Terug naar de uitspraak

Rechtbank Oost-Brabant 13-05-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2591

Datum publicatie19-05-2020
ZaaknummerC/01/334860 / HA ZA 18-377
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht. Testamentair erfrecht. Legaat
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

verdeling nalatenschap; legaat tegen inbreng; legaat afgegeven terwijl niet tegelijkertijd de inbreng is voldaan; ongedaan maken afgifte legaat; belang erfgenaam keuzelegaat omvat alle goederen van de nalatenschap tegen inbreng van de waarde van de gekozen goederen. Legataris heeft legaat aanvaard en alle goederen gekozen. Partijen twisten over de omvang van de inbrengplicht.Legaat is afgegeven zonder dat de inbreng is voldaan. Belang van eiser bij vordering tot ongedaan making afgifte van legaat gelegen in ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de nalatenschapsschulden. Gedaagde / legataris wordt in gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij – deels – aan haar inbrengplicht heeft voldaan door alle schulden van de nalatenschap over te nemen en als eigen schuld te voldoen.

Volledige uitspraak


vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/334860 / HA ZA 18-377

Vonnis van 13 mei 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.H.C. Morshuis te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

mede in haar hoedanigheid van executeur, afwikkelingsbewindvoerder, erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van na te noemen erflaatster,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.K. de Bruin te Leusden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 10 oktober 2018 is een comparitie van partijen gelast, die gehouden zou worden op 15 februari 2019. De rechtbank heeft daarna kennisgenomen van:

  • de akte vermeerdering eis van [eiser] , waarbij tevens de producties 23 tot en met 39 zijn overgelegd;

  • de antwoordakte en akte overlegging producties van [gedaagde] , waarbij de producties 28 tot en met 50 zijn overgelegd.

1.2.

Op verzoek van de advocaat van [gedaagde] heeft de comparitie van 15 februari 2019 geen doorgang gevonden en is er een nieuwe datum voor de comparitie bepaald op 24 mei 2019. Tot de gedingstukken behoren verder:

  • de akte van [gedaagde] , waarbij de producties 51 tot en met 57 zijn overgelegd;

  • de akte van [eiser] , waarbij producties 40 (en de daarbij horende bijlagen) zijn overgelegd;

  • het proces-verbaal van comparitie van 24 mei 2019.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.4.

De rechtbank heeft geen kennisgenomen van de later nog toegezonden brief van [eiser] , waarbij hij stukken heeft overgelegd. De rechtbank heeft immers geen nadere gelegenheid geboden tot het overleggen van nadere stukken.

2De feiten

2.1.

Op [datum] is te [plaats] overleden mevrouw [naam erflaatster] , hierna te noemen: “erflaatster”. Erflaatster was ten tijde van haar overlijden niet gehuwd en niet geregistreerd als partner.

2.2.

Erflaatster is gehuwd geweest met [naam voormalig echtgenoot] . Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren, te weten:

[eiser] , geboren te [plaats] op [datum] ( [eiser] )

[gedaagde] , geboren te [plaats] op [datum] ( [gedaagde] ).

2.3.

Erflaatster heeft bij testament, op 10 mei 2012 verleden voor Mr D.J. den Beer Poortugael, notaris te Eindhoven, voor het laatst beschikt over haar nalatenschap, welk testament door haar dood werd bekrachtigd.

2.4.

In het testament heeft erflaatster, onder meer en voor zover hier van belang, bepaald:

III KEUZELEGAAT

Ik legateer aan mijn dochter, mevrouw [gedaagde] , geboren te [plaats] op [datum] , de goederen van mijn nalatenschap welke zij wenst te verkiezen, zulks onder de verplichting de waarde daarvan in mijn nalatenschap in te brengen.

Mijn genoemde dochter dient binnen zes (6) maanden na mijn overlijden schriftelijk aan mijn erfgenamen kenbaar te maken of zij dit legaat al dan niet wil aanvaarden en zo ja, welke goederen zij alsdan wenst te verkiezen.

Betalingsregeling

Indien en voor zover prompte uitkering van voormelde inbreng voor mijn dochter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid financieel niet haalbaar is en/of voortzetting van mijn bedrijf (te weten Nail Line B.V., maar tevens mijn aan deze vennootschap ter beschikking gestelde bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend, [kadastraal nummer] ) zonder deze beschikking in ernstige mate zou worden bemoeilijkt, is mijn dochter niet verplicht de inbreng te voldoen in contanten doch heeft zij de bevoegdheid het bedrag van de inbreng schuldig te erkennen. De uitbetaling zal alsdan geschieden in ten hoogste tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn opeisbaar zal zijn op de eerste januari volgende op mijn overlijden.

(...)

Rente

Over het nog niet betaalde deel van de vorderingen is jaarlijks een rente verschuldigd die door mijn erfgenamen in onderling overleg dient te worden vastgesteld. Zo zij het hierover niet eens kunnen worden, zal jaarlijks een rente verschuldigd zijn gelijk aan de gemiddelde wettelijke rente van het jaar voorafgaand aan de jaarlijkse aflossing op 1 januari.

Zekerheid

Indien een of meer van de erfgenamen dat verlangt, is mijn genoemde dochter verplicht zekerheid te stellen voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichtingen.

(...)

ERFSTELLING

Ik benoem mijn beide kinderen tot mijn enige erfgenamen, met toepassing van de wettelijke regels omtrent plaatsvervulling, welke plaatsvervulling in voorkomend geval voor eventuele aanwas zal gaan. Het erfdeel van mijn zoon, de heer [eiser] , geboren te [plaats] op [datum] , is gelijk aan zijn wettelijk minimum erfdeel (legitieme portie). Het overige deel is voor mijn genoemde dochter.

(...)

VI WAARDERING

De waardering van de goederen geschiedt in onderling overleg. Bij gebreke van overeenstemming tussen mijn erfgenamen binnen acht maanden na mijn overlijden, zal de waardering moeten geschieden door een deskundige. Kunnen mijn erfgenamen het niet eens worden over de benoeming van een deskundige, dan geschiedt de benoeming overeenkomstig artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

VIII EXECUTELE/AFWIKKELINGSBEWIND

Ik benoem mijn genoemde dochter tot executeur, hierna te noemen de executeur, voor welke benoeming de volgende bepalingen gelden:

1. Taak executeur/bevoegdheid

De executeur heeft tot taak mijn begrafenis of crematie te (doen) verzorgen, de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie- en boedelkosten en van de erfbelasting die ten laste komt van erfgenamen of legatarissen. In verband met de betaling van de schulden is de executeur bevoegd de door hem beheerde goederen van mijn nalatenschap te gelde te maken. De executeur behoeft over de keuze en de te gelde making niet in overleg te treden met de erfgenamen en toestemming daarvoor is ook niet vereist.

(...)

3. Vertegenwoordiging

De executeur vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak mijn erfgenamen in en buiten rechte. De executeur kan ook als wederpartij van zichzelf optreden (selbsteintritt).

(…)

5. Bepalingen afwikkelingsbewind

In het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van mijn nalatenschap breid ik de taak van de executeur uit met de instelling van een bewind over de erfdelen van mijn erfgenamen en benoem ik mijn genoemde dochter tot bewindvoerder.

(...)

2.5.

[gedaagde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. [eiser] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.6.

Erflaatster was eigenaresse van twee onroerende zaken, aan de [adres] en [adres] te [plaats] . [gedaagde] heeft deze onroerende zaken op 15 augustus 2013 laten taxeren door een makelaar, die de gezamenlijke waarde heeft bepaald op € 650.000,00 per 15 augustus 2013.

2.7.

[eiser] heeft de onroerende zaken eveneens laten taxeren. De door hem ingeschakelde makelaar heeft de gezamenlijke waarde van de panden bepaald op € 830.000,00.

2.8.

Op 22 oktober 2013 heeft [eiser] een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: "Volgens mij ben ik in de laatste meeting heel duidelijk geweest, om de afwikkeling nalatenschap als 1-geheel te zien.

De punten waaronder de inboedel is een principe akkoord, als we het ook eens zijn over de

andere punten. Jammer genoeg komen we niet uit de waardebepaling van de panden en ben ik vrij om een voorstel te doen om eruit te komen.

Om nog meer werk, kosten, energie en lange mailtjes te voorkomen herhaal ik nog even het voorstel (…)

Mocht [gedaagde] zich hierin niet kunnen vinden, dan moeten we het anders oplossen en hebben we een 3e taxateur nodig. Deze 3e taxateur kan bepaald worden door de 2 makelaars die de taxaties al hebben gedaan. De uitkomst van die taxatie is dan onafhankelijk en bindend".

2.9.

In een op 8 november 2013 door [eiser] en op 10 november 2013 door [gedaagde] ondertekend stuk met als onderwerp “Vaststellingsovereenkomst taxatie [adres] en [adres] ” zijn partijen het volgende overeengekomen:

“Beide partijen hebben een taxatie aangevraagd betreffende panden [adres] en [adres] . De taxaties van makelaar MVGM, heer [naam taxateur 1] (650k) en makelaar Lommers/Janssen/Steijlen, Hr. [naam taxateur 1] (830k) liggen ver uit elkaar.

De vraag van beide partijen is om een 3e taxatie, uitgevoerd door een nieuwe onafhankelijke taxateur benoemd door eerder genoemde taxateurs.

Beide partijen komen overeen en tekenen dat de taxatiewaarde van de 3e onafhankelijke makelaar bindend is.”

2.10.

In een taxatierapport van 11 december 2013 van Colliers International is de marktwaarde, vrij van huur en of gebruik van de panden gesteld op een waarde van € 700.000,00. Het taxatierapport vermeldt [gedaagde] als opdrachtgever en vermeldt (onder 1.4.) als een van de “bijzondere uitgangspunten of speciale opdracht zoals voorafgaand overeengekomen met opdrachtgever” dat ervan is uitgegaan dat het object vrij van huur en gebruik is.

2.11.

Bij brief van 23 december 2013 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] medegedeeld:

“Bij deze wil ik kenbaar maken dat ik het keuzelegaat van het testament van mijn moeder [naam erflaatster] aanvaard voor de waarden zoals eerder besproken en door beide partijen zijn

aanvaard.

Samen overeengekomen waarden zoals eerder besproken:

Inboedel woning €8.000,-

Bedrijf NLC €8.000,-

Wij zijn niet samen overeen kunnen komen wat de waarde is van de panden aan de [adres] en [adres] te [plaats] .

Daartoe hebben we in overleg met elkaar besloten een 3e makelaar de waarde te laten

bepalen die dan ook bindend zal zijn.

Uit de taxatie van Colliers is nu gebleken dat de panden gewaardeerd zijn voor een bedrag

van €700.000,-.

Aan de hand van deze gegevens laat ik mijn adviseur dhr. [naam adviseur] een eindopstelling

maken waarin er uiteraard rekening gehouden gaat worden met de nog bijgekomen kosten

van de afgelopen periode en de nog komende kosten. Dit betreft kosten van taxatie 3e

makelaar, extra kosten adviseur/notaris, kosten onderhoud panden, belasting, kosten

testament executeur etc.”

2.12.

Bij e-mail van 4 januari 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven:

“Beste [gedaagde] ,

Heb het schrijven over de 3e taxatie ontvangen.

Nu alle bedragen bekend zijn kan de eindbalans opgemaakt worden.

Graag een cijfermatige uiteenzetting van deze aantoonbaar gemaakte kosten.

(…)”

2.13.

Bij brief van 23 april 2014 heeft rechtsbijstandsverlener DAS namens [eiser] medegedeeld dat bij de taxatie door Colliers International niet is uitgegaan van de juiste feiten en omstandigheden, dat [eiser] zich niet aan die taxatie gebonden acht en dat hij de overeenkomst ontbindt.

2.14.

Volgens de notariële akte van 8 juni 2017 is [gedaagde] , in haar hoedanigheid van executeur (afwikkelingsbewindvoerder) overgegaan tot afgifte van alle goederen van de nalatenschap aan haarzelf. In die akte is het volgende opgenomen:
I.INLEIDING
(…)

[gedaagde] heeft blijkens een brief aan haar genoemde broer [eiser] van drieëntwintig december tweeduizend dertien verklaard volledig gebruik te willen maken van het hiervoor bedoelde keuzelegaat, hetgeen inhoudt dat zij alle goederen van erflaatsters nalatenschap verkiest
II.OMSCHRIJVING GOEDEREN VAN ERFLAATSTERS NALATENSCHAP
(…) tot de goederen van erflaatsters nalatenschap en derhalve tot de door [gedaagde] verkozen goederen in ieder geval behoren:
1. Na te melden registergoederen (rb:het woonhuis aan [adres] te [plaats] en het bedrijfspand [adres] te [plaats] );

2. na te melden aandelen rb: de aandelen van Nail Line B.V.);

3.. erflaatsters gehele inboedel;

4.. alle bankrekeningen van erflaatster;

5. de personenauto van het merk BMW.

(…)

“V. INBRENGVERPLICHTING/VERDERE AFWIKKELING VAN DE NALATENSCHAP

Zoals hiervoor geciteerd uit de keuzebepalingen in het testament is [gedaagde] verplicht de waarde van de verkozen goederen in de nalatenschap in te brengen. De omvang en de wijze van de inbreng alsmede de overneming en/of andere afwikkeling van de schulden van erflaatsters nalatenschap zal verder tussen erflaatsters erfgenamen onderling, dat wil zeggen buiten verdere bemoeienis van mij, notaris, vastgesteld en afgehandeld dienen te worden. Deze akte is derhalve beperkt tot voormelde afgifte van het keuzelegaat.”

3Het geschil

3.1.

Na vermeerdering van eis luidt de vordering van [eiser] :

I. [gedaagde] te veroordelen een notariële beëdigde boedelbeschrijving in de nalatenschap van erflaatster op te (laten) stellen en deze onder overlegging van alle daarop betrekking hebbende verificatoire bescheiden af te geven binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van€ 1.000,-- per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke zal blijven hieraan te voldoen;

II. [gedaagde] te veroordelen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan hem af te geven alle bescheiden, zoals opgenomen in randnummer 24 van de dagvaarding, op straffe van een dwangsom;

III. De omvang van de legitimaire massa vast te stellen in de nalatenschap van erflaatster;

IV. De omvang van het aan hem toekomende erfdeel vast te stellen;

V. De omvang van de aan hem toekomende aanvullende legitieme, voor zover de legitieme portie meer bedraagt dan het aan hem toekomende erfdeel, vast te stellen;

Vl. De wijze van verdeling van de nalatenschap vast te stellen;

VII. [gedaagde] te veroordelen om aan hem te voldoen een gebruiksvergoeding van € 29.000,-- althans een dusdanig bedrag als de rechtbank juist acht, over de periode 4 juli 2013 tot 4 mei 2018 en te vermeerderen met zijn aandeel in de gebruiksvergoeding van € 2.000,-- per maand vanaf 4 mei 2018 tot aan de dag van verdeling van het woonhuis aan de [adres] te [plaats] , te vermeerderen met de wettelijke rente;

VIII. [gedaagde] te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 55.121,--, althans een dusdanig bedrag als de rechtbank juist acht ter zake zijn aandeel in de netto opbrengsten van de onroerende zaken gegenereerd vanaf 4 juli 2013 tot 4 mei 2018, te vermeerderen met wettelijke rente;

IX. [gedaagde] te veroordelen aan hem te voldoen zijn aandeel in de netto opbrengsten van de onroerende zaken gegenereerd na 4 mei 2018 tot aan de datum van verdeling van de onroerende zaken, te vermeerderen met wettelijke rente;

X. [gedaagde] te veroordelen aan hem te voldoen zijn aandeel in de netto winst uit Nail Line B.V., vanaf 4 juli 2013 tot de datum van de verdeling van de aandelen Nail Line B.V. naar evenredigheid van zijn aandeel in deze netto winsten en te vermeerderen met wettelijke rente;

XI. Te bepalen dat het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] wordt gewaardeerd door een door de rechtbank ex artikel 679 Rv aan te wijzen onafhankelijke deskundige, niet zijnde Colliers International tegen de waarde per datum waardering in verhuurde staat;

XII. Te bepalen dat de woning aan de [adres] te [plaats] wordt gewaardeerd door een door de rechtbank ex artikel 679 Rv aan te wijzen onafhankelijke deskundige, niet zijnde Colliers International tegen de waarde per datum waardering in onverhuurde staat;

XIII. Te bepalen dat de woning en de bedrijfsruimte zo spoedig mogelijk dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde;

XIV. [gedaagde] te bevelen medewerking te verlenen aan het in de verkoop brengen en verkopen van de woning en de bedrijfsruimte, waarbij door de door de te benoemen makelaar de vraag- en verkoopprijs, zij het zoveel mogelijk in overleg met partijen, zal worden bepaald;

XV. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan hem te voldoen het door de rechtbank vast te stellen aan hem toekomende erfdeel en, voor zover zijn legitieme portie meer bedraagt dan het aan hem toekomende erfdeel, tevens de aanvullende legitieme, alles vermeerderd met de rente van 4% vanaf 4 juli 2013, althans vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door uw rechtbank

in goede justitie te bepalen datum;

XVI. [gedaagde] (in privé) te veroordelen, voor zover het saldo van de nalatenschap ontoereikend zou zijn om het aan hem toekomende erfdeel en de aanvullende legitieme te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente;

XVII. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat [gedaagde] niet verplicht is de inbreng te voldoen in contanten, doch de bevoegdheid zou hebben het bedrag van de inbreng schuldig te erkennen, haar te veroordelen het aan hem toekomende erfdeel in ten hoogste 10 gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste 5 termijnen reeds zijn verstreken en derhalve direct opeisbaar zijn en de eerstvolgende termijn opeisbaar zal zijn op 1 januari 2019 en de daaropvolgende termijnen steeds op 1 januari van het daaropvolgende jaar en gedaagde te veroordelen jaarlijks, ingaande 1 januari 2013, een rente te voldoen van 4% over het aan hem toekomende en [gedaagde] te veroordelen een door hem goed te keuren zekerheid te stellen voor de nakoming van de hiervoor bedoelde betalingsverplichtingen;

XVIII. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na de datum van het vonnis inlichtingen en rekening en verantwoording af te leggen onder overlegging van verificatoire bescheiden over het door haar gevoerde beheer over de nalatenschap van erflaatster, op verbeurte van een dwangsom;

XIX. Primair te verklaren voor recht dat de levering door [gedaagde] aan zichzelf van de onroerende zaken aan de [adres] - [adres] te [plaats] nietig is, subsidiair de levering te vernietigen en de registratie te herstellen in de oude toestand (overeenkomende met die direct voorafgaand aan de afgifte van de legaten), meer subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot het ongedaan maken van de levering aan zichzelf met herstel van de registratie op naam van de erven, dan wel beide erfgenamen en [gedaagde] te veroordelen om te leveren aan, dan wel mee te werken aan de levering aan de nalatenschap, althans aan ieder van de erfgenamen in de nalatenschap van erflaatster, de onverdeelde helft van de onroerende zaken aan de [adres] - [adres] te [plaats] , de aandelen van Nail Line BV, de inboedel, de saldi van de bankrekeningen van erflaatster en de personenauto (BMW) op straffe van een dwangsom en te bepalen dat, indien [gedaagde] nalatig blijft mee te werken aan

de levering van de genoemde onroerende zaken aan de nalatenschap, althans aan ieder

van de erfgenamen in de nalatenschap van erflaatster, dit vonnis ex art. 3:300 BW dezelfde

kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte tot eigendomsoverdracht van het aandeel van gedaagde in de genoemde onroerende zaken aan de nalatenschap, althans aan de erfgenamen in de nalatenschap van erflaatster en in de plaats treedt van de in wettige vorm opgemaakte notariële akte tot levering van het aandeel van [gedaagde] in genoemde onroerende zaken, welk vonnis voor inschrijving vatbaar is in de daartoe bestemde registers.

XX. Subsidiair [gedaagde] voor zover dit betreft de ten onrechte afgegeven legaten, te veroordelen om aan de nalatenschap van erflaatster te voldoen € 1.082.695,-- met rente vanaf 8 juni 2017, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding een en ander met rente en kosten.

XXI. [gedaagde] te veroordelen aan hem te voldoen € 4.948,35 te vermeerderen met de invorderingsrente uit hoofde van de aanslag erfbelasting en bijkomende kosten in verband met het niet tijdig verzorgen van de belastingaangifte en betaling van de aanslag erfbelasting;

XXII. [gedaagde] te veroordelen aan hem te voldoen € 24.051,82 te vermeerderen met de wettelijke rente,

alles met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten, vermeerderd met rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Inleiding.
4.1.

In deze zaak draait het om de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster en het aandeel van [eiser] daarin. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over
a. omvang en samenstelling van de boedel;
b. de peildatum voor de waardering;

c. de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen;

d. de schulden die tot de nalatenschap moeten worden gerekend en

e. de hoogte daarvan.
In de tweede plaats discussiëren partijen over giften die erflaatster bij leven aan [gedaagde] heeft gedaan en de waardering daarvan.
In de derde plaats is aan de orde het aan [gedaagde] toegekende keuzelegaat, de inbrengverplichting en de afgifte van het legaat.
Tot slot speelt een rol de manier waarop [gedaagde] als executeur zich van haar taak heeft gekweten.
De rechtbank zal in de genoemde volgorde de verschillende onderwerpen bespreken. Daaraan voorafgaand zal de rechtbank ingaan op de achtergrond van het geschil, de inhoud van het testament, de verschillende posities van [eiser] en [gedaagde] en de vraag of niet eerst vereffening moet plaats vinden. In het kort schetst de rechtbank daarmee het beoordelingskader waartegen de verschillende onderwerpen en, uiteindelijk, de vorderingen van [eiser] zullen worden beoordeeld.

De conclusie is dat er nog geen definitieve beslissing mogelijk is. Eerst zal op diverse onderdelen een deskundigenbericht worden ingewonnen over de waarde die aan bepaalde vermogensbestanddelen moet worden toegekend. Ook zullen partijen zich nog bij akte nader moeten uitlaten over een aantal concreet aangegeven onderwerpen die van belang zijn om te kunnen beslissen over de omvang van de boedel, de schulden die tot de nalatenschap moeten worden gerekend en de vaststelling van het aandeel van [eiser] .

I. Achtergrond, testament en de posities van [eiser] en [gedaagde]

achtergrond

4.2.

Partijen zijn de kinderen van erflaatster. Erflaatster en [gedaagde] woonden gezamenlijk in de aan erflaatster in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te [plaats] en hadden een gezamenlijke huishouding. Erflaatster en [gedaagde] dreven daarnaast gezamenlijk de onderneming Nail Line BV. Deze onderneming is gevestigd in het eveneens aan erflaatster in eigendom toebehorende bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] . Erflaatster is deze onderneming gestart in 2003. In 2007 heeft erflaatster aan [gedaagde] aandelen overgedragen in Nail Line BV.

[eiser] heeft niet weersproken dat er de laatste jaren voor haar overlijden tussen hem en zijn moeder weinig tot geen contact is geweest.

testament

4.3.

In haar testament heeft erflaatster haar beide kinderen benoemd tot haar erfgenamen. Het erfdeel van [eiser] heeft erflaatster bepaald op de omvang van zijn wettelijk erfdeel (legitieme portie); het overige heeft zij nagelaten aan [gedaagde] .

Aan [gedaagde] heeft zij bovendien een keuzelegaat toegekend dat, naar keuze van [gedaagde] , alle goederen van haar nalatenschap omvat tegen de verplichting om de waarde van de goederen die zij verkiest in de nalatenschap in te brengen. Erflaatster heeft daarbij bepaald dat als prompte betaling van de inbreng naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid financieel niet haalbaar is voor [gedaagde] , of de voortzetting van Nail Line BV in ernstige mate bemoeilijkt, [gedaagde] het bedrag van de inbreng niet in contanten hoeft te voldoen, maar schuldig mag blijven en gedurende een periode van 10 jaar in termijnen mag voldoen.

Tenslotte is [gedaagde] in het testament aangewezen als executeur en afwikkelingsbewindvoerder met vergaande bevoegdheden.

positie [eiser]

4.4.

[eiser] is erfgenaam en, als kind van erflaatster, legitimaris. Op grond van artikel 4:63 BW, in samenhang met artikel 4:79 en 4:80 BW kan een legitimaris een vordering op de gezamenlijke erfgenamen verkrijgen door aanspraak te maken op zijn legitieme portie. In dat geval verkrijgt hij een vordering in geld die wordt aangemerkt als een schuld van de nalatenschap. [eiser] heeft bij dagvaarding een aanvullend beroep gedaan op zijn legitieme portie (punt 21 bij dagvaarding) en gevorderd de omvang van de aan hem toekomende aanvullende legitieme vast te stellen, voor zover de legitieme portie meer bedraagt dan het aan hem toekomende erfdeel (punt V van het petitum). De vraag rijst of en in hoeverre deze vordering praktische betekenis heeft, nu erflaatster het aan [eiser] toekomende erfdeel heeft bepaald op zijn legitieme portie. In ieder geval is [eiser] voor zover zijn erfdeel minder blijkt te zijn dan de hem toekomende legitieme portie, schuldeiser van de nalatenschap.
heeft, zo is ter comparitie gebleken, de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dat heeft in beginsel tot gevolg dat de nalatenschap moet worden vereffend voordat er kan worden verdeeld. De rechtbank gaat daarop hierna in, onder punt 4.55. en volgende.

Het erfdeel van [eiser] is, zoals hiervoor aangegeven, gelijk aan zijn legitieme portie. Dit is het erfdeel waarop een nakomeling van de erflater in rechte lijn altijd recht heeft en dat niet ter vrije beschikking van de erflater staat. Bij het vaststellen van het erfdeel van [eiser] kan dus aan de orde zijn de vraag in hoeverre rekening moet worden gehouden met de bepalingen in het testament van erflaatster die ertoe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan het de legitieme portie die [eiser] toekomt.

De omvang van de legitieme portie wordt bepaald door de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften, te verminderen met de schulden van de nalatenschap. Dit volgt uit artikel 4:65 BW. Giften waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder meer giften aan een afstammeling die tevens legitimaris is. (artikel 4:67 BW) . In dit geval zijn dat giften die erflaatster aan (een van) haar kinderen heeft gedaan.

Volgens de wet worden alleen de schulden genoemd in artikel 4:7 onder a tot en met c en onder f bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking genomen. Dat betekent, onder meer, dat de kosten van executele bij de berekening buiten beschouwing blijven.

positie [gedaagde]

4.5.

[gedaagde] is legataris en erfgenaam.

Zij heeft het legaat aanvaard, zo blijkt uit haar brief aan [eiser] van 23 december 2013 (prod 5 bij dagvaarding), en heeft gekozen voor alle goederen uit de nalatenschap. Hoewel dat laatste misschien niet direct valt af te leiden uit bedoelde brief is dit wel zo opgenomen in de notariële akte van 8 juni 2017 betreffende afgifte legaat (prod 6 bij dagvaarding). [eiser] heeft dat ook niet betwist. Met de aanvaarding van het legaat heeft [gedaagde] tevens de verplichting op zich genomen de waarde van de door haar gekozen goederen in te brengen in de nalatenschap. [gedaagde] is daarmee ook schuldenaar van de nalatenschap.

De beslissing van de rechtbank op het geschil tussen partijen over de waarde van de goederen van de nalatenschap bepaalt tevens de omvang van de inbrengschuld van [gedaagde] .

[gedaagde] mag volgens de betalingsregeling die erflaatster in het testament heeft opgenomen, het bedrag van de inbreng schuldig blijven als voor haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid betaling in contanten financieel niet haalbaar is of de voortzetting van Nail Line B.V. ernstig bemoeilijkt. Hoewel op dit moment in de procedure nog verre van duidelijk is welke schulden tot de nalatenschap moeten worden gerekend en tot welk bedrag precies – de rechtbank gaat daar hierna nader op in - is wel duidelijk dat de totale waarde van de door [gedaagde] gekozen goederen – het volledige actief van de boedel – haar aandeel in de nalatenschap ruimschoots zal overtreffen. Afgifte van het legaat zonder gelijktijdige voldoening van de inbrengschuld zou daarom tot gevolg kunnen hebben dat de voldoening van de schuldeisers van de nalatenschap niet (ten volle) mogelijk is en/of afhankelijk is van de betaling door [gedaagde] in termijnen zoals voorzien in de testamentaire betalingsregeling. Dat zou in strijd zijn met de wettelijke regeling zoals opgenomen in artikel 4:120 BW en de rangregeling zoals opgenomen in artikel 4:7 BW en afbreuk doen aan de wettelijk geborgde verhaalspositie van de schuldeisers van de nalatenschap. Bij de beoordeling van het geschil tussen partijen over de afgifte van het legaat aan [gedaagde] en de vraag welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden zal dit als uitgangspunt hebben te gelden.

Behalve legataris / schuldenaar is [gedaagde] ook erfgenaam. Haar aandeel bestaat uit het saldo van de nalatenschap minus het aandeel van [eiser] .

Tenslotte is [gedaagde] in het testament van erflaatster aangewezen als executeur en afwikkelingsbewindvoerder met de bevoegdheid tot verdeling. Als executeur is [gedaagde] de bevoegdheid toegekend voor zich zelf op te treden.

[gedaagde] heeft zodoende, vergeleken met [eiser] , testamentair een aanzienlijk sterkere positie gekregen om de afwikkeling van de nalatenschap naar haar hand te zetten. Dat wil echter niet zeggen dat zij geen rekening zou hoeven te houden met gerechtvaardigde belangen van haar broer. Dit ligt niet alleen verankerd in de wettelijke bepalingen over de uitoefening van de executele en het bewindvoerderschap, maar ook erfgenamen onderling hebben jegens elkaar te handelen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Kan er al worden verdeeld ?

4.6.

Per saldo strekken de vorderingen van [eiser] tot verdeling van de nalatenschap. Hij heeft de nalatenschap echter beneficiair aanvaard. Artikel 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW bepaalt dat een nalatenschap moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW wanneer zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen.

4.7.

Die laatste situatie doet zich hier voor: in het testament van erflaatster is [gedaagde] tot executeur in de hier bedoelde zin benoemd. Verder heeft [gedaagde] in haar producties 51 en 52 alle vermogensbestanddelen van de nalatenschap in kaart gebracht. [eiser] heeft die opstelling in zijn productie 40 eveneens tot uitgangspunt genomen. Hoewel partijen van mening verschillen over het aantal bestanddelen en zij het onderling niet eens zijn over de waarde van de bestanddelen, geven de opstellingen van zowel [gedaagde] als [eiser] in alle gevallen een positief saldo te zien. Daarmee staat tussen hen vast dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Dat er in de nalatenschap niet voldoende liquide middelen aanwezig zijn om alle schuldeisers van de nalatenschap te betalen staat daar los van.

4.8.

De conclusie is dan ook dat er geen vereffening hoeft plaats te vinden volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3., en dat daarin geen belemmering is gelegen om tot verdeling van de nalatenschap te komen.

II. De omvang en samenstelling van de nalatenschap

Boedelbeschrijving (vordering onder I)

4.9.

De rechtbank wijst de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen een notarieel beëdigde boedelbeschrijving op te laten stellen en alle daarop betrekking hebbende bescheiden af te geven af. Gelet op de door [gedaagde] overgelegde producties 51 en 52 valt niet in te zien welk belang [eiser] nog bij die vordering heeft. Voor zover het gaat om de afgifte van bescheiden, heeft [eiser] daarover een aparte vordering ingediend. Die zal de rechtbank nu bespreken.

Afgifte bescheiden (vordering onder II)

4.10.

[eiser] heeft afgifte gevorderd van de in randnummer 24 van de inleidende dagvaarding genoemde bescheiden. Daargelaten dat [gedaagde] heeft gesteld dat zij een groot deel van de gevraagde bescheiden al eerder aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld, heeft zij in het verdere verloop van de procedure zeer veel producties in het geding gebracht. In aanmerking genomen dat de mondelinge behandeling op verzoek van (de advocaat van) [gedaagde] is aangehouden, waarna [gedaagde] door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld aanvullende stukken in het geding te brengen en [eiser] daarop heeft kunnen reageren, had van [eiser] verwacht mogen worden dat hij in die reactie, maar uiterlijk op de mondelinge behandeling concreet zou hebben aangegeven welke stukken hij nog miste. De rechtbank rekent het in ieder geval niet tot haar taak om in de (schattenderwijs) 1.500 pagina’s die er sinds de inleidende dagvaarding zijn geproduceerd, zelfstandig op zoek te gaan naar de stukken waar [eiser] wel om heeft gevraagd, maar niet heeft gekregen. De rechtbank wijst deze vordering daarom af. Het is daarbij overigens de vraag of [eiser] daardoor in zijn belangen wordt geschaad. Als in het vervolg van deze procedure zou blijken dat de rechtbank voor haar oordeel bepaalde stukken nodig heeft die, hoewel [gedaagde] daarover beschikt of geacht kan worden te beschikken, niet door haar zijn overgelegd, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

De goederen.

-overeenstemming over de waarde van de goederen ?

4.11.

Strikt genomen bestaat de nalatenschap wat betreft de positieve vermogensbestanddelen op dit moment alleen uit de vordering op [gedaagde] uit hoofde van de door haar verschuldigde inbreng. De goederen van de nalatenschap zijn immers in eigendom aan [gedaagde] overgedragen in het kader van de afgifte van het legaat.
heeft door het haar toegekende legaat te aanvaarden ook de verplichting op zich genomen om de waarde van de aan haar af te geven goederen aan de nalatenschap te vergoeden. Uit de notariële akte van 8 juni 2017 tot afgifte van het legaat blijkt echter dat wel de goederen aan [gedaagde] in eigendom zijn overgedragen, maar dat [gedaagde] niet aan haar daartegenover staande inbrengplicht heeft voldaan. De rechtbank verwijst naar de passage, opgenomen onder V van de akte (zie 2.14 hiervoor). Ongeacht het antwoord op de vraag of dat, zoals [eiser] heeft gevorderd, ertoe moet leiden dat de afgifte ongedaan moet worden gemaakt, - dat punt komt hierna onder 4.55 en volgende nog aan de orde – is van belang om vast te stellen wat de waarde van de goederen van de nalatenschap en/of de omvang van de inbrengverplichting is.

4.12.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de goederen en verwijst daarbij naar de in 2.11. weergegeven brief van 23 december 2013. Voor zover zij daarmee heeft bedoeld te stellen dat zij overeenstemming met [eiser] heeft bereikt over de waarde van alle goederen van de nalatenschap, kan de rechtbank haar daarin niet volgen, omdat uit een simpele vergelijking van de in rechtsoverweging 4.7. genoemde vermogensopstellingen van [eiser] en [gedaagde] al volgt dat zij het niet eens zijn over de omvang en samenstelling van de nalatenschap.

4.13.

In de genoemde brief worden ook niet alle goederen van de gemeenschap genoemd. Op zijn best kan uit de brief van [gedaagde] van 23 december 2013 worden afgeleid dat er volgens haar overeenstemming is bereikt over de waarde van de panden aan de [adres] en [adres] te [plaats] , de inboedel van erflaatster, en de waarde van de aandelen van Nail Line BV. Maar ook dat standpunt volgt de rechtbank niet.

4.14.

De in rechtsoverweging 2.9. weergegeven “vaststellingsovereenkomst” laat zich namelijk niet anders uitleggen dan dat partijen daarin hebben afgesproken dat de door ieder van hen al ingeschakelde makelaars samen een derde makelaar zouden aanstellen en dat diens taxatie bindend zou zijn. Aan het feit dat [eiser] [gedaagde] op 12 november 2013 heeft gemaild dat zij die door hem opgestelde vaststellingsovereenkomst als niet verzonden moest beschouwen, komt verder geen betekenis toe: aan hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken (namelijk: dat er een derde makelaar zou worden benoemd), is uitvoering gegeven, zonder dat [eiser] daartegen verder heeft geprotesteerd. [eiser] stelt zich echter op het standpunt dat hij niet aan die overeenkomst kan worden gehouden. De rechtbank volgt hem daarin.

4.15.

De enkele omstandigheid dat het testament [gedaagde] de bevoegdheid geeft de nalatenschap van haar moeder af te wikkelen, betekent niet dat zij zich niets gelegen hoeft te laten liggen aan de gerechtvaardigde belangen van haar broer, die de enige andere erfgenaam is. [gedaagde] heeft, weliswaar kennelijk op verzoek van de derde makelaar (Colliers) zelf, overleg met Colliers gevoerd over de waarderingsgrondslag. Maar dat was nu juist niet de bedoeling. Gegeven de discussie die partijen hadden over de waardering van de onroerende zaken, had van [gedaagde] verwacht mogen worden dat zij zich bij vragen van Colliers uiterst terughoudend zou opstellen: zij had ofwel Colliers voor de beantwoording van die vragen moeten verwijzen naar de beide makelaars die eerder door partijen zelf waren ingeschakeld, ofwel had zij haar broer bij de beantwoording van de vragen van Colliers moeten betrekken. Zij heeft echter het een noch het ander gedaan. Gesteld noch gebleken is verder dat Colliers zelf contact heeft gezocht met [eiser] over de waarderingsgrondslag. Dat alles maakt dat van een onpartijdige taxatie, wat nu juist het doel was van de vaststellingsovereenkomst, niet meer kan worden gesproken en dat [eiser] niet aan de taxatie van Colliers kan worden gehouden.

4.16.

Het voorgaande heeft ook gevolgen voor de waarde van de overige in de brief van [gedaagde] genoemde goederen. Duidelijk is immers dat [eiser] de nalatenschap als één geheel wilde zien en slechts akkoord was met de overige “punten” als partijen overeenstemming zouden bereiken over de waarde van de onroerende zaken. Nu die overeenstemming er (nog steeds) niet is, moet het ervoor worden gehouden dat partijen het niet eens zijn over de waarde van de goederen van de nalatenschap. Dat betekent dat die waarde alsnog moet worden vastgesteld. Het testament van erflaatster indachtig, zal de rechtbank deskundigen benoemen die de waarde van de goederen zullen vaststellen waarover partijen geen overeenstemming hebben bereikt. Daarvoor zal de rechtbank eerst inventariseren welke goederen tot de nalatenschap behoren.

- welke goederen maken deel uit van de nalatenschap

4.17.

Uit een vergelijking van de vermogensopstellingen van partijen (productie 40 van [eiser] ; producties 50 en 51 van [gedaagde] ) blijkt dat zij niet van mening verschillen dat in ieder geval de volgende goederen deel uitmaken van de nalatenschap:

  1. de onroerende zaken aan de [adres] en [adres]

  2. de waarde van de aandelen in de besloten vennootschap Nail Line B.V.

  3. saldi van bankrekeningen

  4. inboedel

  5. sieraden

  6. een auto van het merk BMW

4.18.

In geschil is of het volgende tot de nalatenschap behoort:

7. rechten uit een overlijdensrisicoverzekering

- de peildatum

4.19.

Het testament regelt niet per welk tijdstip de in te brengen waarde dient te worden bepaald. Aangezien het legaat en daarmee de vordering tot levering tegen inbreng van de waarde wordt verkregen met het overlijden van erflaatster, wordt aangenomen dat de in te brengen waarde is de waarde per sterfdag, tenzij erflaatster anders heeft bepaald. Dat laatste doet zich dus niet voor.

4.20.

De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een ander tijdstip als peildatum kan gelden. Volgens [eiser] doet die situatie zich voor, waarbij hij verwijst naar HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8521 (NJ 2007/219). Het in die uitspraak berechte geval vertoont echter onvoldoende gelijkenis met de onderhavige zaak. Meer in het bijzonder is de rechtbank niet gebleken dat [gedaagde] sinds het overlijden van erflaatster om niet in de woning heeft gewoond, nu het er, bij gebreke van verweer zijdens [eiser] voor gehouden moet worden dat zij de aan de woning verbonden hypothecaire lasten voor haar rekening heeft genomen en uit eigen middelen heeft voldaan. Bovendien heeft het contact tussen partijen geruime tijd (twee jaar) stilgelegen, zonder dat een van hen in het tijdsverloop aanleiding heeft gezien nadere stappen (al dan niet in rechte) te zetten om tot verdeling te geraken. Voor het overige heeft [eiser] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van een andere peildatum uit te gaan dan die van de sterfdag.

-de goederen van de gemeenschap nader beschouwd

Ad 1. De onroerende zaken

4.21.

De rechtbank zal bij een nader vonnis een deskundige benoemen ter beantwoording van de volgende vragen:

  • wat is volgens u de juiste maatstaf voor de waardering van de onroerende zaken aan de [adres] en [adres] te [plaats] , in aanmerking genomen dat een deel van het bedrijfspand werd verhuurd?

  • wat is, uitgaande van die maatstaf, de waarde van de beide onroerende zaken?

  • zijn er nog andere opmerkingen die u wilt maken?

De rechtbank zal de deskundige er daarbij op wijzen dat partijen van mening verschillen over het deel van het bedrijfspand ( [adres] ) dat is verhuurd, en het deel dat in gebruik is bij Nail Line B.V. Volgens [eiser] is 60% in gebruik bij Nail Line B.V., en 40% beschikbaar voor verhuur; volgens [gedaagde] is 84% beschikbaar gesteld aan Nail Line B.V.

Ad 2. De aandelen van erflaatster in Nail Line B.V.

4.22.

Partijen zijn het niet eens over de waarde van deze aandelen. Het standpunt van [gedaagde] dat partijen een bindende afspraak hebben gemaakt over de waarde van de aandelen en dat die waarde € 8.000,00 bedraagt, wordt gelet op het voorgaande verworpen. [eiser] stelt dat de waarde van de aandelen ten minste € 50.000,00 bedraagt. Onder verwijzing naar de balans 2013 en het financiële verslag 2016 van de onderneming stelt hij dat in 2013, respectievelijk 2016 sprake was van een inventaris ter waarde van € 22.930,00, auto's ter waarde van € 18.096,00, kantoormachines ter waarde van € 2.321,00, debiteuren van € 12.077,40 (2013), respectievelijk € 48.240,00 (2016), en er sprake is van voorraden ter waarde van € 127.302,00, nog afgezien van de omzetten die gegenereerd zijn van € 248.474,00 (2013) en € 249.271,00 (2016).

De rechtbank zal bij een nader vonnis een deskundige benoemen en deze de volgende vragen voorleggen:

  • wat is volgens u de meest aangewezen maatstaf voor de waardering van de aandelen van erflaatster in Nail Line B.V.?

  • wat is, uitgaande van die maatstaf, de waarde van die aandelen?

ad 3. Saldi van bankrekeningen

4.23.

Tussen partijen bestaat overeenstemming over het bestaan van de volgende bankrekeningen en het saldo op de sterfdatum:

  • Rabo betaalrekening [rekeningnummer] met een saldo van € 1.001,75

  • ING bank rekening [rekeningnummer] met een saldo van € 1.649,36.

4.24.

In geschil zijn de volgende rekeningen:

4.24.1.

ABN AMRO [rekeningnummer] :

[eiser] voert aan dat uit hem bekende bankafschriften blijkt dat maandelijks een bedrag van € 227,80 van voormelde ING rekening werd overgeboekt naar dit rekeningnummer bij ABN AMRO onder de vermelding 'automatische incassotermijnbedrag' met contractnummer [contractnummer] .

Volgens [gedaagde] gaat het om een flexibel krediet, waarvan zij het bestaan voor het overlijden van erflaatster niet kende. Zij stelt dat zij de rekening na het overlijden heeft opgeheven en dat er geen saldo op stond. Zij heeft [eiser] hierover reeds geïnformeerd en van meet af aan aangegeven dat het hem vrijstaat een en ander te verifiëren. Volgens haar wil ABN AMRO geen schriftelijke informatie verschaffen en moet [eiser] zelf maar contact moet opnemen met de ABN-AMRO bank.

De rechtbank overweegt dat [eiser] erfgenaam is. Als zodanig heeft hij als rechtsopvolger onder algemene titel de mogelijkheid om zelf bij de bank het verloop van het banksaldo van erflaatster in te zien en bankafschriften op te vragen. In zoverre stelt [gedaagde] terecht dat [eiser] hier ook gebruik had kunnen maken van zijn eigen rechten. Maar hier speelt dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat zij over de boekhouding van erflaatster beschikt. [eiser] en [gedaagde] zijn als erfgenamen deelgenoten en zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 BW) . De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en samenstelling van die nalatenschap van belang kunnen zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] [eiser] ongehinderde toegang tot de boekhouding van erflaatster zal geven, waaronder onder meer, maar niet beperkt tot, alle gegevens met betrekking tot de bankrekeningen van erflaatster. Daarbij heeft de rechtbank goede notie genomen van het aanbod van (de advocaat van) [gedaagde] om nadere gegevens in het geding te brengen. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen een nadere akte te nemen om zich erover uit te laten welke inzichten in de administratie van erflaatster hem hebben gebracht.

4.24.2.

OHRA [rekeningnummer]

[eiser] heeft gesteld dat er vanaf voormelde ING rekening maandelijks € 250,00 werd overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] onder vermelding van 'periodieke

incasso OHRA maand spaarrekening' ten behoeve van rekeningnummer [rekeningnummer] .

[gedaagde] heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde productie 60 gesteld dat het saldo op die rekening op het moment van het overlijden € 97,24 bedroeg.

De rechtbank overweegt dat een dergelijk laag saldo niet te verklaren is vanuit de door [eiser] gestelde maandelijkse overschrijvingen. Ook hier geldt echter hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de rekening bij ABN-AMRO: [eiser] had hier zelf informatie over kunnen opvragen, en [gedaagde] had [eiser] gelegenheid moeten geven om de stukken in te zien. De rechtbank zal ook hier [eiser] in de gelegenheid stellen een nadere akte te nemen.

4.24.3.

Delta Lloyd

[eiser] stelt wel dat er een spaarproduct bij Delta Lloyd bestaat, maar onderbouwt dat verder niet. Als de administratie van erflaatster (zie hiervoor) op dit punt geen duidelijkheid biedt, zal de rechtbank ervan uitgaan dat er geen sprake is van een spaarrekening bij Delta Lloyd.

Ad. 4. De inboedel

4.25.

Volgens [eiser] is de inboedel minimaal € 20.000,00 waard, waarbij hij erop wijst dat erflaatster in het bezit was van twee Artifort banken, die volgens hem € 6.000,00 per stuk waard zijn en dat zij ook twee schilderijen van Pieter Alewijns bezat, die € 3.800,00 per stuk waard zijn.

4.26.

Het verweer van [gedaagde] dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een waarde van de inboedel van erflaatster van € 8.000,00 wordt verworpen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. [gedaagde] betwist dat de waarde van de inboedel van erflaatster € 20.000,00 bedraagt.

4.27.

Bij die stand van zaken, zal de rechtbank ook hier bij een nog te wijzen vonnis een deskundige benoemen die de waarde moet beoordelen van de inboedel van erflaatster naar de samenstelling en toestand ten tijde van het overlijden van erflaatster. Als onweersproken moet worden aangenomen dat tot die inboedel ten minste twee Artifort banken en twee schilderijen van Pieter Alewijns behoorden. Anders dan [eiser] heeft de rechtbank geen behoefte aan inzage in de polis van de inboedelverzekering, nu het algemeen bekend is dat de daarop gemelde verzekerde waarde de vervangings- (of nieuw-)waarde van de inboedelzaken betreft. Mogelijk zou de inboedelverzekering interessant zijn als de volledige inboedel van erflaatster hagelnieuw zou zijn, maar gesteld noch gebleken is dat dat het geval was. De rechtbank wijst er op dat [eiser] in de gelegenheid moet worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn en zal de deskundige (en [gedaagde] ) in die zin instrueren.

Ad. 5. Sieraden

4.28.

[eiser] gaat ervan uit dat erflaatster sieraden bezat met een totale waarde van € 10.000,00. Volgens [gedaagde] bezat erflaatster een paar oude horloges, een zilveren ringetje, een paar goedkope armbanden en een klein gouden ringetje.

De stellingen van [eiser] gaan niet verder dan dat erflaatster sieraden had en dat zij werkte in de cosmetische industrie, waarin het belangrijk is om goed verzorgd voor de dag te komen. Daarmee heeft hij onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat erflaatster meer sieraden bezat dan door [gedaagde] is gesteld. Evenmin heeft hij aannemelijk kunnen maken dat erflaatster een afzonderlijke sieradenverzekering had afgesloten.

4.29.

Het voorgaande neemt niet weg, dat [gedaagde] alle goederen uit de nalatenschap van erflaatster heeft gekozen, en daarmee ook de sieraden. Daarmee zal zij ook de waarde van de sieraden moeten inbrengen. De rechtbank gaat ervan uit dat de deskundige die zij zal benoemen om de inboedel te taxeren, ook in staat zal zijn om de waarde te bepalen van de door [gedaagde] genoemde sieraden.

4.30.

De vraagstelling aan de deskundige komt daarmee te luiden:

  • wat is de vrije verkoopwaarde van de inboedel van de woning aan de [adres] te [plaats] , waaronder twee Artifortbanken en twee schilderijen van Pieter Alewijns?

  • wat is de vrije verkoopwaarde van de sieraden van erflaatster, met name de horloges, de armbanden, en het zilveren en gouden ringetje ?

De rechtbank wijst de deskundige (en [gedaagde] ) erop dat [eiser] aanwezig moet zijn tijdens de taxatie.

Ad 6. De auto van het merk BMW

4.31.

Uit de akte van afgifte van het legaat (productie 6 van [eiser] ) blijkt dat tot de nalatenschap van erflaatster tevens een personenauto van het merk BMW behoorde. De rechtbank verwerpt het betoog van [eiser] dat [gedaagde] haar aandeel in deze auto heeft verbeurd omdat het een zogenaamd verzwegen goed zou zijn (vgl. artikel 3:194 lid 2 BW) . Dit is duidelijk niet het geval. In de notariële akte tot afgifte van het legaat is de auto opgenomen onder de goederen die onder het legaat vallen en die aan [gedaagde] zijn afgegeven. Daarmee moet de waarde van de auto dus door [gedaagde] in de nalatenschap worden ingebracht en wordt daarmee bij de verdere afwikkeling van de nalatenschap rekening gehouden. Dat de auto in de onderhandelingen tussen partijen geen rol heeft gespeeld maakt dat niet anders. [eiser] gaat uit van een waarde van de auto van € 6.000,00. Nu [gedaagde] die waarde niet heeft weersproken, zal ook de rechtbank van die waarde uitgaan.

Ad 7. Rechten uit een overlijdensrisicoverzekering

4.32.

[eiser] stelt dat erflaatster een overlijdensrisico had, ter waarde van fl. 150.000,00 (€ 68.067,03). Volgens hem is de eigenwoningschuld per de datum van overlijden afgelost en wijst ook dat erop dat er een overlijdensrisicoverzekering en/of levensverzekering was. [eiser] verwijst verder naar een pagina uit een financieringsvoorstel van de Rabobank van 6 september 1999, waarop op pagina 2 staat vermeld: "Verpanding rechten/vorderingen uit een overlijdensrisicoverzekering op naam van [naam erflaatster] , groot f 150.000,--."

4.33.

Volgens [gedaagde] bestaat er geen overlijdensrisicoverzekering. Zij heeft daarover gebeld. De financiering waarnaar door [eiser] is verwezen, is ofwel niet aangegaan, ofwel is voortijdig opgezegd.

4.34.

Naar het oordeel van de rechtbank was het aan [gedaagde] om hierover klare wijn te schenken, en valt er op de kwaliteit van haar betwisting veel af te dingen. Zo is het antwoord op de vraag met wie ze dan heeft gebeld (en wanneer) niet gegeven. In ieder geval lijkt het niet erg aannemelijk dat het financieringsvoorstel niet is geaccepteerd: de rechtbank stelt namelijk vast dat op het door [eiser] overgelegde stuk te lezen is dat “als u van deze aanbieding gebruik maakt (…) verzoeken [wij] u (…) alle pagina’s van dit voorstel (…) te paraferen” en dat de betreffende pagina onder het kopje “cliënt” van een paraaf is voorzien. Op de stelling van [eiser] dat de eigenwoningschuld is afgenomen, heeft [gedaagde] zelfs niet gereageerd. Mede omdat [gedaagde] beschikt over de administratie van erflaatster, had er op dit punt veel meer van haar mogen worden verwacht. Voorshands, behoudens door [gedaagde] te leveren tegenbewijs, zal de rechtbank er dan ook vanuit gaan dat tot de nalatenschap rechten uit een overlijdensrisicoverzekering behoorden, tot een omvang van € 68.067,03. De rechtbank zal [gedaagde] toelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Conclusie met betrekking tot de goederen van de nalatenschap

4.35.

De conclusie is dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de waarde die aan de goederen van de nalatenschap moet worden toegekend, en daarmee dus ook over de omvang van de inbrengverplichting van [gedaagde] .

De schulden van de nalatenschap

4.36.

Ook over de (omvang van) de schulden van de nalatenschap bestaat weinig overeenstemming tussen partijen.

De rechtbank behandelt hierna alleen de schulden voor zover die tijdens de comparitie aan de orde zijn geweest. Dat gaat om:

  1. Leningen bij de Rabobank

  2. Een schuld aan [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2]

  3. Een schuld aan [naam schuldeiser 3]

  4. Een fiscale claim op het onroerend goed

Ad 1. Leningen bij de Rabobank

4.37.

[gedaagde] stelt dat de volgende leningsovereenkomsten bij de Rabobank schulden van de nalatenschap zijn:

[nummer leningsovereenkomst]

4.38.

Ten aanzien van de leningen met nummer [nummer leningsovereenkomst] , [nummer leningsovereenkomst] en

[nummer leningsovereenkomst] stelt [eiser] zich op het standpunt dat bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap met deze leningen geen rekening moet worden gehouden. Volgens informatie van de Rabobank zou het gaan om zakelijke leningen. Bovendien is van deze leningen in de aangifte IB van erflaatster onder het box 3 vermogen geen opgave gedaan. Als erflaatster het geld privé geleend heeft en ter beschikking heeft gesteld van Nail Line B.V. is sprake van een vordering op Nail Line B.V. die in de nalatenschap valt. Ook dat blijkt volgens [eiser] niet uit de beschikbare stukken.
Alvorens hier verder over te oordelen, zal de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid stellen de onderliggende geldleningsovereenkomsten in het geding te brengen.

4.39.

Dat geldt ook ten aanzien van de leningen met nummer [nummer leningsovereenkomst] en [nummer leningsovereenkomst] . [eiser] stelt dat [gedaagde] daarvan medeschuldenaar is, en dat die schulden geheel althans gedeeltelijk voor rekening van [gedaagde] dienen te blijven. Ook van deze leningen wil de rechtbank de leningsovereenkomsten zien.

4.40.

Ten aanzien van de lening met nummer [nummer leningsovereenkomst] bestaat onduidelijkheid over het saldo op het moment van overlijden. [eiser] stelt dat uit een brief van de Rabobank volgt dat het saldo op het moment van overlijden € 14.500,00 bedroeg, terwijl het saldo volgens [gedaagde] € 72.604,83 bedroeg. Uit de door [gedaagde] als bijlage 6.1 t/m 6.3 bij productie 51 overgelegde kopie bankafschriften blijkt dat het saldo van de rekening met nummer [nummer leningsovereenkomst] op de sterfdatum € 72.604,83 bedroeg en het saldo van de rekening met nummer [nummer leningsovereenkomst] € 14.500,00. De rechtbank gaat er daarom voorshands van uit dat abusievelijk in de brief van de Rabobank waar [eiser] zich op beroept de rekeningnummers en de bijbehorende saldi zijn verwisseld en dat het saldo van € 72.604,83 zoals vermeld op het rekeningafschrift juist is. Mocht [eiser] in de administratie van erflaatster gegevens aantreffen die aantonen dat deze conclusie niet juist is, dan kan hij die gegevens alsnog inbrengen bij de door hem nog te nemen akte (zie hiervoor onder 4.24.1. t/m 4.24.3.).

Ad 2. een schuld aan [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2]

4.41.

[naam schuldeiser 1] is de broer van erflaatster; [naam schuldeiser 2] is zijn partner. Volgens [gedaagde] bedraagt de schuld van erflaatster aan hen € 65.042,99. Daarbij verwijst zij naar een overeenkomst van geldlening van 5 januari 2001, waarin is opgenomen dat erflaatster fl. 120.000,00 leent van haar broer en mevrouw [naam schuldeiser 2] , een aanhangsel van 26 april 2012 en een verklaring van 25 juli 2013.

4.42.

[eiser] betwist dat deze schuld is aangegaan door erflaatster. Hij wijst erop dat er geen bankafschriften zijn overgelegd waaruit blijkt dat er een bedrag van fl. 120.000,00 (€ 54.453,63) op de bankrekening van erflaatster is gestort en dat erflaatster voornoemde schuld ook nimmer heeft opgenomen in haar belastingaangiften. Voor het geval erflaatster het bedrag wel zou hebben geleend, dan is de vordering volgens [eiser] verjaard op 5 januari 2011. Bovendien is [gedaagde] volgens het aanhangsel van 26 april 2012 medeschuldenaar, waardoor de schuld haar ten minste voor de helft (€ 27.226,82) aangaat. [eiser] stelt verder dat het gestelde bedrag van € 65.042,99 niet te rijmen is met het in de leningsovereenkomst genoemde bedrag van € 54.453,63

4.43.

De door [gedaagde] overgelegde stukken leveren in dit geding geen dwingend bewijs op van het bestaan van de gestelde leningsovereenkomst. Met die stukken heeft zij wel een begin van bewijs geleverd. De rechtbank zal haar in de gelegenheid stellen te bewijzen dat het gestelde bedrag van fl. 120.000,00 (€ 54.453,63) daadwerkelijk ter beschikking van erflaatster is gesteld en nog niet is terugbetaald. Op de overige weren van [eiser] zal de rechtbank dan in een later stadium oordelen. De rechtbank wil daarover echter nu al kwijt dat [gedaagde] voor het verschil tussen € 65.042,99 en € 54.453,63 geen genoegzame verklaring heeft gegeven. De rechtbank heeft uit de informatie van de heer [naam schuldeiser 1] en mevrouw [naam schuldeiser 2] tijdens de comparitie begrepen dat zij voor het geleende bedrag zelf een hypotheeklening hebben afgesloten of een bestaande hypotheek hebben verhoogd, en dat met erflaatster is afgesproken dat zij de door hen verschuldigde (variabele) hypotheekrente zou betalen èn een bonusrente. Het verschil zou dan zijn ontstaan doordat de variabele hypotheekrente wel altijd is betaald, maar de bonusrente niet. Aan de hand van de overgelegde stukken valt echter niet na te gaan dat ten tijde van haar overlijden een achterstand bestond in betaling van € 10.589,36 (het verschil tussen € 65.042,99 en € 54.453,63).

Ad 3. Een schuld aan [naam schuldeiser 3]

4.44.

[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat dit een lening is aan erflaatster. Hij heeft gesteld dat deze schuld niet vermeld staat in de aangifte inkomstenbelasting van erflaatster, dat het leningsbedrag is overgemaakt naar de ten name van [gedaagde] gestelde bankrekening [rekeningnummer] en dat de handtekening onderaan de door [gedaagde] overgelegde overeenkomst ook zeer afwijkend is van andere handtekeningen van erflaatster. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] daar onvoldoende tegenover gesteld, zodat zij er vanuit zal gaan dat de hier bedoelde schuld niet tot de nalatenschap behoort.

Ad 4. Fiscale claim

4.45.

[gedaagde] stelt, onder verwijzing naar een e-mail van haar adviseur [naam adviseur] (productie 51 van [gedaagde] , bijlage 10.1 en 10.2), dat het bedrijfspand aan de [adres] ter beschikking is gesteld aan Nail Line B.V. en dat er door het overlijden van erflaatster een (forse) fiscale claim is ontstaan, die is doorgeschoven naar [gedaagde] .

4.46.

[eiser] wijst erop dat [gedaagde] deze vermeende fiscale last pas in de loop van deze procedure is gaan vermelden. Volgens hem blijkt uit de als productie 37 overgelegde e‑mail van [naam adviseur] niet dat er daadwerkelijk aanslagen zijn/worden overgelegd dan wel dat de belastingdienst van oordeel is dat nog moet worden afgerekend. Bovendien bedraagt de navorderingstermijn vijf jaar. Nu die inmiddels verstreken is, kan niet meer worden gevorderd. Voor het geval er wel een navordering mogelijk zou zijn, merkt [eiser] op dat niet met stukken is onderbouwd wat de gehanteerde boekwaarde is van het bedrijfspand dat deels aan Nail Line B.V. wordt verhuurd, dat onduidelijk is wat de waarde van het bedrijfspand is (de rechtbank benoemt daarvoor een deskundige) en dat het gelet op het verhuurde vloeroppervlak niet juist is dat 84% van de bedrijfsruimte wordt verhuurd aan Nail Line B.V. (zoals waarvan [gedaagde] uitgaat) maar slechts 60%. Anders dan [gedaagde] stelt is volgens [eiser] uit geen enkel stuk gebleken dat het percentage van 84% in afstemming met de Inspecteur zou zijn vastgesteld en sindsdien in de aangiften 1B van erflaatster zou zijn gevolgd. Evenmin blijkt als dat de belastingdienst het percentage van 84% ook zal hanteren bij het vaststellen van een mogelijke IB-schuld.

4.47.

De rechtbank acht het wenselijk dat zij op dit punt wordt voorgelicht door een deskundige. Daarbij stelt de rechtbank zich voor dat de te benoemen deskundige de hoedanigheid van fiscalist zal bezitten en dat de vraagstelling als volgt komt te luiden:

  • Was er ten tijde van het overlijden van erflaatster met betrekking tot de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] sprake van een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel in de zin van paragraaf 3.4.1. van de Wet IB 2001?

  • Speelt bij het bepalen van de fiscale gevolgen van de terbeschikkingstellingregeling de omvang van de in gebruik gegeven vloeroppervlakte een rol?

  • Hoe beoordeelt u de stelling dat er met de Inspecteur is afgesproken dat 84% van de inkomsten uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen belast zijn in box 1 en 16% in box 3?

  • Heeft er na het overlijden van erflaatster belastingheffing plaatsgevonden in verband met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen? Zo ja, tot welk bedrag? Zo nee: waarom niet?

  • Hoe beoordeelt u de stelling van [eiser] dat de navorderingstermijn van vijf jaar inmiddels is verstreken en er daarom geen belasting meer zal kunnen worden gevorderd?

  • Zijn er nog andere opmerkingen die u wenst te maken die voor de rechter van belang kunnen zijn?

Conclusie over de schulden

4.48.

Ook hiervoor geldt dat er op dit moment nog niet kan worden vastgesteld wat de omvang van de schulden van de nalatenschap is.

[gedaagde] heeft bovendien gesteld dat zij de schulden van de nalatenschap heeft overgenomen en als haar eigen schuld voldoet en/of heeft voldaan. Deze stelling is alleen op geen enkele manier onderbouwd. Niet duidelijk is vanaf welk moment [gedaagde] de schulden voor eigen rekening is gaan betalen en welke schulden zij voor eigen rekening betaalt. Voor een rechtsgeldige overname van schulden is bovendien vereist dat de schuldeisers om wie het gaat ermee hebben ingestemd dat [gedaagde] de schulden als eigen schuld zal voldoen en dat [eiser] is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die schulden. Vooralsnog is daarvan niet gebleken. Onder punt 4.57. komt de rechtbank op dit laatste terug.

III. De giften

4.49.

Om het erfdeel van [eiser] te kunnen vaststellen moet rekening worden gehouden met eventuele giften die erflaatster bij leven aan haar nakomelingen heeft gedaan. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor onder punt 4.4 heeft overwogen.
heeft erop gewezen dat erflaatster in het verleden op 2 momenten aandelen heeft overgedragen aan [gedaagde] . Op 20 oktober 1995 (productie 21 van [gedaagde] ) heeft erflaatster in haar hoedanigheid van directeur van beleggingsmaatschappij AFM BV 120 aandelen verkocht en overgedragen aan [gedaagde] tegen de koopsom van fl. 1,00 (€ 0,45). Op 20 april 2007 (productie 22 van [gedaagde] ) zijn 125 aandelen door erflaatster in haar hoedanigheid van directeur van Nail Line B.V. verkocht en overgedragen aan [gedaagde] tegen een koopsom van € 1,00.Volgens [eiser] is bij beide gelegenheden geen reële koopprijs gehanteerd en gaat het in feite om schenkingen. Bij gebrek aan nadere informatie bepaalt [eiser] de omvang van het geschonkene op achtereenvolgens € 10.000,00 voor de aandelen AFM en € 8.000,00 voor de aandelen Nail Line BV. Volgens [gedaagde] was de waarde van de aandelen nihil.

4.50.

Wanneer inderdaad voor de in het verleden overgedragen aandelen geen reële prijs door [gedaagde] is betaald, is sprake van een gift die ingevolge artikel 4:65 BW moet worden betrokken bij de berekening van de legitieme portie, en daarmee dus ook bij de vaststelling van het aandeel van [eiser] in de nalatenschap.

Over de (achtergronden van de) aandelenoverdracht AFM heeft [gedaagde] in reactie op de stellingen van [eiser] geen inhoudelijk concrete uitleg gegeven waaruit kan worden afgeleid dat zij voor de door haar verworven aandelen een reële prijs heeft betaald. Daarmee heeft zij de stelling van [eiser] dat die overdracht een verkapte gift inhield onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Nu concrete aanknopingspunten ontbreken zal de rechtbank bij de berekening van het erfdeel van [eiser] rekening houden met de, schattenderwijs, door [eiser] aangegeven waarde van € 10.000,00.

Voor de overdracht van aandelen Nail Line B.V. in 2007 ligt dat anders. Nu de rechtbank toch al een deskundige zal aanstellen om de waarde van de aandelen van erflaatster in Nail Line B.V. vast te stellen, zal de rechtbank de vraagstelling aan de deskundige uitbreiden met een vraag naar de waarde van de aan [gedaagde] in 2007 overgedragen aandelen in Nail Line B.V.

4.51.

Ook wil [eiser] dat rekening wordt gehouden met de aflossing van de lening aan [naam schuldeiser 3] en eventuele andere giften van erflaatster aan [gedaagde] .
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de schuld aan [naam schuldeiser 3] niet kan worden aangemerkt als een lening verstrekt aan erflaatster en dat deze dus niet tot de nalatenschap moet worden gerekend. Voor zover komt vast te staan dat de betaling van deze schuld ten laste van erflaatster is verricht is dus sprake van een gift waarmee bij het bepalen van het wettelijk erfdeel van [eiser] rekening moet worden gehouden.
Over mogelijk andere giften kan de rechtbank kort zijn: vooralsnog biedt wat [eiser] hierover naar voren heeft gebracht onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat dergelijke giften zijn gedaan.

4.52.

Tenslotte is [eiser] van mening dat nu erflaatster de huur voor haar rekening heeft genomen en slechts een gering bedrag van € 85,00 per maand aan [gedaagde] voor huishoudkosten in rekening heeft gebracht, ook hierin een schenking is gelegen die in aanmerking moet worden genomen.

[gedaagde] heeft daartegenover gesteld dat er geen grond is waarop [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding voor door erflaatster betaalde kosten van de huishouding. Zij en erflaatster hadden samen een huishouding, maar geen samenlevingsovereenkomst of een daarmee gelijk te stellen informele samenlevingsrelatie. [gedaagde] werkte voor Nail Line B.V. en is uit kostenoverwegingen en om woon-/werkverkeer te beperken weer bij erflaatster ingetrokken. Afgesproken was dat [gedaagde] onder meer de kosten voor de boodschappen, huishoudelijke hulp, tuin en onderhoud van het huis zou betalen. [gedaagde] heeft alleen op papier een (minimaal) salaris ontvangen van Nail Line B.V., maar in werkelijkheid is dit nooit aan haar betaald; dat liet de financiële positie van Nail Line B.V. niet toe. De facto heeft [gedaagde] nog het nodige van Nail Line B.V. te ontvangen.

4.53.

De rechtbank begrijpt dat gedurende jaren werk en privé van erflaatster en [gedaagde] door elkaar zijn gelopen, dat moeder en dochter samen werkten in de onderneming Nail Line B.V., dat zij in gezinsverband bij elkaar woonden en over en weer voor elkaar hebben gezorgd. [eiser] heeft die feitelijke situatie ook niet weersproken en er is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] , buiten haar eventuele inkomsten uit Nail Line B.V., privé over vermogen of inkomsten beschikte om in haar onderhoud te voorzien. Hoe de geldstromen tussen de onderneming en erflaatster, respectievelijk de onderneming en [gedaagde] , precies zijn gelopen en hoe de kosten voor de gezamenlijke huishouding zijn voldaan, is niet inzichtelijk gemaakt. Vooralsnog ziet de rechtbank geen reden om (een deel van) de gezamenlijke huishoudelijke kosten aan te merken als gift. Dit kan anders zijn wanneer mocht blijken dat [gedaagde] – anders dan zij stelt – wel degelijk een redelijk salaris uitbetaald heeft gekregen voor haar werkzaamheden in Nail Line B.V. In dat geval is het aan haar om aan te tonen dat zij een reële bijdrage heeft betaald aan de kosten van de gezamenlijke huishouding. De beschikbare financiële gegevens van Nail Line B.V. (productie 16 bij dagvaarding) bieden hier geen inzicht in. De rechtbank zal daarom de deskundige die onderzoek zal gaan doen naar de waarde van de aandelen Nail Line B.V. tevens de vraag voor leggen na te gaan welk salaris [gedaagde] door Nail Line B.V. is toegekend en in hoeverre zij uit dien hoofde een vordering heeft op Nail Line B.V.

4.54.

Daarmee wordt de vraagstelling aan de deskundige:

  • wat is volgens u de meest aangewezen maatstaf voor de waardering van de aandelen van erflaatster in Nail Line B.V.?

  • wat is, uitgaande van die maatstaf, de waarde van die aandelen op 4 juli 2013?

  • wat was in 2007 de waarde van de 125 aandelen in Nail Line B.V. die erflaatster toen aan [gedaagde] heeft verkocht?

  • welk salaris is [gedaagde] door Nail Line B.V. toegekend?

  • in hoeverre heeft [gedaagde] nog een vordering op Nail Line B.V. in verband met eventueel achterstallig salaris?

  • welke overige opmerkingen wenst u nog te maken die voor de rechter van belang kunnen zijn bij het beslechten van het geschil?

IV. De afgifte van het legaat en de inbreng

4.55.

[gedaagde] heeft in haar hoedanigheid van executeur het aan haar toegekende legaat afgegeven op 8 juni 2017, zonder dat tegelijkertijd harerzijds de daartegenover staande inbrengplicht is voldaan. De rechtbank wijst voor dit laatste naar de passage in de notariële akte afgifte legaat van 8 juni 2017, opgenomen onder V van de akte en hiervoor weergegeven onder punt 2.14. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening heeft genomen en dat zij daarmee aan haar inbrengverplichting zou hebben voldaan.

4.56.

De rechtbank kan in deze stelling niet mee gaan. Niet alleen zegt de tekst van de notariële akte iets anders, het was voor [gedaagde] ook duidelijk dat, op het moment dat de goederen werden afgegeven, er tussen partijen geen overeenstemming bestond over de omvang van haar inbrengplicht.

[gedaagde] heeft haar stelling ook niet onderbouwd. Zij heeft niet aangetoond dat en welke schulden van de nalatenschap en/of de daaraan verbonden verplichtingen zoals rentebetaling en aflossing zij daadwerkelijk heeft betaald. Bovendien is voor een rechtsgeldige overname van schulden vereist dat de betreffende schuldeisers daarmee hebben ingestemd. [gedaagde] heeft ook dat niet aangetoond. [gedaagde] gaat er ook aan voorbij dat uit de vermogensopstelling die partijen ieder voor zich hebben overgelegd blijkt dat in beider visie de waarde van de goederen van de nalatenschap de omvang van de schulden overstijgt. Zou [gedaagde] ten volle aan haar inbrengplicht hebben voldaan, dan zou er sprake moeten zijn van een positief saldo ten name van de nalatenschap. Dat blijkt nergens uit en het valt ook niet te rijmen met het beroep dat [gedaagde] heeft gedaan op de betalingsregeling zoals opgenomen in het testament.

4.57.

De vraag is of dat tot gevolg moet hebben dat de afgifte van de goederen ongedaan wordt gemaakt, in ieder geval voor zover noodzakelijk om de schulden als bedoeld in artikel 4:7 BW te voldoen, zoals [eiser] heeft gevorderd. Het is de vraag welk belang daarmee wordt gediend. Ongedaanmaking van de afgifte van het legaat verandert niets aan het legaat zelf: [gedaagde] blijft recht houden op afgifte van de goederen tegen, in beginsel, de waarde op de sterfdag, zij het nadat de schuldeisers van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:7 onder a t/m c en onder f BW zijn voldaan. Ongedaan maken doet met name recht aan de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap en herstelt hun verhaalspositie voor zover die door de afgifte van het legaat is aangetast. Ook de regeling voorzien in de artikelen 4:216 en 4:220 BW geeft alleen aan de vereffenaar respectievelijk de schuldeisers van de nalatenschap hoger in rang dan de legataris de bevoegdheid van terugvordering en verhaal jegens de legataris. Tenslotte wijst de rechtbank erop dat ingevolge artikel 4:120 lid 4 in het geval de prestatie reeds is verricht en het legaat is afgegeven, de rechtsgrond daarvan in stand blijft, behoudens de mogelijkheid van terugvordering en verhaal als bedoeld in de artikelen 4:216 en 4:220 BW. Dat duidt erop dat een erfgenaam die vermindering wil van een op hem rustend legaat uit hoofde van artikel 4:120 lid 2, een eenmaal afgegeven legaat niet ongedaan kan maken en dat [eiser] alleen wanneer komt vast te staan dat hij als legitimaris een vordering zou hebben op de nalatenschap, hij verhaal kan nemen als bedoeld in artikel 4:220 BW.

4.58.

Het belang van [eiser] bij zijn vordering tot ongedaan maken ligt echter met name, zo heeft zijn advocaat ter comparitie verklaard, daarin dat hij zekerheid heeft dat de (overige) schuldeisers van de nalatenschap worden betaald en dat hij niet vanwege zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als erfgenaam door de schuldeisers van de nalatenschap wordt aangesproken voor zijn erfdeel. Wanneer komt vast te staan dat [gedaagde] , zoals zij heeft gesteld, alle (onderstreping rechtbank) schuldeisers van de nalatenschap heeft overgenomen en als haar eigen schulden heeft voldaan of voldoet, is aan dit belang tegemoet gekomen en rijst de vraag in hoeverre [eiser] nog belang heeft bij een beoordeling van dit onderdeel van zijn vorderingen. De rechtbank zal daarom [gedaagde] in de gelegenheid stellen stukken te overleggen waaruit blijkt dat zij de schulden van de nalatenschap heeft overgenomen en deze voor haar eigen rekening en risico heeft voldaan en/of in de toekomst zal voldoen, dat de schuldeisers met deze schuldovername hebben ingestemd en dat zij bereid zijn om [eiser] te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit in ieder geval geldt voor alle nog niet volledig betaalde schuldeisers van de nalatenschap. Dat ziet dus ook op schulden die de rechtbank in het voorgaande nog niet heeft besproken.

V. Rekening en verantwoording (vordering onder XVIII)

4.59.

Over deze vordering kan de rechtbank kort zijn: het is de wettelijke taak van iedere executeur om bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen. Bij het eindvonnis zal deze vordering daarom worden toegewezen.

Tussenconclusie

4.60.

De rechtbank gaat deskundigen benoemen om de waarde van de onroerende zaken (zie 4.21.), de aandelen (zie 4.22).), de inboedel en de sieraden (zie 4.31.) vast te laten stellen, de fiscale claim te beoordelen (zie 4.47) en het salaris van [gedaagde] /haar vordering uit dien hoofde op Nail Line BV (zie 4.52). Ook wordt een deskundigenbericht bevolen naar de waarde van de door erflaatster aan [gedaagde] overgedragen aandelen in Nail Line B.V. (zie 4.50.)

4.61.

Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De rechtbank meent dat voor de diverse deelonderzoeken in beginsel kan worden volstaan met telkens één deskundige. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.62.

De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om de voorschotten op de kosten van de deskundigen gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen zullen daarom ieder de helft van de voorschotten moeten betalen.

4.63.

[eiser] mag zich bij akte uitlaten over hetgeen hij in de administratie van erflaatster heeft aangetroffen en welke gevolgen dat voor zijn vorderingen heeft (4.24.1., 4.24.2., 4.24.3. en 4.40.)

4.64.

[gedaagde] moet:

- tegenbewijs leveren tegen het voorshands aannemelijk geachte bestaan van een overlijdensrisicoverzekering (zie 4.34.);

- bewijs leveren van het bestaan van een lening van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] aan erflaatster ter grootte van € 65.042,99 (zie 4.43.);

- bij akte de in 4.38. en 4.39. genoemde leningsovereenkomsten in het geding brengen;

- bij akte stukken in het geding brengen waaruit volgt dat zij alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening heeft genomen, waarbij de nog resterende schuldeisers nadrukkelijk verklaren dat zij instemmen met de schuldovername en [eiser] niet (langer) hoofdelijk aansprakelijk voor die schulden houden (zie 4.58).

4.65.

De beslissing met betrekking tot alle overige vorderingen en geschilpunten wordt aangehouden.

Tot slot

4.66.

Dit is een tussenvonnis, waarmee geen van partijen daadwerkelijk iets zal zijn opgeschoten, buiten de wetenschap dat zij nog zeer geruime tijd tegen elkaar aan het procederen zullen zijn en dat het bovenhalen van de onderste steen tot kosten gaat leiden, die hoogstwaarschijnlijk fors zullen zijn. De rechtbank geeft partijen daarom nogmaals in overweging met elkaar in overleg te treden en de zaak onderling te regelen.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [gedaagde] op te bewijzen
- dat erflaatster uit hoofde van een geldlening fl. 120.000,00 (€ 54.453,63) heeft ontvangen van [naam schuldeiser 1] en [naam schuldeiser 2] en dat dit bedrag tot op heden niet is terugbetaald;
- dat aan achterstallige renteverplichtingen op bedoelde lening een bedrag van € 10.589,36 nog niet is terugbetaald;

5.2.

laat [gedaagde] toe tot het tegenbewijs van het voorshands aannemelijk geachte bestaan van een overlijdensrisicoverzekering (zie 4.34.);

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor uitlating door [gedaagde] of zij (tegen)bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij geen (tegen)bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.5.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden juni tot en met augustus 2020 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Eindhoven aan Stadhuisplein 4,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

bepaalt dat de zaak eveneens op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportages zoals aangegeven onder 4.60 naar de waarde van het onroerend goed, de aandelen Nail Line, de aandelen Nail Line B.V die in 2007 aan [gedaagde] zijn overgedragen, de inboedel, de sieraden, de fiscale claim op het bedrijfspand en het salaris dat [gedaagde] uit Nail Line B.V. heeft ontvangen;

5.9.

bepaalt dat de zaak eveneens op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.24.1. tot en met 4.24.3 en 4.40;

5.10.

bepaalt dat de zaak eveneens op de rol zal komen van 10 juni 2020 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 4.38. en 4.39.;

5.11.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.

×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733