kind en [de draagmoeder] en haar gezin.

- (…) Partijen willen dat altijd het belang van dit toekomstige kind voorop staat.

- Ten tijde van het ondertekenen van deze overeenkomst is bekend dat het Kabinet een draagmoederschapsregeling in Nederland tot stand wil brengen. Er is een conceptwetsvoorstel opgesteld. De procedures die worden gevolgd in dit draagmoedertraject gaan uit van de stand van zaken op het moment van het ondertekenen van deze draagmoederovereenkomst.

- Partijen realiseren zich dat zowel het belang van het toekomstig kind als dwingend recht kan leiden tot andere uitkomsten dan in deze overeenkomst wordt vastgelegd. Partijen spreken bij deze de intentie uit om in dat laatste geval wel zo dicht mogelijk bij de in deze overeenkomst vastgelegde afspraken te blijven.

- Partijen zijn zich ervan bewust dat de betrokkenheid van advocaten bij het opstellen van deze overeenkomst geen executoriale kracht verleent aan de gemaakte afspraken; het maakt niet alle afspraken juridisch afdwingbaar. Door het inschakelen van advocaten hebben partijen wel informatie gekregen over de juridische aspecten van de draagmoederconstructie en deze overeenkomst.

Ondergetekenden komen overeen:

Artikel 1. Intenties partijen

1.1 (…)

Het kind zal ook altijd weten dat [de draagmoeder] de biologische moeder is. Zij zal geen dagelijkse opvoedkundige en verzorgende rol op zich nemen. Zij wenst dat [de wensouders] de juridische ouders met gezag worden.

(…)

1.6

Partijen beseffen dat deze overeenkomst een zwaarwegend karakter heeft en bindend is voor alle partijen. Partijen zijn zich er echter van bewust dat met betrekking tot een aantal afspraken, zoals het afstaan van het kind en het opnemen daarvan, er weinig tot geen juridische mogelijkheden zijn om naleving van het contract af te dwingen, als een van beide partijen zich niet aan het contract houdt.

(…)

Artikel 2. Zwangerschap, bevalling, geboorteaangifte, geboortekaartje en overdracht

(…)

2.12 (…)

De voornamen worden bedacht door [de wensouders]. (…)

Het kind zal bij de geboorte de achternaam krijgen van (eerst) [de echtgenoot van de draagmoeder]. De achternaam van de baby zal gedurende de rechtbankprocedure worden veranderd in [de achternaam van de biologische vader].

(…)

2.19 (…)

Het is de bedoeling van alle partijen dat de baby in ieder geval op de dag van de bevalling aan [de wensouders] wordt gegeven. [De wensouders] zullen, na ontslag uit het ziekenhuis, naar hun eigen woning met de baby gaan. [De draagmoeder] heeft de mogelijkheid om dan mee te gaan naar de woning van [de wensouders] en verblijft hier zo lang als dit voor alle personen goed voelt. Partijen zien nu voor zich dat [de draagmoeder] in de kraamweek bij [de wensouders] en de baby zal verblijven.

(…)

2.23

De aangifte van de geboorte zal, binnen de daarvoor geldende termijn worden gedaan door [de wensouders] en als dit echt niet zou mogen, dan door [de echtgenoot].

Artikel 3. Juridisch ouderschap en gezag

Het is de bedoeling van alle betrokkenen dat [de wensouders] juridisch ouder met gezag worden van het kind.

(…)

3.4 [

De draagmoeder en haar echtgenoot] verplichten zich om toe te staan dat [de wensouders] het kind, direct vanaf de geboorte, opvoeden en verzorgen en dat aan hen toekomen alle ouderlijke rechten en plichten, inclusief alle financiële verplichtingen.

(…)

3.5 [

De draagmoeder en haar echtgenoot] zullen in het leven van het kind geen ouderrol op zich nemen, zij zullen geen juridische en/of financiële verplichtingen hebben ten aanzien van het kind en zij zullen ook geen rechten genieten die lijken op die van een ouder (…).

(…)

Artikel 5. Verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding

5.1 [

De wensouders] zijn als enige verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind.

Artikel 6. Contacten met draagouders & openheid naar kind toe

6.1 [

De draagmoeder en haar echtgenoot] zullen altijd als goede vrienden betrokken blijven bij het leven van het kind. De kinderen van [de draagmoeder en haar echtgenoot] zullen ook een rol in het leven van het kind hebben, nu het kind ook een halfbroertje of -zusje zal zijn. Er zal zo vaak als nodig of gewenst contact zijn met elkaar na de bevalling. Partijen denken dat dit in het begin regelmatig is en daarna zeker maandelijks. Op de lange termijn zouden de partijen het fijn vinden als [de draagmoeder en haar echtgenoot] op belangrijke momenten in het leven van het kind aanwezig zijn (bijvoorbeeld op de verjaardag, moederdag en andere relevante feestdagen en mijlpalen).

(…)

6.4

Als de relatie tussen [de draagmoeder], [de echtgenoot], [de biologische vader] en [de wensvader] in de toekomst zodanig verslechtert dat zij met elkaar onderling niet meer wensen te zien dan verplichten zij zich om alsnog ervoor te zorgen dat het kind contact kan hebben met [de draagmoeder] en haar gezin, zodat de identiteitsontwikkeling van het kind geen gevaar zal lopen. Partijen komen overeen dat er in dat geval tenminste 4 keer per jaar contact tussen [de draagmoeder] en het kind zal zijn, zonder de aanwezigheid van vaders voor de duur van tenminste enkele uren. Ook de kinderen van [de draagmoeder en haar echtgenoot] worden in de gelegenheid gesteld om contact te hebben met het kind, aangezien het kind een halfbroertje of -zusje is.

(…)

Artikel 8. Evaluatie en geschillenregeling

8.1

De vriendschapsband tussen partijen maakt dit draagmoederschapstraject mogelijk. Als er onenigheid ontstaat over de inhoud dan wel uitvoering van deze overeenkomst, verplichten partijen zich om aanvullende counselingsgesprekken te voeren om ervoor te zorgen dat het kind geen hinder ondervindt van de kwestie. Indien counseling niet leidt tot overeenstemming wordt mediation ingeschakeld. De kosten hiervan, gedurende een redelijke termijn, worden gedragen door [de wensouders].

(…)”

2.5

De zwangerschap van de draagmoeder is tot stand gekomen via ICSI (Intra Cytoplasmatische Sperma Injectie), een vorm van laagtechnologisch draagmoederschap.
De vruchtbaarheidsbehandeling heeft plaatsgevonden bij een fertiliteitskliniek te Kızılbaş, Noord-Cyprus. De behandelend arts aldaar heeft op 10 februari 2023 schriftelijk verklaard dat het embryo tot stand is gekomen met behulp van een eicel van de draagmoeder en sperma van de biologische vader.

2.6

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 15 maart 2023 2 is op grond van artikel 1:212 BW een bijzondere curator benoemd voor het toen nog ongeboren kind. 3

2.7

De wensouders hebben op 28 maart 2023 de raad voor de kinderbescherming (hierna ook: de raad) verzocht onderzoek te doen voor het verkrijgen van een toestemmingsverklaring voor opname in hun gezin van het kind dat geboren zal worden uit de draagmoeder. Na onderzoek heeft de raad in zijn rapport van 31 mei 2023 besloten de door de wensouders verzochte toestemming te verlenen.

2.8

Op [geboortedatum] 2023 is te [plaats], binnen het huwelijk van de draagmoeder en haar echtgenoot, het kind geboren uit de draagmoeder. De draagmoeder en haar echtgenoot waren vanaf dat moment de juridische ouders van het kind en hadden beiden het gezag over het kind.

2.9

Uit een door Consanguanitas op 14 augustus 2023 uitgevoerde verwantschapsanalyse, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een rapport van 1 september 2023, volgt dat het kind in genetisch opzicht de zoon van de biologische vader is. Het kind is in genetisch opzicht dus de zoon van de draagmoeder en van de biologische vader.

2.10

Op 14 augustus 2023 heeft de biologische vader de geboorte van het kind aangegeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [plaats], waarbij in de geboorteakte als geslachtsnaam van het kind de achternaam van de echtgenoot van de draagmoeder is opgenomen.

2.11

Het kind verblijft sinds zijn geboorte, althans sinds zeer kort daarna, bij de wensouders thuis. In de eerste week na de geboorte verbleef ook de draagmoeder bij de wensouders thuis.

2.12

De raad heeft in zijn onderzoeksrapport van 30 april 2024 de rechtbank geadviseerd om het gezag van de draagmoeder over het kind te wijzigen en, in eerste instantie, de biologische vader te belasten met het gezag. Ter zake de adoptie adviseert de raad om het verzoek tot adoptie van het kind door de wensvader aan te houden tot na de verzorgingstermijn van één jaar.

2.13

Nadat de rechtbank de in appel bestreden beschikking had gegeven (zie hierna onder 2.19), zijn partijen op 5 september 2024 partijen een counselingtraject gestart bij een praktijk gespecialiseerd in wensouderschap. Dit traject is zonder resultaat omstreeks 20 september 2024 gestopt.

2.14

De draagmoeder heeft op 13 november 2024 bij de rechtbank Gelderland verzocht om een omgangsregeling vast te stellen tussen haar (en haar gezin) en het kind. Bij beschikking van 18 februari 2025 4 heeft de rechtbank Gelderland als voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat het kind één keer in de twee maanden een dagdeel omgang zal hebben met de draagmoeder en haar gezin. De rechtbank Gelderland heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitkomsten van de onderhavige procedure in hoger beroep.

2.15

Doordat geen hoger beroep is ingesteld van de beslissing van de rechtbank in de onderhavige procedure in appel bestreden beschikking om de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de biologische vader uit te spreken, is de beschikking van de rechtbank in zoverre in kracht van gewijsde gegaan. Als gevolg daarvan draagt het kind ten tijde van de beoordeling door het hof de achternaam van de draagmoeder.

Procesverloop 5

Procedure in eerste aanleg

2.16

Bij verzoekschrift van 25 augustus 2023 heeft de bijzondere curator als vertegenwoordiger van het kind de rechtbank verzocht om:
- gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder; en om
- vaststelling van het vaderschap over het kind van de biologische vader.

2.17

Bij verzoekschrift, ingekomen op 22 september 2023, hebben de wensouders de rechtbank verzocht:
- te bepalen dat het gezag van de draagmoeder over het kind wordt beëindigd en dat de biologische vader het eenhoofdig gezag over het kind toekomt;
- de adoptie van het kind door de wensvader uit te spreken;
- de geslachtsnaam van het kind te wijzigen en vast te stellen als de geslachtsnaam van de biologische vader; en
- te verstaan dat als de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de biologische vader in stand blijven en dat laatstgenoemde samen met de wensvader met het gezag over het kind zal zijn belast.

2.18

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2024. Gehoord zijn: de wensouders en hun advocaat, de draagmoeder en haar echtgenoot en hun advocaat, en de bijzondere curator. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 6

2.19

Bij beschikking van 9 juli 2024 7 heeft de rechtbank conform de verzoeken van de bijzondere curator en de verzoeken van de wensouders:

- de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder ten aanzien het kind gegrond verklaard;

- het vaderschap van de biologische vader vastgesteld, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder in kracht van gewijsde is gegaan;

- de biologische vader belast met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over het kind, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder en de beslissing tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische vader in kracht van gewijsde zijn gegaan;

- met terugwerkende kracht tot de geboorte van het kind de adoptie van het kind door de wensvader uitgesproken, onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder en de beslissing tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische vader in kracht van gewijsde zijn gegaan;

- bepaald dat de adoptie terug zal werken tot het tijdstip van de geboorte van het kind;

- vastgesteld dat de wensouders gezamenlijk hebben verklaard dat het kind de geslachtsnaam van de biologische vader zal hebben;

- verstaan dat de familierechtelijke betrekking met de biologische vader in stand blijft;

- verstaan dat de wensouders, nadat de adoptiebeslissing onherroepelijk is geworden, gezamenlijk het gezag over het kind zullen uitoefenen;

- de beschikking met het gezag uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Procedure in hoger beroep

2.20

Bij beroepschrift, ingekomen op 7 oktober 2024, zijn de draagmoeder en haar echtgenoot bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. Zij hebben het hof uiteindelijk verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende alsnog:
- het verzoek om de biologische vader te belasten met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over het kind af te wijzen;
- het verzoek om de adoptie van het kind door de wensvader uit te spreken af te wijzen;
- het verzoek om de adoptie terug te laten werken tot het tijdstip van de geboorte van het kind af te wijzen.

2.21

De wensouders hebben op 28 november 2024 een verweerschrift ingediend, aangevuld bij bericht van 13 februari 2025. Zij hebben verzocht de draagmoeder en haar echtgenoot niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel dit te verwerpen.

2.22

Bij bericht van 17 december 2024 heeft de bijzondere curator nogmaals verzocht het vaderschap van de biologische vader over het kind vast te stellen, onder de voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder in kracht van gewijsde is gegaan.

2.23

De mondelinge behandeling in hoger beroep vond plaats op 27 februari 2025. Daarbij waren aanwezig: de draagmoeder en haar echtgenoot, bijgestaan door hun advocaat, de wensouders, bijgestaan door hun advocaat, de bijzondere curator en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming. De advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.24

Bij beschikking van 27 mei 2025 8 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij:
- de adoptie door de wensvader van het kind is uitgesproken;
- is bepaald dat de adoptie terug zal werken tot het tijdstip van geboorte van het kind;
- is vastgesteld dat de wensouders gezamenlijk hebben verklaard dat het kind de geslachtsnaam van de biologische vader zal hebben;
- aan de griffier is opgedragen de bestreden beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [plaats] te zenden;
- is verstaan dat de familierechtelijke betrekking met de biologische vader in stand blijft;
- is verstaan dat de wensouders nadat de adoptiebeslissing onherroepelijk is, gezamenlijk het gezag met betrekking tot het kind zullen uitoefenen.
In zoverre opnieuw rechtdoend heeft het hof de verzoeken van de wensouders ter zake van de adoptie van het kind door de wensvader en alle daarmee samenhangende verzoeken afgewezen.

2.25

Bij de bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, zodat in stand zijn gebleven de beslissingen tot:
- de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder;
- de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische vader; en
- het belasten van de biologische vader met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over het kind.

2.26

Bij zijn beslissing tot vernietiging heeft het hof het volgende vooropgesteld.

Inleiding

5.6

Voor het realiseren van de door [de wensvader] en [de biologische vader], en aanvankelijk ook [de draagmoeder] en [de echtgenoot], gewenste eindtoestand, te weten dat eerstgenoemden samen de ouders met gezag van [het kind] zijn, moet naar het thans geldende recht in de gegeven situatie een gecompliceerde juridische weg worden doorlopen, waarbij de rechter een viertal beslissingen dient te nemen:

1. gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de echtgenoot], als gevolg waarvan [de draagmoeder] de enige ouder (met eenhoofdig gezag) van [het kind] is;

2. gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [de biologische vader], als gevolg waarvan [de draagmoeder] en [de biologische vader] de ouders van [het kind] zijn;

3. beëindiging van het eenhoofdige gezag van [de draagmoeder] en belasting van [de biologische] met het eenhoofdig gezag over [het kind] ;

4. adoptie door [de wensvader] van [het kind], met terugwerkende kracht tot de geboorte, als gevolg waarvan het ouderschap van [de draagmoeder] eindigt en [de wensvader] en [de biologische vader] de ouders van [het kind] zullen zijn, waarbij zij dan tevens van rechtswege het gezamenlijk gezag over hem hebben, nu zij met elkaar een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan.

5.7

De rechterlijke beslissingen die in dit traject moeten worden genomen zijn stuk voor stuk beslissingen over rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van partijen staan. Dat maakt de afspraken in een draagmoederschapsovereenkomst als die van partijen kwetsbaar. De rechter zal die afspraken en de daarop gebaseerde verzoeken steeds moeten toetsen aan de (uiteenlopende) wettelijke vereisten voor inwilliging van al die verzoeken; dat hoeft geen probleem te zijn indien alle betrokkenen instemmen met het beoogde doel. Maar het gaat klemmen indien één of meer van die betrokkenen zich (alsnog) tegen de uitvoering van die afspraken verzet. Partijen zijn zich blijkens de draagmoederschapsovereenkomst daarvan bewust geweest en hebben onder ogen gezien dat hun afspraken in die overeenkomst slechts beperkt afdwingbaar zijn.

In eerste aanleg heeft de rechtbank alle hiervoor bedoelde beslissingen genomen, in hoger beroep voert [de draagmoeder] echter alsnog verweer tegen de tweede, derde en vierde beslissing.

5.8

Thans is in de Tweede Kamer aanhangig het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 BW in verband met de introductie van onder meer een regeling voor draagmoederschap en de versterking van het recht van het kind op afstammingsinformatie (Wet kind, draagmoederschap en afstamming, wetsvoorstel 36 390). Het voorstel voorziet in de mogelijkheid dat met instemming van de betrokkenen en onder bepaalde voorwaarden de rechtbank een beschikking houdende de gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap geeft. In dat geval zullen de wensouders onmiddellijk vanaf de geboorte van het kind diens juridische ouders zijn en verkrijgt de draagmoeder nimmer het juridische ouderschap. Aldus wordt het traject om wensouders juridisch ouders te maken aanzienlijk vereenvoudigd. Het voorstel voorziet in artikel 1:220 BW echter ook in (voor zover hier van belang) de mogelijkheid dat een draagmoeder de rechtbank verzoekt om de beschikking houdende de gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap te herroepen. Dat verzoek kan zij volgens het wetsvoorstel tot uiterlijk drie maanden na de geboorte van het kind doen, indien na de toekenningsbeschikking de omstandigheden zijn gewijzigd. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel wordt daaronder begrepen dat de draagmoeder anders over de situatie is gaan denken. De rechtbank die herroeping kunnen uitspreken indien haar dat, na een belangenafweging, in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op deze manier voorziet ook dit wetsvoorstel dus (anders dan de advocaat van [de wensouders] ter zitting in hoger beroep leek aan te voeren) in een spijtoptie.

5.9

Voor zover [de wensouders] het hof hebben verzocht om bij de beoordeling van deze zaak te anticiperen op deze toekomstige wetgeving, waarbij dan een rol zou spelen dat [de wensvader] pas meer dan een jaar na [het kind]s geboorte door middel van dit hoger beroep kenbaar heeft gemaakt het hiervoor onder 5.6 genoemde traject niet meer te steunen, zal het hof hen daar niet in volgen.

Het hof dient te oordelen op basis van de huidige wetgeving en ziet, mede vanwege de nog onzekere uitkomst van het wetgevingstraject en de vergaande breuk die dit voorstel inhoudt met de huidige wet, geen ruimte om op het wetsvoorstel te anticiperen. Ook partijen zijn overigens blijkens de draagmoederschapsovereenkomst ervan uitgegaan dat het huidige wettelijke kader van toepassing is en deels dwingend van aard is.

5.10

Het hof stelt vast dat na de zitting bij de rechtbank tussen [de draagmoeder] enerzijds en [de wensouders] anderzijds in toenemende mate wrijvingen zijn ontstaan rondom de vraag welke rol [de draagmoeder] heeft of zou moeten hebben in het leven van [het kind] . Ondanks de op papier heldere afspraken uit de draagmoederschapsovereenkomst zijn de verwachtingen over en weer over ieders rol in zijn leven meer en meer uit elkaar gaan lopen. Zo had [de draagmoeder] de verwachting en wens om op de eerste verjaardag van [het kind] een deel van de dag met hem door te kunnen brengen om de geboorte van [het kind] samen met hem te herleven. Ook was [de draagmoeder] teleurgesteld dat zij in de toespraak die [de biologische vader] op het verjaardagsfeestje van [het kind] heeft uitgesproken niet uitdrukkelijk met naam en toenaam als moeder van [het kind] werd erkend. [de wensouders] kijken vanuit hun visie op de rol van [de draagmoeder] in het leven van [het kind] anders tegen de situatie aan. Gaandeweg de maanden na de bestreden beschikking zijn partijen scherper tegenover elkaar komen te staan. In september 2024 hebben zij nog gepoogd om via een counselingstraject tot een verbetering van de situatie te komen. Dat is niet gelukt.

Tijdens de zitting bij het hof heeft het hof met partijen besproken of het starten van een mediationtraject nog tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet het geval bleek.

5.11

Anders dan [de draagmoeder] stelt, kan het hof aan de hand van de bij het hof bekende feiten en omstandigheden, afgezet tegen hetgeen in de draagmoederschapsovereenkomst is opgenomen, niet vaststellen dat [de wensouders] gemaakte afspraken niet zijn nagekomen. Zij hebben naar het oordeel van het hof steeds gehandeld in de lijn van de gemaakte afspraken, die immers in de kern erop neerkomen dat [de draagmoeder] wel wordt erkend als moeder van [het kind], maar dat aan haar geen ouderrol of gezag zal toekomen. Voor de verwijten die [de draagmoeder] [de wensouders] maakt ziet het hof in dit licht bezien dan ook geen grondslag.

5.12

Het voorafgaande laat onverlet dat, zoals hiervoor onder 5.7 al is overwogen, de aard van de tussen partijen in de draagmoederschapsovereenkomst gemaakte afspraken die moeten leiden tot ouderschap van [de wensouders] meebrengt dat er weinig tot geen juridische mogelijkheden zijn om naleving daarvan af te dwingen, als een van beide partijen zich om welke reden dan ook niet meer aan het afgesproken traject houdt of kan houden. Vanuit haar – voor het hof invoelbare – (moeder)gevoelens en de inmiddels bij haar ontstane visie op haar rol in het leven van [het kind] en wat diens belang meebrengt is het voor [de draagmoeder] niet langer te dragen om de gemaakte afspraken ten volle na te komen.”

2.27

Ten aanzien van het adoptieverzoek en de daarmee samenhangende verzoeken heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld.

De adoptie

5.14

Op het verzoek tot adoptie van [het kind] door [de wensvader] zijn de artikelen 1:227 t/m 1:231 BW van toepassing. Op grond van artikel 1:227 lid 3 BW kan een verzoek tot adoptie uitsluitend worden toegewezen, indien (i) de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, (ii) op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en (iii) aan de in artikel 1:228 BW genoemde voorwaarden wordt voldaan. Deze vereisten zijn van openbare orde en zijn dwingendrechtelijk van aard.

5.15

Het hof is van oordeel dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde (ii) dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [het kind] niets meer van [de draagmoeder] in de hoedanigheid van ouder heeft te verwachten. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Hoewel [de draagmoeder] ten tijde van het opstellen van de draagmoederschapsovereenkomst en ook tijdens de procedure in eerste aanleg heeft ingestemd met de adoptie van [het kind] door [de wensvader], is bij haar het gevoel ontstaan dat zij wil terugkomen op het verlenen van toestemming aan de adoptie en het aldus doorsnijden van haar juridische ouderband met [het kind]. Die gevoelens speelden naar haar zeggen al langere tijd, maar zij durfde deze pas te uiten na de zitting bij de rechtbank. Uit de stukken en wat ter zitting bij het hof is gezegd, is gebleken dat [het kind] vanaf zijn geboorte goed contact en een prettige omgang heeft gehad met [de draagmoeder] en haar gezin. Tot eind september 2024 vond dit contact maandelijks plaats. Bij [de draagmoeder] bestaat thans de wens om voor [het kind] te zorgen en medeverantwoordelijkheid te nemen voor zijn opvoeding. Het hof maakt uit dit alles op dat [de draagmoeder] in de toekomst een rol als moeder in het leven van [het kind] zou willen en mogelijk ook kunnen vervullen. Daardoor is op dit moment geen sprake van de door de wet vereiste situatie dat voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [het kind] niets meer van [de draagmoeder] in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Dat [de draagmoeder] blijkens onder meer de preambule van de draagmoederschapsovereenkomst destijds zelf vond dat het kind niets van de geboorteouder als ouder te verwachten zal hebben, maakt dat niet anders. Ook het door [de biologische vader] en [de wensvader] op zichzelf terecht benadrukte belang van [het kind] om duidelijkheid te krijgen over waar hij opgroeit en wie over hem beslissingen neemt, alsmede het vooruitzicht op een mogelijke verdere juridische strijd tussen partijen, maakt niet dat dit wettelijke vereiste opzij kan worden gezet. Het hof realiseert zich overigens ter dege dat nu juist dit vereiste een overeengekomen draagmoedertraject kwetsbaar maakt.

5.16

Het is met name vanwege dit punt dat [de wensouders] hebben verzocht om op het aanhangige wetsvoorstel te anticiperen. Niet alleen zou [de draagmoeder] dan te laat zijn met haar verzoek om het doorlopen traject terug te draaien, maar bovendien zou het hof dan de mogelijkheid hebben de beslissing te nemen die in het belang van [het kind] wenselijk is, waarbij het aankomt op een afweging van alle betrokken belangen en waarbij het belang van [het kind] een overweging van de eerste orde zou zijn. Om redenen zoals hiervoor reeds vermeld, zal het hof echter niet vooruitlopen op het wetsvoorstel.

(…)

5.18

De conclusie is dat het dwingend recht van artikel 1:227 lid 3 BW het hof ertoe noopt om aan de andersluidende afspraken in de draagmoederschapsovereenkomst voorbij te gaan. Het hof zal het verzoek om de adoptie van [het kind] door [de wensvader] uit te spreken alsnog afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

De wijziging van de geslachtsnaam en de overige met de adoptie samenhangende verzoeken

5.19 [

het kind] draagt thans de geslachtsnaam [de draagmoeder]. [de wensouders] hebben de rechtbank in aansluiting op het verzoek om adoptie door [de wensvader] verzocht om de geslachtsnaam van [het kind] te wijzigen in [de biologische vader]. Andere verzoeken om tot wijziging van de geslachtsnaam van [het kind] te komen hebben [de wensouders] niet gedaan. Nu het hof het verzoek tot adoptie van [het kind] zal afwijzen komt het hof niet toe aan het verzoek te bepalen dat [het kind] voortaan de geslachtsnaam van [de biologische vader] zal dragen. Het hof zal daarom ook dit verzoek afwijzen. Ook de overige met de adoptie samenhangende verzoeken zal het hof afwijzen.”

2.28

Met betrekking tot het gezag over het kind heeft het hof als volgt overwogen.

Het gezag over [het kind]”

5.20

In de procedure bij de rechtbank heeft [de biologische vader] op grond van artikel 1:253c BW verzocht om te bepalen dat het gezag van [de draagmoeder] wordt beëindigd en dat [de biologische vader] met het eenhoofdig gezag over [het kind] wordt belast, dit onder de voorwaarde dat de beslissingen van de rechtbank over de ontkenning van het vaderschap van [de echtgenoot] en de vaststelling van het vaderschap van [de biologische vader] in kracht van gewijsde zijn gegaan.

Het hof stelt vast dat [de biologische vader] kan worden aangemerkt als een tot het gezag bevoegde ouder in de zin van artikel 1:253c BW, dit omdat de rechtbank het vaderschap van [de biologische vader] ten aanzien van [het kind] gerechtelijk heeft vastgesteld welke beslissing heden zal worden bekrachtigd.

Het hof stelt voorop dat voor de vraag of [de biologische vader] al dan niet met het eenhoofdig gezag dient te worden belast, het in artikel 1:253c lid 3 BW geformuleerde criterium van toepassing is, te weten of de gezagswijziging in het belang van [het kind] wenselijk is. Het hof dient daarbij de mogelijkheden die ieder van de ouders aan [het kind] biedt of kan bieden af te wegen en aan de hand daarvan te beoordelen aan wie van de ouders het gezag het best kan worden opgedragen.

5.21

Het hof is van oordeel dat het in het belang van [het kind] wenselijk is dat [de biologische vader] alleen met het gezag over hem wordt belast. Daartoe overweegt het hof als volgt. Het gaat goed met [het kind] in het gezin van [de wensouders], waar hij sinds zijn geboorte verblijft. Zoals is afgesproken in de draagmoederschapsovereenkomst, verzorgen [de wensouders] [het kind] vanaf zijn geboorte en nemen zij de dagelijkse beslissingen ten aanzien van hem. [de draagmoeder] wenst thans een grotere rol in het leven van [het kind] dan bij de draagmoederschapsovereenkomst was voorzien. Zij meent dat zij [het kind] als moeder veel kan bieden en wil inmiddels het liefst dat [het kind] via een vorm van co-ouderschap ook deels opgroeit in haar gezin. Of die wens realiseerbaar is, is echter de vraag. Die kwestie is aan de orde in de procedure bij de rechtbank Gelderland en de uitkomst daarvan is op zijn minst onzeker. Al met al acht het hof het in de gegeven situatie in [het kind] belang wenselijk dat het gezag over hem berust bij [de biologische vader], in wiens gezin [het kind] opgroeit. Het hof constateert ten overvloede dat niet is verzocht om [de biologische vader] en [de draagmoeder] gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [het kind] te belasten, daargelaten wat het oordeel over een dergelijk verzoek zou moeten zijn.

Het hof zal daarom de bestreden beslissing op dit punt bekrachtigen.”

2.29

Bij de bestreden beschikking heeft het hof de echtgenoot van de draagmoeder niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, nu hij geen belanghebbende meer is. Daartoe heeft het hof, kort weergegeven, overwogen dat de beslissing van de rechtbank tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot kracht van gewijsde heeft gekregen, waardoor de echtgenoot ook niet meer belast is met het gezag over de minderjarige. In hoger beroep zijn derhalve geen verzoeken meer aan de orde die rechtstreeks raken aan de rechten en verplichtingen van de echtgenoot, aldus het hof (r.o. 5.1).

Procedure in cassatie

2.30

Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 25 augustus 2025, hebben de wensouders – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof.

2.31

De draagmoeder en haar echtgenoot hebben een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep met veroordeling van de wensouders in de kosten van het geding in cassatie.

2.32

Zowel de wensouders als de draagmoeder en haar echtgenoot merken de echtgenoot aan als verweerder in cassatie. Het hof heeft echter geoordeeld dat de echtgenoot in hoger beroep niet als belanghebbende kan worden aangemerkt (zie r.o. 5.1 en hiervoor onder 2.29). Tegen dit oordeel is niet opgekomen in cassatie, zodat er ook in cassatie van uitgegaan moet worden dat de echtgenoot geen belanghebbende in deze procedure meer is. Formeel kan de echtgenoot daarom niet worden ontvangen in zijn verweer in cassatie.
Ik hecht eraan op te merken dat de omstandigheid dat de echtgenoot ook in cassatie in juridisch opzicht niet kan worden aangemerkt als belanghebbende, niets zegt over zijn feitelijke betrokkenheid en emotionele belang bij (de uitkomst van) deze procedure.

3Juridisch kader

I. Inleiding: begripsduiding, afbakening en leeswijzer
3.1

De cassatieprocedure draait in de kern om de vraag of het hof de juiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling van het adoptieverzoek, in het bijzonder bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan het vereiste voor adoptie van artikel 1:227 lid 3 BW dat het kind niets meer te verwachten heeft van een ouder (i.c. de draagmoeder) in de hoedanigheid van ouder. Voordat wordt ingegaan op de afzonderlijke cassatieklachten, zet ik in dit deel het relevante juridisch kader uiteen.

Begripsduiding

3.2

Van draagmoederschap is sprake als een persoon (de draagmoeder) zwanger wordt en een kind draagt met de bedoeling dat iemand anders dat kind opvoedt en daarvan de ouder wordt. De draagmoeder draagt het kind dus voor een ander: de wensouder(s). Onder draagmoederschap wordt in het algemeen niet begrepen de situatie waarin sprake is van een ongewenste zwangerschap en gedurende die zwangerschap wordt besloten de baby na de geboorte af te staan. Een draagmoeder en haar partner worden gezamenlijk ook wel aangeduid als draagouders.

3.3

Er zijn twee varianten van draagmoederschap. De eerste variant is laagtechnologisch draagmoederschap, ook wel klassiek, traditioneel of genetisch draagmoederschap genoemd. Bij laagtechnologisch draagmoederschap is de eicel afkomstig van de draagmoeder zelf. Het kind is in dat geval dus genetisch verwant aan de draagmoeder en eventueel aan een van de wensouders, als de eicel is bevrucht met het zaad van een van laatstgenoemden. De bevruchting kan onder andere tot stand komen door zelfinseminatie (thuis) en inseminatie in een kliniek.

3.4

Bij hoogtechnologisch draagmoederschap is de eicel niet afkomstig van de draagmoeder, maar van een ander. Die ander kan de wensmoeder zijn, maar ook een eiceldonor, al dan niet uit eigen kring. Het kind is bij deze variant dus niet genetisch verwant aan de draagmoeder. De zwangerschap ontstaat bij deze variant met behulp met een IVF-traject, waarbij een embryo in de baarmoeder van de draagmoeder wordt geplaatst.

3.5

Een ander belangrijk onderscheid dat bij draagmoederschap te maken is, is het onderscheid tussen binnenlands en buitenlands draagmoederschap. Meestal wordt de term binnenlands draagmoederschap gebruikt voor draagmoederschapsconstructies waarin het kind in Nederland uit een vrouw met de Nederlandse nationaliteit wordt geboren. Daarbij kan de zwangerschap wel tot stand zijn gekomen met behulp een kliniek in het buitenland. Over buitenlands of internationaal draagmoederschap wordt over het algemeen gesproken bij situaties waarin een kind uit een buitenlandse draagmoeder in het buitenland wordt geboren.

Afbakening

3.6

Deze zaak betreft een binnenlands draagmoedertraject. Het hiernavolgende juridische kader is daarop afgestemd. Hoezeer er ook dingen te schrijven zijn over buitenlands draagmoederschap, laat ik de bijzonderheden en specifieke regels daarvan grotendeels buiten bespreking.

3.7

Ik beperk me verder tot het juridisch kader voor het onderhavige geval waarin:
- de draagmoeder gehuwd is;
- haar echtgenoot niet de biologisch vader van het kind is;
- een van de twee wensouders wel de biologisch vader van het kind is.

Leeswijzer

3.8

In paragaaf II staat het draagmoederschap centraal. In paragraaf II.1 bespreek ik de ontwikkelingen rond de regulering van het draagmoederschap, waaronder het aanhangige wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming. In paragraaf II.2 ga ik in op het huidig juridisch traject van overdracht van ouderschap en gezag bij draagmoederschap. Daarbij bespreek ik eerst het verdragsrechtelijk kader. Vervolgens sta ik stil bij het huidig wettelijk kader rond juridisch ouderschap, gezag en omgang bij draagmoederconstructies. Daarbij ligt de focus op de voor de voorliggende zaak relevante aspecten.

3.9

In paragraaf III staat adoptie als sluitstuk van de overdracht van juridisch ouderschap en gezag bij een draagmoederconstructie centraal. In de inleidende paragraaf III.1 bespreek ik de ontwikkelingen met betrekking tot wetgeving rond adoptie. In de centrale paragraaf III.2 ga ik, mede aan de hand van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak, in op de wettelijke vereisten voor adoptie, waaronder het vereiste dat het kind van een ouder (i.c. de draagmoeder) in de hoedanigheid van ouder niets meer te verwachten heeft.

3.10

In de kortere paragraaf IV sta ik, tot slot, stil bij de ontvangst van de in cassatie bestreden beschikking in de literatuur.

II. Draagmoederschap

II.1 Ontwikkelingen rond de regulering van draagmoederschap

Aanloop naar een wetsvoorstel

3.11

Op dit moment kent het Nederlandse civiele recht geen specifieke bepalingen met betrekking tot draagmoederschap. De huidige Nederlandse wet bevat slechts enkele strafrechtelijke bepalingen die specifiek zien op draagmoederschap. Deze verbieden, kort gezegd, het bevorderen en teweegbrengen van (commercieel) draagmoederschap. 9 Zo is het op grond van deze bepalingen bijvoorbeeld verboden om jezelf publiekelijk als draagmoeder aan te bieden en om uit winstoogmerk draagmoederschap te bevorderen, bijvoorbeeld door het exploiteren van een betaald platform waarop vraag en aanbod worden samengebracht. Draagmoederschap is op zichzelf dus niet verboden.

3.12

Gezinnen zien er anno 2026 anders uit dan in de jaren ’50. Het traditionele gezin van een getrouwde vader en moeder met een aantal kinderen die zij zelf hebben gekregen, heeft gedeeltelijk plaatsgemaakt voor andere gezinsvormen. Zo leven mensen ongehuwd samen, wordt vaker gescheiden en ontstaan samengestelde gezinnen, of mensen stichten een gezin met een partner van hetzelfde geslacht. Daarbij wordt soms gebruik gemaakt van een draagmoederschapsconstructie. De afgelopen decennia is er veel geschreven en gevonden over draagmoederschap en over de vraag of dit verboden zou moeten worden of dat er juist een juridische regeling voor zou moeten worden getroffen. Daarbij was het debat aanvankelijk gericht op ontmoediging. Gaandeweg is de focus van de discussie echter verschoven naar de regulering van draagmoederschap en de gewenste invulling daarvan. 10

3.13

De veranderingen in gezinsvormen waren aanleiding voor de Staatscommissie herijking ouderschap om onderzoek te doen naar een herijking van het ouderschap. 11 Een van de vragen die de Staatscommissie te beantwoorden had, was of de toeneming van (internationale) draagmoederschapsconstructies tot een specifieke wettelijke regeling noopt. De Staatscommissie beantwoordde die vraag in zijn rapport uit 2016 bevestigend. Volgens de Staatscommissie is het wenselijk om met een regeling te waarborgen dat het traject van draagmoederschap zorgvuldig verloopt en met respect voor de menselijke waardigheid van het kind en de draagmoeder. Kort gezegd acht de Staatscommissie het in het belang van alle betrokkenen dat er een draagmoederschapsregeling komt: een duidelijke regeling biedt het kind, de draagmoeder en andere betrokkenen waarborgen en houvast. 12

3.14

De aanbeveling van de Staatscommissie is door het kabinet overgenomen. In 2020 is een conceptwetsvoorstel in consultatie gebracht. De Raad van State heeft naar aanleiding van het conceptwetsvoorstel geconcludeerd dat er te weinig inzicht bestond in de aard en omvang van draagmoederconstructies in Nederland, en dat dit inzicht vereist is voor het maken van keuzes voor een wettelijke regeling. 13

3.15

In opdracht van het WODC is vervolgens een studie uitgevoerd naar de prevalentie en het verloop van draagmoederschapstrajecten in Nederland. 14 Uit het onderzoek blijkt dat in de periode van 2017-2022 165 unieke draagmoederschapszaken bij de raad voor de kinderbescherming en rechtbanken hebben gespeeld. Dit aantal vormt de ondergrens van de prevalentie van draagmoederschap in deze periode. Daarbij ging het om 94 binnenlandse en 71 buitenlandse trajecten. 15 Van de onderzochte binnenlandse routes ging het om 51 gehuwde draagmoeders, waarvan in 30 zaken achterhaald kon worden hoe de juridische procedure is verlopen. 16
De wensouders en draagmoeders die hebben deelgenomen aan het onderzoek waren tevreden over het traject, maar er werden wel diverse knel- en verbeterpunten genoemd. Een daarvan is de huidige juridische complexiteit van draagmoederconstructies. Ook is gebleken van een zorg met het oog op kinderrechten wat betreft de lange periode van onzekerheid waarin de juridische verantwoordelijkheid en de feitelijke verantwoordelijkheid van elkaar zijn gescheiden, waardoor het kind in noodsituaties onvoldoende beschermd is. 17

3.16

De Raad van State adviseerde verder onder andere dat de complexiteit van draagmoedertrajecten, die onder meer is gelegen in bij draagmoederschapstrajecten op het spel staande mensenrechten, een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigt.

3.17

Op 4 juli 2023 is het Wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) ingediend bij de Tweede Kamer. 18 Tien jaar na het advies van de Staatscommissie in 2016 is er echter nog steeds geen wettelijke regeling.

3.18

Er zijn wel recente ontwikkelingen. Op 26 maart jl. is de Wetenschapstoets wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming gepubliceerd. 19 Vanuit de familierechtspraak is ook in maart jl. gewezen op het belang van een wettelijk kader voor draagmoederschap. 20 Het plenaire debat over het wetsvoorstel in de Tweede Kamer staat nu in de week van 8 juni a.s. gepland.

Wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming 21

3.19

Het wetsvoorstel bevat een regeling voor de gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap binnen Nederland. 22 Op grond van deze regeling kunnen de draagmoeder en de wensouders de rechtbank vóór de conceptie gezamenlijk verzoeken om toekenning van ouderschap aan de wensouders (voorgesteld art. 1:214 lid 1 BW) . De rechtbank wijst het verzoek af als zij dit niet in het belang van het kind acht (voorgesteld art. 1:214 lid 3 BW) .

3.20

Door de beoordeling van het draagmoederschapstraject door de rechter plaats te laten vinden voorafgaand aan de conceptie, beoogt het wetsvoorstel de vrije instemming van alle betrokkenen te beschermen en een fait-accompli-situatie te voorkomen. 23 Met een beoordeling voorafgaand aan het ontstaan van de zwangerschap, geeft de wetgever blijkens de memorie van toelichting voorrang aan het belang van een vrije instemming van de draagmoeder en het belang van het kind, draagmoeder en wensouder bij rechtszekerheid omtrent de uitkomsten van de procedure boven het belang van betrokkenen om terug te kunnen komen op hun intentie indien de zwangerschap een ander verloop heeft dan verwacht. Daarmee wordt in het belang van het kind en alle betrokkenen met name het recht op bescherming van het family life van de draagmoeder beperkt, maar de regering acht dat gerechtvaardigd om het kind belang bij en recht heeft op zekerheid over ouderschap, naam, nationaliteit en wie verantwoordelijk is voor de verzorging en opvoeding. 24

3.21

Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om de gerechtelijke toekenning van het ouderschap in een aantal gevallen te laten herroepen door de rechtbank. Zo kan de rechtbank de toekenning van het ouderschap op verzoek van de draagmoeder herroepen indien na de toekenning de omstandigheden zijn gewijzigd en de rechtbank herroeping in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Dit verzoek moet worden ingediend vóór de geboorte van het kind of binnen drie maanden daarna (voorgesteld art. 1:220 lid 2 en 3 BW) .

3.22

Een wijziging van omstandigheden kan bestaan uit opgekomen bedenkingen bij de draagmoeder, aldus de wetgever. Deze mogelijkheid tot herroeping bevat dus een spijtoptie voor de draagmoeder. Over een verzoek tot herroeping op deze grond vermeldt de memorie van toelichting:

“In het geval van een wijziging van omstandigheden is er meer ruimte voor een belangenafweging tussen de draagmoeder en het kind. Een wijziging van omstandigheden kan zijn gelegen in gerezen bedenkingen bij de draagmoeder. Uitgangspunt blijft ook in dat geval dat de toekenning van het ouderschap na draagmoederschap in stand blijft, met het oog op het belang van het kind bij zekerheid over ouders, naam en nationaliteit vanaf de geboorte. Enkel indien de rechtbank oordeelt dat herroeping kennelijk in het belang van het kind is, zal zij de herroeping kunnen uitspreken. Hierbij kan onder meer het al dan niet bestaan van een genetische band tussen kind en draagmoeder een rol spelen, net als het bestaan van een genetische band met de wensouders. Na de herroeping zal aan de hand van het reguliere afstammingsrecht de afstamming van het kind moeten worden bepaald.” 25

3.23

Ook in het geval van bedenkingen van de draagmoeder geldt dus als uitgangspunt dat het ouderschap vanaf de geboorte bij de wensouders komt te liggen. Dit is anders als het kennelijke belang van het kind herroeping noodzakelijk maakt. Of herroeping in het belang van het kind is, moet worden beantwoord door de feitenrechter. Ook ten aanzien van herroeping bevat het wetsvoorstel geen nadere invulling van het belang van het kind.

3.24

Er is voor gekozen de termijn voor herroeping te maximeren tot drie maanden na de geboorte om langere onzekerheid voor het kind zoveel mogelijk te voorkomen. Tegelijkertijd is deze termijn volgens de wetgever voor partijen lang genoeg om zich tot de rechter te wenden en actie te ondernemen. De termijn sluit volgens de wetgever aan bij de ervaringen van de raad voor de kinderbescherming bij binnenlandse adoptie dat als wordt teruggekomen op het voornemen van afstand, dit het meest voorkomt tijdens de eerste drie maanden na de geboorte van het kind. 26

3.25

Het wetsvoorstel voorziet niet in een regeling van overgangsrecht. De voorgestelde bepalingen hebben daarmee onmiddellijke werking. In de memorie van toelichting wordt expliciet benoemd dat overgangsrecht voor binnenlands draagmoederschap niet noodzakelijk is, gelet op de beoogde toetsing van trajecten vooraf en het gegeven dat het gebruik van de algemene leerstukken van erkenning, gezagswissel en adoptie mogelijk blijft. 27

II.2 Huidig juridisch traject van overdracht van ouderschap en gezag bij draagmoederschap

3.26

Tot de inwerkingtreding van een toekomstige draagmoederregeling wordt afstamming en de overgang van ouderschap bij draagmoederconstructies geregeld door de algemene bepalingen uit het afstammings- en adoptierecht, het gezagsrecht en het kinderbeschermingsrecht om het juridisch ouderschap van de wensouders te realiseren, tegen de mensenrechtelijke achtergrond die voortvloeit uit internationale verdragen. Deze verdragsrechtelijke achtergrond bespreek ik eerst. Daarbij sta ik met name stil bij de voor deze zaak meest relevante grondrechten. 28
Vervolgens bespreek ik het huidige juridische traject voor overdracht van ouderschap, waarbij ik me beperk tot de situatie van een gehuwde draagmoeder en een wensvader die genetisch verwant is aan het kind.

Verdragsrechtelijk kader

Artikelen 3, 7, 8 en 21 IVRK

3.27

De rechten van het kind volgen in de eerste plaats uit het in 1995 door Nederland geratificeerde Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

3.28

Artikel 3 lid 1 IVRK luidt (met onderstreping van mij):

In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration.

3.29

Op grond van deze bepaling moet het belang van het kind bij maatregelen betreffende dat kind ‘een eerste overweging’ 29 zijn. Dit houdt in dat het belang van het kind niet altijd doorslaggevend is. Wel merkte de wetgever bij de goedkeuringswet van het IVRK op dat het “met de doelstelling van het verdrag in overeenstemming [is] te achten dat, in geval van conflict van belangen, het belang van het kind als regel de doorslag behoort te geven.” 30

3.30

Het IVRK bevat met artikel 21 IVRK een specifieke bepaling voor adoptie. Deze bepaling ziet met name op internationale adopties. Voor zover hier relevant luidt artikel 21 IVRK (met onderstreping van mij):

States Parties that recognize and/or permit the system of adoption shall ensure that the best interests of the child shall be the paramount consideration and they shall:

(a) Ensure that the adoption of a child is authorized only by competent authorities who determine, in accordance with applicable law and procedures and on the basis of all pertinent and reliable information, that the adoption is permissible in view of the child's status concerning parents, relatives and legal guardians and that, if required, the persons concerned have given their informed consent to the adoption on the basis of such counselling as may be necessary;

(…)

3.31

Het belang van het kind moet bij adoptie op grond van artikel 21 IVRK dus “the paramount consideration” zijn – en niet alleen “a primary consideration”, zoals bij maatregelen betreffende het kind op grond van artikel 3 IVRK in het algemeen is vereist. 31

3.32

Verder relevant is artikel 7 IVRK, waarin het recht van het kind is neergelegd om zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd, waarbij ‘ouders’ niet alleen de biologische ouders zijn maar ook de feitelijke opvoeders (ook wel aangeduid als de sociale ouders). Artikel 8 IVRK bevat het recht van het kind om zijn identiteit te behouden, waaronder de naam, nationaliteit en familiebetrekking vallen.

Artikelen 8 en 12 EVRM

3.33

In artikel 8 EVRM is het recht op family life en het recht op private life neergelegd. Artikel 12 EVRM bevat het recht een gezin te stichten.

3.34

Het beginsel dat het belang van het kind een eerste overweging moet zijn, is door het EHRM geïncorporeerd in zijn rechtspraak over artikel 8 EVRM, dat als doel heeft het recht op bescherming van privéleven en familie- en gezinsleven (family life) te beschermen. 32

3.35

Het kind en de draagmoeder hebben volgens het EHRM family life, in ieder geval tot de uitspraak van de rechter waarin het ouderschap wordt overgedragen aan de wensouder(s) in kracht van gewijsde is gegaan. 33 Of daarna nog sprake is van family life, hangt af van de vraag of en de wijze waarop de draagmoeder en het kind contact houden. 34 De verhouding tussen de draagmoeder en het kind kan dan ook onder het beschermde privéleven van de draagmoeder en het kind vallen. 35

3.36

De relatie tussen het kind en de wensouders wordt volgens het EHRM in eerste instantie beschermd door het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. Dit komt in de rechtspraak van het EHRM met name aan orde in verband met de mogelijkheid van de genetisch verwante wensouder tot erkenning van de ouderschapsband met het kind. 36 Als het kind en de wensouders in gezinsverband gaan samenleven kan tussen hen family life ontstaan. Volgens het EHRM is sprake van beschermd family life of private life van de wensouder zonder genetische band met het kind als de ouderschapsband met de genetisch verwante wensouder eenmaal gevestigd is, of als het kind inmiddels enige tijd opgroeit binnen het gezin van de wensouders. 37

3.37

Met betrekking tot de wensouders geldt dat er niet een recht op het krijgen van een kind bestaat. 38 Het krijgen van een kind via adoptie is volgens het EHRM geen beschermd mensenrecht. Het recht op het krijgen van een kind ligt niet besloten in het recht op family life (artikel 8 EVRM) of in het recht om een gezin te stichten (artikel 12 EVRM) . 39

3.38

Het recht van het kind op respect voor de persoonlijke identiteit valt onder het recht op private life van artikel 8 EVRM. Het recht op private life van het kind sluit dus aan bij het in artikel 8 IVRK neergelegde recht van het kind om zijn identiteit te behouden. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een juridische ouder-kind relatie een essentieel onderdeel vormt van de identiteit van een kind en daarmee van het recht op private life van een kind. 40 De onmogelijkheid om een juridische ouder-kind relatie te doen ontstaan, kan dus een inbreuk op het recht op private life van het kind opleveren.

3.39

Ter illustratie wijs ik op de uitspraak K.K./Denemarken. In deze zaak ging het om twee kinderen die waren geboren uit een commercieel draagmoedertraject in Oekraïne. De Deense wet verbood adoptie in geval van commercieel draagmoederschap en de niet-genetisch verwante wensmoeder mocht de kinderen daarom niet adopteren van de Deense rechter. Volgens het EHRM levert dit geen schending van artikel 8 EVRM jegens de wensmoeder op, omdat het openbare belang van de lidstaat Denemarken om commercieel draagmoederschap in het buitenland te beperken zwaarder woog dan de belangen van de wensmoeder, wiens family life met de kinderen feitelijk niet beperkt werd. Jegens de kinderen was volgens het Hof wel sprake van schending van artikel 8 EVRM. In dit verband overwoog het EHRM: 41

“72. The fact remains, though, that besides adoption, domestic law does not provide for other possibilities of recognition of a legal parent-child relationship with the intended mother. Accordingly, as pointed out by the applicants, when they were refused adoption, they were de facto refused being recognised as having a legal parent-child relationship. Such lack of recognition per se had a negative impact on the children’s right to respect for their private life, in particular because it placed them in a position of legal uncertainty regarding their identity within society (..).”

3.40

Tot slot wijs ik nog op enkele belangrijke grondrechten van de draagmoeder. Het zelfbeschikkingsrecht van de draagmoeder volgt uit artikel 8 EVRM en 10 en 11 Grondwet. Dit recht ziet onder meer op de reproductieve autonomie van de draagmoeder. Op grond van het zelfbeschikkingsrecht moet de draagmoeder vrij en geïnformeerd kunnen instemmen met het draagmoedertraject. Ook betekent het dat zij vrij is om keuzes te maken over haar lichaam, zoals de keuze om zwanger te (proberen te) raken 42 maar ook om de zwangerschap te laten beëindigen. 43 De draagmoeder wordt in het kader van het zelfbeschikkingsrecht ook beschermd tegen uitbuiting of dwang met betrekking tot draagmoederschap. Ik wijs ook op het VN-Vrouwenverdrag (m.n. de artikelen 6 en 16 van dit verdrag). 44

Ouderschap, gezag en omgang in draagmoederconstructies onder het huidige recht

3.41

De realisatie van het juridisch ouderschap en het gezag van de wensouders bij draagmoederconstructies wordt bij gebrek aan een specifieke regeling geregeld door de algemene bepalingen uit het afstammings- en adoptierecht en het gezagsrecht. Daarbij zal de rechter moeten beslissen aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval. 45

3.42

Praktisch gezien betekent dit dat meerdere juridische stappen gezet moeten worden om tot de gewenste uitkomst van juridisch ouderschap met gezag van beide wensouders te komen. Welke stappen dat zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval. 46

3.43

Ik geef hierna de stappen weer voor een binnenlandse draagmoederconstructie als in deze zaak, waarin het kind wordt geboren uit een gehuwde draagmoeder en een van de wensouders de biologische vader is die eveneens gehuwd is of een door geregistreerd partnerschap met de andere wensouder is verbonden. Bij de geboorte zijn de draagmoeder en haar echtgenoot van rechtswege de juridische ouders van het kind (art. 1:198 en 199 BW) . Vervolgens moeten de volgende vier stappen worden gezet om het ouderschap en het gezag naar de wensouders te laten overgaan, waarbij elke stap een beslissing van de rechter vergt: 47
1. Gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder (art. 1:200 BW) . Als gevolg daarvan is de draagmoeder de enige juridische ouder en heeft zij het eenhoofdig gezag over het kind;
2. Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische (art. 1:207 BW) . Na deze vaststelling zijn zowel de draagmoeder als de biologische vader juridisch ouder van het kind;
3. Gezagswissel op grond van artikel 1:253c BW, waarbij het eenhoofdig gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en de biologische wensvader met het eenhoofdig gezag wordt belast;
4. Adoptie door de andere wensouder (art. 1:227 e.v. BW) , waardoor laatstgenoemde juridisch ouder van het kind wordt (art. 1:229 lid 1 BW) . Door de adoptie eindigt het juridisch ouderschap van de draagmoeder (art. 1:229 lid 2 BW) . Adoptieouders die met elkaar gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben, oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over het kind uit (art. 1:251 lid 1 BW) . De adoptieouders hebben de mogelijkheid de geslachtsnaam te kiezen bij de adoptie (art. 1:5 lid 3 BW) . 48

3.44

De vele stappen in dit proces, dat niet specifiek is afgestemd op draagmoederschapsconstructies, en de mogelijkheid van zowel de draagmoeder als de wensouder(s) om zich te bedenken, maakt dat sprake is van een onzeker geheel. Ook de grote emotionele belangen maken dat alle betrokkenen bij een draagmoederconstructie zich in een kwetsbare positie bevinden.

3.45

In de praktijk proberen wensouders en draagmoeders dit risico te ondervangen door het sluiten van een draagmoederschapsovereenkomst. Daarin kunnen afspraken worden neergelegd, bijvoorbeeld rondom de zwangerschap, de overdracht van het juridische ouderschap en de vraag of en wijze waarop contact tussen de draagmoeder en het kind plaats zal vinden na de geboorte. Ook kunnen afspraken gemaakt worden over wat volgens partijen moet gebeuren in hypothetische situaties, zoals de geboorte van een kind met een beperking, een meerling of het overlijden van het kind.

3.46

Draagmoederschapsovereenkomsten zijn echter niet geheel bindend. De openbare orde (art. 3:40 lid 2), dwingend recht en mensenrechten staan in de weg aan het afdwingen van sommige afspraken. Toch is een draagmoederschapsovereenkomst voor betrokkenen in een draagmoedertraject vaak van meerwaarde omdat dit een bevestiging is van de vrijwilligheid en overeenstemming op belangrijke punten. Bovendien zijn sommige afspraken, bijvoorbeeld financiële regelingen over de kosten rondom zwangerschap en bevalling, wel juridisch afdwingbaar. 49

3.47

In de gepubliceerde rechtspraak zijn, naast de hier bestreden beschikking, enkele uitspraken te vinden waaruit blijkt van spijt van de draagmoeder. Uit dit – gelukkig – geringe aantal zaken rijst het beeld op van, vaak vele jaren, procederen tussen draagouders en wensouder over veel aspecten (variërend van de naam van het kind, de zorg- of omgangsregeling en het gezag tot de afgifte van het kind). 50 Ook de partijen in de onderhavige zaak waren ten tijde van de bestreden beschikking verwikkeld in weer een andere procedure bij de rechtbank Gelderland, waarin werd doorgeprocedeerd over het gezag, de omgang en een informatie- en consultatieregeling. 51

III. Adoptie

III.1 Inleiding – geschiedenis en ontwikkelingen

3.48

In deze cassatieprocedure gaat het in de kern om het sluitstuk van het juridische proces om te bewerkstelligen wat partijen in eerste instantie allemaal wensten: overgang van het juridisch ouderschap naar beide wensouders door middel van adoptie van het kind door de wensvader.

3.49

Adoptie is een van de manieren waarop een persoon juridisch ouder van een kind kan worden (art. 1:198 lid 1, onder e BW en art. 1:199, onder e BW) . Adoptie is sinds 1956 in de Nederlandse wet neergelegd. 52 Het aanvankelijke doel van de wettelijke regeling van adoptie was gelegen in de zogenoemde kinderbeschermingsgedachte: het bieden van bescherming aan pleeggezinnen tegen ongewenste aanspraken van de oorspronkelijke ouders van een pleegkind en het laten aansluiten van de juridische werkelijkheid bij de feitelijke werkelijkheid van een kind dat wordt opgevoed en verzorgd door anderen dan de oorspronkelijke ouders, die daartoe niet in staat of bereid waren.

3.50

Het oorspronkelijke doel van adoptie in de Nederlandse wetgeving is door de jaren heen meer en meer gewijzigd, daarbij deels plaatsmakend voor een tweede doel: het vestigen van een afstammingsrelatie en het hebben van de mogelijkheid om, juridisch gezien, een kind te krijgen. Als voornaamste oorzaak voor dat gewijzigde doel wordt meestal gewezen op de introductie van de mogelijkheid tot stiefouderadoptie in 1979 waardoor het adopteren van een kind door de nieuwe partner van een van de oorspronkelijke ouders mogelijk werd. 53 Bij stiefouderadoptie is het belang van het kind niet gelegen in bescherming maar in het al dan niet hebben van een familierechtelijke betrekking met de stiefouder. 54

3.51

De mogelijkheid tot het adopteren van een kind werd door de wetgever in 1956 alleen toegekend aan gehuwde paren van verschillend geslacht. Sindsdien is de wettelijke adoptieregeling meerdere keren gewijzigd om aan te sluiten bij verschuivende maatschappelijke en morele opvattingen en behoeften. 55 Zo is voor adoptie sinds 1 april 2001 niet langer vereist dat de adoptanten van verschillend geslacht zijn 56 en is sinds 1 januari 2009 adoptie door de vrouwelijke partner van de biologische moeder versoepeld, in die zin dat al vanaf de geboorte een familierechtelijke betrekking kan bestaan tussen de wensmoeder en het kind. 57

3.52

In het wetgevingsproces rond adoptie door personen van hetzelfde geslacht is de wenselijkheid van adoptie bij draagmoederschap aan de orde gekomen. Ik citeer uit de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Adoptie door personen van hetzelfde geslacht opgemerkt: 58

“De leden van de fracties van GPV en RPF vroegen of de regering op het standpunt staat dat draagmoederschap principieel verwerpelijk is, alsmede of de regering het standpunt deelt dat de wetgever het mogelijke moet doen om draagmoederschap in ieder geval niet te belonen. Deze leden vroegen in dit verband of niet in de wet moet worden bepaald dat van adoptie geen sprake kan zijn als het gaat om een kind dat door een draagmoeder is afgestaan.

Tegenover het draagmoederschap is door achtereenvolgende kabinetten steeds een terughoudend standpunt ingenomen. Dit terughoudende standpunt deel ik, gelet op de risico’s voor het kind die er in verband met het draagmoederschap kunnen zijn. Ik veronderstel deze risico’s als bekend.

Draagmoederschap zou bevorderd kunnen worden door het als zodanig te regelen. Regulering van draagmoederschap is steeds afgewezen omdat dergelijke regulering de vraag kan stimuleren. Dat betekent dat, als er toch eens sprake is van draagmoederschap, de bestaande wegen van het familierecht gevolgd moeten worden om uiteindelijk overgang in juridisch opzicht van de draagmoederschap naar de wensouder(s) te bewerkstelligen. Dat is nu zo, dat wordt niet anders wanneer adoptie door een paar van hetzelfde geslacht mogelijk wordt. In de huidige praktijk is, voor zover mij bekend, draagmoederschap een niet veel voorkomend verschijnsel, ook al is er een groot tekort aan adoptiekinderen, zeker als het gaat om Nederlandse kinderen. Men zou theoretisch het draagmoederschap ook nu al als een aantrekkelijk alternatief voor het tekort aan adoptiekinderen kunnen beschouwen. Dat het draagmoederschap geen hoge vlucht heeft genomen, zou kunnen voortvloeien uit emotionele en morele weerstanden tegen dit verschijnsel naast de vele praktische en juridische problemen rond het draagmoederschap. Dat wordt niet anders wanneer adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk wordt. Ik verwacht dan ook niet dat het draagmoederschap veel zal toenemen door deze nieuwe mogelijkheid van adoptie. Een bepaling dat adoptie niet tot de mogelijkheden behoort als het kind is afgestaan door een draagmoeder acht ik dan ook niet nodig en bovendien ongewenst. Immers, draagmoederschap als zodanig is niet verboden en kan ook niet verboden worden. Mocht het zich eens voordoen en wordt het kind afgestaan en opgenomen door de wensouders, dan zou adoptie het sluitstuk kunnen zijn dat het kennelijke belang van het kind dient. Ten slotte, een bepaling als voorgesteld lijkt op het eerste gezicht moeilijk te handhaven.

(…)

Deze leden hebben verder opgemerkt dat zij de indruk hebben dat het belangrijkste motief van het wetsvoorstel niet ligt in het belang van een groep kinderen voor wie geen andere goede mogelijkheden bestaan, maar in de uitdrukkelijke wens om ook ten aanzien van adoptie verschillende leefvormen gelijk te behandelen. Deze leden wijzen in dit verband ook op de samenhang met het wetsvoorstel inzake de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht. Ook de leden van de fractie van de SGP zien een nauwe samenhang.

Met deze leden ben ik van oordeel dat het (kennelijke) belang van het kind voorop staat. Kinderen die in een duurzame relatie van twee personen worden geboren en/of opgevoed, hebben, ook in juridisch opzicht, bescherming nodig. Dat geldt ook wanneer deze twee personen van hetzelfde geslacht zijn. Dit betekent dat naar mijn mening een goede bescherming van het gezins- en familieleven van het kind met zijn verzorgers en opvoeders ertoe leidt dat ook adoptie door personen van hetzelfde geslacht wordt toegestaan. Een noodzakelijke samenhang met het wetsvoorstel inzake de openstelling van het huwelijk is er niet. Immers, de mogelijkheid van adoptie staat los van het al dan niet gehuwd zijn van het paar dat adopteert. Ook als het huwelijk niet wordt opengesteld, is de invoering van adoptie door personen van hetzelfde geslacht in het (kennelijk) belang van het kind gewenst. Omgekeerd is de invoering van deze vorm van adoptie niet afhankelijk van de openstelling van het huwelijk.”

III.2 Wettelijke vereisten voor adoptie

3.53

De wettelijke vereisten voor adoptie staan in de artikelen 1:227 en 1:228 BW, die van dwingend recht zijn. Adoptie vindt plaats door een uitspraak van de rechter op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen, de wensouder(s). Adoptie kan slechts worden verzocht door twee personen tezamen, als zij op grond van de wet met elkaar mogen trouwen (art. 1:227 lid 1 BW) . Een broer en een zus kunnen dus niet samen een kind adopteren. Artikel 1:227 lid 2 BW stelt nadere eisen aan adoptie door twee personen tezamen, bijvoorbeeld met betrekking tot aan het verzoek voorafgaande samenleving. 59

3.54

Artikel 1:227 lid 3 BW bevat de drie vereisten voor adoptie waaraan voldaan moet zijn om het verzoek tot adoptie te kunnen toewijzen:

3. Het verzoek kan alleen dan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228, wordt voldaan.

3.55

Aan de Hoge Raad is een aantal keer de vraag voorgelegd of een wettelijk adoptievereiste terzijde kan worden geschoven ten dienste van de wens van de wensouder om een kind te adopteren. Het antwoord van de Hoge Raad is in deze zaken steeds ontkennend. In lijn met de rechtspraak van het EHRM blijkt uit deze rechtspraak van de Hoge Raad dat wensouders geen recht op adoptie hebben als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten daarvoor, maar dat het EVRM wel het family life van het kind met de wensouders beschermt (zie ook onder 3.36). 60

Het eerste vereiste: adoptie is in het kennelijk belang van het kind

3.56

Het vereiste dat adoptie in het kennelijk belang van het kind is, is het centrale criterium.

3.57

Het is aan de feitenrechter om te bepalen of de adoptie in het kennelijk belang van het kind is. Een veelheid aan feiten en omstandigheden kan bij die beoordeling gewicht in de schaal leggen, zoals de verzorgingsduur en de opvoedingssituatie bij de oorspronkelijke ouders en pleegouders. 61 Een ander punt dat kan worden meegewogen is de feitelijke omgang die het kind met de oorspronkelijke ouder(s) heeft en de wijze waarop de adoptie daarop van invloed zou zijn. Het is een bestendige lijn in de rechtspraak dat het bestaan van feitelijke omgang tussen het kind en de oorspronkelijke ouder(s) het oordeel van de rechter dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is niet in de weg hoeft te staan. 62 Adoptie hoeft immers niet te betekenen dat naast de familierechtelijke banden ook de feitelijke banden ophouden te bestaan, zo volgt ook uit artikel 1:229 lid 5 BW.

3.58

Artikel 1:229 lid 5 BW bepaalt dat als het kind op het moment van de adoptie omgang heeft met een ouder met wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, de rechtbank kan bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. Bij de invoering van deze bepaling bij de wetswijziging in 1979, waarbij de mogelijkheid voor stiefouders om te adopteren in de wet werd geïntroduceerd, werd door de toenmalige minister van Justitie opgemerkt: 63

“Al in een vrij vroeg stadium van de rechtspraak over de toen nog tamelijk nieuwe Adoptiewet is door de rechter uitgemaakt, dat het bestaan van goede feitelijke verhoudingen tussen ouder en kind beslist niet in de weg staat aan een positief oordeel over de vraag, of de adoptie ook wat de verbreking van de banden betreft in het kennelijk belang van het kind zijn. Wat dat betreft is er, denk ik, geen verschil van mening. Het is, ook al zouden wij helemaal niets regelen over omgang, beslist niet de bedoeling als het ware de omgang tussen geadopteerd kind en de voormalige ouder onmogelijk te maken of die vreemd, raad of ongebruikelijk te vinden. Dat is helemaal niet het geval.

(…)

Ik wijs nog op een zeker verband tussen dit vraagstuk van de continuering van het omgangsrecht en het vetorecht. Als op deze wijze een ouder het gevoel heeft dat hem toch niet alle contact met het kind door adoptie wordt ontnomen, zal hij minder geneigd zijn gebruik te maken van het absolute vetorecht. Zo kunnen die beide op een niet ongelukkige manier op elkaar inwerken.”

3.59

Op het door de toenmalige minister genoemde vetorecht ga ik hierna onder 3.77 e.v. nader in.

Het tweede vereiste voor adoptie: niets meer van een ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten

Wetsgeschiedenis

3.60

Sinds de wetswijziging van 1 april 2001 is adoptie ook opengesteld voor homoseksuele stellen (zie hiervoor onder 3.51). 64 Bij diezelfde wetswijziging is het tweede vereiste voor adoptie aan artikel 1:227 lid 3 BW toegevoegd: het vereiste dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. 65 Hoewel het openstellen van het burgerlijk huwelijk voor ook homoseksuele stellen de aanleiding was voor de wetswijziging als geheel, geldt het nieuwe tweede vereiste niet alleen bij adoptie door een homoseksueel stel, maar voor iedere adoptie.

3.61

Het nieuwe vereiste werd in de wet opgenomen op voorstel van de Commissie Openstelling Burgerlijk Huwelijk. Deze commissie was ingesteld om de regering te adviseren over de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor paren van gelijk geslacht. In het rapport van de Commissie Openstelling Burgerlijk Huwelijk wordt, voor zover hier relevant, het volgende vermeld over adoptie en het voorgestelde nieuwe vereiste daarvoor (met onderstreping van mij): 66

Adoptie

Vooraf zij opgemerkt dat het standpunt van de Commissie over adoptie alleen de adoptie van kinderen in Nederland betreft. De opvatting van de Commissie dat niet van rechtswege aan een geboorte van een kind binnen een huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht afstammingsgevolgen worden verbonden, laat open dat krachtens rechterlijke beslissing niet bestaande afstammingsrelaties zouden kunnen worden gecreëerd.

Dat gebeurt in het huidige recht bij de adoptie. (…) Het adoptierecht verschaft thans in bepaalde gevallen erkenning van en legitimatie aan feitelijk ouderschap waar afstammingsouderschap niet aanwezig is of kan zijn. Het huidige adoptierecht geeft deze erkenning en legitimatie echter alleen in die gevallen dat er werkelijke afstamming zou kunnen zijn.

Aangezien het adoptierecht een abstractie van de afstamming impliceert, acht de Commissie het denkbaar dat onder omstandigheden uitbreiding van de adoptie naar de gevallen dat twee vrouwen of twee mannen een kind verzorgen en opvoeden mogelijk moet zijn. Op deze wijze kan naar het oordeel van de Commissie zinvol tegemoet gekomen worden aan de wens dat verwantschapsbanden worden gecreëerd tussen het kind en de volwassenen die het kind als ware het een eigen kind verzorgen en opvoeden en tussen de familie van de volwassenen en dat kind. Dat er in deze gevallen afstammingsrelaties worden gecreëerd die er in werkelijkheid nimmer kunnen zijn, acht de Commissie niet van doorslaggevende betekenis.

De Commissie vindt wel dat de mogelijkheid van adoptie op zeer voorzichtige wijze moet worden toegepast, omdat de rechtsgevolgen van de adoptie zo ver strekken. Als er voorafgaande aan de adoptie familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke ouder(s) bestonden, worden deze immers volledig doorgesneden, terwijl het ook vrijwel niet meer mogelijk is om, nadat de adoptie heeft plaatsgevonden, nog een familierechtelijke betrekking met een biologische ouder te vestigen.

De Commissie is dan ook van oordeel dat deze verstrekkende rechtsgevolgen van de adoptie alleen behoren in te treden als vaststaat dat de bloedverwantschapsband tussen de oorspronkelijke ouder(s) en het kind geen betekenis meer heeft, noch zal krijgen. Deze beoordeling dient door de rechter gemaakt te worden. De Commissie beveelt daarom aan in de wet tot uitdrukking te brengen dat een adoptie alleen plaatsvindt, indien aangenomen mag worden dat het kind niets meer van zijn oorspronkelijke ouder of ouders te verwachten heeft of zal krijgen. Dit sluit ook aan bij de beginselen zoals deze voortvloeien uit het Verdrag inzake de rechten van het kind.”

3.62

De memorie van toelichting bij de wetswijziging van 1 april 2001 vermeldt over de introductie van dit nieuwe tweede vereiste, voor zover van belang, het volgende (met onderstrepingen van mij): 67

3. Nieuwe voorwaarde voor adoptie

Voorgesteld wordt dat adoptie – naast de reeds geldende voorwaarden – alleen dan in aanmerking komt wanneer het kind van zijn oorspronkelijke ouder of ouders niets meer te verwachten heeft. Het criterium wordt voorgesteld ongeacht of het gaat om adoptie door personen van hetzelfde geslacht of om adoptie door personen van verschillend geslacht. In alle gevallen dienen de gevolgen van adoptie slechts in te treden als het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te verwachten heeft. Uitgangspunt is derhalve dat de familieband met de oorspronkelijke ouders in zoveel mogelijk gevallen blijft bestaan. Dit criterium is passend gelet op de voorzichtigheid waarmee adoptie dient te worden benaderd. (…) Het gaat erom dat het kind nu en in de toekomst, voorzover voorzienbaar, niets meer te verwachten heeft van zijn ouder(s).

(…)

Het criterium dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder of ouders niets meer te verwachten heeft, ziet op de ouder/kind-relatie. Het gaat dus niet om de vraag of het kind met zijn oorspronkelijke ouders in het geheel geen feitelijke contacten meer heeft of nog zal krijgen. Van belang is of het kind wel of niet kan verwachten dat de ouders nog inhoud kunnen geven aan het ouderschap. Slechts indien vaststaat dat het kind ten aanzien van zijn oorspronkelijke ouders als ouders niets te verwachten heeft, zal aan het nieuwe criterium voor adoptie zijn voldaan. Centraal staat het begrip ouderschap. Ouderschap impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging, opvoeding of uitoefening van het gezag. Tevens is ouderschap naar zijn aard bestendig en duurzaam, bij voorbeeld wat het geven van liefde, aandacht en affectie betreft.
De beoordeling van de vraag wanneer aan de nieuwe voorwaarde voor adoptie is voldaan, dient gelet op de diversiteit van gevallen te worden overgelaten aan de rechter. Er zullen gevallen zijn waarin deze vraag eenvoudig zal zijn te beantwoorden, zoals het geval van duomoeders waarin bij één van hen een kind is verwekt door middel van kunstmatige inseminatie met het semen van een anonieme donor. Aangezien de banden met de juridische moeder, die het kind heeft gebaard, door de adoptie niet worden verbroken, en er geen andere – biologische – ouder aan te wijzen is, zal aan het nieuwe vereiste zijn voldaan. De afweging kan anders liggen wanneer het kind bij voorbeeld is verwekt met semen van een bekende van de moeder en/of van haar partner. Teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de intenties van de bekende donor met betrekking tot het afstammingsouderschap, is het aangewezen dat die donor in het kader van het adoptieverzoek door de rechter kan worden opgeroepen om te worden gehoord. Mede gelet op zijn verklaring en de verdere omstandigheden van het geval, zal dan vastgesteld moeten worden of het kind van die donor als ouder werkelijk niets te verwachten heeft.
In het geval dat de nieuwe partner (vrouw of man) van de vader een kind van hem zou willen adopteren, zal niet altijd aan de nieuwe voorwaarde zijn voldaan, omdat niet met voldoende zekerheid zal zijn vast te stellen dat het kind niets meer van de moeder als ouder te verwachten heeft. In gevallen dat de relatie tussen moeder en kind, bijvoorbeeld door verwaarlozing van het kind, ernstig is verstoord, is het immers niet uitgesloten dat door latere ontwikkelingen de ouder/kind-relatie nog weer inhoud kan krijgen. Ook hier zullen de verklaringen van de ouder en de verdere omstandigheden van het geval belangrijke factoren zijn bij de beoordeling van de vraag of het kind van zijn ouder als ouder nog iets te verwachten heeft. Hetzelfde geldt uiteraard in het omgekeerde geval dat de relatie tussen vader en kind ernstig is verstoord, en de nieuwe partner van de moeder het kind zou willen adopteren. Is er twijfel over het antwoord op de vraag of aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan, dan zal naar mijn oordeel de rechter de oorspronkelijke ouder het voordeel van de twijfel moeten geven. Als een adoptie om deze reden niet zou doorgaan, bestaat altijd nog de mogelijkheid van het op 1 januari 1998 ingevoerde gezamenlijk gezag van een ouder en zijn partner, dat hieronder zal worden besproken.

Omdat het erom gaat of het kind van zijn biologische en/of juridische ouder als ouder niets meer te verwachten heeft, is de mogelijkheid dat de rechter bepaalt dat een bestaande omgangsregeling gehandhaafd blijft (artikel 229, vierde lid) niet geschrapt. Indien de ouder bij voorbeeld een summiere omgangsregeling heeft (één keer per maand een middag bij voorbeeld), zou best aan het nieuwe criterium voldaan kunnen worden zonder dat de omgang geblokkeerd wordt. Het kind zou van de persoon die hem maandelijks één keer bezoekt, als ouder niets te verwachten hebben. Dat zal waarschijnlijk anders liggen als de omgangsregeling veel uitgebreider en intensiever is. Maar dan gaat de adoptie niet door, omdat aan het nieuwe criterium niet wordt voldaan.

3.63

Over de verhouding tussen het eerste vereiste van artikel 1:227 lid 3 BW (kennelijk belang van het kind-vereiste) enerzijds en het nieuwe tweede vereiste (niets meer te verwachten-vereiste) anderzijds is in de nota naar aanleiding van het verslag bij de wetswijziging van 1 april 2001 het volgende vermeld (met onderstrepingen van mij): 68

“(…) De nieuw opgenomen voorwaarde in artikel 227, derde lid, strekt ertoe, zoals ook de Commissie Openstelling Burgerlijk Huwelijk heeft geadviseerd, het oorspronkelijke doel van de adoptie, te weten het doen overgaan van het kind van de ene familie naar de andere omdat het kind niets meer van zijn oorspronkelijke ouders te verwachten heeft, te bevestigen. Door opneming in de wet van deze voorwaarde wordt het zeer algemene criterium «kennelijk belang van het kind» aangescherpt. Ik verwacht niet dat hierdoor het aantal adopties van kinderen in Nederland sterk zal teruglopen. Wel kan het ertoe leiden dat het aantal stiefouderadopties afneemt, omdat in die gevallen er vaak een ouder op afstand is, van wie niet gezegd kan worden dat van hem of haar als ouder niets meer te verwachten valt. In deze gevallen bestaat er een goed alternatief in de vorm van gezamenlijk gezag voor de verzorgende ouder en zijn nieuwe partner.

(…)

In dit verband vroegen de leden van de fracties van GPV en RPF ook of het kabinet van mening is dat tot nu toe adopties hebben plaatsgevonden terwijl geenszins vaststond dat het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te verwachten heeft. Gelet op het feit dat de voorgestelde aanscherping van de voorwaarde dat adoptie het kennelijke belang van het kind moet dienen tot nu toe niet in de wet tot uitdrukking is gebracht, zodat een uitdrukkelijke toetsing aan deze voorwaarde ook niet behoefde plaats te vinden, kan ik niet vaststellen of er adopties hebben plaatsgevonden die niet aan deze voorwaarde voldeden. Het zou kunnen.

(…)

Dit nieuwe criterium staat naast het algemene criterium dat de adoptie in het kennelijke belang van het kind behoort te zijn. In de verhouding tot dit, zoals iedereen bekend is, zeer algemene criterium, beoogt het nieuwe criterium een aanscherping te zijn. Ik meen ook dat het als zodanig kan functioneren en kan voorkomen dat het al dan niet toestaan van een adoptie te zeer een afweging wordt in de zin van «waar is het kind nu en in de toekomst beter af?» Bij zijn oorspronkelijke ouder(s) dan wel bij de adoptiefouder(s)? Daar gaat het naar mijn mening bij de adoptie niet om. De verbreking van alle banden met de oorspronkelijke ouder(s) is zo ingrijpend dat die alleen dient plaats te vinden als vaststaat dat het kind van zijn oorspronkelijke ouder(s) niets meer te verwachten heeft.

(…)

De leden van de SP-fractie vroegen een reactie op de argumenten die zij geven om het criterium «vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder(s) te verwachten heeft» te laten vervallen. Graag doe ik dat. In de eerste plaats zou het vervallen van dit criterium naar het oordeel van de leden van de SP-fractie ertoe leiden dat uitsluitend de familiesituatie waarin het kind wordt opgevoed wordt getoetst. Het voorgestelde criterium scherpt het algemene criterium aan dat de adoptie het kennelijke belang van het kind behoort te dienen. Omdat adoptie niet alleen leidt tot vestiging van een familierechtelijke betrekking met een of beide adoptieouders, maar ook leidt tot verbreking van alle banden met de oorspronkelijke ouders, is het naar mijn oordeel niet voldoende dat uitsluitend de familie-situatie wordt getoetst waarin het kind wordt opgevoed. Juist het gegeven dat adoptie zulke verstrekkende consequenties heeft voor de oorspronkelijke ouders brengt mee dat een aanscherping van het criterium dat adoptie in het kennelijke belang van het kind dient te zijn, gewenst is.

(…)

De leden van de fracties van GPV en RPF vroegen waaruit de noodzakelijkheid of wenselijkheid tot toevoeging van een nieuwe voorwaarde voor adoptie is gebleken. Zou deze voorwaarde ook zijn voorgesteld, als niet tegelijk het voorstel voor adoptie door twee personen van hetzelfde geslacht werd gedaan? Met de nieuwe voorwaarde wordt beoogd het wel zeer algemene criterium dat adoptie het kennelijke belang van het kind behoort te dienen aan te scherpen. Door toevoeging van dit nieuwe criterium wordt in feite teruggekeerd naar de oorspronkelijke bedoelingen van de adoptie. In het bijzonder vanaf de jaren zeventig is in de rechtspraktijk de algemene voorwaarde voor adoptie dat deze in het kennelijk belang van het kind dient te zijn, meer en meer ingevuld als een afweging tussen het oorspronkelijke gezin en het adoptiefgezin. Heel ruw gezegd: waar is het kind beter af. Gelet op de verstrekkende consequenties van de adoptie – de banden met de oorspronkelijke ouders en hun familie worden immers geheel verbroken – is het maar de vraag of de weg die was ingeslagen de juiste was. Mede gelet hierop heeft de commissie Kortmann [Commissie Openstelling Burgerlijk Huwelijk; A-G] de bedoelde extra voorwaarde geformuleerd. Dat de mogelijke invoering van adoptie voor personen van hetzelfde geslacht aanleiding heeft gegeven om nog eens goed te kijken naar de ontwikkeling van de toepassingen van de adoptievoorwaarden in het algemeen, mag voor zich spreken. Of de bedoelde aanvulling ook zou zijn voorgesteld als dit niet gepaard zou gaan met de invoering van de adoptie door personen van hetzelfde geslacht, is een moeilijk te beantwoorden vraag omdat zij uitgaat van een zich niet voordoende situatie.”

3.64

Uit voorgaande passages uit de wetsgeschiedenis leid ik af dat het niets meer te verwachten-vereiste weliswaar als afzonderlijk vereiste voor adoptie in de wet is opgenomen, maar dat het een vereiste is dat een aanscherping is van het eerste en dus primaire vereiste: het kennelijke belang van het kind. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever niet wenst dat bij een adoptieverzoek in zijn algemeenheid wordt beoordeeld waar het kind ‘beter af is’. Het niets meer te verwachten-vereiste is in de wet opgenomen omdat de wetgever het in het belang van het kind acht dat adoptie pas kan plaatsvinden als het kind niets meer te verwachten heeft of zal hebben van de oorspronkelijke ouder(s). Dit nieuwe vereiste staat dus ten dienste van primaire vereiste van het kennelijk belang van het kind; het is een uitwerking daarvan. 69

3.65

Specifiek in de context van draagmoederschap blijkt ten aanzien van het niets meer te verwachten-vereiste het volgende uit de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel inzake de adoptie door personen van hetzelfde geslacht (met onderstreping van mij): 70

De leden van de CDA-fractie vroegen of aan de nieuwe voorwaarde voldaan kan zijn wanneer een zaaddonor of een draagmoeder verklaart afstand van een kind te willen doen, terwijl er geen reële beletselen bij hen zijn om een kind te verzorgen en op te voeden. Zij hebben bij voorbeeld eigen kinderen. Ik onderscheid bij de beantwoording van deze vraag tussen de (bekende) zaaddonor en de draagmoeder. De bekende zaaddonor is de biologische ouder van het kind die in de adoptieprocedure betrokken zal worden als hij in een betrekking staat tot het kind die als «family life» gekwalificeerd kan worden. Die betrekking tot het kind kan voortvloeien uit de relatie die de donor tot de moeder heeft of heeft gehad of uit de verhouding die de donor met het kind zelf heeft opgebouwd. In het bijzonder als de donor met het kind zelf een zodanige relatie heeft dat die als family life gekwalificeerd kan worden, kan de vraag rijzen of vast kan komen te staan of het kind van de donor als ouder niets meer te verwachten heeft. «Family life» op grond van de relatie met het kind wordt niet gemakkelijk aangenomen. Vaak zal het erop neer komen dat de donor in een dergelijk geval het kind mede heeft verzorgd en opgevoed gedurende langere tijd. In dergelijke gevallen zal de donor niet snel afstand doen van het kind. Een donor die geen «family life» heeft met het kind behoeft niet te worden opgeroepen en te worden gehoord. Het is ten aanzien van hem niet nodig vast te stellen of aan het nieuwe criterium wordt voldaan.

Wat de draagmoeder betreft, die afstand doet van het kind, zij opgemerkt dat de adoptie het sluitstuk is van een reeks van juridische stappen, waarin eerder al de vraag aan de orde is of de draagmoeder geschikt is om haar plichten tot verzorging en opvoeding te vervullen. In het bijzonder moet deze vraag in de procedure tot ontheffing van de draagmoeder van het gezag over haar kind beantwoord worden (zie artikel 266 Boek 1 B.W.). Daarbij gaat het er niet om of de draagmoeder in het algemeen niet geschikt is om kinderen te verzorgen en op te voeden, maar of de draagmoeder ten aanzien van dit specifieke kind ongeschikt is tot verzorging en opvoeding. Ook al verzorgt de draagmoeder zelf kinderen en ook al verkeert zij in omstandigheden die haar in theorie niet beletten om nog een kind te verzorgen en op te voeden, dan nog kan zij ten aanzien van het kind, dat zij als draagmoeder baart, ongeschikt zijn om het te verzorgen en op te voeden. Ter zake van het nieuwe criterium voor de adoptie geldt eveneens dat nagegaan moet worden of de ouder ten aanzien van dit specifieke kind als ouder nog van betekenis voor het kind is of zal zijn. De draagmoeder die ontheven is van het gezag omdat zij ongeschikt werd geacht haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen en die verklaart dat het kind als ouder van haar niets te verwachten heeft, behoeft de rechter niet te misleiden. In de praktijk zal het kind van de draagmoeder al geruime tijd in het gezin van de wensouder(s) verzorgd en opgevoed zijn en heeft dit kind van de draagmoeder als ouder niets te verwachten. De draagmoeder is voor het kind misschien een aardige tante, maar meer ook niet. Voor de draagmoeder noch de zaaddonor is het nodig de rechtbank op het verkeerde been te zetten om adoptie door de wensouder(s) mogelijk te maken.

3.66

Bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de adoptie door personen van hetzelfde geslacht in de Eerste Kamer kwam ook het nieuwe niets meer te verwachten-vereiste in de specifieke context van adoptie bij draagmoederschap aan de orde (met onderstreping van mij): 71

“De situatie van de draagmoeder kwam eveneens aan de orde in de schriftelijke stukken (Kamerstukken II 1999/2000 26 673, nr. 5, p. 22–23). Het gaat dan om een zeer specifieke situatie. Adoptie is daarin het sluitstuk van een reeks juridische stappen, waarin al eerder de vraag aan de orde is geweest of de draagmoeder geschikt is om haar plichten als ouder tot verzorging en opvoeding te vervullen. Het antwoord op die vraag wordt gegeven ter gelegenheid van de ontheffing van de draagmoeder van het ouderlijk gezag. Dit antwoord zal voor de vraag of aan het nieuwe criterium bij adoptie wordt voldaan, mede bepalend kunnen zijn.”

3.67

Deze passages in de wetsgeschiedenis in de specifieke context van draagmoederschap laten vooral zien dat het nieuwe vereiste adoptie – als sluitstuk van een reeks juridische stappen om zo een familierechtelijke betrekking tussen het kind en de wensouder(s) te creëren – niet in de weg hoeven te staan als alle betrokkenen het eens zijn over de adoptie.

3.68

Over de betekenis van dit vereiste in geval van een draagmoeder met spijt leert de wetsgeschiedenis echter niets. Ik kom op deze kwestie hierna onder 3.82 e.v. terug, nadat ik het derde vereiste voor adoptie heb besproken. In het kader van dat derde vereiste komt namelijk het vetorecht van een draagmoeder aan de orde. Ik bespreek nu echter eerst de toepassing van het niets meer te verwachten-vereiste in de rechtspraak.

Rechtspraak ten aanzien van het tweede vereiste

3.69

Of een kind in een concreet geval niets meer van een ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, is blijkens de wetsgeschiedenis een oordeel dat aan de feitenrechter is voorbehouden (zie hiervoor onder 3.61 en 3.62).

3.70

Ook ten aanzien van dit tweede vereiste is van belang dat het feit dat er nog contact is tussen de ouder en het kind, niet hoeft te betekenen dat het kind van deze ouder in de hoedanigheid van ouder nog iets te verwachten heeft (zie ook onder 3.57 en de aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis onder 3.62). 72

3.71

In draagmoederzaken neemt de rechter aan dat het kind niets meer van de draagmoeder te verwachten heeft als de draagmoeder dat ten behoeve van het uitspreken van de adoptie verklaart en in de procedure komt vast te staan dat zowel de draagmoeder als de wensouder het adoptieverzoek onderschrijven. 73

3.72

In een draagmoederzaak, waarin door de wensvaders en draagmoeder was afgesproken dat de dagelijkse zorg en (financiële) verantwoordelijkheid voor het kind bij de wensvaders zou liggen, oordeelde de rechtbank Noord-Holland dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten had, en sprak de adoptie uit. Dat het kind in emotioneel opzicht nog wel iets van de draagmoeder als ouder te verwachten had en dat zij op regelmatige basis contact met elkaar hebben, deed daaraan volgens de rechtbank niet af. 74

“4.6 Artikel 1:227, derde lid, BW bepaalt dat het verzoek alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 228, wordt voldaan.

4.7

Aan de hand van de stukken en het besprokene op de zitting stelt de rechtbank vast dat de vader en de duovader meteen na de geboorte van [de minderjarige] de dagelijkse zorg voor haar op zich hebben genomen. [de minderjarige] heeft een goede band met haar beide vaders. De draagmoeder heeft vanaf de geboorte van [de minderjarige] op regelmatige basis contact met haar gehad en dat is nog steeds zo. [de minderjarige] logeert een aantal keer per maand bij haar moeder en heeft ook goed contact met haar halfbroers en halfzus. Het gezag over [de minderjarige] berustte tot 20 mei 2020 bij de draagmoeder; vanaf die datum is de vader mede met het gezag over [de minderjarige] belast. De gezagsbeslissingen over [de minderjarige] zijn steeds in goed onderling overleg genomen, waarbij de beslissingen die de vaders in het belang van [de minderjarige] achtten, steeds zijn ondersteund door de gezaghebbende moeder. De moeder heeft ermee ingestemd dat in 2021 haar gezag werd beëindigd en staat achter de adoptie door de duovader. Zij heeft daarmee bewust afstand gedaan van haar ouderlijke rechten en plichten. Wel heeft zij aangegeven dat zij altijd voor [de minderjarige] beschikbaar zal zijn als het nodig is.

4.8

Uit het voorgaande blijkt dat de dagelijkse zorg en (financiële) verantwoordelijkheid voor [de minderjarige] sinds haar geboorte worden gedragen door de vader en de duovader samen, en dat het de bedoeling van alle betrokkenen is dat dit zo blijft. De vaders hebben in samenspraak met de moeder besloten de opvoeding van [de minderjarige] op deze manier vorm te geven en de moeder heeft er uitdrukkelijk mee ingestemd een liefhebbende rol op de achtergrond te spelen. Daarmee staat voor de rechtbank voldoende vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat [de minderjarige] niets meer van de moeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Daaraan staat niet in de weg dat [de minderjarige] in emotioneel opzicht wel degelijk nog iets van de moeder als ouder kan verwachten en dat zij op regelmatige basis contact met elkaar hebben.”

3.73

Ook een hechte band tussen wensouders en de draagmoeder, die de halfzus is van een van de wensouders, maakte volgens de rechtbank Amsterdam niet dat het kind nog iets van de draagmoeder als ouder te verwachten had. 75

“6.7. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan. Tevens staat vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat [minderjarige], hoewel er sprake is van een hechte band tussen de wensouders en de draagmoeder, niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, zoals ook tussen hen is afgesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is en zal het verzoek toewijzen.”

3.74

Voor een voorbeeld waarin niet is voldaan aan het tweede vereiste wijs ik op een uitspraak van de Hoge Raad uit 2006. In deze adoptiezaak ging het niet om een draagmoeder, maar om een zaaddonor. Het kind was verwekt met behulp van de zaaddonor en werd geboren in een relatie van twee vrouwen. In deze zaak oordeelde het hof Amsterdam dat niet kon worden vastgesteld dat het kind niets meer van de zaaddonor, die family life had met het kind, als ouder kon verwachten. 76 De Hoge Raad verwierp het daartegen gerichte cassatieberoep en overwoog daartoe: 77

“3.4 Onderdeel 5 is gericht tegen hetgeen het hof in rov. 5.5-5.8 heeft overwogen. Het onderdeel voert in de eerste plaats aan dat een donor zich niet kan opdringen en zich een rol toe-eigenen die hem niet is toegedacht en die hij in feite niet heeft.

(…) Voor zover deze klacht (…) zelfstandige betekenis heeft, stuit zij erop af dat het hof in het kader van art. 1:227 lid 3 BW diende te onderzoeken, zoals het heeft gedaan, of op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat, en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien, dat [de dochter] niets meer van de man in zijn hoedanigheid van ouder heeft te verwachten. Het antwoord op de vraag of de man, door zich tegen de adoptie te verzetten, een rol vervult die hem door partijen niet is toegedacht voordat tot donorinseminatie werd overgegaan, doet in dit verband niet terzake; hetzelfde geldt voor de klacht (voor zover begrijpelijk) dat de man, door zich tegen de adoptie te verzetten, zich een rol toe-eigent die hem niet is toegedacht.

Voor het geval het onderdeel, met de stelling dat de man zich een rol toe-eigent die hij in feite niet heeft, ook nog een motiveringsklacht bevat, faalt deze eveneens omdat alleszins begrijpelijk is dat het hof van oordeel was dat aan de door art. 1:227 lid 3 BW gestelde eis niet is voldaan, gezien de gebleken inzet van de man bij het opbouwen van family life met [de dochter], mede bezien in het licht van de houding die door de moeder en [verzoekster] is ingenomen tegenover de wens van de man een rol te spelen in het leven van [de dochter].”

Het derde vereiste voor adoptie: de beperkende voorwaarden van artikel 1:228 BW, waaronder het vetorecht

3.75

De voorwaarden van artikel 1:228 BW gelden in aanvulling op en in uitwerking van de vereisten van artikel 1:227 BW. 78 Ze moeten worden beoordeeld in het licht van het kennelijk belang van het kind, aldus de wetgever. 79

3.76

In afwijking van de vaste lijn van de Hoge Raad dat wettelijke adoptievereisten niet opzij geschoven kunnen worden (zie hiervoor onder 3.55), wordt in de feitenrechtspraak in draagmoederzaken wel regelmatig een uitzondering gemaakt ten aanzien van de door artikel 1:228 lid 1, onder f, BW voorgeschreven verzorgingstermijn. Daarbij gaat het meestal om gevallen waarin het juridisch ouderschap van een van de wensouders al tot stand is gekomen door erkenning of gerechtelijke vaststelling, zoals in de voorliggende zaak ook aan de orde is. De rechtvaardiging voor het voorbijgaan aan de verzorgingstermijn wordt door de feitenrechters gevonden in artikel 8 EVRM, het belang van het kind bij spoedige duidelijkheid over het ouderschap en de gedachte dat de verzorgingstermijn in deze gevallen geen redelijk doel dient. 80

3.77

Voor deze zaak is de voorwaarde van artikel 1:228 lid 1, onder d, BW relevant, inhoudende dat geen van de ouders het adoptieverzoek tegenspreekt. Het uitgangspunt dat adoptie geen doorgang kan vinden tegen de wil van de ouder(s) is in lijn met artikel 8 EVRM, op grond waarvan ouders beschermd worden tegen het ontnemen van familierechtelijke betrekkingen zonder hun medeweten of toestemming. 81 De tegenspraak van de ouder moet volgens de Hoge Raad ter zitting worden gedaan. 82

3.78

Deze voorwaarde van artikel 1:228 lid 1, onder d, BW geeft de juridisch ouder dus een vetorecht. Dit vetorecht is echter niet absoluut. Op grond van artikel 1:228 lid 2 BW kan de rechter voorbijgaan aan de tegenspraak en de adoptie in weerwil van het protest van een ouder toch uitspreken. Dat is slechts mogelijk als het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd (onder a), de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd (onder b) of in geval van een onherroepelijke veroordeling wegens het plegen van bepaalde misdrijven tegen het kind (onder c). Tot slot is het mogelijk dat wordt voorbijgegaan aan tegenspraak als de ouder misbruik maakt van zijn of haar bevoegdheid om tegenspraak te leveren. 83 Deze gronden om het vetorecht te passeren, waarborgen dat een ouder niet een adoptie kan tegenhouden als de adoptie in het kennelijk belang van het kind is (het eerste vereiste voor adoptie, zie hiervoor onder 3.56 e.v.).

3.79

Voor deze zaak is de eerstgenoemde uitzonderingsgrond op het vetorecht van belang: de situatie waarin het kind niet of nauwelijks in gezinsverband met de ouder heeft samengeleefd. 84 Of sprake is van deze uitzonderingsgrond is overgelaten aan de beoordeling van de rechter. Er zijn geen vaste regels aan de hand waarvan de rechter moet bepalen bij welke samenlevingsduur sprake is van “nauwelijks samenleven” en wanneer niet. Uit de feitenrechtspraak blijkt dat rechters hun discretionaire bevoegdheid om aan de tegenspraak voorbij te gaan vanwege een uitzonderingsgrond niet altijd benutten. 85

3.80

Als een ouder het vetorecht uitoefent en er geen reden is om aan die tegenspraak voorbij te gaan, is niet voldaan aan een van de voorwaarden voor adoptie en zal de rechter de adoptie niet kunnen uitspreken. Dan is het einde verhaal. De rechter komt dan ook niet toe aan de overige vereisten voor adoptie. 86

3.81

Als een ouder weliswaar het vetorecht uitoefent, maar de rechter gaat op een van de gronden van artikel 1:228 lid 2 BW of op grond van misbruik van bevoegdheid voorbij aan de tegenspraak, dan komt de rechter wel toe aan de overige vereisten voor adoptie, waaronder het vereiste dat het kind niets meer van die ouder te verwachten heeft. 87 In hoeverre staat door de tegenspraak van een ouder die een familierechtelijke relatie met het kind wil behouden vast dat van deze ouder nog iets te verwachten is in hoedanigheid van ouder, zodat de adoptie alsnog niet mogelijk is vanwege de tegenspraak omdat niet voldaan is aan het tweede vereiste van artikel 1:227 lid 3 BW? Op deze kwestie ga ik, specifiek in de context van de draagmoederconstructie in het navolgende in.

Gepasseerd vetorecht en het niets meer te verwachten-vereiste

3.82

Als de draagmoeder tijdens het traject spijt krijgt en haar familierechtelijke relatie met het kind wil behouden, heeft zij een vetorecht door het verzoek tot adoptie tegen te spreken (art. 1:228 lid 1, onder d, BW) . Aan deze tegenspraak kan de rechter echter voorbij gaan als het kind en de draagmoeder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd (art. 1:228 lid 2 BW) . Het vetorecht is immers niet absoluut. Als de rechter aan de tegenspraak op deze grond voorbij gaat, betekent dit dat het door de moeder uitgeoefende vetorecht de adoptie niet in de weg staat.

3.83

Vervolgens moet de rechter beoordelen of voldaan is aan de overige vereisten voor adoptie, waaronder aan het vereiste dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft (art. 1:227 lid 3 BW) .

3.84

Naar mijn oordeel kan het niet zo zijn dat, wanneer een draagmoeder verklaart de juridische ouder te willen blijven en zij op zichzelf in staat en geschikt is om een kind op te voeden, daarmee vaststaat dat het kind van die draagmoeder in de hoedanigheid van ouder nog iets te verwachten heeft. Als dat wel het geval zou zijn, zou niet voldaan zijn aan het tweede vereiste voor adoptie, zodat de rechter de adoptie niet zou kunnen uitspreken. Dan zou, over de band van het niets meer te verwachten-vereiste, feitelijk toch sprake zijn van een absoluut vetorecht.

3.85

Uit de hierna onder 3.86 geciteerde wetsgeschiedenis blijkt dat de tegenspraak van een ouder die de familierechtelijke relatie met het kind wenst te behouden in het kader van die beoordeling van het niets meer te verwachten-vereiste moet meewegen, 88 hoewel, voeg ik daaraan toe, die tegenspraak als zodanig de adoptie dus niet in de weg staat, nu ik er hier van uitga dat de rechter aan die tegenspraak voorbij is gegaan (zie hiervoor onder 3.82).

3.86

Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter ook dat de rechter bij de beoordeling of voldaan is aan het vereiste dat het kind niets meer te verwachten heeft van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder “alle feiten en omstandigheden” moeten betrekken. 89 Ik wijs daartoe op de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake de adoptie door personen van hetzelfde geslacht (met onderstrepingen van mij): 90

In het geval dat de oorspronkelijke ouder of ouders het verzoek tegenspreken, kan zich de vraag voordoen of dit feit betekent dat de nieuwe voorwaarde voor adoptie, te weten dat het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te verwachten heeft, niet is vervuld. Deze vraag moet in zijn algemeenheid ontkennend worden beantwoord. De tegenspraak van de ouder(s), en de daarvoor aangevoerde gronden kunnen meebrengen dat het kind van die ouder in familierechtelijk opzicht nog iets te verwachten heeft, maar noodzakelijk is dit niet. De tegenspraak behoeft niet gericht te zijn tegen de adoptie zelf, maar kan gericht zijn tegen de persoon van de adoptant(en). De oorspronkelijke ouder geeft dan niet aan dat hij zelf de familierechtelijke relatie met het kind wenst te behouden, maar slechts dat hij betwist dat de adoptant een geschikte ouder zou zijn en dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind zou zijn. Indien de tegenspraak echter wel is gegrond op de stelling dat de oorspronkelijke ouder de familierechtelijke relatie met het kind wenst te behouden, zal deze stelling moeten meewegen in de vaststelling of het kind, gelet op alle feiten en omstandigheden, van die ouder als ouder werkelijk niets meer te verwachten heeft.

Het enkele feit dat de oorspronkelijke ouder aangeeft dat hij de familierechtelijke band met het kind nièt wenst te behouden is weliswaar een belangrijke aanwijzing dat het kind van hem in dit opzicht niets te verwachten heeft, maar noodzaakt niet tot die conclusie. Uit andere feiten en omstandigheden kan immers blijken dat die ouder in werkelijkheid wèl in staat is, of zal zijn, om (nog weer) inhoud aan de familierechtelijke relatie te geven. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat een (zeer) jonge moeder, die ten tijde van het adoptieverzoek aangeeft dat zij de band met het kind niet wenst, op een later tijdstip in staat zou kunnen zijn om inhoud te geven aan de moeder/ kind-relatie, en daaraan waarde zal toekennen. Ook kan zich de situatie voordoen dat een vader zich in deze zin uitlaat terwijl hij zich in een situatie bevindt waarin hij door (ernstige) psychische of andere problemen tijdelijk niet in staat is om de vader/kind-relatie inhoud te geven, hoewel redelijkerwijs te verwachten is dat hij dit later wel weer zal kunnen.”

3.87

Ik meen daarom dat de rechter naast de wens van de draagmoeder ook andere feiten en omstandigheden moet meewegen in zijn beoordeling of aan het niets meer te verwachten-vereiste is voldaan. Daarbij denk ik specifiek in het kader van een draagmoederconstructie aan onder meer de volgende feiten en omstandigheden:
- de omstandigheid dat de verzochte adoptie doorgaans het sluitstuk is van een reeks stappen die tussen draagmoeder en wensouders is afgesproken om beide wensouders juridisch ouder te maken;
- in hoeverre zijn alle eerdere stappen al doorlopen conform het aanvankelijk tussen alle betrokkenen overeengekomen plan; is bijvoorbeeld een van de wensouders al juridisch ouder met eenhoofdig gezag?;
- het gezin waar het kind sinds de geboorte woont: bij de wensouders of bij de draagouders?;
- indien bij de wensouders: omvang van de contactregeling met de draagmoeder (en haar eventuele gezin), de kwaliteit van dit contact, en de mate waarin de wensouders de band en het contact tussen het kind en de draagmoeder ondersteunen en faciliteren, welke ouder(s) heeft of hebben gezag?;
- een advies van de raad voor de kinderbescherming op grond van artikel 810 Rv over de adoptie (voor of juist tegen adoptie).

3.88

Het meewegen van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden strookt mijns inziens met de opvatting van de wetgever dat het niets meer te verwachten-vereiste een aanscherping is van het primaire vereiste dat adoptie in het kennelijk belang van het kind moet zijn. 91 Gelet op alle feiten en omstandigheden kan de beoordeling van dit vereiste dus zo uitpakken dat de rechter tot het oordeel komt dat het kind niets meer te verwachten heeft van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder, ondanks dat de draagmoeder de familierechtelijke relatie met het kind wil behouden en het kind wil en kan (mede) opvoeden.

3.89

Kortom: tegenspraak van de adoptie door een ouder betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat van die ouder in de hoedanigheid van ouder nog iets te verwachten is in de zin van artikel 227 lid 3 BW zou zijn voldaan. De rechter zal dat moeten beoordelen, gelet op alle feiten en omstandigheden.

IV. De ontvangst van de bestreden beschikking in de literatuur

3.90

De bestreden beschikking heeft ook al de nodige aandacht in de literatuur gekregen, waarbij in alle besprekingen het belang van het kind in deze zaak aan de orde wordt gesteld.

3.91

In de redactionele wenk in RFR 92 wordt, voor zover van belang, het volgende opgemerkt over de beslissing van het hof:

“Dragende overweging van het hof is echter dat niet aan de dwingendrechtelijke bepaling van art. 1:227 lid 3 BW, inhoudende dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie dient vast te staan en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is, dat het kind niets meer van zijn ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, voorbijgegaan kan worden.

De vraag die kan worden opgeworpen is waarom er niet aan art. 1:228 lid 2 sub a BW getoetst is? Volgens dit artikellid kan aan de tegenspraak van een ouder worden voorbijgegaan indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd. Daar lijkt hier toch sprake van te zijn geweest? De exacte data vallen niet te achterhalen, maar het kind is vlak na de geboorte overgedragen aan de wensouders. De moeder heeft nog een week na de overdracht bij de wensouders verbleven. Ook de art. 8 EVRM en art. 3 en 21 IVRK zouden wellicht tot een andere uitkomst hebben kunnen leiden.

En dat komt eigenlijk bij de in deze zaak welhaast onmogelijk te beantwoorden vraag: wat is nu echt in het belang van dit kind? Alles afwegende is duidelijk dat het kind zal opgroeien in het gezin van de wensouders en het ligt voor de hand dat er contact moet zijn dat tegemoet komt aan de gevoelens van de moeder. Echter, een juridisch ouderschap lijkt gelet op alle omstandigheden van dit geval, de afspraken die tussen partijen gemaakt zijn en de huidige en toekomstige situatie waarbinnen het kind zal opgroeien, toch eerder bij de wensouder te liggen dan bij de draagmoeder.”

3.92

Pieters merkt in zijn kroniek Afstammingsrecht en adoptie in FJR op:

“Ook in deze kroniek komen weer een aantal draagmoederschapszaken voor. Helaas is er bij de beoordeling van dit soort zaken voor rechter nog altijd geen wettelijk houvast omdat de behandeling van de Wet Kind, draagmoederschap en afstamming (36 390) maar op zich laat wachten. In de uitspraak van het Hof Amsterdam op 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1407 (FJR 2025/70.8)) sorteerden de wensvaders alvast voor op dit wetsvoorstel.

(…)

Zoals in de wenk in RFR 2025/94 wordt opgemerkt, kan hier wel de vraag worden opgeworpen in hoeverre het belang van het kind wordt gediend, nog even los van de vraag in hoeverre art. 1:228 BW een sta-in-de-weg is tegemoet te komen aan de wens van de moeder juridische ouder te blijven. Immers, moeder en het kind hebben niet of nauwelijks in gezinsverband samengeleefd. Daarnaast en bovendien ligt het voor de situatie die gecreëerd is en toch ook wel gehandhaafd wordt, het kind groeit op bij de twee wensouders, meer voor de hand de twee wensvaders de twee juridische ouders te laten zijn, zoals ook is overeengekomen. Het vaststellen van een omgangsregeling tussen kind en moeder, waarover bij de rechtbank een procedure loopt, komt dan tegemoet aan het bestendigen van de band tussen moeder en kind.”

3.93

In haar annotatie in JPF bij de bestreden beschikking schrijft Van der Zon: 93

“(…)

In de huidige uitspraak lijken zowel de Raad [raad voor de kinderbescherming; A-G] als het hof aan te geven dat bekrachtiging van de beslissing van de rechtbank het meest in het belang van het kind zou zijn. De Raad adviseert expliciet de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en stelt daarbij onder meer dat het ontstane wantrouwen van de draagmoeder richting de wensvaders niet in het belang van het kind is. De minderjarige heeft betrouwbare hechtingsfiguren nodig. Hij woont al sinds zijn geboorte bij de wensvaders en het is niet in zijn belang als daar onduidelijkheid over ontstaat. Het hof beaamt deze belangen vervolgens (r.o. 5.15) en voegt daaraan toe dat de minderjarige geen belang heeft bij een voortzetting van de juridische strijd. Dat neemt echter niet weg dat de huidige wettelijke vereisten niet opzijgezet kunnen worden. De huidige wet vereist immers geen beslissing in het belang van het kind, maar dat voldaan wordt aan de eisen voor adoptie. Of anders gezegd, waar voor de herroeping onder de nieuwe wetgeving een aparte procedure met passende rechtsgrond wordt geboden, moet dit onder de huidige wetgeving worden ingepast in de procedure over de overdracht van het ouderschap, namelijk de adoptiewetgeving. Voor een adoptie is het onder meer vereist dat het kind niets meer heeft te verwachten van de draagmoeder. Nu de draagmoeder juist aangeeft wel voor het kind te willen zorgen, kan daar niet zomaar aan voorbijgegaan worden. Gevolg hiervan is dat het ouderschap over de minderjarige wordt verdeeld over twee gezinnen die niet meer goed met elkaar door één deur kunnen, met een behoorlijke kans dat de juridische strijd voorlopig niet ten einde is (zie voor een vergelijkbaar geval, waarin jarenlang is doorgeprocedeerd hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:3714). Deze beschikking biedt zo een overtuigend pleidooi voor de noodzaak van een passende regeling.

(…)”

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste juridische kader kom ik nu tot een bespreking van de cassatieklachten. Het cassatiemiddel bestaat uit zeven onderdelen. De eerste drie onderdelen zijn gericht tegen r.o. 5.15 van de beschikking van het hof. De drie daaropvolgende onderdelen bestrijden r.o. 5.15 en 5.16. Tot slot bevat onderdeel 7 een voortbouwklacht.

Onderdeel 1

4.2

Het eerste onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.15 dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:227 lid 3 BW dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder heeft te verwachten. Dit oordeel is volgens de wensouders onjuist of onbegrijpelijk. Samengevat wordt bepleit dat de vraag of redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer te verwachten heeft van de draagmoeder, gelet op de tekst van artikel 1:227 lid 3 BW, moet worden beoordeeld naar de stand van zaken van het moment van indiening van het adoptieverzoek bij de rechtbank (ex tunc). Het hof heeft het adoptieverzoek beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in appel (ex nunc) beoordeeld en dat is onjuist, aldus de wensouders.

4.3

De wensouders wijzen in dit verband op de mogelijkheid die het wetsvoorstel draagmoeders biedt om een verzoek om herroeping van de gerechtelijke toekenning van het ouderschap binnen drie maanden na de geboorte van het kind. De mogelijkheid voor draagmoeders om zich te bedenken is door de wetgever beperkt tot een termijn van drie maanden na de geboorte, waarmee zo snel mogelijk zekerheid wordt geboden over de afstamming van het kind. De wensouders wijzen erop dat hierbij een afweging is gemaakt tussen het belang van rechtszekerheid voor het kind en andere betrokkenen en het belang van de draagmoeder bij mogelijk terugkomen op eerdere afspraken, waarbij het belang van rechtszekerheid zwaar heeft gewogen. 94 Deze argumenten van de wetgever en de voorschriften van de artikelen 3 en 21 IVRK en 8 en 12 EVRM pleiten er volgens de wensouders voor om, gelet op het belang van het kind en de andere betrokkenen bij rechtszekerheid, er vanuit te gaan dat het tijdstip van het verzoek tot adoptie beslissend is en dat de draagmoeder zich niet later alsnog kan bedenken.

4.4

Dit onderdeel slaagt niet.

4.5

Artikel 1:227 lid 3 BW moet niet zo uitgelegd worden dat de rechter dient te toetsen aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het indienen van het verzoek tot adoptie. Het gaat om de feiten en omstandigheden die zich voordoen op het moment van de beoordeling van het verzoek, of, aldus Kolkman en Salomons: het tijdstip van de beschikking. 95 Voor een andere opvatting bestaat geen aanwijzing in het systeem van de wet, de literatuur of rechtspraak. 96

4.6

Het wetsvoorstel en beweegredenen voor de keuzes van de wetgever daarin en de verwijzing naar de artikelen 3 en 21 IVRK en 8 en 12 EVRM maken dit niet anders. Ten eerste is vooruitlopen op het wetsvoorstel te prematuur. Ten tweede zien de argumenten van de wetgever waarnaar de wensouders verwijzen op de keuze van de wetgever voor het maximeren van de herroepingstermijn van een voorafgaand aan de conceptie door een rechter goedgekeurde draagmoederschapsconstructie – een andere situatie. Dat het belang van het kind volgens de wetgever in algemene zin gebaat is bij rechtszekerheid door een bepaalde herroepingstermijn, maakt bovendien niet dat het belang van het kind in algemene zin maakt dat in adoptieprocedures ex tunc zou moeten worden getoetst door rechtbank en hof. Integendeel: het belang van het kind is onder de huidige wetgeving het meest gebaat bij een beoordeling aan de hand van de actuele feiten en omstandigheden van het geval, in plaats van aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment van indiening van het verzoek tot adoptie. Dat de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep een adoptieverzoek zouden moeten beoordelen aan de hand van de omstandigheden ten tijde van het indiening van het adoptieverzoek, draagt bovendien ook niet per definitie bij aan rechtszekerheid, zoals de wensouders tot uitgangspunt lijken te nemen. Het hof kan de betreffende feiten en omstandigheden immers anders wegen dan de rechtbank en in hoger beroep alsnog tot een ander oordeel komen.

Onderdelen 2-6

4.7

De onderdelen 2 tot en met 5 richten zich met verschillende klachten tegen – kort gezegd – de beoordeling van het hof of voldaan is aan het vereiste van artikel 1:227 lid 3 BW dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De klachten komen er in de kern op neer dat het hof bij deze beoordeling niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken heeft, althans dat het hof dit niet voldoende kenbaar heeft gedaan. Onderdeel 6 is voorgesteld voor het geval artikel 1:227 lid 3 BW een belangenafweging in de weg zou staan.

Onderdeel 2 bevat de primaire klacht dat het hof in r.o. 5.15 heeft miskend dat voor de beantwoording van de vraag of redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer te verwachten heeft van de draagmoeder (mede) bepalend is of de draagmoeder het ouderlijk gezag over het kind krijgt. 97 Van belang is immers of het kind wel of niet kan verwachten dat de ouders nog inhoud kunnen geven aan het ouderschap, en dat impliceert het dragen van verantwoordelijkheid jegens het kind, onder meer ten aanzien van verzorging, opvoeding of uitoefening van het gezag. Voor zover het hof dit niet miskend heeft, is zijn oordeel volgens de subsidiaire klacht onbegrijpelijk omdat het hof dit aspect niet voldoende kenbaar heeft meegewogen, terwijl het hof wel de beëindiging van het ouderlijk gezag van de draagmoeder over het kind heeft bekrachtigd, aldus het onderdeel.

4.8

Onderdeel 3 betoogt dat het hof in r.o. 5.15 heeft miskend dat artikel 1:227 lid 3 BW in onderling verband met de voorwaarden van artikel 1:228 lid 2 sub a BW moet worden gelezen of toegepast. 98 Op grond van laatstgenoemde bepaling kan aan de tegenspraak van de oorspronkelijke ouder(s) worden voorbijgegaan als het kind en deze ouder(s) niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, zoals in deze zaak. Het hof is bij zijn beoordeling ten onrechte niet (voldoende kenbaar) ingegaan op de omstandigheid dat het kind niet of nauwelijks in gezinsverband heeft samengeleefd met de draagmoeder.
Ook heeft het hof volgens dit onderdeel nagelaten te onderzoeken of het kind gelet op alle feiten en omstandigheden nog iets van de draagmoeder te verwachten had, onder kennelijke verwijzing naar de hiervoor onder 3.86 geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis. Daarbij had het hof op grond van artikel 1:228 lid 2 sub a BW, artikel 3 en 21 IVRK en artikel 8 en 12 EVRM moeten toetsen aan de volgende in het onderdeel opgesomde feiten en omstandigheden:

- de aard en strekking van de in de draagmoederschapsovereenkomst gemaakte afspraken die ertoe strekken dat de draagmoeder akkoord zou gaan met de adoptie en zich niet zou verzetten tegen een verzoek tot adoptie;

- het kind groeit sinds zijn geboorte op in het gezin van de wensouders en niet in gezinsverband met de draagmoeder 99;

- de biologische vader heeft het eenhoofdig gezag over het kind 100;

- de belangen van het kind;

- het gaat goed met het kind in het gezin van de wensouders 101;

- de raad heeft geadviseerd dat het ontstane wantrouwen van de draagmoeder richting de wensouders niet in het belang van het kind is. Het is in zijn belang dat hij kan opgroeien in een stabiele gezinssituatie, dat hij betrouwbare hechtingsfiguren in zijn leven heeft en dat hij weet waar hij vandaag komt. De raad vindt het niet in het belang van het kind om te tornen aan de afspraak dat hij opgroeit bij de wensouders met de afspraak dat hij af en toe contact heeft met de draagmoeder. Volgens de raad kan op het moment dat verwarring bij het kind gaat ontstaan over wat zijn kerngezin is, dit zorgen voor een grote emotionele druk. Hij komt dan in een knellende situatie terecht, wat zijn ontwikkeling zou kunnen schaden. Hij is het meest gebaat bij rust. 102

4.9

Onderdeel 4 bevat de primaire klacht dat het hof in r.o. 5.15 en 5.16 heeft miskend dat het niet alleen de mogelijkheid maar ook de verplichting had om bij zijn beslissing het belang van het kind voorop te stellen. Het hof was hiertoe gehouden op grond van de stellingen van de wensouders, 103 en zo nodig ambtshalve. In dit verband wijzen de wensouders op artikel 3 IVRK, op grond waarvan de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen de eerste overweging vormen. 104 Ook wijzen zij op artikel 21 IVRK, waarin is neergelegd dat bij beslissingen over adoptie het belang van het kind de voornaamste overweging is, waarbij moet worden gekeken naar alle van belang zijnde en betrouwbare gegevens en moet worden gelet op de verhoudingen van het kind met zijn of haar ouders en familieleden.
Aangevoerd wordt, samengevat, dat de overweging van het hof in r.o. 5.16 dat het hof bij anticipatie op het wetsvoorstel de mogelijkheid zou hebben de beslissing te nemen die in het belang van het kind wenselijk is, onjuist of onbegrijpelijk is omdat het hof die mogelijkheid en verplichting gelet op voornoemde bepalingen ook al heeft. Dat geldt zowel in het geval van rechtstreekse werking van deze bepalingen als bij verdragsconforme uitleg van de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Bovendien volgt uit jurisprudentie van het EHRM dat op grond van artikel 8 EVRM het belang van het kind voorop moet worden gesteld. 105
Voor zover het hof een en ander niet miskend heeft, is zijn beslissing volgens de subsidiaire klacht van het onderdeel onbegrijpelijk omdat het hof in zijn oordeel of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1:227 lid 3 BW niet of onvoldoende kenbaar is ingegaan op voornoemde belangen, gegevens en verhoudingen, onder andere zoals opgesomd in onderdeel 3.

4.10

Onderdeel 5 klaagt dat het hof ten onrechte niet (voldoende kenbaar) is overgegaan tot een afweging van wederzijdse belangen, waaronder het belang van de wensouders. Daartoe was het hof op grond van het recht op bescherming van het gezins- of privéleven van de wensouders wel gehouden. Het onderdeel verwijst wederom naar de opsomming van feiten en omstandigheden in onderdeel 3, met name op de omstandigheid dat in de draagmoederschapsovereenkomst is beoogd dat het kind zou opgroeien in het gezin van de wensouders en dat dit na zijn geboorte ook is gebeurd. De wensouders betogen dat zij het recht hebben hun aanspraak op het vestigen van familierechtelijke betrekkingen vast te laten stellen. In elk geval hebben de wensouders recht op bescherming van het tussen hen en het kind bestaande gezinsleven. Het hof had daaraan moeten toetsen, aldus het onderdeel.
De consequentie van het oordeel van het hof is dat de draagmoeder nu nog het juridisch ouderschap heeft en haar geslachtsnaam doorgeeft aan het kind. De wensvader heeft nu geen enkele juridische band met het kind. Hierdoor verkeert het kind – zoals aangegeven door de raad 106 - in onzekerheid over het gezin waarin hij opgroeit en heeft hij een achternaam die niet bij zijn wensouders hoort. Aan de gevoelens van de draagmoeder zou ook tegemoet kunnen worden gekomen door middel van omgang, waarover een andere procedure loopt. Het hof had bij dit alles (voldoende kenbaar) moeten meewegen maar heeft dit niet gedaan, aldus het onderdeel.

4.11

Onderdeel 6 bevat de klacht dat, voor zover artikel 1:227 lid 3 BW in de weg zou staan aan een belangenafweging, sprake is van strijd met artikel 3 en 21 IVRK en artikel 8 EVRM omdat uit deze artikelen een belangenafweging voortvloeit bij adoptie. Dit had het hof moeten nopen, zo nodig ambtshalve, 107 tot een rechtstreekse toetsing aan deze verdragen of een verdragsconforme uitleg, aldus het onderdeel.

4.12

De onderdelen 2-6 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.13

Het hof wijst het adoptieverzoek uitsluitend af op de grond dat niet is voldaan aan het tweede vereiste van artikel 1:227 lid 3 BW dat het kind niets meer te verwachten heeft van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder. Het hof baseert dat dit oordeel blijkens r.o. 5.15 op de omstandigheden dat:
1) de draagmoeder niet langer haar ouderband met het kind wenst door te snijden en niet langer de wens heeft in te stemmen met de adoptie;
2) gebleken is dat het kind vanaf zijn geboorte goed contact en prettige omgang met de draagmoeder en haar gezin heeft gehad; en
3) dat bij de draagmoeder nu de wens bestaat om voor het kind te zorgen en medeverantwoordelijkheid te nemen voor zijn opvoeding.
Uit dit alles maakt het hof op dat de draagmoeder in de toekomst een rol als moeder in het leven van het kind zou willen en mogelijk ook zou kunnen vervullen, waardoor niet voldaan is aan de door de wet vereiste situatie dat voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.

4.14

Dit zijn relevante feiten en omstandigheden die het hof dus terecht heeft meegewogen in zijn beoordeling of voldaan is aan het niets meer te verwachten-vereiste. Gelet op de wetsgeschiedenis (zie hiervoor onder 3.86) had het hof in zijn beoordeling of aan dit vereiste is voldaan echter alle feiten en omstandigheden in zijn beoordeling moeten betrekken en mijns inziens dus niet alleen de wens van de draagmoeder tot behoud van de familierechtelijke relatie en tot het verzorgen en (mede) opvoeden van het kind en het goede contact dat zij en haar gezin met het kind hebben.

4.15

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het niets meer te verwachten-vereiste een aanscherping is van het primaire vereiste voor toewijzing van een verzoek tot adoptie, te weten dat die adoptie in het kennelijk belang van het kind is (zie hiervoor onder 3.63). Tegen die achtergrond zal de rechter bij de beoordeling van de vraag of van een draagmoeder nog iets te verwachten is in de hoedanigheid van ouder dus ook het belang van het kind moeten betrekken. Het belang van het kind zou zich ertegen kunnen verzetten dat van een draagmoeder nog iets te verwachten is in de hoedanigheid van ouder.

4.16

Bij die beoordeling moet de rechter dus alle feiten en omstandigheden betrekken, waarbij het hof mijns inziens niet had kunnen volstaan met de hiervoor onder 4.13 genoemde feiten en omstandigheden. Deze betreffen immers uitsluitend de draagmoeder zelf en haar band met het kind. In de context van een draagmoederconstructie is de adoptie het sluitstuk van een heel traject gericht op overdracht van ouderschap, waarbij ook de wensouders betrokken zijn (zie hiervoor onder 3.43 en zie ook de onder 3.52 en 3.65-3.66 geciteerde passsages uit de wetsgeschiedenis). In die context doet het er voor de vraag of nog iets te verwachten is van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder ook toe welke stappen in dat traject al zijn gezet. Is niet al zover uitvoering gegeven aan het traject dat het niet zetten van de laatste stap, te weten adoptie, in strijd komt met het belang van het kind? Indien het antwoord op die vraag bevestigend luidt, kan mijns inziens niet geoordeeld worden dat het kind van de draagmoeder nog iets te verwachten heeft in de hoedanigheid van ouder. Vanuit het belang van het kind bezien, is dat dan een gepasseerd station.

4.17

Het hof heeft aan het slot van r.o. 5.15 oog voor feiten en omstandigheden in deze specifieke context van een draagmoederconstructie, die ook deels gerelateerd zijn aan het belang van het kind. Het hof oordeelt echter dat deze feiten en omstandigheden niet maken dat het wettelijke niets meer te verwachten-vereiste opzij gezet kan worden, nu daaraan, naar het oordeel van het hof, niet is voldaan:

“(…) Het hof maakt uit dit alles op dat [de draagmoeder] in de toekomst een rol als moeder in het leven van [het kind] zou willen en mogelijk ook kunnen vervullen. Daardoor is op dit moment geen sprake van de door de wet vereiste situatie dat voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [het kind] niets meer van [de draagmoeder] in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Dat [de draagmoeder] blijkens onder meer de preambule van de draagmoederschapsovereenkomst destijds zelf vond dat het kind niets van de geboorteouder als ouder te verwachten zal hebben, maakt dat niet anders. Ook het door [de biologische vader] en [de wensvader] op zichzelf terecht benadrukte belang van [het kind] om duidelijkheid te krijgen over waar hij opgroeit en wie over hem beslissingen neemt, alsmede het vooruitzicht op een mogelijke verdere juridische strijd tussen partijen, maakt niet dat dit wettelijke vereiste opzij kan worden gezet. Het hof realiseert zich overigens terdege dat nu juist dit vereiste een overeengekomen draagmoedertraject kwetsbaar maakt.”

4.18

Het is juist dat het hof de adoptie slechts kan uitspreken, indien ook aan dit tweede wettelijke vereiste voor adoptie is voldaan en dat het hof dit vereiste niet opzij kan zetten, indien er niet aan voldaan is. Het hof miskent hier mijns inziens echter dat het de door het hof genoemde feiten en omstandigheden (de andersluidende verklaring van de draagmoeder in de preambule van de draagmoederschapsovereenkomst, en het belang van het kind duidelijkheid te krijgen waar hij opgroeit en wie beslissingen over hem neemt en het vooruitzicht op mogelijke verdere juridische strijd) en de overige relevante omstandigheden van het geval wel had kunnen, en moeten, meewegen in het kader van de beoordeling of aan het wettelijke niets meer te verwachten-vereiste is voldaan. Op deze wijze zou het belang van het kind gewaarborgd zijn bij de beoordeling door het hof of aan dit vereiste is voldaan.

4.19

Het voorgaande betekent dat het hof in zijn beoordeling of aan het niets meer te verwachten-vereiste is voldaan ook had moeten betrekken dat het in dezelfde beschikking de beslissing van de rechtbank heeft bekrachtigd om op grond van artikel 1:253c BW de biologische wensvader te belasten met het eenhoofdig gezag over het kind (de derde, en een-na-laatste stap in het traject, zie hiervoor onder 3.43). 108 Om deze reden slaagt onderdeel 2.

4.20

Ook had het hof bij de beoordeling van het niets meer te verwachten-vereiste in het belang van het kind de feiten en omstandigheden moeten meewegen, zoals die zijn genoemd in onderdeel 3, onder 9 (en vergelijk ook het door mij genoemde, niet-limitatieve lijstje van feiten en omstandigheden onder 3.87). Onderdeel 3 klaagt terecht dat het hof deze feiten en omstandigheden ook had moeten meewegen. Ook dit onderdeel slaagt dus.

4.21

Ik wijs er in het bijzonder op dat het hof in zijn beoordeling had moeten meewegen dat het kind sinds zijn geboorte in het gezin van de wensouders opgroeit en niet in gezinsverband met de draagmoeder, en dat het goed gaat met het kind in het gezin van de wensouders. Wanneer het hof het feit dat het kind niet of nauwelijks met de draagmoeder in gezinsverband heeft samengeleefd niet zou hoeven betrekken bij zijn beoordeling of aan het niets meer te verwachten-vereiste zou zijn voldaan, zou feitelijk toch sprake kunnen zijn van een absoluut vetorecht van de draagmoeder, terwijl dat niet de bedoeling van de wetgever is. Wanneer het hof bij zijn beoordeling van het adoptieverzoek vanuit het vetorecht van de moeder vertrokken was (art. 1:228 lid 1, onder d, BW) , 109 had het hof immers moeten beoordelen of aan deze tegenspraak van de moeder voorbij gegaan zou kunnen worden, omdat het kind niet of nauwelijks met de draagmoeder in gezinsverband heeft samengeleefd (art. 1:228 lid 2, onder a, BW) . 110 Ook bij deze beoordeling is het belang van het kind de achterliggende gedachte (zie hiervoor onder 3.78). Overigens betrekt het hof deze feiten wel in het kader van zijn beslissing omtrent het gezag (r.o. 5.21).

4.22

Naar ik begrijp wordt ook in de onderdelen 4 en 5 geklaagd dat het hof in het kader van de beoordeling of aan bedoeld wettelijk vereiste is voldaan, ten onrechte de in onderdeel 3 genoemde feiten en omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten waardoor geen recht wordt gedaan aan het belang van het kind (onderdeel 4) en ook niet aan de belangen van de wensouders (onderdeel 5). Voor zover de onderdelen beogen te klagen dat het hof bedoelde feiten en omstandigheden had moeten meewegen bij de beoordeling van het niets meer te verwachten-vereiste, slagen de onderdelen.

4.23

Onderdeel 6 is voorgesteld voor het geval artikel 1:227 lid 3 BW een belangenafweging in de weg zou staan. Gelet op het voorgaande kan dit onderdeel niet tot cassatie leiden. Datzelfde geldt voor de onderdelen 4 en 5, voor zover zij mede zijn voorgesteld voor het geval artikel 1:227 lid 3 BW een belangenafweging in de weg zou staan. Het hof diende immers in het kader van de beoordeling of aan bedoeld wettelijk vereiste is voldaan alle feiten en omstandigheden mee te wegen. Een dergelijke beoordeling brengt als vanzelf mee dat daarin ook ruimte is voor een afweging van alle betrokken belangen.

4.24

De subsidiaire motiveringsklachten van onderdeel 2, onder 7 en onderdeel 4, onder 13 kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij zijn voorgesteld voor het geval de respectievelijke primaire rechtsklachten van deze onderdelen zouden falen.

4.25

De slotsom luidt dat onderdelen 2 tot en met 5 grotendeels slagen. Onderdeel 7 bevat de voortbouwklacht dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ertoe leidt dat ook r.o. 1.2, 5.18-5.19 en het dictum van de bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. Deze klacht slaagt in het voetspoor van de onderdelen 2 tot en met 5.

4.26

Een en ander betekent dat het (verwijzings)hof met inachtneming van het bovenstaande, en dus met in achtneming van alle feiten en omstandigheden, zal moeten beoordelen of is voldaan aan het niets meer te verwachten-vereiste. Dat is een complexe beoordeling, gelet op de gerechtvaardigde belangen van alle betrokkenen, waarbij het belang van het kind leidend is.

4.27

Voor een veroordeling van de wensouders in de kosten van het geding in cassatie, zoals verzocht door de draagmoeder in haar verweerschrift in cassatie, zie ik bij deze stand van zaken geen aanleiding.

5Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking (r.o. 1.2, 5.15, 5.16, 5.18-5.19 en het dictum) en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

De feiten zijn, met enige redactionele wijzigingen, ontleend aan r.o. 3.1 t/m 3.15 van de in cassatie bestreden beschikking. De feiten worden slechts weergegeven voor zover in cassatie van belang.

2

Zaaknummer / rekestnummer C/13/729807 / FA RK 23/1134 (JK/LN).

3

De in eerste instantie aangewezen bijzondere curator is bij beschikking van 13 september 2023 met zaaknummer / rekestnummer C/13/729807 / FA RK 23/1134 (PBM/LN) door de rechtbank Amsterdam vervangen.

4

Zaaknr. C/05/444041 / FA RK 24-3835 (niet gepubliceerd).

5

Het procesverloop wordt slechts weergegeven voor zover in cassatie van belang.

6

Het proces-verbaal ontbreekt in het B-dossier.

7

Zaaknummers C/13/729807 / FA RK 23-1134 en C/13/741131 / FA RK 23-7009. De beschikking is niet gepubliceerd.

8

ECLI:NL:GHAMS:2025:1407, JPF 2025/81 m.nt. K.A.M. van der Zon, RFR 2025/94 met red. wenk.

9

Art. 151b en 151c van het Wetboek van Strafrecht.

10

Vgl. M.J. Vonk, ‘Draagmoederschap: een regeling voor Nederland’, UCERF 2024/009.

11

Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw. Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Den Haag: december 2016.

12

Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw. Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Den Haag: december 2016, p. 456-459.

13

Advies van de Raad van State van 2 juni 2021 over de Wet kind, draagmoederschap en afstamming, gepubliceerd op 19 mei 2022.

14

K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, WODC-rapport ‘Het Gedragen Kind, Prevalentie en Praktijk van Draagmoederschap in Nederland’, 2024.

15

K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., p. 45-52.

16

K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., p. 121.

17

K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., p. 10-11.

18

Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 2.

19

Te raadplegen via www.tweedekamer.nl. Publicatie van 23 februari 2026.

20

M. van Rompu, ‘Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’, Volkskrant 24 maart.

21

Zie voor een bespreking van (aspecten van) het wetsvoorstel o,a.: M.J. Vonk, ‘Draagmoederschap: een regeling voor Nederland’, UCERF 2024/009; K.A.M. van der Zon & D.J.H. Smeets, ‘Een vroege rechterlijke toets bij draagmoederschap. Voorkomen is beter dan genezen?’, FJR 2025/49; A.E. Oderkerk c.s., ‘IPR-aspecten in het Wetsvoorstel Kind, Draagmoederschap en Afstamming en het belang van het kind’, FJR 2024/62; J.H. Ghuraroo-van der Tol, ‘Tussen wens en wet: de juridische realiteit van draagmoederschap’, REP 2025/5, en (over het concept wetsvoorstel) B.C. van Beers & L.C. Bosch, ‘Een regeling voor ‘verantwoord draagmoederschap. Misvattingen rondom het conceptwetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming’, NJB 2021/2811.

22

Art. 1:214 BW e.v. in het wetsvoorstel, zie Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 2.

23

Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 3, p. 14. Van fait accompli-situaties is vooral sprake bij draagmoederzaken betreffende internationaal draagmoederschap, waarbij rechters zich gehouden zien om een buitenlandse geboorteakte te erkenning, ondanks hun constatering dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig en ethisch verantwoord draagmoedertraject.

24

Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 3, p. 15.

25

Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 3, p. 18.

26

Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 3, p. 15, 18.

27

Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 3, p. 34.

28

Zie voor een uitgebreid overzicht van mensenrechten met specifieke betekenis voor draagmoederschap: Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw. Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Den Haag: december 2016, m.n. par. 8.2 (p. 258-264).

29

Zie over artikel 3 IVRK o.a. ook Y.N. van den Brink, Sdu Commentaar Jeugdrecht, commentaar bij art. 3 IVRK (publicatiedatum 19 januari 2015). Zie uitvoerig over de invulling van het belang van het kind als bedoeld in art. 3 IVRK de conclusie van A-G Van Peursem van 27 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:728, inzake de ontruiming van huurwoningen waarbij kinderen betrokken zijn. Zie m.n. par. 5 en 6.

30

Kst. II 1992-1993, 22 855, nr. 3, p. 15.

31

Zie hierover o.m. M.P. de Jong-de Kruijf, Sdu Commentaar Jeugdrecht, commentaar bij art. 21 IVRK (publicatiedatum 20 januari 2015).

32

Vgl. EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13, EHCR 2019/235, (Strand Lobben/Noorwegen). Zie over family life als bedoeld in artikel 8 EVRM verder: C. Fenton-Glynn, Children and the European Court on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2021, hfd. 8.

33

Vgl. EHRM 21 juni 1988, nr. 10730/84 (Berrehab/Nederland), par. 21 en EHRM 13 juni 1979, nr. 6833/74 (Marckx/België), par. 31).

34

Zie over het einde van family life, onder meer na adoptie: C. Fenton-Glynn, Children and the European Court on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2021, p. 233-235.

35

Vgl. EHRM 5 juni 2014, nr. 31021/08 (I.S./Duitsland), par. 68-69 en 84-85.

36

Vgl. EHRM 26 juni 2014, nrs. 65192/11 en 65941/11 (Mennesson/Frankrijk en Labassee/Frankrijk). Zie hierover o.m. C. Fenton-Glynn, Children and the European Court on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2021, p. 61-62.

37

Vgl. EHRM 18 mei 2021, nr. 71552/17 (Valdís Fjölnisdóttir c.s./IJsland).

38

Zie hierover C.I. Achmad, Children's Rights in International Commercial Surrogacy: Exploring the challenges from a child rights, public international human rights law perspective (diss. Leiden), p. 294 e.v.

39

Vgl. EHRM 22 januari 2008, nr. 43546/02 (E.B./Frankrijk), par. 41 en 49; EHRM 19 februari 2013, nr.19010/07 (X c.s./Oostenrijk), par. 135, en EHRM 17 januari 2015, nr. 25358/12 (Paradiso en Campanelli/Italië), par. 141. Zie hierover ook C.I. Achmad, Children's Rights in International Commercial Surrogacy: Exploring the challenges from a child rights, public international human rights law perspective (diss. Leiden), p. 299 e.v.

40

Zie o.m. EHRM 26 juni 2014, nr. 65192/11 (Mennesson/Frankrijk), par. 96, 99 en 101 en EHRM 6 december 2022, nr. 25212/21 (K.K. c.s./Denemarken), par. 72.

41

EHRM 6 december 2022, nr. 25212/21 (K.K. c.s./Denemarken).

42

Vgl. EHRM 10 april 2007, nr. 6339/05 (Evans/VK), par. 71 en EHRM 22 januari 2008, nr. 43546/02 (E.B./Frankrijk), par. 43.

43

Vgl. bijvoorbeeld EHRM 5 september 2002, nr. 50490/00 (Boso/Italië), par. 2.

44

Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, New York 18 december 1979, Trb. 1980, 146. Zie hierover ook het rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap 2016, p. 127 en K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., p. 146.

45

Vgl. HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:685, NJ 2022/185, JIN 2022/14 m.nt. M.A. Tuls, r.o. 3.4.

46

Zie over de verschillende juridische routes waarvan in de praktijk gebruik wordt gemaakt: K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., hoofdstuk 5.

47

Zie K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., p. 122. Zie ook r.o. 5.6 van de bestreden beschikking waarin het hof deze stappen weergeeft.

48

Zie over de rechtsgevolgen van adoptie nader o.a. P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 317 e.v. en E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, titel 12 Boek 1 BW, commentaar bij art. 1:229 BW (actueel t/m 19 mei 2025).

49

Zie voor de inhoud van draagmoederovereenkomsten in de praktijk en de waarde en afdwingbaarheid daarvan o.m. K.A.M. van der Zon en D.J.H. Smeets, a.w., par. 4.5.3 en 6.6.

50

Hof Leeuwarden 6 oktober 2004, ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3391;hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:3714 en een uitspraak van de rechtbank Gelderland in een andere procedure tussen de partijen in onderhavige procedure: rb. Gelderland 19 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9848 (eindbeschikking na een niet-gepubliceerde (tussen)beschikking van 18 februari 2025, hiervoor onder 2.14 onder de feiten genoemd).

51

Zie vorige voetnoot.

52

Wet van 24 januari 1956, Stb. 1956, nr. 42. Adoptie werd ook al ingevoerd onder Franse overheersing en was daardoor mogelijk van 1811 tot 1838. Met de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1938 is deze mogelijkheid weer verdwenen. Zie over de geschiedenis van adoptie uitgebreider o.a.: P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 294 e.v,; Asser/De Boer, Kolkmans & Salomons 2026/233-234 (actueel t/m 1 januari 2026).

53

Vgl. Asser/De Boer, Kolkmans & Salomons 2026/235 (actueel t/m 1 januari 2026); E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, titel 12 Boek 1 BW, aant. 1, actueel t/m 19 mei 2025; en P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 297-298.

54

Zie Kst. II 1995-1996, 24 649, nr. 3, p. 7.

55

Zie voor een overzicht van wetswijzigingen o.a.: E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, titel 12 Boek 1 BW, aant. 2, actueel t/m 19 mei 2025 en Asser/De Boer, Kolkmans & Salomons 2026/233-234 (actueel t/m 1 januari 2026).

56

Stb. 2001, 10.

57

Stb. 2008, 425.

58

Kst. II 1999-2000, 26 673, nr. 5, p. 7-8.

59

Zie uitgebreider E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, art. 1:227 BW, aant. 2, actueel t/m 19 mei 2025.

60

HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1439, AA20050028 m.nt. A.J.M. Nuytinck, r.o. 3.3-3.4; HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6339, NJ 2001/103 m.nt. J. de Boer, r.o. 3.2 en 3.3; HR 22 juli 1986, NJ 1987/316 m.nt. E.A. Alkema, en HR 10 november 1989, NJ 1990/497 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), m.nt. E.A.A. Luijten, r.o. 3; HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2420 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1998/686 m.nt. J.E. de Boer, AA 1997/0870 m.nt. A.J.M. Nuytinck, r.o. 3.2-3.4; HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5053 (art. 81 RO) . In zijn conclusie voor deze uitspraak gaat voormalig A-G Vlas in op de problematiek. Hij komt tot de slotsom dat voor afwijking van het minderjarigheidsvereiste geen ruimte bestaat (conclusie van 25 januari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BY5053, onder 2.2 en 2.3).

61

Zie over het kennelijk belang van het kind o.m. P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 300 e.v. en Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/242 (actueel t/m 1 januari 2026). Zie over de verschillende omstandigheden uitgebreid: E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, art. 1:227 BW, aant. 5.1-5.8, actueel t/m 19 mei 2025, met verwijzingen naar veel rechtspraak.

62

Zie hierover E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, art. 1:227 BW, aant. 5.2 (actueel t/m 19 mei 2025).

63

Handelingen Tweede Kamer 1978-1979, 24 april 1979, p. 4657 (rechter kolom, midden).

64

Wet tot wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (adoptie door personen van hetzelfde geslacht), Stb. 2001, 10.

65

Zie over dit vereiste o.a. E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, art. 1:227 BW, aant. 6 (actueel t/m 19 mei 2025) en Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/243 (actueel t/m 1 januari 2026).

66

Rapport van de Commissie inzake openstelling van het burgerlijk huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht (hierna: Commissie Openstelling Burgerlijk Huwelijk), Den Haag: oktober 1997, p. 7-10.

67

Kst. II 1998-1999, 26 673, nr. 3, p. 3-6.

68

Kst. II 1999-2000, 26 673, nr. 5, p. 9, p. 15-16, p. 18, p. 28-29.

69

Zie in die zin ook S.F.M. Wortmann & J. van Duijvendijk-Brand, die het een ‘precisering’ het kennelijk belang noemen, in: Compendium Personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 255.

70

Kst. II 1999-2000, 26 673, nr. 5, p. 22.

71

Kst. I 2000-2001, 26 673, nr. 93a, p. 5.

72

Rb. Noord-Holland 26 september 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:9687, r.o. 5.8.

73

Zie bijvoorbeeld rb. Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7152, r.o. 4.13, van diezelfde rechtbank en diezelfde datum ook ECLI:NL:RBAMS:2025:7150, r.o. 4.13; rb. Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2022:7803, r.o. 4.10, en zo ook de rechtbank in eerste aanleg in de voorliggende procedure.

74

Rb. Noord-Holland 25 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2599, r.o. 4.8.

75

Rb. Amsterdam 8 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6412, r.o. 6.7.

76

Hof Amsterdam 4 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3903, JPF 2010/120 m.nt. P. Vlaardingerbroek.

77

HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9726, NJ 2006/584 m.nt. J.E. de Boer, JPF 2006/141 m.nt. B.E. Reinhartz.

78

Vgl. E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, commentaar op art. 1:228 BW, aant. A2 (actueel t/m 19 mei 2025).

79

Kst. I 2000-2001, 26 673, nr. 93a, p. 10. Vgl. ook Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/235 (actueel t/m 1 januari 2026)

80

Zie hierover, met verwijzingen: E.C.C. Punselie, in: GS Personen- en familierecht, commentaar bij art. 1:228 BW, aant. 10.5 (actueel t/m 19 mei 2025).

81

Vgl. EHRM 26 mei 1994, nr. 16969/90, NJ 1995/247 (Keegan/Ierland). Het belang van instemming van de ouder(s) volgt ook uit art. 21, sub a IVRK.

82

HR 6 juni 1958, NJ 1958/375. In de lagere rechtspraak wordt wel eens afgeweken van dit uitgangspunt. Zie voor een overzicht van rechtspraak: E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, commentaar op art. 1:228 BW, aant. 7 (actueel t/m 19 mei 2025). Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/255 (actueel t/m 1 januari 2026) vragen zich echter af waarom de tegenspraak niet in een verweerschrift vervat zou kunnen worden, zonder dat de betrokken ouder ter zitting verschijnt.

83

Vgl. o.m. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1487. Zie ook HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1370, NJ 1994/626, m.nt. W.C.E. Hammerstein- Schoonderwoerd.

84

De tweede en derde grond van artikel 1:228 lid 2 BW zijn in deze zaak niet aan de orde en laat ik daarom verder buiten bespreking. Zie over deze gronden o.a. E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, commentaar op art. 1:228 BW, aant. 8.3 en 8.4 (actueel t/m 19 mei 2025).

85

Vgl. E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, commentaar op art. 1:228 BW, aant. 8.2 met verwijzingen naar rechtspraak (actueel t/m 19 mei 2025).

86

Zo ook Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/243 (actueel t/m 1 januari 2026).

87

Zie bijvoorbeeld rb. Zeeland-West-Brabant 28 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2187, r.o. 5.2 en 5.3.

88

Kst. II 1998-1999, 26 673, nr. 3, p. 5-6.

89

Kst. II 1998-1999, 26 673, nr. 3, p. 5-6.

90

Kst. II 1998-1999, 26 673, nr. 3, p. 5-6.

91

Zie de hiervoor onder 3.63 geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis.

92

RFR 2025/94.

93

JPF 2025/81.

94

De wensouders verwijzen hierbij naar Kst. II 2022-2023, 36 390, nr. 3, p. 74-75.

95

Asser/ De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2026/243 (actueel t/m 1 januari 2026), slot.

96

Zie voor een voorbeeld van ex nunc toetsing: hof Den Haag 7 september 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0493.

97

De wensouders verwijzen hierbij naar Kst. II 1999-2000, 26 673, nr. 5, p. 22-23; Kst. II 2000-2001, 26 673, nr. 93a, p. 5 en Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2020/243.

98

Hierbij verwijzen de wensouders naar de redactionele wenk bij de bestreden beschikking in RFR 2025/94.

99

Hierbij verwijzen de wensouders naar r.o. 5.21 van de bestreden beschikking, art. 1:228 lid 2 sub a BW, het verweerschrift in hoger beroep, nrs. 53 en 67, en de brief van de bijzondere curator aan het hof van 17 december 2024, p. 2024.

100

Hierbij verwijzen de wensouders naar hetgeen is vermeld in de vorige voetnoot, naar onderdeel 2 (inclusief verwijzingen aldaar), en het antwoord van de wensouders in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 4.

101

Hierbij verwijzen de wensouders naar r.o. 5.20 van de bestreden beschikking, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 5 en de pleitaantekeningen van de advocaat van de wensouders voor de mondelinge behandeling bij het hof.

102

Hierbij verwijzen de wensouders naar r.o. 5.4 van de bestreden beschikking, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof en de pleitaantekeningen van de advocaat van de wensouders voor de mondelinge behandeling bij het hof.

103

Hierbij verwijzen de wensouders naar de weergave van hun stellingen door het hof in r.o. 5.3 van de bestreden beschikking, en hun verweerschrift in hoger beroep, nrs. 65-67.

104

Hierbij verwijzen de wensouders naar de redactionele wenk bij de bestreden beschikking in RFR 2025/94.

105

Hierbij verwijzen de wensouders naar EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben c.s./Noorwegen), par. 206.

106

Hierbij verwijzen de wensouders naar onderdeel 3.

107

Hierbij verwijzen de wensouders naar HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, r.o. 3.5.

108

Vergelijk ook de hiervoor onder 3.65 en 3.66 geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis.

109

Zoals bijvoorbeeld rb. Zeeland-West-Brabant 28 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2187, r.o. 5.2-5.6.

110

Vgl. ook de verwijzing naar art. 1:228 BW in de commentaren bij de bestreden beschikking, hiervoor geciteerd onder 3.91 en 3.92.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733