Terug naar de uitspraak

Rechtbank Noord-Holland 14-10-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14158

Datum publicatie05-11-2026
ZaaknummerC/15/382250
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet. Privacy in de jeugdhulp
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzoek tot afgifte kinddosier op grond van artikel 7.3.10 Jeugdwet. Volgens eiseres is door de gecertificeerde inrichting onvoldoende aandacht besteed aan signalen van intieme terreur. Toewijzing vordering met dwangsom.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/382250 / KG ZA 26-540

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. D.G. Peters en mr. A.E. Stelling,

tegen

STICHTING JEUGD & GEZINSBESCHERMERS,

te Haarlem,

gedaagde partij,

hierna te noemen: DJGB,

verschenen in persoon.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 6 producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- het bericht van 6 oktober 2026 met 2 producties van [eiser]
- de mondelinge behandeling van [geboortedatum 1] 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van mr. Stelling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De zaak in het kort

[eiser] is de moeder van twee minderjarige zoons. Vanaf 30 september 2024 tot 6 mei 2025 waren de minderjarige zoons onder toezicht gesteld bij de Stichting Jeugd & Gezinsbeschermers (DJGB). De ondertoezichtstelling is vanaf 6 mei 2026 overgedragen aan de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. [eiser] stelt dat tijdens de ondertoezichtstelling bij DJGB onvoldoende is gereageerd op meldingen van [eiser] van intieme terreur door de vader. [eiser] stelt dat DJGB hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en haar zoons. Om de onrechtmatigheid van het handelen van DJGB te kunnen onderbouwen, wil [eiser] dat DJGB het volledige kinddossier aan haar afgeeft. Zij wil het kinddossier voor 31 oktober 2026 ontvangen, omdat op die dag een zitting in hoger beroep plaatsvindt over het gezag en de omgang van haar zoons. DJGB heeft, na herhaaldelijke verzoeken van [eiser], het dossier afgegeven. Maar [eiser] stelt dat de stukken die DJGB heeft overgelegd niet het volledige dossier vormen en vordert afgifte van de alle stukken die volgens haar tot het dossier behoren. De voorzieningenrechter oordeelt dat [eiser] recht heeft op afgifte van het volledige dossier en wijst de vordering toe.

2De feiten

2.1.

[eiser] is de moeder van twee minderjarige zoons, [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022. [eiser] en de vader zijn allebei belast met het ouderlijk gezag.

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bij beschikking van 17 september 2024 voorlopig onder toezicht gesteld. Met de beschikking van 30 september 2024 is de ondertoezichtstelling definitief uitgesproken.

2.3.

De ondertoezichtstelling is eerst verlengd tot 30 maart 2026, en bij beschikking van 25 maart 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 30 september 2026. In de procedure die heeft geleid tot die beschikking heeft DJGB aangegeven handelsverlegen te zijn. Daarnaast gaf DJGB aan dat zij vanwege de vertrouwensbreuk met de vader voornemens was om de ondertoezichtstelling over te dragen aan de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (Leger des Heils). Op verzoek van DJGB heeft de kinderrechter bij beschikking van 6 mei 2026 DJGB vervangen voor het Leger des Heils. Per 30 september 2026 is de ondertoezichtstelling bij het Leger des Heils verlengd.

2.4.

Op 27 maart 2026 heeft [eiser] DJGB verzocht om het volledige kinddossier inclusief interne notities van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Op 22 april 2026 heeft [eiser] dit verzoek herhaald en DJGB gesommeerd om het dossier af te geven. Op 8 juni 2026 heeft [eiser] DJGB een laatste termijn van veertien dagen gegeven om de stukken te verstrekken en aangegeven dat zij na verloop van deze termijn een kort geding zal starten. Op 23 juli 2026 heeft [eiser] de Kinderombudsman om assistentie gevraagd met als doel het betreffende dossier te verkrijgen van DJGB. DJGB heeft op geen van de verzoeken inhoudelijk gereageerd. Op 5 oktober 2026, twee dagen voor de mondelinge behandeling, heeft DJGB stukken uit het dossier aan [eiser] verstrekt.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, dat de voorzieningenrechter in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. DJGB veroordeelt om binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis aan [eiser], althans aan haar advocaat mr. D.G. Peters (Struycken Advocaten, Weteringschans 126, 1017 XV Amsterdam), af te geven en ter inzage te verstrekken het volledige kinddosier als bedoeld in art. 7.3.10 Jeugdwet betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en alle interne notities, gespreksverslagen, rapportages, correspondentie en overige bescheiden die deel uitmaken van of behoren tot het dossier;

II. DJGB veroordeelt tot betaling van een dwangsom van EUR 250,- (tweehonderdvijftig euro) voor iedere dag dat DJGB in gebreke blijft aan de onder I genoemde veroordeling te voldoen;

III. DJGB veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

DJGB voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. [eiser] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat op 31 oktober 2026 een zitting in hoger beroep plaatsvindt over het gezag en de omgang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [eiser] heeft het dossier nodig omdat zij aan de hand van de daarin opgenomen informatie de belangen en rechtspositie van haar kinderen kan beoordelen en behartigen.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voldoende blijkt uit de aard van de vordering.

Inhoudelijk

4.3.

[eiser] vordert afgifte van en inzage in het volledige kinddossier van haar minderjarige zoons op grond van artikel 7.3.10 Jeugdwet. [eiser] stelt dat zij tijdens de volledige looptijd van de ondertoezichtstelling meerdere keren bij DJGB heeft aangegeven dat sprake is van intieme terreur door de vader. Ondanks deze herhaalde meldingen heeft DJGB geen effectief toezicht gehouden en ook geen beschermingsmaatregelen getroffen. [eiser] en haar kinderen hebben daardoor schade geleden. [eiser] heeft een rechtmatig belang bij afgifte van en inzage in het kinddossier van haar zoons. Zij heeft namelijk inzicht nodig in de manier waarop DJGB tot haar beslissingen is gekomen om de onrechtmatigheid van het handelen van DJGB te kunnen onderbouwen. Ook heeft zij het dossier nodig voor de zitting van 31 oktober 2026 waarbij het over het gezag en de omgang van haar zoons zal gaan. Daarnaast is in de beschikking van 25 maart 2026 geoordeeld dat het Leger des Heils bijzondere aandacht moet geven aan de signalen van intieme terreur bij de ondertoezichtstelling. Dat kan volgens [eiser] alleen met kennis van de voorgeschiedenis van het gezin. [eiser] stelt dat de stukken die DJGB heeft overgelegd niet het volledige dossier vormen. DJGB heeft alleen een contactjournaal en een aantal formele stukken overgelegd. De interne notities, gespreksverslagen en correspondentie van DJGB en de rapportages van betrokken instanties ontbreken. Juist aan de hand van die stukken kan worden beoordeeld hoe DJGB is omgegaan met signalen van intieme terreur. [eiser] wil deze stukken daarom ook ontvangen van DJGB.

4.4.

DJGB erkent dat zij eerder het dossier had moeten afgeven aan [eiser]. Het uiteindelijk door DJGB verstrekte dossier is compleet, met uitzondering van de stukken waar [eiser] zelf over beschikt en van contactjournaals en e-mails tussen uitsluitend de vader en DJGB. Voor zover er nog interne notities van jeugdbeschermers zijn, behoren die volgens DJGB niet tot het dossier. De notities worden volgens vaste werkwijze van DJGB nooit verstrekt en ook niet bewaard voor de duur van de wettelijke bewaartermijn. Volgens DJGB zou dit namelijk in strijd zijn met haar verplichtingen op grond van der algemene verordening gegevensbescherming (AVG). DJGB stelt dat zij niet bewust stukken heeft achtergehouden. Volgens DJGB staat de vraag of zij het volledige bij haar aanwezige dossier heeft afgegeven los van de vraag of zij het dossier kwalitatief op orde heeft. Zo stelt DJGB dat zij waarschijnlijk niet beschikt over de stukken waar [eiser] tijdens de mondelinge behandeling naar heeft verwezen, en dat de stukken om die reden niet aan [eiser] zijn afgegeven.

4.5.

De voorzieningenrechter wijst de vordering toe, en licht dit hierna toe. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] op grond van artikel 7.3.10 Jeugdwet recht heeft op afgifte van en inzage in het volledige kinddossier van haar minderjarige zoons. Zij verschillen van mening over de vraag of de interne notities van DJGB ook tot dit dossier behoren en (dus) of DJGB het volledige dossier heeft afgegeven aan [eiser].

Interne notities behoren ook tot het dossier. Voor zover deze informatie bevatten over (de uitvoering van) de ondertoezichtstelling heeft [eiser] recht op afgifte van en inzage in deze notities. 1 Hierbij geldt dat DJGB, net als bij de andere stukken in het dossier, geen notities af hoeft te geven die alleen zien op de vader of andere personen dan de zoons en/of [eiser]. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] in ieder geval recht heeft op afgifte van en inzage in de stukken die mr. Stelling tijdens de zitting heeft genoemd. Het is aannemelijk dat deze stukken tot het dossier behoren omdat daar in andere stukken uit het dossier naar wordt verwezen. Het gaat hierbij om: het verslag van het gesprek met de Blijf Groep van 4 december 2025, de gespreksverslagen van gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van in het bijzonder [betrokkene] waar in het contactjournaal expliciet naar wordt verwezen, het letselrapport van de forensisch arts van [minderjarige 1], de onderzoeksrapporten van de Forensische GGD Amsterdam, de verslagen van de intakes van het SAFE-traject bij [bedrijf] Jeugdhulp op 9 december 2025, het schoolverslag over de time-outs van [minderjarige 1] op 10 en 11 december 2024 en een afzonderlijk eindverslag van de crisishulp over [minderjarige 1] van [bedrijf] Jeugdhulp. Indien DJGB niet over de genoemde stukken beschikt, zal zij per stuk moeten toelichten waarom zij het betreffende stuk niet (meer) heeft.

4.6.

De voorzieningenrechter wijst de gevorderde dwangsom toe, maar beperkt deze tot een bedrag van maximaal € 7.500,00.

4.7.

DJGB is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal DJGB niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris advocaat

€

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.588,00

4.8.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1.

veroordeelt DJGB om binnen zeven dagen na dit vonnis aan [eiser] af te geven en ter inzage te verstrekken het volledige kinddossier als bedoeld in artikel 7.3.10 Jeugdwet betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en alle interne notities, gespreksverslagen, rapportages, correspondentie en overige bescheiden die deel uitmaken van of behoren tot het dossier, waaronder in ieder geval worden begrepen: het verslag van het gesprek met de Blijf Groep van 4 december 2025, de gespreksverslagen van gesprekken tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van in het bijzonder [betrokkene] waar in het contactjournaal expliciet naar wordt verwezen, het letselrapport van de forensisch arts van [minderjarige 1], de onderzoeksrapporten van de Forensische GGD Amsterdam, de verslagen van de intakes van het SAFE-traject bij [bedrijf] Jeugdhulp op 9 december 2025, het schoolverslag over de time-outs van [minderjarige 1] op 10 en 11 december 2024 en een afzonderlijk eindverslag van de crisishulp over [minderjarige 1] van [bedrijf] Jeugdhulp, alsmede indien zij de expliciet genoemde stukken niet in het dossier voorhanden heeft een schriftelijke toelichting aan [eiser] geeft waarom zij het betreffende stuk niet (meer) heeft,

5.2.

veroordeelt DJGB om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 7.500,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt DJGB in de proceskosten van € 1.588,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als DJGB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt DJGB tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

1846

1

ECLI:NL:GHARL:2023:7768, r.o. 4.30.

Rechtspraak.nl
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733