Terug naar de uitspraak

Rechtbank Den Haag 07-01-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:62

Datum publicatie07-01-2026
ZaaknummerC/09/683598 / HA ZA 25-321
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht. Testamentair erfrecht. Vernietiging en nietigheid testament
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Diverse vorderingen in verband met het overlijden van de zus van eiseres en het door de zus opgestelde testament. In het testament zijn gedaagden tot erfgenaam benoemd. Eiseres stelt onder andere dat (i) het testament van haar zus nietig of vernietigbaar is, dat (ii) gedaagden op grond van de redelijkheid en billijkheid geen rechten kunnen ontlenen aan het testament en dat (iii) gedaagden moeten vertellen waar de as van de zus is uitgestrooid. Alleen de vordering tot bekendmaking van de plaats waar de as is uitgestrooid wordt toegewezen. De overige vorderingen worden afgewezen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak-/rolnummer: C/09/683598 / HA ZA 25-321

Vonnis van 7 januari 2026

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat: mr. M. Smit,

tegen

1 [gedaagde 1] te [woonplaats 2] ( [land] )
2. [gedaagde 2] te [woonplaats 2] ( [land] ),

gedaagden,

advocaat: mr. J.P. den Besten.

Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk [gedaagden] c.s. (mannelijk enkelvoud) genoemd en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1Inleiding

1.1.

Deze zaak gaat over de erfenis van de zus van [eiseres] , [erflaatster] . [erflaatster] heeft in 2017 [gedaagde 2] ontmoet via het online spel Habbo Hotel. In de jaren daarna hadden [erflaatster] en [gedaagde 2] veel contact. In mei 2020 heeft [erflaatster] gehoord dat ze ernstig ziek was. Vanaf dat moment heeft ze bijna geen contact meer gehad met [eiseres] en de andere leden van haar familie. In juli 2022 heeft [erflaatster] bij een notaris een testament opgesteld waarin ze de echtgenoot van [gedaagde 2] , [gedaagde 1] , als enig erfgenaam heeft benoemd. In augustus 2022 is [erflaatster] overleden.

1.2.

[eiseres] vindt dat [gedaagde 2] (i) [erflaatster] heeft gemanipuleerd, (ii) voor [erflaatster] heeft bepaald wat ze moest doen en wat ze niet moest doen en (iii) [erflaatster] bij haar familie heeft weggehouden. Daardoor kon [erflaatster] zelf niet meer bepalen wat ze wilde, maar dat deed [gedaagde 2] voor haar. [eiseres] vindt dat het testament van [erflaatster] daarom niet moet worden gebruikt om te bepalen wie de erfenis van [erflaatster] krijgt. De rechtbank is het daar niet mee eens. De rechtbank is van oordeel dat het testament van [erflaatster] niet opzij moet worden gezet. De rechtbank legt hieronder uit waarom.

1.3.

Over deze zaak is een podcast gemaakt onder de naam ‘Het Habbo Mysterie’.

2De procedure

2.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 5 maart 2024 met producties 1 tot en met 43, waarvan producties 8, 9 en 25 ontbreken;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;

- de brief van [gedaagden] c.s. van 14 november 2025 met producties 6 tot en met 8;

- de akte overlegging producties van [eiseres] met producties 44 tot en met 63;

- de nadere productie 64 van [eiseres] ;

2.2.

Op 26 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2.3.

De datum voor het vonnis is vastgesteld voor vandaag.

3De feiten

3.1.

[erflaatster] (hierna: [erflaatster] ) is op [geboortedatum] 1962 geboren in [geboorteplaats] . Zij woonde tot mei 2020 in [stadsdeel] . Tot aan het overlijden van haar moeder in 1995 woonde ze bij haar beide ouders, vanaf 1995 woonde ze alleen met haar vader. [erflaatster] is in 1999 eigenaar geworden van de woning waarin ze tot mei 2020 heeft gewoond. Deze woning was daarvoor van haar ouders. [erflaatster] was vanaf enig moment ook eigenaar van de woning ernaast. Een nichtje van [erflaatster] huurde deze woning van [erflaatster] . [erflaatster] heeft vanaf haar 18e voor dezelfde school gewerkt, waar haar ouders ook werkte. [eiseres] is de zus van [erflaatster] .

3.2.

[erflaatster] speelde vaak Habbo Hotel (hierna: Habbo). Habbo is een online spel waarin je met anderen kunt chatten en spelletjes kunt spelen.

3.3.

In 2017 hebben [gedaagde 2] en [erflaatster] elkaar online leren kennen via Habbo. [gedaagde 2] woont in [land] . Zij is getrouwd met [gedaagde 1] . In 2017 hebben [erflaatster] en [gedaagde 2] elkaar ook in het echt ontmoet. Vervolgens hebben [gedaagde 2] en [erflaatster] veel meer contact gehad en zijn ze samen vaak weekenden weg gegaan en op vakantie gegaan.

3.4.

In 2020 kreeg [erflaatster] lichamelijke klachten. Daarvoor is ze onderzocht in het ziekenhuis. [eiseres] is drie keer mee geweest met [erflaatster] naar een afspraak in het ziekenhuis. In mei 2020 is [gedaagde 2] met [erflaatster] meegegaan naar een vierde afspraak, in ziekenhuis [ziekenhuis 1] . [erflaatster] kreeg toen van de dokter te horen dat ze baarmoederkanker had. Hierna heeft [erflaatster] niet meer in haar huis gewoond.

3.5.

Op 26 juni 2020 en op 3 juni 2021 is [erflaatster] samen met [gedaagde 2] en twee beveiligers bij de woning van [erflaatster] in [stadsdeel] geweest. Ze heeft spullen opgehaald. Op 3 juni 2021 waren [eiseres] en de vader van [erflaatster] en andere familieleden ook in de woning. Zij hebben [erflaatster] toen voor het laatst gezien.

3.6.

Midden juli 2022 was [erflaatster] opgenomen in ziekenhuis [ziekenhuis 1] . Op 18 juli 2022 is contact opgenomen met een notariskantoor. Gevraagd is of een notaris naar [ziekenhuis 1] kon komen. [erflaatster] wilde een testament maken. Een notaris is naar het ziekenhuis gekomen om met [erflaatster] te praten. [erflaatster] heeft een paar keer met deze notaris gesproken. Op 21 juli 2022 hebben [erflaatster] en de notaris hun handtekening op het testament van [erflaatster] gezet (hierna: het testament).

3.7.

In het testament is [gedaagde 1] tot enige erfgenaam van [erflaatster] benoemd. Als hij voor of tegelijk met [erflaatster] was overleden, dan was [gedaagde 2] in zijn plaats de enige erfgenaam. Daarnaast is [gedaagde 1] als executeur aangewezen. Dat betekent dat hij verantwoordelijk was voor het afwikkelen van de erfenis.

3.8.

Voor haar overlijden is [erflaatster] vanuit de woning van [gedaagden] c.s. naar het ziekenhuis [ziekenhuis 2] in [plaats 1] gebracht. Daar is [erflaatster] op 26 augustus 2022 overleden.

3.9.

Op 19 september 2025 heeft de Raad voor de Journalistiek uitspraak gedaan over een door [gedaagde 1] ingediende klacht tegen het AD in verband met de gemaakte podcast met de titel ‘Het Habbo Mysterie’ (hierna de podcast). In de samenvatting van de uitspraak is onder meer het volgende opgenomen:

Nu niet is gebleken dat sprake is van een waargebeurde misdaad noch dat daarvoor een gegrond vermoeden bestaat, is de classificatie ‘true crime’ onzorgvuldig. Daarnaast is de berichtgeving eenzijdig en tendentieus, onder meer omdat ten behoeve van de luisterervaring informatie is achtergehouden, waarbij geen deugdelijke wederhoor is toegepast door klager pas in de vijfde aflevering aan het woord te laten. In zoverre is de klacht gegrond.

Het stond het AD echter vrij om een bepaalde mate van sympathie te laten blijken voor de Schevenings familie. Daarnaast is niet gebleken dat de privacy van klager op ontoelaatbare wijze is aangetast. Verder is niet gebleken dat de podcast relevante onjuistheden van feitelijke aard bevat. Ten slotte is de weergave van de expertanalyses journalistiek relevant en toelaatbaar. Dat klager het niet eens is met de conclusie van de ingeschakelde deskundigen kan het AD niet worden verweten. Op deze punten is de klacht daarom ongegrond.”

3.10.

De Belgische recherche is op enig moment een strafrechtelijk onderzoek gestart in verband met het overlijden van [erflaatster] . Zij hebben het Openbaar Ministerie in Nederland gevraagd dit onderzoek over te nemen. Op 8 maart 2023 heeft het Openbaar Ministerie aan de advocaat van [eiseres] geschreven dat een forensisch arts onderzoek heeft gedaan naar de dood van [erflaatster] . Op basis van dit onderzoek heeft het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat sprake was van een natuurlijk overlijden. Bij brief van 6 november 2025 heeft het Openbaar Ministerie aan de advocaat van [gedaagden] c.s. bericht dat zij geen verdere onderzoekshandelingen zullen verrichten. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn voor een verdenking van oplichting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

4Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert samengevat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (hoofdelijk):

I. dat de rechtbank bepaalt, met een verklaring voor recht, dat [gedaagden] c.s. op grond van de redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan het testament van [erflaatster] ;

II. de vernietiging van het testament, op grond van bedrog, dwaling dan wel onjuiste beweegredenen, dan wel een andere door de rechtbank aan te vullen grond, en/of te bepalen dat sprake is van nietigheid / vernietigbaarheid van het testament. Dit alles omdat het testament is gemaakt onder invloed van een geestelijke stoornis dan wel [erflaatster] in een toestand verkeerde waarbij zij geen testament kon opstellen, dan wel wegens een andere door de rechtbank aan te vullen grond / reden;

III. dat de rechtbank bepaalt, met een verklaring voor recht, dat [gedaagden] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld en hem te veroordelen tot het vergoeden van schade aan [eiseres] , zoals nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. op grond van artikel 8 EVRM, de veroordeling van [gedaagden] c.s. om mede te delen, wanneer en waar de as van [erflaatster] is uitgestrooid na haar crematie, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat hij in gebreke blijft tot een maximum van € 250.000;

V. de veroordeling van [gedaagden] c.s. om de volgende informatie te verstrekken, goed gedocumenteerd en onderbouwd, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat hij in gebreke blijft tot een maximum van € 250.000:

  • waar verbleef [erflaatster] gedurende het moment van verdwijning uit [stadsdeel] , tot haar overlijden;

  • welke zorg heeft [erflaatster] gehad in de periode dat [gedaagde 2] claimt dat zij haar heeft verzorgd;

  • alle correspondentie met Aegon omtrent de uitkering van de levensverzekering;

  • alle correspondentie met ASR omtrent de beleggingsverzekering bij ASR;

  • antwoord op de vraag of de auto, de postzegelverzameling en muntenverzameling zijn behouden, of verkocht, en indien deze zijn verkocht, informatie over de verkoop (datum, nieuwe eigenaar, koopsom);

  • wie heeft de notaris gebeld voor het opmaken van het testament en overlegging van alle correspondentie met de notaris en/of het notariskantoor met [erflaatster] en/of [gedaagden] c.s. en/of het ziekenhuis en/of medewerkers daarvan.

VI. de veroordeling van [gedaagden] c.s. om alle eigendommen en geldbedragen die aan [erflaatster] toebehoorden, waaronder de woning, de auto, de muntenverzameling, de postzegelverzameling, de levensverzekering, de beleggingsverzekering, de PC/laptop, tablet en/of andere digitale dragers inclusief alle privé informatie met foto’s en eventuele andere zaken/geldbedragen die daarover vallen, in eigendom over te dragen dan wel te betalen/vergoeden aan [eiseres] , in ongeschonden staat, op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat zij in gebreke blijft tot een maximum van € 1.000.000. Voor zover de eigendommen of het geld volledig of voor een deel niet meer in bezit zijn van [gedaagde 1] , aan [eiseres] de schade te vergoeden, nader op te maken bij staat, op grond van onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en/of onverschuldigde betaling, dan wel een andere door de rechtbank aan te vullen grond;

VII. de veroordeling van [gedaagden] c.s. om immateriële schade van € 500.0000 te vergoeden aan [eiseres] . Er is sprake van immens verdriet, gederfde levensvreugde en [eiseres] en haar familie hebben enorme inspanningen moeten verrichten, met name na het overlijden van [erflaatster] , om informatie te verkrijgen over het overlijden van [erflaatster] en de gebeurtenissen daarvoor;

VIII. de veroordeling van [gedaagden] c.s. tot vergoeden van de proceskosten.

4.2.

[gedaagden] c.s. vindt dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen of dat [eiseres] niet ontvankelijk moet worden verklaard, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure te verhogen met rente.

4.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Inleiding

5.1.

In dit vonnis wordt achtereenvolgens het volgende besproken:

  • de bevoegdheid van de Nederlandse rechter;

  • het op de vorderingen toepasselijke recht;

  • de nietigheid of vernietigbaarheid van het testament;

  • de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid;

  • de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad en immateriële schade;

  • de vordering over de locatie van het uitstrooien van de as;

  • de andere vorderingen tot afgifte van informatie;

  • de vordering over afgifte van eigendommen;

  • de proceskosten;

  • de voorlopige voorzieningen.

5.2.

Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [gedaagden] c.s. in [land] woont. De rechtbank moet daarom eerst bepalen of de Nederlandse rechter bevoegd is om de vorderingen te beoordelen en welk recht daarbij dan van toepassing is.

Rechtsmacht

5.3.

Voor zover het geschil gaat over de erfenis van [erflaatster] en de geldigheid van het testament van [erflaatster] , is de Europese Erfrechtverordening (hierna: ErfVo) van toepassing. 1 Op grond van de ErfVo zijn bevoegd de gerechten van een lidstaat waarvan het recht door degene die is overleden is gekozen. Dan moeten wel alle betrokken partijen bij de rechtbank verschijnen en moeten zij uitdrukkelijk de bevoegdheid van die rechtbank aanvaarden (artikel 7 aanhef en onder c ErfVo).

5.4.

Voor zover de vorderingen van [eiseres] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad is de Brussel I bis-Verordening van toepassing. 2 Als een partij verschijnt in de procedure zonder zich op onbevoegdheid van de rechter te beroepen, is de rechter op grond van die verordening bevoegd (artikel 26 Brussel I bis-Verordening).

5.5.

[eiseres] heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de Nederlandse rechter. [erflaatster] heeft in haar testament gekozen voor de toepassing van Nederlands recht. [gedaagden] c.s. is in deze procedure verschenen en heeft tijdens de mondelinge behandeling de bevoegdheid van de rechtbank uitdrukkelijk aanvaard. De rechtbank is daarom bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Toepasselijk recht

5.6.

Omdat [erflaatster] in haar testament heeft gekozen voor de toepassing van Nederlands recht, is Nederlands recht van toepassing op de vraag wie van haar erft (artikel 22 ErfVo), op de bekwaamheid om te erven (artikel 23 lid 1 sub c ErfVo) en op de geldigheid van het testament (artikelen 24 en 26 ErfVo).

3.7.

Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad, moet op grond van de Rome II-verordening worden bepaald welk recht daarop van toepassing is. 3 Op grond van artikel 4 Rome II is het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. Als [eiseres] schade heeft geleden die [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] moeten vergoeden, dan heeft ze die schade in Nederland geleden. [erflaatster] is namelijk overleden in Nederland en alles wat ze had, was in Nederland. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van [eiseres] voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad.

Geen nietigheid of vernietigbaarheid van het testament

5.7.

[eiseres] vindt dat [erflaatster] op het moment dat zij bezig was met het opstellen van het testament leed aan een geestelijke stoornis. Het testament is daarom volgens [eiseres] niet geldig, met een juridische term: nietig. Als de rechtbank oordeelt dat het testament niet nietig is, dan vindt [eiseres] dat de rechtbank het testament ongeldig moet verklaren, met een juridische term: moet vernietigen op grond van bedrog of dwaling.

5.8.

Voor het maken van een testament is nodig dat de persoon die het testament wil maken, in staat is zijn of haar wil te bepalen (artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Deze wil kan ontbreken als deze persoon (blijvend of tijdelijk) lijdt aan een geestelijke stoornis op het moment van het opstellen van het testament (artikel 3:34 BW) . Dan kan het testament nietig zijn.

5.9.

[eiseres] heeft echter in de stukken voor de rechtbank alleen opgeschreven dat [erflaatster] een geestelijke stoornis had, maar niet uitgelegd wat deze geestelijke stoornis was. [erflaatster] was terminaal ziek en [eiseres] wijst in dit verband alleen op een tekort aan hemoglobine bij [erflaatster] . Een tekort aan hemoglobine kan leiden tot onder andere moeheid en duizeligheid. De rechtbank is van oordeel dat daaruit echter niet volgt dat [erflaatster] een geestelijke stoornis had zoals bedoeld in artikel 3:34 BW. De notaris die het testament heeft gepasseerd, twijfelde ook niet aan de wilsbekwaamheid van [erflaatster] . [eiseres] heeft ook geen medische verklaring overgelegd waaruit een geestelijke stoornis blijkt. Er is dus voor de rechtbank geen reden om nu, achteraf aan de wilsbekwaamheid van [erflaatster] te twijfelen.

5.10.

[eiseres] heeft wel uitgelegd waarom ze vindt dat [erflaatster] niet zelf de wil had om [gedaagde 1] als erfgenaam te benoemen. Ze vindt dat [gedaagde 2] [erflaatster] in verregaande mate heeft beïnvloed of gemanipuleerd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit iets anders dan wilsonbekwaamheid. Indien [gedaagde 2] [erflaatster] heeft beïnvloed, was [erflaatster] wel wilsbekwaam, maar heeft zij haar wil misschien gebrekkig gevormd. Dan zou het gaan om een wilsgebrek (bijvoorbeeld bedrog of dwaling). Een geslaagd beroep op een wilsgebrek heeft als gevolg dat het testament moet worden vernietigd, niet dat het nietig is. Het testament van [erflaatster] is dus in ieder geval niet nietig.

5.11.

De vervolgvraag is of het testament vernietigbaar is op grond van de wilsgebreken dwaling of bedrog.

5.12.

Artikel 3:44 BW is de bepaling in het Burgerlijk Wetboek die gaat over bedrog. Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt (i) door opzettelijk een onjuiste mededeling te doen, (ii) door het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of (iii) door een andere kunstgreep. [eiseres] heeft het echter niet over bedrog gehad. Zij heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die verband houden met het opstellen van het testament waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van bedrog door [gedaagden] c.s. [eiseres] vindt dat sprake is geweest van invloed op [erflaatster] , maar zij heeft niet gewezen op opzettelijke onjuiste mededelingen gedaan door [gedaagden] c.s. om [erflaatster] te bewegen het testament op te stellen. [eiseres] heeft wel geschreven dat ze vindt dat sprake is van ‘kunstgrepen’ en fraude, maar licht dat verder niet toe. Ze heeft niet toegelicht welke handelingen van [gedaagden] c.s. kunstgrepen waren of frauduleus waren. Aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op bedrog is dan ook niet voldaan.

5.13.

Voor vernietiging van een testament op grond van dwaling is in de wet een bijzondere regeling opgenomen in artikel 4:43 lid 2 BW. Een testament is alleen vernietigbaar op grond van dwaling als in het testament zelf is opgenomen waarom degene die het testament heeft opgesteld bepaalde keuzes heeft gemaakt. In het testament van [erflaatster] is echter niet opgenomen waarom ze [gedaagde 1] tot erfgenaam heeft benoemd. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een geslaagd beroep op dwaling (artikel 4:43 lid 2 BW) .

5.14.

Het testament is dus ook niet vernietigbaar op grond van de wilsgebreken bedrog of dwaling.

Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

5.15.

[eiseres] vordert ook dat de rechtbank bepaalt, met een verklaring voor recht, dat [gedaagden] c.s. op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geen erfgenaam kan zijn.

Juridisch kader

5.16.

In uitzonderlijke omstandigheden kan de rechtbank met een beroep op de beperkende werking van de redelijk en billijkheid bepalen dat een in een testament opgenomen erfgenaam toch niet kan erven. De rechtbank legt eerst uit waarom dit de juridische regel is die de rechtbank moet toepassen.

Vrijheid om zelf te bepalen wie erft

5.17.

Een belangrijk uitgangspunt van het erfrecht is de vrijheid van een ieder om zelf te bepalen wie van hem/haar erft (de testeervrijheid). Daarbij gelden wel een aantal regels. Dat een erflater wordt beïnvloed door een ander is op zichzelf geen reden waarom die ander geen erfgenaam kan zijn. Het gaat erom of de erflater zijn wil onafhankelijk heeft kunnen vormen, waarbij voor veel mensen zal gelden dat zij zich laten beïnvloeden door hun relatie met anderen. De rechtbank verwijst verderop in dit vonnis uitgebreider naar een uitspraak van het gerechtshof Den Haag die hierover gaat. Als iemand wilsbekwaam is, dan heeft die persoon een grote mate van vrijheid om zich te laten leiden door bij hem of haar levende gedachten en gevoelens. 4 [erflaatster] was wilsbekwaam en mocht in beginsel zelf bepalen wie van haar zou erven. En daarbij mocht ze dus ook luisteren naar anderen die daar iets van vonden.

Rechtszekerheid

5.18.

Een ander belangrijk uitgangspunt van het erfrecht is rechtszekerheid: je moet op een testament kunnen vertrouwen. Voor het opstellen van een testament gelden daarom strenge vormvereisten. Dat kan alleen bij een notaris. Dat biedt zekerheid over wie het testament heeft opgesteld en de inhoud daarvan. Een testament biedt voor de erflater de zekerheid dat de persoon die als erfgenaam is aangewezen, ook daadwerkelijk erfgenaam zal zijn. Voor de erfgenamen en andere betrokkenen biedt het testament zekerheid wie recht heeft op de nalatenschap. Dan kan de afwikkeling daarvan ook snel plaatsvinden. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid kan dus niet snel worden geoordeeld dat een door een wilsbekwame erflater in een testament aangewezen erfgenaam niet mag erven.

Misbruik van omstandigheden

5.19.

In het Nederlands wetboek is naast bedrog en dwaling nog een wilsgebrek opgenomen. Namelijk misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) . Iemand die misbruik maakt van omstandigheden mag daarvan niet profiteren. Vernietiging van een testament op grond van misbruik van omstandigheden is echter in de wet uitgesloten (artikel 4:43 lid 1 BW) . Dat is omdat de wetgever bang was voor heel veel procedures omdat ‘degenen die door een testament in hun verwachtingen zijn teleurgesteld bijna altijd zouden menen dat de bevoordeelden een onoorbare invloed hebben uitgeoefend om de erflater tot het maken van zijn uiterste wil te bewegen.’ 5 Met andere woorden, de wetgever was bang dat te veel mensen zouden vinden dat degene die een testament heeft opgesteld daarbij te veel heeft geluisterd naar de uiteindelijke erfgenaam. Daarmee is de mogelijkheid om een testament te vernietigen door de wetgever doelbewust beperkt, juist in situaties waarin sprake zou kunnen zijn geweest van een (onbehoorlijke) invloed door een ander. Het is in beginsel de taak van de notaris om zoveel mogelijk te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van feitelijk overwicht. 6

Onwaardig om te erven

5.20.

Op grond van de wet kan iemand ‘onwaardig’ zijn om te erven, bijvoorbeeld omdat hij of zij een ernstig misdrijf heeft gepleegd tegen de erflater of de erflater heeft gedwongen om een testament op te stellen (artikel 4:3 BW) . Daar is in dit geval geen sprake van en dat is door [eiseres] ook niet gesteld.

Redelijkheid en billijkheid

5.21.

De rechtbank heeft eerder al geconcludeerd dat [erflaatster] wilsbekwaam was en dat geen sprake was van bedrog of dwaling. Voor zover [gedaagden] c.s. [erflaatster] heeft beïnvloed, kan de rechtbank het testament niet vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden. Daarom heeft [eiseres] een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Want er zijn juristen in Nederland die vinden dat de bepaling in het Burgerlijk Wetboek dat bij een testament geen beroep kan worden gedaan op misbruik van omstandigheden tot onredelijke en onbillijke en daarmee verkeerde situaties kan leiden. Namelijk in het geval dat sprake is van invloed op een erflater die zo onbehoorlijk is, dat het onaanvaardbaar is dat degene die deze invloed heeft uitgeoefend voordeel kan hebben van het testament. Deze juristen vinden dat de rechtbank dan met een verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid alsnog moet bepalen dat degene die de heel onbehoorlijke invloed heeft uitgeoefend niet kan erven. Deze uitzondering moet echter (zeer) terughoudend worden toegepast. Er zijn ook nog geen voorbeelden dat rechters in Nederland hebben bepaald dat iemand die in een testament als erfgenaam is aangewezen, om deze reden niet mag erven.

5.22.

Er is een voorbeeld van een 77-jarige tandarts met drie dochters die twee maanden voor zijn overlijden zijn assistente tot enig erfgename had benoemd. De rechtbank Den Haag oordeelde dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de assistente als enig erfgenaam van de tandarts toe te laten. In hoger beroep was het hof Den Haag het niet eens met deze uitspraak van de rechtbank. Het hof heeft deze uitspraak dan ook vernietigd. Het hof overwoog onder andere dat (i) ‘de eenzijdigheid en daarmee het persoonlijke van de rechtshandeling cruciale elementen zijn van de uiterste wil’, (ii) de betrokken notaris(sen) uiterst zorgvuldig heeft gehandeld, en (iii) van wilsonbekwaamheid niet is gebleken. Ten slotte heeft het hof het volgende overwogen (onderstrepingen zijn van de rechtbank):

“De erfstelling ten behoeve van appellante is rechtsgeldig tot stand gekomen, maar de visie van de rechtbank zou die – op zichzelf geldige erfstelling – klaarblijkelijk buiten toepassing moeten worden gelaten vanwege de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van het hof vindt die visie geen steun in het recht . De rechtszekerheid staat daaraan naar het oordeel van het hof in de weg , nu er sprake is van een uiterste wil gemaakt door een klaarblijkelijk wilsbekwame erflater, die zorgvuldig door de instrumenterende notaris is voorgelicht en zijn wil meermalen buiten aanwezigheid van derden aan de notaris (en zijn kantoorgenoten) heeft kenbaar gemaakt en overigens van vernietigingsgronden niet is gebleken.

Het feit dat appellante erflater mogelijk heeft beïnvloed om haar tot zijn (bezwaarde) erfgename te benoemen is niet een omstandigheid die maakt dat zij niet enig voordeel uit de nalatenschap van erflater zou mogen trekken. Het gaat erom of erflater zijn wil onafhankelijk heeft kunnen vormen. Menig erflater laat zich daarbij ook leiden door zijn relatie met een partner. Eveneens indien zij de familierelatie tussen erflater en zijn kinderen negatief zou hebben beïnvloed, of erflater in enige mate heeft geïsoleerd van zijn vrienden en kennissen – hetgeen appellante gemotiveerd heeft bestreden - zijn dit eveneens geen feiten en omstandigheden op grond waarvan appellante geen voordeel uit de nalatenschap van erflater kan trekken. Het behoort tot het persoonlijke domein van erflater om zich door zijn eigen gevoelens en beweegreden te laten leiden bij het formuleren van zijn uiterste wil. De notarissen hebben in deze specifieke zaak zorgvuldig getoetst of de verklaring van erflater overeenkwam met hetgeen is beschreven in het testament van erflater. Naar het oordeel van het hof heeft appellante jegens erflater geen handelingen verricht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat zij op grond van de wet en/of het recht geen voordeel zou kunnen ontlenen aan het testament van erflater. 7

5.23.

Nog eens kort opgeschreven: een beroep op misbruik van omstandigheden is niet mogelijk bij een testament. Nederlandse juristen vinden dat als de beïnvloeding heel onbehoorlijk is geweest, een beroep kan worden gedaan op de redelijkheid en de billijkheid. Daar is in Nederland nog geen voorbeeld van.

Beoordeling beroep [eiseres] op redelijkheid en billijkheid

Notaris zorgvuldig te werk gegaan

5.24.

De notaris die het testament van [erflaatster] heeft opgesteld, heeft vragen van [eiseres] hierover in een brief van 5 april 2023 beantwoord. Hij heeft daarbij, voor zover in deze procedure belangrijk, onder meer het volgende geschreven:

De nummering van uw vragen houdt ik aan. Mitsdien is mijn antwoord daarop als volgt:

ad 1. Op maandag 18 juli is bij de receptie van ons kantoor een telefonisch verzoek

binnengekomen om in verband met spoed naar het nabij gelegen [ziekenhuis 1] ziekenhuis te komen voor een testamentbespreking. De receptioniste kan zich niet herinneren wie dat is geweest. Omdat ik die middag tijd in mijn agenda had en het klaarblijkelijk spoed had, ben ik naar het ziekenhuis gegaan.

ad 2. (…)

ad 3. Ik heb [erflaatster] twee keer ontmoet, op maandag 18 juli en op donderdag 21 juli. Beide keren in de kamer waarin zij verbleef in het ziekenhuis. Ik heb [erflaatster] twee keer telefonisch gesproken, één keer op woensdag 20 juli toen een maatschappelijk werkster van het ziekenhuis ons kantoor belde en mij doorverbond met haar, en één keer op donderdag 21 juli toen zij zelf belde.

ad 4. (…)

ad 5. Nee. Op zowel maandag 18 juli als donderdag 20 juli heb ik in de afgesloten kamer waar mevrouw verbleef alleen met haar gesproken.

ad 6. Door mij is een concept van het testament met begeleidend schrijven ter attentie van [erflaatster] afgegeven aan de balie van het ziekenhuis op dinsdag 19 juli. Die brief valt onder mijn ambtsgeheim en deel ik derhalve niet met u.

ad 7. (…)

ad 8. (…)

ad 9. De vragen die normaliter gesteld worden. Specifiek waarom mevrouw ons kantoor gebeld heeft en daarbij heeft aangegeven dat er sprake was van spoed. Voorts waarom zij thans een testament wilde opstellen en zij dit niet eerder gedaan heeft. Zij leed immers al langer aan een ernstige aandoening die nu in een terminaal stadium leek te zijn aangekomen.

Voorts vragen gesteld over haar wensen terzake de uiterste wilsbeschikking en de reden daarvoor, de ontstaansgeschiedenis van haar relatie met de door haar gewenste erfgena(a)m(en), haar levensverhaal, etc.

ad 10. (…)

ad 11. (…)

ad 12. Door uitgebreid met haar te spreken en daarbij alle overige factoren te laten

meewegen in mijn beoordeling.

Haar leeftijd was geen indicatie om te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid. Hoewel mevrouw, naar ik meen mij te herinneren, een minder goed functionerend gehoor had en ernstig ziek was, vormde dat geen belemmering in de communicatie, Zij antwoorde adequaat op mijn vragen.

Wij hebben op maandag ruim veertig minuten uitvoerig gesproken over de samenstelling van haar vermogen, haar levenswandel (zoals gezinssituatie, werk, familie en ziektebeeld) en haar relatie met de benoemde erfgena(a)m(en). Het gesprek gaf geen aanleiding tot twijfel over haar wilsbekwaamheid.

ad 13. Die verstrek ik u niet.

5.25.

Het hof achtte in de tandarts-zaak drie elementen van belang: (i) de eenzijdigheid en daarmee het persoonlijke van het opstellen van een testament als een heel belangrijk element van het testament, (ii) het zorgvuldig handelen van de betrokken notaris(sen) en (iii) de wilsbekwaamheid. Als de rechtbank kijkt naar deze drie elementen, dan is ook in deze procedure daaraan voldaan. Vaststaat immers dat [erflaatster] wilsbekwaam was. Uit de verklaring van de notaris volgt dat de notaris zorgvuldig te werk is gegaan. [eiseres] heeft ook geen feiten en/of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de notaris onzorgvuldig te werk is gegaan bij het opstellen van het testament. De notaris heeft op 18 juli en 21 juli 2022 [erflaatster] in het ziekenhuis gesproken, zonder dat daar iemand anders bij aanwezig was. Daarnaast heeft hij twee keer gebeld met [erflaatster] , waarbij in ieder geval een keer de maatschappelijk werkster van het ziekenhuis [erflaatster] aan hem doorverbond. De notaris heeft [erflaatster] de eerste keer ruim veertig minuten gesproken over haar vermogen, haar ‘levenswandel’ en haar relatie met haar familie en de benoemde erfgenamen. Het enkele feit dat aan de notaris is verzocht om met spoed naar het ziekenhuis te komen om het testament te bespreken, is naar het oordeel van de rechtbank niet opmerkelijk zoals [eiseres] stelt. [erflaatster] was namelijk ernstig ziek en een maand later is ze overleden. Dat [erflaatster] in juli 2022 heeft besloten om met spoed een testament op te stellen, is dus goed te verklaren. De notaris heeft op basis van de gevoerde gesprekken geconstateerd dat het de wens van [erflaatster] was om [gedaagde 1] tot erfgenaam te benoemen.

Opmerkelijk gedrag [erflaatster]

5.26.

Zoals al eerder in dit vonnis geschreven: [eiseres] vindt dat [gedaagden] c.s., althans [gedaagde 2] , [erflaatster] heeft beïnvloed of gemanipuleerd. Zij vindt het onaanvaardbaar dat [gedaagden] c.s. rechten kan ontlenen aan het testament. Deze beïnvloeding was volgens [eiseres] dusdanig dat [erflaatster] niet meer wist wat de werkelijkheid was, maar uitsluitend uitging van wat [gedaagde 2] vertelde. [eiseres] voert ter onderbouwing van haar stelling verschillende feiten en omstandigheden aan, onderbouwd met (onder andere) diverse verklaringen, Whatsapp-berichten en chatberichten via Habbo. [eiseres] wijst onder meer op het volgende.

a. [erflaatster] was slechthorend en (daardoor) slecht verstaanbaar voor sommige mensen. [eiseres] vindt dat [erflaatster] (licht) beperkt was, slecht kon omgaan met emoties, moeilijk zelfstandig kon functioneren en naïef en goedgelovig was.

b. [erflaatster] had een goede band met haar familie. Ze zag [eiseres] iedere dag, had goed contact met de dochters van [eiseres] en ging op vakantie met haar familie. [erflaatster] was ook heel actief op Habbo en was een bekende speelster. Ze had een vast groepje vrienden waarmee ze spelletjes speelde en gesprekken had op vaste tijdstippen. [erflaatster] had ook een goede band met haar collega’s op de school waar ze werkte.

c. Sinds het moment dat [gedaagde 2] bevriend is geraakt met [erflaatster] via Habbo, heeft [erflaatster] haar contact met (online) vrienden en haar familie laten verwateren en uiteindelijk verbroken. Haar online contacten heeft ze geblokkeerd. Spelers van Habbo hebben verklaard dat sprake was van een gedragsverandering. Zij vonden dat [gedaagde 2] zich op Habbo niet sociaal opstelde richting anderen, maar alleen gericht was op [erflaatster] en [erflaatster] afschermde. In het spel waren [gedaagde 2] en [erflaatster] alleen nog maar samen, en op een zeker moment stopten ze allebei met het spel.

d. [erflaatster] en [gedaagde 2] gingen samen veel op reis en hadden (heel) veel contact via Whatsapp en Habbo. Achteraf bleek dat [erflaatster] honderden schermafbeeldingen van gesprekken tussen haar en [gedaagde 2] op haar computer heeft opgeslagen. [erflaatster] noemde dat ‘bewijs’ in een bericht aan haar nichtje. [eiseres] heeft diverse gesprekken overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde 2] veel invloed had op [erflaatster] en dat ze dagelijks veel contact hadden. [gedaagde 2] benadrukte vaak dat zij de beste vriendin van [erflaatster] was, en reageerde teleurgesteld als [erflaatster] minder reageerde. De familie van [erflaatster] had de indruk dat [erflaatster] zelf geen zeggenschap meer had over de tijd die zij doorbracht met [gedaagde 2] . Uit een WhatsApp/Habbo gesprek tussen [erflaatster] en haar nichtje blijkt bijvoorbeeld dat [gedaagde 2] boos was op [erflaatster] omdat [erflaatster] met haar nichtje op vakantie wilde gaan.

e. De familie van [eiseres] en online vrienden van [erflaatster] hadden de indruk dat de sociale media accounts van [erflaatster] waren overgenomen door [gedaagde 2] . Ook in sommige berichten die vanuit [erflaatster] zouden komen, werden Vlaamse woorden gebruikt. Daaruit blijkt, volgens [eiseres] , dat deze zijn geschreven door [gedaagde 2] . Het gaat bijvoorbeeld om berichten aan de bedrijfsarts. [eiseres] heeft ook een rapport van een deskundige overgelegd, die constateert dat correspondentie van [erflaatster] ofwel door [gedaagde 2] is geschreven ofwel door [gedaagde 2] is gedicteerd. [gedaagden] c.s. heeft dit niet weersproken.

f. In mei 2020 is [erflaatster] samen met [gedaagde 2] zonder uitleg uit [stadsdeel] vertrokken en heeft ze contact met haar familie afgehouden. Achteraf is voor de familie duidelijk geworden dat [erflaatster] toen, in mei 2020, te horen heeft gekregen dat ze baarmoederkanker had.

g. [erflaatster] is vanaf mei 2020 ook niet meer op haar werk verschenen, terwijl ze erg trouw was. Het salaris van [erflaatster] is op een zeker moment stopgezet. Tot februari 2022 had [erflaatster] nog contact met de bedrijfsarts via e-mail en telefoon, maar ze gaf geen verblijfplaats door. In januari en februari 2022 verscheen [erflaatster] niet op gesprekken met de bedrijfsarts. In het rapport van de bedrijfsarts is opgenomen dat de bedrijfsarts bij enkele gesprekken met [erflaatster] de indruk heeft gehad dat iemand [erflaatster] op de achtergrond ‘stond te souffleren’.

h. Onduidelijk is welke zorg [erflaatster] heeft gekregen vanaf het moment dat zij uit [stadsdeel] is vertrokken. [eiseres] stelt dat [erflaatster] niet de juiste zorg heeft gekregen. Bij ziekenhuis [ziekenhuis 1] is in juli 2022 een revalidatieplek aangeboden, maar [erflaatster] heeft er voor gekozen om naar [land] te gaan om daar thuiszorg te regelen. Niet duidelijk is of ze thuiszorg heeft gekregen. Uiteindelijk is [erflaatster] in augustus 2022 met een infectie en botbreuken vanuit de woning van [gedaagde 2] naar het ziekenhuis in [plaats 1] gebracht, waar zij is overleden.

i. De vaste huisarts van [erflaatster] in Den Haag had geen contact meer met [erflaatster] nadat ze in mei 2020 haar woning had verlaten. [gedaagde 2] is op een zeker moment bij een huisarts in [plaats 2] geweest om bloeduitslagen van [erflaatster] op te vragen, maar [erflaatster] stond daar toen niet ingeschreven. Deze bloeduitslagen zijn toen toch meegegeven aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft tegen een medewerker van deze huisarts gezegd, zo heeft deze medewerker verklaard, dat zij en [erflaatster] zaten ‘ondergedoken’ en dat de vaste huisarts van [erflaatster] in [stadsdeel] ‘in het complot zit’. Op 4 augustus 2022 is [erflaatster] ingeschreven bij deze huisarts in [plaats 2] , en daarmee uitgeschreven bij haar oude huisarts in [stadsdeel] . In de tussentijd is [erflaatster] dus niet bij een huisarts geweest.

j. Een beveiliger die op 3 juni 2021 met [erflaatster] en [gedaagde 2] naar de woning in [stadsdeel] is geweest, heeft verklaard dat [gedaagde 2] hem en een andere beveiliger heeft ingeschakeld. De beveiliger verklaart ook dat [gedaagde 2] tegen hem heeft gezegd dat [erflaatster] een vervelende relatie met haar familie had, maar dat dit in zijn optiek niet bleek tijdens het bezoek. De beveiliger verklaarde onder andere dat [erflaatster] zei dat ze niet beschikte over een telefoon en dat hij de indruk had dat [erflaatster] ‘onderdanig was’ aan [gedaagde 2] .

k. [gedaagde 2] was volgens [eiseres] uit op het geld van [erflaatster] . Dat blijkt volgens [eiseres] onder andere uit het feit dat [erflaatster] twee keer naar [stadsdeel] is gegaan om waardevolle spullen op te halen, [erflaatster] haar levensverzekering in 2020 heeft beëindigd en [erflaatster] ergens in 2018 een foto van een stapel cash geld naar andere spelers op Habbo heeft gestuurd.

l. Het testament is opgesteld toen [erflaatster] in het ziekenhuis [ziekenhuis 1] was. Iemand heeft toen de notaris gebeld om met spoed naar het ziekenhuis komen. [gedaagde 2] was 24 uur per dag bij [erflaatster] in het ziekenhuis.

5.27.

Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat uit bovenstaande volgt dat [erflaatster] na mei 2020 opmerkelijk gedrag heeft vertoond. Dat gedrag week af van haar eerdere gewoonten, waarbij zij altijd op dezelfde plaats heeft gewoond, sinds haar 18e hetzelfde werk verrichtte en veel optrok met haar familie. Ze is, met achterlating van alles, van het ene op het andere moment vertrokken. Ze heeft het contact met haar familie verbroken. Ze is gaan wonen in hotels en vakantiehuisjes, waarbij [gedaagde 2] ook vaak aanwezig was. Dit is althans wat [gedaagden] c.s. de rechtbank heeft verteld en [eiseres] heeft dit niet weersproken. Richting haar werkgever heeft [erflaatster] zich zodanig opgesteld, dat de betaling van haar salaris op enig moment is stopgezet.

5.28.

[gedaagde 2] lijkt een rol te hebben gespeeld bij het vertrek van [erflaatster] uit haar woning in mei 2020. [gedaagde 2] is namelijk met [erflaatster] naar het ziekenhuis gegaan, en daarna is [erflaatster] , afgezien van twee korte bezoeken, niet meer naar huis gegaan. [erflaatster] verbleef vervolgens in [land] en had met name, of alleen, contact met [gedaagde 2] . Dat ze daartoe gedwongen werd, is echter niet komen vast te staan. Ze verbleef in vakantiehuisjes en hotels, waar ze vrij in en uit kon gaan. Althans niet is gesteld of anderszins gebleken dat ze zich niet vrij kon bewegen.

5.29.

Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek gedaan naar de omstandigheden rondom het overlijden van [erflaatster] en geconcludeerd dat er geen aanleiding is om [gedaagden] c.s. te vervolgen voor oplichting. Uit een bericht van het Openbaar Ministerie blijkt daarnaast dat een forensisch arts van het Nederlands Forensisch Instituut heeft geconcludeerd dat de botbreuk van [erflaatster] voor haar overlijden niet verdacht is. Ze had namelijk ook uitzaaiingen in haar botten, waardoor botbreuken snel konden plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie zag geen aanleiding voor een levensdelict of een geweldsmisdrijf. De Raad voor de Journalistiek heeft een klacht van [gedaagden] c.s. over de classificatie van de podcast als ‘true crime’ gegrond bevonden omdat niet is gebleken dat sprake is van een waargebeurde misdaad noch dat daarvoor een gegrond vermoeden bestaat. Dat [gedaagden] c.s. strafbaar heeft gehandeld, is niet komen vast te staan.

5.30.

Onduidelijk is wel waarom [erflaatster] haar opmerkelijke gedrag vertoonde en plots haar familie, huis, werk en huisarts in de buurt heeft achtergelaten zonder met iemand contact op te nemen om in huisjes en hotels in [land] te wonen, terwijl ze ernstig ziek was en werd behandeld in Nederland.

5.31.

[gedaagden] c.s. heeft geschreven dat hij meent dat [erflaatster] ruzie had met haar vader. Hij heeft in dat verband gewezen op een brief die [erflaatster] daarover in juni 2021 heeft geschreven. In die brief staat inderdaad dat ze in april 2020 woorden had met haar vader omdat hij haar relatie met [gedaagde 2] niet goedkeurde. [eiseres] heeft hierover geschreven dat de door haar ingeschakelde deskundige vindt dat [gedaagde 2] de brief heeft geschreven, vanwege het Belgische taalgebruik in de brief. Zij ontkent dat er onenigheid was binnen de familie. Op basis van wat partijen erover hebben geschreven, staat niet vast dat er inderdaad onenigheid was die de oorzaak was van het gedrag van [erflaatster] .

5.32.

[eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat het uitzonderlijke gedrag van [erflaatster] kan worden verklaard doordat zij ‘volledig werd beheerst’ door [gedaagde 2] . [eiseres] verwijst in dat kader naar een deskundige op het gebied van sektes en loverboys die de correspondentie tussen [gedaagde 2] en [erflaatster] heeft bekeken, en volgens [eiseres] concludeert dat sprake is van ‘destructieve controletechnieken’. [eiseres] vindt, onder verwijzing naar deze deskundige, dat sprake was van een vorm van manipulatie waarmee is bewerkstelligd dat [erflaatster] anders naar zichzelf en de wereld is gaan kijken terwijl anderen die haar zouden/hadden kunnen helpen op afstand werden gehouden en uiteindelijk ‘de denkwijze van de manipulator’ heeft overgenomen. [gedaagden] c.s. heeft zonder toelichting de conclusie van de deskundige betwist.

5.33.

[eiseres] heeft geen rapport van de deskundige overgelegd, maar verwezen naar een specifiek fragment uit de podcast. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd de podcast niet te hebben beluisterd. Gelet op wat over de deskundige in de dagvaarding is geschreven en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, heeft de rechtbank alsnog geluisterd naar het gedeelte van de podcast waarin de deskundige aan het woord is gekomen. Daaruit is haar gebleken dat de deskundige niet uitvoerig onderzoek heeft gedaan naar [erflaatster] . De deskundige heeft gesproken met de journalist die de podcast heeft gemaakt. De deskundige heeft gezegd dat zij appjes tussen [erflaatster] en [gedaagde 2] heeft bekeken. Er zijn volgens haar duidelijke signalen die duiden op het hanteren door [gedaagde 2] van destructieve controletechnieken erop gericht om [erflaatster] bij haar familie weg te houden. Maar ze heeft ook gezegd dat van kwade motieven bij [gedaagde 2] geen sprake hoeft te zijn, dat [erflaatster] kennelijk op zoek was naar een vriendin buiten de familie en dat [erflaatster] in staat was op momenten tegengas te geven. Verder heeft ze gezegd dat alle door [erflaatster] bewaarde correspondentie bestudeerd zou moeten worden. Dat heeft [eiseres] niet laten doen, noch heeft ze gesteld dat dit onderzoek alsnog mogelijk is. Gelet op dit een en ander, is niet komen vast te staan dat [erflaatster] , zoals [eiseres] stelt, volledig werd beheerst door [gedaagde 2] .

5.34.

De rechtbank concludeert dan ook dat in deze procedure niet duidelijk is geworden waarom [erflaatster] zich heeft gedragen zoals ze heeft gedaan. Dat ze tot haar gedrag op de een of andere manier is gedwongen, staat ook niet vast. Van strafbaar handelen door [gedaagden] c.s. is niet gebleken. Wel is duidelijk dat [gedaagde 2] bij het gedrag van [erflaatster] een rol heeft gespeeld. De laatste jaren van haar leven heeft [erflaatster] met name met [gedaagde 2] doorgebracht. Mogelijk heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van de omstandigheid dat [erflaatster] , met een slecht gehoor, die altijd door haar familie is beschermd en haar contacten met name binnen de familie had, [gedaagde 2] als vriendin heeft omarmd, veel tijd met [gedaagde 2] heeft doorgebracht en [gedaagde 2] gevolgd is. De wetgever heeft echter bepaald dat voor het opzij zetten van een testament het misbruik maken van de omstandigheden niet voldoende is. Niet is komen vast te staan dat de mogelijke misbruik zo erg was dat de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan toepassing van de wettelijke regel dat geen beroep op misbruik van omstandigheden mogelijk is.

Conclusie

5.35.

De rechtbank benadrukt dat [erflaatster] een wilsbekwame, volwassen vrouw was die zich kennelijk heeft overgegeven aan haar vriendschap met [gedaagde 2] . En daarbij haar familie, om de een of andere reden, buitenspel heeft gezet. Het gaat in deze procedure om het testament van [erflaatster] . Hoe opmerkelijk haar gedragingen vanaf mei 2020 ook zijn geweest, zij heeft tegenover de notaris verklaard wat zij met haar bezittingen wil. De notaris heeft deze wens van [erflaatster] , na vier gesprekken met haar, in een testament vastgelegd. De rechtbank ziet, mede gelet op wat de wet daarover zegt, in het onverklaarde, opmerkelijke gedrag van [erflaatster] geen aanleiding om deze wens van [erflaatster] niet te respecteren. Dit betekent dat het beroep van [eiseres] op de redelijkheid en billijkheid wordt afgewezen.

Onrechtmatige daad en immateriële schade

5.36.

[eiseres] vordert dat de rechtbank in de vorm van een verklaring voor recht bepaalt dat [gedaagden] c.s. onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Dat vindt ze op basis van dezelfde feiten en omstandigheden die ze heeft aangedragen in verband met haar vorderingen over het testament. De handelingen van [gedaagden] c.s. die [eiseres] aan deze vordering ten grondslag legt, hebben echter allemaal betrekking op [erflaatster] . [eiseres] heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat [gedaagden] c.s. jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Deze vordering wordt dus afgewezen.

5.37.

[eiseres] vordert daarnaast vergoeding van immateriële schade wegens het immense verdriet, gederfde levensvreugde en enorme inspanningen die zij heeft verricht om informatie te verkrijgen over het overlijden van [erflaatster] . Naar het oordeel van de rechtbank bestaat echter geen grondslag voor de door [eiseres] gevorderde immateriële schade, omdat onvoldoende is gesteld voor de conclusie dat sprake is van een onrechtmatige daad jegens [eiseres] of een andere grondslag voor aansprakelijkheid.

Locatie uitstrooien as

5.38.

[eiseres] vordert dat [gedaagden] c.s. wordt veroordeeld om mede te delen wanneer en waar de as van [erflaatster] is uitgestrooid, onder verwijzing naar artikel 8 EVRM op grond waarvan een nabestaande recht heeft op afscheid van een overledene. [gedaagden] c.s. stelt dat [erflaatster] heeft verzocht om niet aan haar familie mede te delen waar haar as zou worden uitgestrooid.

5.39.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] het recht om afscheid te kunnen nemen van [erflaatster] , en is het in dit specifieke geval onrechtmatig als [gedaagden] c.s. niet aan [eiseres] mededeelt wanneer en waar de as van [erflaatster] is uitgestrooid. De door [gedaagden] c.s. gestelde wens van [erflaatster] is niet onderbouwd en in dit geval geen rechtvaardiging voor de weigering om dit mede te delen. De vordering van [eiseres] op dit punt wordt dus toegewezen.

5.40.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de dwangsom te matigen tot de in het dictum genoemde bedragen.

Informatieverzoeken

5.41.

[eiseres] vordert afgifte van bepaalde informatie van [gedaagden] c.s. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat de rechtbank deze vordering zo begrijpt dat als de rechtbank overweegt dat [gedaagden] c.s. geen erfgenaam is op grond van het testament, [eiseres] als erfgenaam recht heeft op afgifte van informatie van [gedaagde 1] als executeur in de nalatenschap van [erflaatster] . De rechtbank oordeelt dat het testament van [erflaatster] geldig is en dat [gedaagde 1] dus de erfgenaam is. Dit betekent dat dit gedeelte van de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

Afgifte eigendommen

5.42.

Dit gedeelte van de vordering van [eiseres] is ook ingesteld voor het geval [eiseres] de erfgename is van [erflaatster] . Dat is niet het geval, zodat ook dit gedeelte van de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

Proceskosten

5.43.

Beide partijen hebben voor een deel gelijk gekregen. Daarom zal de rechtbank de proceskosten van partijen compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.

Voorlopige voorzieningen

5.44.

[eiseres] vordert bij wijze van voorlopige voorziening kort gezegd: (i) de afgifte van informatie zoals ook in de hoofdzaak is gevorderd, (ii) dat [gedaagden] c.s. wordt veroordeeld om mede te delen waar de as van [erflaatster] is uitgestrooid zoals ook in de hoofdzaak is gevorderd, en (iii) om [gedaagden] c.s. een verbod op te leggen om de voormalige woning van [erflaatster] en andere zaken die onder de erfenis vallen te verkopen.

5.45.

Omdat geen afzonderlijke behandeling van de gevorderde voorlopige voorzieningen hebben plaatsgevonden en meteen uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, heeft [eiseres] geen belang bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Dit betekent dat [eiseres] in het incident niet ontvankelijk wordt verklaard. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden in dat verband begroot op nihil, omdat de gevorderde voorlopige voorzieningen niet tot noemenswaardige kosten hebben geleid.

6De beslissing

De rechtbank:

In het incident

6.1.

verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in het incident;

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] en begroot deze kosten op nihil;

In de hoofdzaak

6.3.

veroordeelt [gedaagden] c.s. om aan [eiseres] mede te delen, wanneer en waar de as van [erflaatster] is uitgestrooid na haar crematie, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat hij in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000;

6.4.

verklaart de veroordeling onder 6.3 uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.

type: 3557

1

Verordening (EU) Nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

2

Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).

3

Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen.

4

Conclusie A-G Wuisman, 18 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:143, par. 2.9.

5

Parl. Gesch. BW Boek 4 2002, p. 265 (nr. 4).

6

HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586. r.o. 3.3.

7

Gerechtshof Den Haag 24 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2807, r.o. 11 e.v.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733