A-G Bartels behandelt cassatie van de vrouw over verknochtheid letselschade-uitkering en vergoedingsrechten. Hof oordeelt dat slechts € 20.000 nog identificeerbaar verknocht is en dat besteding van verknochte gelden geen vergoedingsrechten doet ontstaan; ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen. A-G zet leer uiteen (voorwaardelijke verknochtheid), acht klachten deels gegrond: besteding ten behoeve van de gemeenschap kan vergoedingsrechten opleveren; oordeel hof op dit punt en over 6:212 BW onvoldoende/onjuiste rechtsopv
Huwelijksvermogensrecht; verknochtheid schadevergoeding; zaaksvervanging; vergoedingsrechten; ongerechtvaardigde verrijking.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen, met diverse subonderdelen.
3.2
Voordat ik aan een inhoudelijke behandeling van de onderdelen toekom, zie ik aanleiding om meer algemeen in te gaan op de bijzondere verknochtheid en het ontstaan van vergoedingsrechten. Omdat het in onderhavige zaak gaat om een huwelijk dat vóór 1 januari 2018 is gesloten, zal ik daarbij de wettelijke regeling (art. 1:94 (oud) BW) van de algehele gemeenschap van goederen betrekken.
Bijzondere verknochtheid
3.3
Op grond van art. 1:94 lid 3 (oud) BW vallen goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich daar niet tegen verzet. Hiermee wordt een uitzondering gemaakt op het uitgangspunt van art. 1:94 lid 1 (oud) BW dat de gemeenschap alle goederen van de echtgenoten omvat die bij aanvang aanwezig waren of, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, nadien zijn verkregen. Overigens is dit niet de enige uitzondering, ook de in art. 1:94 lid 1 (oud) BW genoemde goederen vallen niet in de gemeenschap, waaronder bijvoorbeeld een onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis of gift. Voor de goede orde zij opgemerkt dat waar in deze conclusie wordt gesproken van (bijzondere) verknochtheid, bedoeld wordt de verknochtheid die ertoe leidt dat het goed buiten de huwelijksgemeenschap valt.
3.4
Of een goed dan wel een schuld in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 (oud) BW aan een van de echtgenoten op bijzondere wijze is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt, is volgens vaste rechtspraak bepalend “de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald”. Overigens wordt in een beschikking uit 2012 een andere maatstaf geformuleerd, en wordt ook wel gesteld dat de maatstaf hiermee enigszins is verruimd. In de rechtspraak nadien worden de ‘oorspronkelijke’ en de ‘ruimere’ maatstaf afwisselend gebruikt.
3.5
De Hoge Raad is terughoudend bij het aannemen van bijzondere verknochtheid. Slechts in uitzonderlijke gevallen oordeelt de Hoge Raad dat een goed vanwege bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap valt. In lijn met die terughoudende benadering oordeelde de Hoge Raad in 1986 ten aanzien van smartengeld dat er geen reden was om een uitzondering aan te nemen voor een immateriële letselschadevergoeding voor ‘door de man hoogst persoonlijk ondergaan leed’. En in 1996 oordeelde de Hoge Raad nog dat er ook geen reden was een uitzondering te maken voor een schadeloosstelling in verband met de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (hierna ook wel aangeduid als ontslagvergoeding).
3.6
In de NJ-noot bij het arrest uit 1986 merkte Luijten al op dat de uitspraak weliswaar past bij de terughoudende benadering van de Hoge Raad ten aanzien van de verknochtheid, maar dat het de vraag is of het resultaat van de uitspraak het rechtsgevoel wel geheel bevredigt, gelet “op de zeer korte duur van het huwelijk – nauwelijks twee jaar – en op het feit, dat bij de bepaling van het bedrag der schadevergoeding niet alleen gelet was op geleden pijn maar ook op toekomstig leed, dat in de gegeven situatie na de huwelijksontbinding zou worden ondergaan”. Kortom, een van de redenen dat de uitspraak volgens Luijten schuurde met het rechtsgevoel was dat de vergoeding ook zag op na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap te lijden schade.
3.7
Ten aanzien van materiële en immateriële letselschadevergoedingen en ontslagvergoedingen is de Hoge Raad sinds 1997 een andere koers gaan varen.
3.8
Wat betreft de aanspraak op smartengeld (immateriële schadevergoeding) wordt uit een arrest van de Hoge Raad uit 1997 wel afgeleid dat de Hoge Raad smartengeld, vanwege de persoonlijk aard daarvan, wél aanmerkt als een goed dat bijzonder verknocht is en buiten de gemeenschap van goederen valt. Sindsdien bestaat hier in de literatuur ook weinig discussie over en wordt het uitgangspunt dat een aanspraak op smartengeld bijzonder verknocht is ook onderschreven. Overigens zijn partijen in onderhavige zaak het ook eens dat het smartengeld van € 30.000,- verknocht is.
3.9
Uit datzelfde arrest uit 1997 volgt ook dat de Hoge Raad ten aanzien van de verknochtheid voor aanspraken op materiële letselschadevergoedingen (waar ik hierna spreek over letselschadevergoedingen bedoel ik de materiële letselschadevergoedingen) een soepelere benadering hanteert. In lijn met de hiervoor genoemde kritiek van Luijten achtte de Hoge Raad voor het maken van een uitzondering vanwege de bijzondere verknochtheid onder meer van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die voor of na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap wordt geleden. In een latere beschikking heeft de Hoge Raad dit doorgetrokken naar de verknochtheid van een ontslagvergoeding voor zover die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Eén en ander heeft zich ontwikkeld tot een systeem waarbij ten aanzien van letselschadevergoedingen en ontslagvergoedingen een onderscheid gemaakt wordt tussen het gedeelte van de vergoeding dat ziet op de periode vóór, en het gedeelte dat ziet op de periode ná de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het gedeelte van de vergoeding dat ziet op de periode na de ontbinding wordt in het algemeen als bijzonder verknocht beschouwd, en valt daarmee buiten de gemeenschap van goederen.
3.10
In een zaak die betrekking had op een vergoeding als gevolg van een ongeval, heeft de Hoge Raad in 2012 het volgende overwogen:
“3.5.4 Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van art. 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006, LJN AX7805, NJ 2008/258).”
3.11
En in de zaak die betrekking had op een ontslagvergoeding heeft de Hoge Raad overwogen:
“4.1.4 Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art.1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292). Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad overeenkomstig dit uitgangspunt geoordeeld in een geval waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) en in een geval waarin een ontslagvergoeding was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. (zie de eerder genoemde beschikking van HR 24 juni 2016).”
3.12
De uitkomst van deze rechtspraak, dat de aanspraak op die vergoedingen voor het gedeelte dat ziet op na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap geleden schade of gemiste inkomsten in beginsel buiten de gemeenschap valt, onderschrijf ik. Het bevredigt het rechtsgevoel. Het betreft immers aanspraken die toevallig tijdens het huwelijk zijn ontstaan, maar die specifiek ook bedoeld zijn ter compensatie van na ontbinding van de huwelijksgemeenschap geleden schade of gemiste inkomsten door één van de echtgenoten. Als de aanspraak op die vergoedingen na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zouden zijn ontstaan, dan zouden ze immers óók aan de desbetreffende echtgenoot ten goede komen.
3.13
Dat aanspraken op ontslagvergoedingen en letselschadevergoedingen deels bijzonder verknocht kunnen zijn en buiten de gemeenschap kunnen vallen, heeft – mede in relatie met hierna nog te bespreken rechtspraak – een aantal vervolgvragen doen rijzen. Te denken valt aan vragen als:
- Een aanspraak op een uitkering is verknocht, maar kan geld (en dus een uitgekeerde vergoeding) ook verknocht zijn?
- Heeft betaling van een uitkering op “een rekening die tot de gemeenschap behoort” tot gevolg dat het uitgekeerde bedrag toch tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren en van verknochtheid niet langer sprake is?
- Wanneer is een betaalde vergoeding nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten te identificeren?
- Heeft herbelegging van een verknocht goed tot gevolg dat het nieuwe goed ook verknocht is en buiten de gemeenschap valt?
- Kunnen er vergoedingsvorderingen ontstaan als een verknocht goed toch in de gemeenschap terecht is gekomen of indien met een verknocht goed een schuld van de gemeenschap wordt voldaan?
- Wat is de goederenrechtelijke status van een verknochte ontslagvergoeding of letselschadevergoeding op het moment dat ontbinding van de huwelijksgemeenschap niet aan de orde is?
3.14
Een deel van deze vragen is reeds door de Hoge Raad beantwoord, maar een deel behoeft nog beantwoording. Niet al deze vragen kunnen hier worden beantwoord, maar het is voor de beoordeling van de klachten in cassatie wel van belang enkele ervan kort te behandelen.
Kan (giraal) geld verknocht zijn?
3.15
Door Breederveld is in het verleden wel betoogd dat een aanspraak op een uitkering weliswaar verknocht kan zijn, maar dat dit niet geldt voor een eenmaal ontvangen uitkering. Volgens hem zou de uitkering door betaling teniet gaan, en zou de aard van geld meebrengen dat het uitgekeerde bedrag niet verknocht kan zijn. Tussen de uitkering en het geld zou namelijk geen enkele bijzondere rechtsbetrekking bestaan. In zijn visie zou uitbetaling van een verknochte aanspraak op een schadevergoeding altijd tot gevolg hebben dat het betaalde geldbedrag niet verknocht is.
3.16
Deze opvatting heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 7 december 2012 ten aanzien van uitbetaalde materiële en immateriële letselschadevergoedingen, expliciet verworpen. In zijn NJ-noot bij deze beschikking schrijft Verstappen daarover – naar ik meen terecht – onder meer:
“Voormelde opvatting van het hof en Breederveld wordt door de Hoge Raad vervolgens expliciet verworpen. Dat was ook een moeilijk vol te houden opvatting, aangezien niet viel in te zien waarom de vordering wel en de op die vordering uitgekeerde bedragen per definitie niet verknocht zouden zijn omdat het geld is. Weliswaar moet op al hetgeen in de plaats treedt van verknochte goederen wederom dezelfde verknochtheidstoets worden losgelaten, maar zolang de omstandigheden zich niet hebben gewijzigd, zal die toets tot hetzelfde resultaat leiden. In wat andere bewoordingen: als het geld niet is opgemaakt en kennelijk nog dezelfde bestemming heeft, valt niet in te zien waarom toepassing van de criteria voor bijzondere verknochtheid tot een ander resultaat zouden leiden. Daarmee is duidelijk dat herkomst en bestemming van geld wel degelijk ook factoren zijn die kunnen leiden tot bijzondere verknochtheid van geld als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW. ”
Verknochtheid en (giraal) geld
3.17
Dat een geldbedrag op een bankrekening ook verknocht kan zijn, neemt nog niet alle discussie weg. In de meeste gevallen zal de uitbetaling van een schadevergoeding namelijk plaatsvinden door bijschrijving van het bedrag op een bankrekening van één van de echtgenoten of op de gezamenlijke bankrekening. Enkele auteurs hebben betoogd dat wanneer de uitbetaling plaatsvindt op “een rekening die in de gemeenschap” valt, dit tot gevolg heeft dat het uitgekeerde bedrag tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren, en van verknochtheid geen sprake meer is.
3.18
Breederveld schrijft daarover:
“Gezien de gangbaarheid van het giraal betalingsverkeer zal in de meeste gevallen betaling plaatsvinden door bijschrijving van het bedrag op een door de echtgenoot aangehouden bankrekening. Een bankrekening is een rekening-courantverhouding met de betreffende bankinstelling: het heeft een vorderingsrecht tot gevolg van de houder van de bankrekening (de begunstigde) op de bank. De verrekening van de bijschrijvingen en afschrijvingen bepaalt het saldo en dus de omvang van dit vorderingsrecht. Een reeds bestaande bankrekening valt als vermogensrecht in de huwelijksgemeenschap (tenzij deze destijds is geopend voor de verwerving van privégelden). Indien op deze bankrekening bedragen worden bijgeschreven heeft dit tot gevolg dat een wijziging optreedt in de omvang van de vordering of schuld uit hoofde van de rekening-courantverhouding die tot de huwelijksgemeenschap behoort. Wordt de smartengelduitkering (privévordering) op deze wijze voldaan, dan valt het ontvangen bedrag in de gemeenschap. Ook een betaling gedaan op een door de andere echtgenoot aangehouden bankrekening of gezamenlijke (en/of) rekening heeft tot gevolg dat de ontvangen uitkering – die deel is gaan uitmaken van de rekening-courantverhouding – in de huwelijksgemeenschap valt. De eventuele beleggingen en wederbeleggingen door aanwending van het saldo van deze rekening-courantverhouding vallen eveneens in de gemeenschap.
Slechts een betaling die wordt gedaan op een ten behoeve van de inning van deze vordering geopende rekening of op een anderszins reeds tot het privévermogen behorende rekening, blijft buiten de huwelijksgemeenschap. De ter beleggingen en wederbeleggingen door aanwending van het saldo van deze (privé)bankrekening door deze echtgenoot verkregen goederen behoren vervolgens eveneens tot diens privévermogen en vallen niet in de gemeenschap.”
3.19
Subelack geeft deze opvatting als volgt weer.
“Men komt tot die conclusie in de veronderstelling dat het saldo van een bankrekening één ondeelbaar vorderingsrecht jegens de bank zou zijn. Dat vorderingsrecht valt (als ondeelbaar geheel) in de huwelijksgemeenschap. Wordt op deze bankrekening een privévordering van een van de echtgenoten voldaan (waaronder ook een verknochte aanspraak op geld), dan gaat die privévordering teniet. Het ontvangen bedrag gaat vervolgens deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap, als onderdeel van het ondeelbare saldo dat te vorderen is van de bank. Doordat op die manier privévermogen in de gemeenschap vloeit, ontstaat (in beginsel) een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap.”
3.20
Ter bevestiging van deze opvatting, dat de betaling ter nakoming van een verknochte vordering op een gemeenschappelijke rekening ertoe leidt dat ‘het geld’ (de vordering op de bankinstelling) in de huwelijksgemeenschap valt, wordt gewezen op het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2019, dat onder uitsluitingsclausule geschonken bedragen betrof. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer:
“3.3.2 (…) Doordat de geschonken bedragen op een gemeenschappelijke bankrekening van partijen zijn overgeboekt, is het totaalbedrag van € 30.000,--, naar het in zoverre onbestreden oordeel van het hof, door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren (rov. 3.6.4.4).”
3.21
Hieruit is door enkele auteurs wel afgeleid dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer privébedragen op een gemeenschappelijke bankrekening worden overgemaakt, de bedragen tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren. Andere auteurs merken echter – naar mijn mening terecht – op dat die conclusie niet uit dit arrest van de Hoge Raad getrokken kan worden. De Hoge Raad gaat weliswaar uit van het oordeel van het hof dat sprake was van een vermogensverschuiving doordat de geschonken bedragen op een gezamenlijke rekening waren overgemaakt, maar dat deed hij omdat tegen dit oordeel in cassatie geen klachten waren gericht en hij daar dus van uit moest gaan. Het wil niet zeggen dat de Hoge Raad dit onbestreden oordeel ook juist acht. Bevestiging daarvoor vind ik in een beschikking van de Hoge Raad van 27 januari 2023, waarin in de kern dezelfde vraag aan de orde kwam. Die vraag heeft de Hoge Raad toen onbeantwoord gelaten, omdat in dat geval niet ter zake deed of ‘de erfenis’ tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren.
3.22
Subelack verzet zich tegen de opvatting dat door storting van gelden op een gemeenschappelijke bankrekening ‘het geld’ (de vordering op de bankinstelling) in de huwelijksgemeenschap valt. Hoewel een rekeninghouder in de verhouding tot de bank slechts het saldo van de bankrekening kan opeisen, meent hij dat in het saldo wel degelijk losse vorderingen kunnen worden onderscheiden, voor zover zij niet door verrekening teniet zijn gegaan. Volgens hem kan dus niet gezegd worden dat een vordering uit hoofde van een bankrekening ondeelbaar is. Een bevestiging van deze opvatting leest hij in de beschikking van de Hoge Raad van 23 februari 2018. Daarnaast wijst hij op een gevaar van de opvatting dat storting op een gemeenschappelijke rekening een vermogensverschuiving tot gevolg heeft, namelijk dat – zeker onder het recht sinds 2018 – dit zal leiden tot een wirwar aan vergoedingsrechten.
3.23
In voornoemde beschikking van 23 februari 2018 heeft de Hoge Raad kort gezegd geoordeeld dat een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens wel degelijk verknocht is voor zover de vergoeding strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Daaraan voegde de Hoge Raad de volgende overweging toe:
“Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.”
3.24
Deze laatste overweging is ruim geformuleerd. Het ziet derhalve ook op de situatie die zich in het overgrote deel van de gevallen zal voordoen, namelijk dat een aanspraak op een vergoeding is uitgekeerd op een bankrekening van een van de echtgenoten of op een gezamenlijke bankrekening. Wat betekent dit goederenrechtelijk?
3.25
Giraal geld en het goederenrecht hebben een moeizaam huwelijk. Er moet hard aan gewerkt worden om op een goede manier met elkaar in gesprek te blijven. Wederzijds begrip en wat inschikkelijkheid lijkt het hoogst haalbare resultaat.
3.26
De combinatie van ‘het daarmee gemoeide bedrag’ en ‘redelijkerwijs als zodanig te identificeren’ doet ergens denken aan de individualiseerbaarheid die voor goederenrechtelijke aanspraken steeds noodzakelijk is. Om eigenaar te kunnen zijn van een fiets, moeten we kunnen vaststellen om welke fiets het precies gaat (“O, die fiets”). De identificeerbare verknochte fiets valt buiten de huwelijksgemeenschap, we kunnen hem immers aanwijzen. Met zo’n goederenrechtelijke benadering kunnen we niet goed uit de voeten met de ‘opdracht’ van de Hoge Raad met betrekking tot giraal geld, dat we moeten kijken of het bedrag redelijkerwijs nog als zodanig te identificeren is. Ik denk dat de opdracht inhoudt dat ongeacht of het geldbedrag op de rekening als een zelfstandig ‘goed’ in de zin van art. 3:1 BW kan worden gekwalificeerd, het zo kan zijn dat een bepaald vorderingsdeel (een deel van de vordering op de bankinstelling) wordt aangemerkt als verknocht ‘goed’, zodat het buiten de huwelijksgemeenschap valt. Als de geldwaarde redelijkerwijs nog als zodanig identificeerbaar is, kan het in een ‘ander vermogen’ vallen dan de rest van het saldo dat op die zelfde rekening staat. Er moet zo nodig water bij de goederenrechtelijke wijn ten faveure van de realisering van het wenselijke resultaat, namelijk de bescherming van degene aan wie dat bedrag om indringende redenen (dat is immers de achtergrond van de verknochtheid) behoort toe te komen.
3.27
Om grip op de materie te krijgen, heb ik aan de hand van enkele casusposities, in oplopende mate van complexiteit, getracht scherper te krijgen wanneer na girale betalingen ter nakoming van een verknochte vordering nog wel en wanneer niet meer sprake kan zijn dat het “daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren”, zodat dit bedrag als verknocht kan worden aangemerkt en niet in de huwelijksgemeenschap valt.
3.28
Het basisrecept van de casusposities is:
- Man en vrouw zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen (ofwel oud regime ofwel als gevolg van huwelijkse voorwaarden).
- De vrouw overkomt een verkeersongeluk en zij krijgt een bepaald bedrag aan smartengeld toegekend. We ‘rekenen’ met een bedrag van € 20.000,-. Ik kies bewust dit voorbeeld, omdat hierna (onder 3.40 e.v.) zal blijken dat de goederenrechtelijke status van een uitgekeerde ontslagvergoeding of materiele letselschadevergoeding extra complicaties oplevert.
- We nemen aan dat haar vordering, zolang deze niet is uitbetaald, bijzonder verknocht is en niet in de huwelijksgemeenschap valt.
3.29
Wat betekent dit? Doordat haar vordering niet in de huwelijksgemeenschap valt, blijft de vordering vanwege de bijzondere verknochtheid buiten beschouwing bij de verdeling van de gemeenschap na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
3.30
Het verschuldigde geldbedrag wordt overgemaakt op een rekening die op naam staat van de vrouw. Zij heeft de rekening speciaal voor het ontvangen van dit bedrag geopend. All clear, zou ik zeggen. De geldwaarde is redelijkerwijs identificeerbaar aanwezig in het vermogen van een van de echtgenoten, en valt buiten de gemeenschap.
3.31
De casus hoeft maar iets veranderd te worden om voornoemde spanning tussen giraal geld en het goederenrecht voelbaar te maken. De rekening staat op naam van de vrouw, maar is niet speciaal voor het smartengeld geopend. Op de rekening stond al een bedrag van € 5.000,- die in de huwelijksgemeenschap viel. Het saldo na betaling van het smartengeld is dus € 25.000,-. Hoe beoordelen we nu de verknochtheid? Wat valt in welk vermogen? Goed denkbaar acht ik, dat een rechter tot het oordeel komt dat de daarmee gemoeide geldwaarde (het smartengeld) nog redelijkerwijs als zodanig identificeerbaar aanwezig is. Het gevolg is dat een deel van het saldo (de vordering op de bankinstelling) buiten de huwelijksgemeenschap valt en een deel er in. Hetzelfde kan opgaan wanneer het bedrag wordt gestort op een lopende en/of rekening en bijvoorbeeld direct ‘apart’ wordt gezet in een ‘mapje’ dat onder die rekening hangt, ook dan herken ik het bedrag nog duidelijk genoeg. Het lijkt me niet te rechtvaardigen dat een dergelijke moderne, alledaagse wijze van ‘afscheiden’ niet zou volstaan tegen de achtergrond van de verknochtheidsproblematiek.
3.32
Zonder veel moeite kunnen nog talrijke variaties worden toegevoegd, die waarschijnlijk allemaal zullen voorkomen in het leven van alledag. Er kunnen betalingen worden gedaan vanaf de rekening, het geld kan worden gebruikt om een onverwachte rekening te voldoen en daarna snel weer worden teruggeboekt naar de (spaar)rekening of het mapje waar het voordien ‘apart’ werd gehouden, etc. Telkens zal de rechter, op basis van de omstandigheden van het geval, de vraag dienen te beantwoorden of de geldwaarde redelijkerwijs nog als zodanig identificeerbaar is.
3.33
Het voorgaande gaat, ik merk dat hier met klem op, alleen nog over de kwalificatie van een (bepaald deel van een) vordering op een bankinstelling als verknocht, zodat (dat deel van) de vordering (mogelijk) niet in de gemeenschap valt. Het zegt niets over de mogelijke vergoedingsvorderingen die kunnen ontstaan, als deze verknochte aanspraak ten bate van de gemeenschap wordt aangewend.
Voortgezette verknochtheid en zaaksvervanging
3.34
Het komt geregeld voor dat verknochte goederen die buiten de gemeenschap van goederen vallen, worden herbelegd. Dat kan ook gebeuren met het nog als verknocht aanwijsbare geld op een bankrekening. Zijn de goederen die met dit geld worden aangekocht en verkregen dan ook automatisch verknocht? Als er zaaksvervanging optreedt, valt het verkregen goed ‘automatisch’ ook buiten de huwelijksgemeenschap. Het lijkt er echter op dat de Hoge Raad de deur van de zaaksvervanging bij de inzet van verknochte gelden heeft dichtgedaan in een arrest van 26 september 2008. In de zaak die leidde tot deze uitspraak deed de situatie zich voor dat tijdens het huwelijk met een door de vrouw ontvangen schadevergoeding van € 300.000,--, voor een door haar voor het huwelijk overkomen ongeval, een perceel grond was aangekocht waarop de echtgenoten later een woning zouden bouwen. Van belang is om te melden dat in de procedure veronderstellenderwijs ervan uit werd gegaan dat sprake was van een goed (hier: de schadevergoeding van € 300.000,--) dat bijzonder verknocht was en buiten de gemeenschap viel. De opvatting, dat de bijzondere verknochtheid tot gevolg had dat het nieuw verkregen goed op grond van zaaksvervanging eveneens buiten de gemeenschap valt, lijkt de Hoge Raad hier(mee) te verwerpen. Hij overweegt in r.o. 3.3:
“Onderdeel 1 van het middel, dat zich keert tegen het voormelde oordeel van het hof, gaat uit van de opvatting dat bij wederbelegging van goederen en/of gelden die door verknochtheid buiten de gemeenschap van goederen vallen, als sprake is van volledige financiering door en levering van deze goederen aan degene aan wie het verknochte goed toebehoorde, het nieuw verkregen goed op grond van zaaksvervanging eveneens buiten de gemeenschap blijft. Deze opvatting kan echter niet als juist worden aanvaard. Het antwoord op de vraag of een goed op een bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, hangt immers af van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 3 november 2006, nr. R05/126, NJ 2008, 258). Hieruit vloeit reeds voort dat niet ieder goed dat in de plaats treedt van een verknocht goed, eveneens of op dezelfde wijze als aan een van de echtelieden verknocht kan worden beschouwd.”
3.35
Of een door herbelegging van een verknocht goed verkregen goed ook op bijzondere wijze verknocht is (en buiten de gemeenschap van goederen valt) zal dus per geval beoordeeld dienen te worden. Het is niet uitgesloten dat het vervangende goed ook verknocht is, maar die verknochtheid volgt niet van rechtswege uit de regeling van zaaksvervanging. Zeker voor vergoedingen die pas bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap kunnen worden vastgesteld, valt daar veel voor te zeggen. Op het moment dat ‘het goed’ tijdens het huwelijk wordt herbelegd is immers nog onduidelijk welk deel precies verknocht is. Bovendien, de reden om een verknocht goed buiten de gemeenschap te houden ligt in de aard van het goed. Dat specifieke goed behoeft bescherming, en als dat specifieke goed er niet meer is, zou je kunnen zeggen dat het ook niet de door zaaksvervanging geboden goederenrechtelijk bescherming behoeft. Overigens wil dit naar mijn mening niet zeggen dat er geen vergoedingsrechten kunnen ontstaan.
3.36
Hiervoor heb ik bewust opgenomen dat de Hoge Raad lijkt te oordelen dat zaaksvervanging niet aan de orde is bij verknochte goederen. Ik trek zelf ook die conclusie uit het genoemde arrest van de Hoge Raad, maar er wordt door Zonnenberg ook wel betoogd dat de Hoge Raad alleen heeft beslist dat herbelegging van een verknocht goed niet automatisch tot een nieuw verknocht goed leidt. Over de vraag of zaaksvervanging bij verknochte goederen mogelijk is, zou de Hoge Raad zich niet hebben uitgelaten. Hij meent dat ook bij verknochte goederen de regels van zaaksvervanging van toepassing zijn, en dat dit anders tot onredelijke resultaten zou leiden. Ook andere auteurs zijn kritisch over het arrest, maar gaan er wel van uit dat de Hoge Raad hiervoor gekozen heeft.
Verknochtheid en vergoedingsvorderingen
3.37
Uit art. 1:95 lid 2 BW volgt dat wanneer een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een van de echtgenoten uit diens eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, een vergoedingsrecht ontstaat ten behoeve van deze echtgenoot jegens de gemeenschap. Dit zelfde geldt volgens art. 1:96 lid 4 BW als een schuld van de gemeenschap wordt voldaan met privégoederen van een echtgenoot.
3.38
In een procedure waarbij onder uitsluitingsclausule verkregen schenkingen van € 30.000,- op een gemeenschappelijke rekening waren ontvangen, en vaststond dat door ‘vermenging’ het bedrag van € 30.000,- tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren (dit oordeel van het hof was in cassatie niet bestreden), oordeelde de Hoge Raad in 2019:
“Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat de vrouw als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 (voorheen lid 3) BW) ”.
3.39
Ik zie niet in waarom dit ten aanzien van verknochte goederen die niet in de gemeenschap vallen, anders zou zijn. Als een verknocht goed goederenrechtelijk buiten de gemeenschap valt en dus in het vermogen van een van de echtgenoten valt, dan betreft dit een aan een echtgenoot behorend privégoed. Ook indien het verknochte goederen betreft en deze door ‘vermenging’ tot de gemeenschap gaan behoren, of als hiermee schulden van de gemeenschap worden voldaan, zou ik menen dat er in beginsel een vergoedingsrecht ontstaat jegens de gemeenschap, net zoals het geval is bij (andere) privé goederen die onder uitsluitingsclausule zijn gekregen. Sterker nog, er is bij verknochte goederen misschien zelfs meer reden om bescherming te bieden. Waar aan onder uitsluitingsclausule verkregen goederen in veel gevallen al de goederenrechtelijke bescherming van zaaksvervanging zal toekomen, en de vraag of vergoedingsrechten ontstaan niet aan de orde hoeft te komen, geldt die goederenrechtelijke bescherming van zaaksvervanging bij verknochte goederen niet (zie hiervoor 3.35).
Afhankelijk van tijdstip ontbinding
3.40
Het is goed om ons te realiseren dat de uitspraken van de Hoge Raad waarin de mate van verknochtheid van de ontslagvergoeding en de letselschadevergoeding afhankelijk is gesteld van het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, tot stand zijn gekomen in procedures waar na ontbinding de huwelijksgemeenschap moest worden verdeeld. Omdat op het moment van verdeling het tijdstip van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap bekend is, kan in die gevallen ook vastgesteld worden welk deel van de vergoeding ziet op de periode na de ontbinding en dus buiten de gemeenschap valt. Toepassing van deze regels bij de verdeling levert in principe dan ook geen grote problemen op. Doordat het verknochte goed privé-eigendom is van de desbetreffende echtgenoot, valt het buiten de verdeling van de gemeenschap. De vraag of een ontslagvergoeding of letselschadevergoeding verknocht is en buiten de gemeenschap valt, zal in veel gevallen dus pas naar voren komen in een verdelingsprocedure. Dat is na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Er zijn echter ook gevallen waarin de vraag, of een ontslagvergoeding of letselschadevergoeding verknocht is, tegen een eerder tijdstip beantwoord moet worden. Te denken valt aan de situatie dat tijdens het huwelijk een derde ten laste van de gemeenschap beslag wil leggen voor een schuld van de andere echtgenoot. Of op ‘de schadevergoeding’ beslag gelegd kan worden, is afhankelijk van de goederenrechtelijke status van dat goed. Maar ook voor het ontstaan van vergoedingsrechten, doordat de vergoeding bijvoorbeeld tijdens het huwelijk ten behoeve van de gemeenschap is besteed, kan dit van belang zijn. De verknochtheidsvraag is dan ‘lastiger’ te beantwoorden. Voor welk deel die vergoeding verknocht is, zal op dat moment in de meeste gevallen niet zijn vast te stellen, omdat onduidelijk is of, en zo ja op welk moment, de huwelijksgemeenschap zal worden ontbonden:
“De vraag is welk deel van de vergoeding op de eerste periode betrekking heeft en dus tot de huwelijksgemeenschap moet worden gerekend. Zolang een bestendig huwelijk voortduurt, zal deze vraag redelijkerwijs niet kunnen worden beantwoord. Het is immers onzeker wanneer het huwelijk zal eindigen. Maar in het zicht van echtscheiding zal de schade overwegend na het huwelijk worden geleden. In het zicht van overlijden zal dit niet het geval zijn en zullen er geen argumenten zijn om de vergoedingsvorderingen buiten de huwelijksgemeenschap te houden. De kans op eindiging van het huwelijk zal dus relevant zijn voor de beoordeling van de hiervoor door de Hoge Raad geformuleerde criteria. Die beoordeling geschiedt echter pas retrospectief, wanneer al sprake is van een aangevangen echtscheidingsprocedure. Dat is in de praktijk moeilijk hanteerbaar. Immers, ook tijdens het huwelijk moet met een redelijke zekerheid kunnen worden bepaald of dergelijke schadevergoedingsvorderingen wel of niet tot de huwelijksgemeenschap behoren.”
3.41
Hooguit kan in algemene zin worden vastgesteld dat, naarmate de ontbinding van de huwelijksgemeenschap langer uitblijft, een steeds groter deel van de vergoeding niet verknocht kan zijn. Lieber wijst er terecht op dat de koppeling van de verknochtheid aan het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgemeenschap in bepaalde gevallen problemen geeft:
“In deze gevallen is het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgemeenschap bepalend voor de vraag welk deel van de aanspraak of vergoeding nog wel en welk deel niet meer in de gemeenschap valt. Dat levert twee problemen op. Ten eerste heeft de echtgenoot die afspraken maakt over de vergoeding van de schade bij ontslag of bij letselschade het min of meer in eigen hand te bepalen aan welke posten of aan welke periode de schade wordt toegerekend. Hij kan het vooral als een echtscheiding in zicht komt buiten de andere echtgenoot om zo regelen dat het grootste deel verknocht zal zijn. Ten tweede vallen door verloop van tijd de aanspraken en uitkeringen die hier aan de orde zijn voor een steeds groter deel in de gemeenschap, maar blijft zolang het tijdstip van ontbinding van het huwelijk onzeker is onduidelijk voor welk deel. Dat veroorzaakt goederenrechtelijk een troebele en ongewenste situatie, vooral in de verhouding tot derden.”
3.42
Ik meen dat er in grote lijnen vier benaderingen denkbaar zijn hoe hiermee om te gaan.
3.43
De eerste benadering is dat de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van ontslagvergoedingen en letselschadevergoedingen – mede nu die rechtspraak ziet op verdelingskwesties (zie hiervoor onder 3.40) – zo begrepen moet worden dat de bijzondere verknochtheid pas ontstaat door ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Zolang de huwelijksgemeenschap niet is ontbonden, is het goed (of de geldwaarde) dus niet bijzonder verknocht en valt het volgens de hoofdregel in de gemeenschap. Het goed (of de geldwaarde) kan daardoor tijdens het huwelijk ook niet worden aangemerkt als privé-middelen. Van de uitgaven gedurende het huwelijk kan – uitgaande van deze benadering – niet worden gezegd dat ze van privé-middelen zijn gedaan. Gedurende het huwelijk viel het geld immers in de gemeenschap. De ‘logische’ consequentie hiervan is dat door besteding tijdens het huwelijk van zo’n vergoeding geen sprake is van vermogensverschuivingen, zaaksvervanging, of het ontstaan van vergoedingsrechten.
3.44
Het aantrekkelijke van deze benadering is de (betrekkelijke) eenvoud ervan. Het nadeel ervan is, kort gezegd, het rechtsgevolg. De uitkomst van deze benadering is namelijk dat de echtgenoot die een vergoeding kreeg uitgekeerd die mede betrekking had op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap in veel gevallen in de kou blijft staan. Stel dat de vergoeding, die mede bedoeld was ter compensatie van een van de echtgenoten na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, al tijdens het huwelijk ten behoeve van de gemeenschap is opgegaan, dan vist die echtgenoot immers achter het net omdat er geen zaaksvervanging optreedt en geen vergoedingsrechten ontstaan. Beide echtgenoten hebben er goed van geleefd: en pech voor degene die het ongeluk is overkomen of diens baan is verloren. Dat is tot daaraan toe, maar pakt mijns inziens met name onrechtvaardig uit als aan de andere kant over de door de echtgenoten gemaakte keuzes niet op dezelfde wijze worden ‘afgerekend’. Ik stel mij de situatie voor dat de andere echtgenoot privevermogen had als gevolg van een uitsluitingsclausule. Ook dit geld is gebruikt voor een ruimere levensstijl, het opknappen van de gemeenschappelijke woning, het voldoen van een gemeenschapsschuld etc. Hier zou gelden, in de woorden van Wesseling-Van Gent, ‘eens prive, altijd prive’. In beginsel ontstaan er ten behoeve van die echtgenoot dan wél vergoedingsrechten jegens de gemeenschap. Kortom, de ene echtgenoot wordt niet gecompenseerd voor het verlies van zijn ‘privevermogen’ die het gevolg zijn van gezamenlijke keuzes en de andere wel. Ik moet bekennen dat ik deze uitkomst moeilijk te verteren zou vinden. Louter ‘technisch-juridische logica’ (het ene was al privé tijdens het huwelijk, het andere zou het pas geworden door de ontbinding) bevredigt mij niet. Ik meen dat de achtergrond van de verknochtheidsregel meebrengt dat gezocht moet worden naar een uitkomst waarin beide echtgenoten, na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, op gelijke wijze de prijs betalen voor de door hen samen gemaakte keuzes en dat juist in gevallen waarin verdienvermogen definitief is weggevallen een resultaat wenselijk is waarin ’privé-goederen’ gelijkelijk beschermd worden.
3.45
Mijns inziens biedt een tweede benadering, die ik hier de voorwaardelijke verknochtheid noem, daartoe een ingang. Die benadering houdt kort gezegd in dat de bijzondere verknochtheid in wezen vanaf het moment van het ontstaan van de aanspraak voorwaardelijk bestaat, in die zin dat het voorwaardelijk in de gemeenschap valt en voorwaardelijk in het privévermogen van de echtgenoot valt. Het ontbindingsmoment is dan van belang om te bepalen welk deel van de vergoeding onvoorwaardelijk bijzonder verknocht is. Voor zover het girale geld nog redelijkerwijs identificeerbaar is, geldt dat het buiten de gemeenschap valt (zie nr. 3.23 e.v.) Voor zover met het geld uitgaven ten behoeve van de huwelijksgemeenschap zijn gedaan die groter zijn dan het deel dat bestemd was voor de periode tot de ontbinding heeft er een vermogensverschuiving plaatsgevonden: voorwaardelijk in de gemeenschap vallend vermogen is onvoorwaardelijk geworden; voorwaardelijk privevermogen van een echtgenoot is weggevallen. De vervolg vraag is dan wel, hoe hier goederenrechtelijk naar gekeken moet worden. Die vraag kan op verschillende manieren worden beantwoord.
3.46
Door Brinkman is bepleit dat op het moment van de verkrijging de vergoeding voorwaardelijk (onder ontbindende voorwaarde) tot het privévermogen behoort, en eveneens voorwaardelijk (onder opschortende voorwaarde) tot de gemeenschap van goederen. Ervan uitgaande dat de huwelijksgemeenschap niet wordt ontbonden, zal door verloop van tijd het aandeel van de vergoeding dat nog verknocht kan zijn steeds kleiner worden. De vergoeding die ziet op de periode die inmiddels is verstreken kan immers geen betrekking meer hebben op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dat deel gaat volgens Brinkman onvoorwaardelijk tot de gemeenschap van goederen behoren, en wordt dus steeds groter. Tijdens het huwelijk zal een (steeds groter) gedeelte van de vergoeding onvoorwaardelijk tot de gemeenschap behoren.. Als na een bepaalde periode de gemeenschap wordt ontbonden, zal het deel van de vergoeding dat zag op de periode voor ontbinding onvoorwaardelijk tot de gemeenschap behoren, en zal het andere deel onvoorwaardelijk tot het privevermogen van de echtgenoot behoren. Dat het mogelijk is om een goed (tijdens het huwelijk) voorwaardelijk tot beide vermogens te laten behoren, leidt hij af uit het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016 (Rabo/[…]). Deze redenering trekt hij ook door voor de situatie dat na uitkering van zo’n vergoeding direct een woning wordt gekocht. Gelet op de in artikel 1:95 lid 1 BW neergelegde zaaksvervangingsregel behoort volgens hem dan de gehele woning bij aankoop in voorwaardelijke zin tot het privévermogen van de echtgenoot, maar in voorwaardelijke zin eveneens tot de gemeenschap van goederen. Door verloop van tijd zou de woning voor een steeds groter deel onvoorwaardelijk in de gemeenschap van goederen vallen.
3.47
Deze opvatting is inhoudelijk door Subelack bestreden. Ik sta weliswaar niet volledig achter de door Subelack gehanteerde argumenten, maar zijn slotsom steun ik wel. De door Brinkman gekozen benadering is mijns inziens te complex en in de praktijk niet goed werkbaar. In de benadering van Brinkman kan op een bepaald moment tijdens het huwelijk redelijkerwijs niet worden vastgesteld of een deel van het geld verknocht is en om welk deel dat dan gaat. Het ‘getal’ is niet uit te rekenen. Ik meen dat de eisen van het rechtsverkeer meebrengen dat in goederenrechtelijk opzicht met de mogelijke verknochtheid tijdens het huwelijk geen rekening kan worden gehouden, en het ervoor moet worden gehouden dat het goed in de gemeenschap valt. Dat is vooral relevant voor derden (schuldeisers). Ik zie wel ruimte voor een variant op Brinkmans benadering. In deze benadering wordt de voorwaardelijkheid niet helemaal weggedacht. Gedurende het huwelijk valt de vergoeding onder ontbindende voorwaarde in de huwelijksgemeenschap. De ontbindende voorwaarde is de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De vergoeding valt onder opschortende voorwaarde in het privévermogen van een der echtgenoten. Zolang de voorwaarde niet is vervuld, wordt ‘de gemeenschap’ aangemerkt als de uitsluitend rechthebbende voor zover het betreft de door derden uit de oefenen rechten en rechtsvorderingen. Als de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden, en daarmee de ontbindende voorwaarde intreedt, is het ’getal’ wel uit te rekenen en zal de vergoeding - als de geldwaarde als zodanig nog redelijkerwijs identificeerbaar is - goederenrechtelijk voor het relevante gedeelte buiten de gemeenschap vallen. Zodra de onzekere gebeurtenis (de ontbinding van de huwelijksgemeenschap) intreedt, kan wel worden vastgesteld welk deel van de geldwaarde onvoorwaardelijk verknocht zou zijn geweest als het niet zou zijn uitgegeven of uitgewonnen. Achteraf kan dus worden bepaald of er een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden van voorwaardelijk privévermogen naar onvoorwaardelijk gemeenschapsvermogen. Voor dat gedeelte zou een vergoedingsrecht kunnen worden toegekend op grond van art. 1:95 lid 2 en/of art. 1:96 lid 3 (oud)/4 (nieuw).
3.48
Een derde benadering, die gelet op de huidige rechtspraak minder sterke papieren heeft, is het goed goederenrechtelijk juist wél volledig buiten de gemeenschap te laten vallen. Dat is hoe de Hoge Raad in het verleden met de verknochtheid van pensioenrechten is omgegaan. In een arrest van 27 november 1981 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat de verdere ontwikkeling van de bijzondere verknochtheid aan de rechtspraak wordt overgelaten, aanvaard dat pensioenrechten weliswaar als verknocht buiten de huwelijksgemeenschap vallen, maar dat die verknochtheid zich niet verzet tegen verrekening van tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten bij verdeling. Formeel vielen de pensioenrechten dus buiten de gemeenschap, maar de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten moesten bij een verdeling wél door verrekening van de waarde worden verdeeld. Een vergelijkbaar standpunt werd door diverse auteurs ook wel ingenomen ten aanzien van de verknochtheid van aandelen in een vennootschap onder firma. Het goed blijft juridisch buiten de gemeenschap van goederen, maar economisch niet. Toepassing van deze rechtspraak bij letselschadevergoedingen en ontslagvergoedingen zou echter een breuk betekenen met de huidige rechtspraak, die de vergoedingen nu juist slechts deels verknocht acht.
3.49
Een andere, vierde, benadering, die dicht tegen de door mij hiervoor genoemde tweede benadering aanligt, is om ondanks de voorwaardelijke bijzondere verknochtheid van letselschadevergoedingen en ontslagvergoedingen, deze goederenrechtelijk wél volledig in de gemeenschap te laten vallen, maar bij de verdeling het goed aan de echtgenoot toe te delen zonder waardeverrekening. Je zou het ook anders kunnen zeggen, de bijzondere verknochtheid heeft geen gevolgen voor de goederenrechtelijke status van het goed, maar brengt alleen mee dat het goed ‘verbintenisrechtelijk’ niet in de gemeenschap valt. Dit is in wezen de omgekeerde variant van de hiervoor beschreven verknochtheid van pensioensrechten. Een voordeel van deze benadering zou kunnen zijn dat het werken met de mogelijk als complex ervaren rechtsfiguur van de voorwaardelijkheid wordt vermeden. Niettemin wordt ook op deze manier de echtgenoot aan wie het goed verknocht is door de waardeverrekening beschermd.
3.50
Dat een ontslagvergoeding of letselschadevergoeding bijzonder verknocht is voor het deel dat betrekking heeft op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, en ‘buiten de gemeenschap valt’, moet in die gevallen dus niet goederenrechtelijk worden opgevat maar verbintenisrechtelijk. Die ruimte lijkt de wetgever destijds ook bewust aan de rechtspraak te hebben willen bieden. Subelack pleit voor deze benadering:
“De vraag is wat er volgens de Hoge Raad in de tussentijd met de ontslagvergoeding gebeurt. Valt deze ontslagvergoeding eerst volledig in de huwelijksgemeenschap, maar na ontbinding van de huwelijksgemeenschap gedeeltelijk toch niet meer; of wordt het verknochte deel van de ontslag-/schadevergoeding met terugwerkende kracht geacht nooit tot de huwelijksgemeenschap te hebben behoord? In beide gevallen zou dat impliceren dat de absorberende werking van de huwelijksgemeenschap toch niet absoluut blijkt te zijn.
Als de Hoge Raad dat inderdaad bedoelt, meen ik dat deze visie enige bijstelling behoeft. Die bijstelling is dan daarin gelegen, dat de rechtspraak van de Hoge Raad niet (langer) ‘goederenrechtelijk’ uitgelegd dient te worden, maar dat deze veel meer vanuit economisch/verbintenisrechtelijk perspectief moet worden beschouwd. Ook Brinkman geeft in de slotopmerking van zijn bijdrage aan voorstander van een dergelijke benadering te zijn. Doet men dat, dan valt een (aanspraak op een) ontslagvergoeding in goederenrechtelijke zin altijd volledig in de huwelijksgemeenschap. De regeling van artikel 1:94 lid 5 BW doet daar dan niets aan af. De regeling van artikel 1:94 lid 5 BW kan dan wél met zich meebrengen, dat een vergoedingsvordering ontstaat van de betreffende echtgenoot op de huwelijksgemeenschap. Dat zal het geval zijn indien en voor zover de ontslagvergoeding strekt tot vervanging van inkomen dat bij voortzetting van de dienstbetrekking zou zijn genoten, en bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap duidelijk wordt dat een deel van deze vergoeding betrekking heeft op de periode ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Op dat moment ontstaat dan een vergoedingsrecht van de betreffende echtgenoot jegens de huwelijksgemeenschap, omdat op dat moment blijkt dat er privévermogen van de betreffende echtgenoot in de huwelijksgemeenschap is gevloeid. De basis voor dit vergoedingsrecht is dan gelegen in (analoge toepassing van) artikel 1:96 lid 4/1:95 lid 2 BW. De wettelijke bepaling van artikel 1:94 lid 5 BW biedt voor een dergelijke (economische) benadering van verknochtheid voldoende ruimte. Dat komt doordat het begrip ‘vallen in de gemeenschap’, waar artikel 1:94 lid 5 BW over spreekt, ruimer geïnterpreteerd dient te worden dan slechts de (goederenrechtelijke) absorberende werking van de huwelijksgemeenschap. Aldus kan uit artikel 1:94 lid 5 BW óók voortvloeien dat een goed weliswaar in goederen rechtelijke zin tot de huwelijksgemeenschap behoort, maar dat de waarde daarvan (in economische zin) niet volledig aan de beide echtgenoten toekomt (en dat het goed in economische zin dus niet volledig in de huwelijksgemeenschap is gevallen).”
3.51
De vraag wat de goederenrechtelijke status is van ontslagvergoedingen en letselschadevergoedingen wordt in deze benadering als volgt beantwoord: deze vallen (onvoorwaardelijk) in de huwelijksgemeenschap. Ook dit biedt duidelijkheid en is volgens mij ook praktisch goed toepasbaar. Hoewel de vergoeding in zo’n geval goederenrechtelijk tot de gemeenschap behoort, doet besteding van verknochte goederen, gelet op de omstandigheid dat het wel economisch buiten de gemeenschap valt (en in die zin aan de betreffende echtgenoot toekomt), in beginsel wél ook een vergoedingsvordering ontstaan. De grondslag hiervoor is een analoge toepassing van art. 1:95 lid 2 BW en 1:96 lid 4 BW. In die zin is er praktisch geen verschil tussen de goederenrechtelijke benadering (waarin wordt gewerkt met voorwaardelijkheid) en de verbintenisrechtelijke/economische benadering. Het verschil is gelegen in het verklaringsmodel voor het ontstaan van de vergoedingsaanspraken.
3.52
Nadeel van laatstgenoemd verklaringsmodel is voor mij dat ik het concept ‘verbintenisrechtelijk buiten de gemeenschap vallen’ rechtssystematisch minder gelukkig vind. In de tweede benadering kan door uit te gaan van voorwaardelijke verknochtheid een ‘goederenrechtelijke’ vermogensverschuiving worden aangewezen wanneer de vergoeding ten behoeve van de gemeenschap wordt aangewend, terwijl dat in de verbintenisrechtelijke benadering niet het geval is en gewerkt moet worden met een analoge toepassing. Hoe dan ook, beide verklaringsmodellen hebben hetzelfde resultaat: ten opzichte van derden wordt tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap geen rekening gehouden met de potentiële verknochtheid en tussen de echtgenoten geldt dat na de ontbinding in de vorm van vergoedingsvorderingen rekening wordt gehouden met het feit dat een deel van de ontvangen schadevergoeding bestemd was voor de periode na de ontbinding.
3.53
Ik vat het voorgaande nog kort samen. Er zijn dus eigenlijk vier benaderingen. De derde benadering zou naar mijn mening een breuk betekenen met de huidige rechtspraak, waardoor deze benadering niet voor de hand ligt. De eerste benadering heeft, ondanks zijn eenvoud, als bezwaar dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de rechtsgevolgen. De tweede en vierde benadering leiden er wel toe dat vergoedingsvorderingen kunnen ontstaan, als een vergoeding ten behoeve van de gemeenschap is besteed. Echter met dit verschil dat in de tweede benadering, die van de voorwaardelijke verknochtheid, wel daadwerkelijk een vermogensverschuiving ten grondslag ligt aan het resultaat. In de vierde benadering, de verbintenisrechtelijke/economische variant, is een analoge toepassing nodig om tot dit resultaat te komen. Mijn voorkeur gaat uit naar de tweede benadering.
3.54
Dan kom ik nu tot een beoordeling van de klachten van het cassatiemiddel.
3.55
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder 2, 3 en 4 dat het oordeel van het hof in r.o. 5.7 tot en met 5.14 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het hof gaat ervan uit dat de letselschade-uitkering van de vrouw deels – voor een bedrag van € 155.130,55 – ziet op schade die de vrouw na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zal lijden en in zoverre verknocht is, maar dat dit bedrag door besteding tijdens het huwelijk niet langer identificeerbaar als verknocht aanwezig is en de verknochtheid daarom verloren is gegaan. Het hof zou hiermee miskennen dat de verknochtheid niet door besteding (en boedelmenging) tijdens het huwelijk verloren kan zijn gegaan en dus ook niet relevant is wat er met de gelden is gebeurd, nu de verknochtheid pas ontstaat na ontbinding van de gemeenschap. Daardoor zou het hof hebben nagelaten te beoordelen welk deel van de vergoeding na ontbinding van de gemeenschap nog verknocht is.
3.56
Daarnaast richt het onderdeel onder 4 ook een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.8, 5.11 en 5.13 dat sprake is van consumptieve besteding en verbruik van de gelden of besteding van de gelden om schulden van de gemeenschap te betalen. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn, nu het hof in r.o. 5.10 vaststelt dat een deel van de gelden is geïnvesteerd in de woning en ‘partijen’ nog vorderingen hebben op de ondernemingen van de man. Die gelden zouden volgens de klacht dus nog (identificeerbaar) aanwezig zijn op de peildatum.
3.57
In onderhavige zaak is de vrouw in 2014 betrokken geweest bij een verkeersongeval, waarna zij van Univé een schadevergoeding heeft ontvangen van in totaal € 315.250,--. Die schadevergoeding is voor ontbinding van de gemeenschap uitbetaald. De ontvangen schadevergoeding (en overigens ook de aanspraak daarop) is dus al tijdens het huwelijk verkregen en bestaat dan dus al.
3.58
Wil er ten tijde van de verdeling sprake zijn van een verknocht goed, dan moet dat goed natuurlijk wel nog aanwezig zijn. Als die vergoeding ten tijde van de verdeling niet meer redelijkerwijs identificeerbaar in het vermogen van de echtgenoten aanwezig is, dan kan van verknochtheid daarvan ook geen sprake meer zijn. Dit is ook wat het hof heeft onderzocht, namelijk of de vergoeding nog identificeerbaar in het vermogen van de echtgenoten aanwezig is. Daaraan doet niet af dat een deel van de vergoeding ziet op schade die ná ontbinding wordt geleden en dat de mate waarin dit goed verknocht blijkt te zijn dus afhankelijk is van het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De klacht faalt dan ook.
3.59
Dat de vergoeding is gebruikt om (andere) goederen van te kopen, betekent niet dat de eventuele verknochtheid automatisch overgaat op die goederen (zie 3.34 e.v.). Dat bijvoorbeeld een met de vergoeding gekochte pipowagen nog aanwezig is, wil niet zeggen dat de vergoeding als zodanig nog identificeerbaar in het vermogen aanwezig is en verknocht is. Als met een verknocht goed een ander goed wordt gekocht, zal immers opnieuw ten aanzien van dit goed aan de hand van de verknochtheidsmaatstaf moeten worden beoordeeld of het bijzonder verknocht is en buiten de gemeenschap valt. Bij de toets of een geldwaarde nog redelijkerwijs als zodanig identificeerbaar aanwezig is, gaat het er dus in beginsel om of het geldbedrag als zodanig nog op een rekening van de echtgenoten is te identificeren, en niet of de zaken die zijn betaald met een verknochte vergoeding nog aanwezig zijn. De motiveringsklacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat de gelden nog in de woning en/of de onderneming van de man aanwezig zijn, en daardoor identificeerbaar aanwezig, mist dan ook doel.
3.60
Volgens mij kan onderdeel 1 reeds hierdoor niet slagen. Ik meen echter wel dat het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt waar het betoogt dat de bijzondere verknochtheid pas ontstaat na (of op het moment van) ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Naar mijn mening ontstaat de voorwaardelijke verknochtheid reeds op het moment dat de aanspraak ontstaat of de vergoeding is betaald (de tweede benadering, zie hiervoor onder 3.45-3.47), en is het dus niet onbegrijpelijk dat het hof in dit kader spreekt over het verloren gaan van de verknochtheid van het goed. Daarover zou eventueel anders gedacht kunnen worden als gekozen wordt voor de hiervoor onder 3.43-3.44 besproken eerste benadering, maar die benadering heeft niet mijn voorkeur. Het onderdeel getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, en kan ook om die reden niet slagen.
3.61
Onderdeel 2A klaagt dat het hof miskent dat door overmaking van de verknochte gelden op de gezamenlijke rekening van partijen een vermogensverschuiving ontstaat tussen haar vermogen en de huwelijksgemeenschap, en dat op dat moment een vergoedingsrecht ten behoeve van de vrouw ontstaat. Door overboeking van een privé vordering op een bankrekening die tot de gemeenschap behoort, is het geldbedrag reeds deel uit gaan maken van de gemeenschap van goederen, en niet relevant is of de op de bankrekening nog aanwezige gelden redelijkerwijs nog als zodanig zijn te identificeren in het vermogen van de echtgenoten.
3.62
De klacht slaagt niet. Uit hetgeen ik hiervoor onder 3.23 e.v. heb overwogen volgt dat overmaking op een gezamenlijke rekening niet steeds tot gevolg heeft dat de verknochtheid komt te vervallen. Van een vermogensverschuiving om (uitsluitend) die reden is dan ook geen sprake. Bepalend is immers of het “daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren”.
3.63
Zoals ik hiervoor onder 3.21 al heb opgemerkt, heeft de Hoge Raad naar mijn mening in zijn arrest van 5 april 2019 ook niet iets anders beslist. De Hoge Raad ging in die zaak weliswaar uit van het oordeel van het hof dat sprake was van een vermogensverschuiving doordat de vergoeding op een gezamenlijke rekening was overgemaakt, maar dat deed hij omdat tegen dit oordeel in cassatie geen klachten waren gericht en hij daar dus vanuit moest gaan. Dit wil dus niet zeggen dat het oordeel van het hof volgens de Hoge Raad ook juist is.
3.64
De onderdelen 2B en 2C klagen in de kern dat het oordeel van het hof in r.o. 5.13, dat besteding van verknochte gelden ten behoeve van de gemeenschap geen vergoedingsrechten doen ontstaan, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het hof miskent volgens de onderdelen dat, als een vergoedingsrecht niet reeds ontstaat op het moment dat de uitkering op een gemeenschappelijke rekening wordt overgemaakt, vergoedingsrechten in ieder geval ontstaan indien met verknochte gelden uitgaven ten behoeve van de gemeenschap zijn gedaan. Als door boedelmenging vergoedingsrechten ontstaan, zou voor de hoogte van dit vergoedingsrecht niet meer relevant zijn waaraan dat vermogen is besteed.
3.65
Deze klacht slaagt. Indien met de voorwaardelijk verknochte gelden uitgaven zijn gedaan ten behoeve van de gemeenschap of als anderszins sprake is van een vermogensverschuiving, ontstaan er ten behoeve van de desbetreffende echtgenoot (zie hiervoor 3.39 e.v. en 3.51) in beginsel jegens de gemeenschap vergoedingsrechten. Het hof heeft dit miskend.
3.66
Onderdeel 3 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de vrouw, in het licht van het verweer van de man, niet voldoende onderbouwd heeft gesteld wat er met de rest van de verknochte gelden is gebeurd en waar zij aanwijsbaar nog aanwezig zijn gebleven of waaraan zij besteed zijn, zodat het hof (reeds) daarom niet kan vaststellen dat zij als zodanig in het vermogen nog te identificeren zijn en buiten de (te verdelen) gemeenschap vallen. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn, nu het hof in r.o. 5.10 als onbetwist vaststelt dat uitgaven zijn gedaan zoals het opknappen van het erf, voor de badkamer van de woning, voor de boiler, voor een pipowagen, voor een belastingschuld voor een factuur van een belastingadviseur en voor drie reizen. In elk geval zouden de in de woning geïnvesteerde gelden nog redelijkerwijs identificeerbaar in het vermogen van partijen aanwezig zijn, en heeft het hof niet voldoende gemotiveerd waarom deze gelden niet meer identificeerbaar of nader te begroten zouden zijn.
3.67
Deze klacht slaagt niet. Uit hetgeen ik hiervoor onder 3.59 schreef, volgt dat niet onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de vergoeding niet als zodanig in het vermogen is te identificeren.
3.68
Onderdeel 4 klaagt allereerst dat onbegrijpelijk is het hof oordeel van het hof dat de vrouw onvoldoende specifiek heeft gesteld dat aan de voorwaarden van art. 6:212 BW is voldaan. Ook klaagt het onderdeel dat onjuist en/of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof, dat het niet de ontbinding van de gemeenschap maar het wegvallen van het verknochte karakter van de gelden is dat ertoe leidt dat deze in de gemeenschap vallen en dat dit maakt dat geen sprake is van een verarming van de vrouw enerzijds en een verrijking van de gemeenschap anderzijds, laat staan dat deze verrijking ongerechtvaardigd is. Indien geen vergoedingsrechten zouden ontstaan is (zonder nadere motivering) niet in te zien waarom geen sprake zou zijn van een verarming van de vrouw enerzijds en verrijking van de gemeenschap anderzijds en waarom dat niet ongerechtvaardigd zou zijn.
3.69
Deze klachten slagen. Uitgaande van het oordeel van het hof dat geen vergoedingsrechten ontstaan (zoals hiervoor bleek slaagt de tegen dit oordeel gerichte klacht van onderdeel 2B), is gelet op hetgeen de vrouw heeft aangevoerd inderdaad onbegrijpelijk dat de vrouw onvoldoende specifiek zou hebben gesteld dat aan de voorwaarden van art. 6:212 BW is voldaan. De vrouw heeft onder 44 van de appeldagvaarding immers gesteld dat de gemeenschap is verrijkt met een bate, en dat de vrouw door het ontbreken van de vergoeding is verarmd en dat deze verrijking ongerechtvaardigd is met name doordat de schade van de vrouw ook na ontbinding van de huwelijksgemeenschap voortduurt.
3.70
Ook is niet begrijpelijk het oordeel van het hof dat het wegvallen van het verknochte karakter van de gelden ertoe leidt dat deze in de gemeenschap vallen, en dat dit maakt dat geen sprake is van een verarming van de vrouw en verrijking van de gemeenschap, laat staan dat deze ongerechtvaardigd is. Zoals hiervoor reeds bleek, geef ik er door voorkeur aan om aan te nemen dat bij besteding van verknochte gelden ten behoeve van de gemeenschap in beginsel reeds vergoedingsrechten ontstaan. Daaraan ligt dezelfde gedachte ten grondslag als bij het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking, namelijk dat door de vermogensverschuiving de gemeenschap wordt verrijkt en de andere echtgenoot wordt verarmd en dat de andere echtgenoot daarvoor moet worden gecompenseerd. In zo’n geval dat reeds vergoedingsrechten ontstaan, hoeft aan de vraag of (ook) sprake is van ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in art. 6:212 BW niet te worden toegekomen. Indien er echter geen vergoedingsrechten ontstaan, dan zou de grondslag voor een vergoeding naar mijn mening dus wel degelijk ongerechtvaardigde verrijking kunnen zijn. Het hof heeft een en ander miskend, althans het oordeel van het hof is niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
3.71
Het onderdeel bevat ook nog een klacht, ervan uitgaande dat het hof geoordeeld heeft dat geen sprake was van ongerechtvaardigde verrijking, omdat op grond van de wet geen vergoedingsrecht ontstaat. Dit oordeel lees ik niet in de bestreden uitspraak, en daarom kan deze klacht kan naar mijn mening bij gebrek aan feitelijke grondslag reeds niet slagen.
3.72
Onderdeel 5 bevat een voortbouwklacht en die behoeft verder geen bespreking.