4.1.2
In de oordelen van de Rechtbank ligt besloten dat zij voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding beslissend vond of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig bezwaar te maken. De Rechtbank is daarmee uitgegaan van het juiste juridische beoordelingskader. Zij heeft binnen dat kader terecht aangenomen dat een na het verstrijken van de bezwaartermijn opgekomen reden om alsnog bezwaar te maken, zoals in dit geval het arrest van 24 december 2021, niet maakt dat de termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
4.1.3
Het oordeel van de Rechtbank dat de termijnoverschrijding in de omstandigheden van dit geval niet verschoonbaar is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daaraan kan niet afdoen dat de Staatssecretaris, naar belanghebbende stelt, burgers beter had moeten informeren over het feit dat het onder de gewijzigde massaalbezwaarprocedure met ingang van 2016 voor een belastingplichtige nodig is geworden om individueel bezwaar te maken. Zelfs indien die stelling juist zou zijn, neemt dat niet weg dat de reden voor belanghebbende om zich tegen de aanslagen te verzetten pas is opgekomen met het arrest van 24 december 2021, toen de daarvoor geldende bezwaartermijn al was verstreken. Uitgebreidere voorlichting over de wijziging van de massaalbezwaarprocedure per 2016 had daarin geen verandering kunnen brengen.
4.1.4
Opmerking verdient dat het EVRM, ook indien het gaat om een schending van in dat verdrag of in een protocol daarbij gewaarborgde fundamentele rechten, niet eraan in de weg staat dat een verdragsluitende staat van een belanghebbende die zich op zo’n schending beroept, verlangt dat deze redelijke bezwaar- en beroepstermijnen in acht neemt. Dit is met name niet in strijd met het in artikel 13 EVRM neergelegde recht op een effectief rechtsmiddel tegen schendingen van het EVRM. Hierop wijst ook de regeling in artikel 35, lid 1, EVRM, op grond waarvan het EHRM een zaak pas in behandeling kan nemen nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Die eis van uitputting brengt onder meer mee dat rechtsmiddelen waarmee in de nationale rechtssfeer wordt geklaagd over een schending van het EVRM, aangewend moeten worden binnen de termijnen die daarvoor in het nationale procesrecht in redelijkheid zijn gesteld. De bezwaar- en beroepstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 6:7 Awb kan in dit verband als zo’n redelijke termijn worden aangemerkt.
4.1.5
Evenmin staat het EVRM eraan in de weg dat een verdragsluitende staat op de eis van inachtneming van dergelijke termijnen slechts een uitzondering maakt indien de overschrijding van zo’n termijn verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 Awb, zoals die bepaling in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt uitgelegd. Die rechtspraak sluit ook aan bij de lijn die het EHRM volgt in het kader van het uitputtingsvereiste van artikel 35, lid 1, EVRM, welke lijn inhoudt dat het vereiste van inachtneming van termijnen van nationaal procesrecht niet aan de betrokkene wordt tegengeworpen indien hij niet over een realistische mogelijkheid beschikte om daaraan te voldoen.
4.2.2
Het middel faalt, aangezien het oordeel van de Rechtbank juist is. Zoals de Hoge Raad al heeft beslist in het arrest van 20 mei 2022, vormde het arrest van 24 december 2021 nieuwe jurisprudentie met betrekking tot het forfaitaire stelsel van heffing in box 3 zoals dat met ingang van het jaar 2017 gold. Dit stelsel wijkt zodanig af van de voorheen geldende wettelijke regeling, dat de over die voorgaande regeling gewezen rechtspraak geen uitsluitsel biedt over de verenigbaarheid met het EVRM en het EP van het per 2017 ingevoerde stelsel. Bovendien is het arrest van 24 december 2021 ook in die zin nieuw, dat de Hoge Raad zich daarin, anders dan in zijn eerdere rechtspraak over box 3, genoodzaakt zag een belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen een geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten.
4.3
Middel 6, onderdeel A, richt zich tegen het hiervoor in 3.3.7 vermelde oordeel van de Rechtbank met het betoog dat de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met het verbod van discriminatie. Het middel faalt in zoverre. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de groep niet-bezwaarmakers feitelijk en rechtens niet in dezelfde positie verkeert als de groep bezwaarmakers.
Het evenredigheidsbeginsel
4.4.1
De middelen 4 en 5 richten zich tegen de hiervoor in 3.3.11 vermelde verwerping door de Rechtbank van het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel.
4.4.2
Volgens middel 5 dient de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling buiten toepassing te worden gelaten wegens een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering, omdat bij de totstandkoming van die uitzondering de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, niet kenbaar zijn meegewogen. Voor het geval moet worden aangenomen dat de gerechtvaardigde belangen van de betrokken belastingplichtigen wel kenbaar zijn meegewogen, betoogt het middel dat de gevolgen van die afweging voor deze belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie worden gediend. De budgettaire en uitvoeringstechnische belangen van de Staat wegen volgens het middel niet op tegen het gerechtvaardigde belang van de betrokken belastingplichtigen om een belasting te betalen op basis van werkelijk rendement, in plaats van een grondrechtenschendende heffing over inkomen dat niet daadwerkelijk is genoten.
4.4.3
Het middel gaat terecht ervan uit dat in dit geval, naar aanleiding van het beroep van belanghebbende op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel, in de eerste plaats dient te worden onderzocht of de door hem aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, kenbaar zijn meegewogen bij de totstandkoming van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie. Een dergelijk onderzoek dient bij een niet als wetgeving in formele zin aan te merken algemeen verbindend voorschrift, zoals de Uitvoeringsregeling, niet alleen plaats te vinden indien het voorschrift een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen met zich brengt, maar ook indien het – zoals in dit geval – andere negatieve gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen heeft.
4.4.4
De uitzondering met betrekking tot nieuwe jurisprudentie in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling, die blijft binnen de regelgevende bevoegdheid die in artikel 9.6, lid 2, Wet IB 2001 aan de Minister van Financiën is gegeven, vormt inhoudelijk een voortzetting van voorheen door de Belastingdienst gehanteerd beleid. Uit de opmerkingen van de Minister van Financiën, geciteerd in de onderdelen 5.22 en 5.23 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, moet worden afgeleid dat dit beleid is gebaseerd op een afweging van algemene overwegingen van rechtszekerheid en praktische overwegingen enerzijds, en het financiële belang van burgers bij een ambtshalve vermindering anderzijds. Daarom moet worden aangenomen dat de gerechtvaardigde belangen van de betrokken belastingplichtigen zijn meegewogen bij de totstandkoming van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie, en ook kenbaar zijn meegewogen bij de codificatie daarvan in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling. Daardoor is geen sprake van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling, wat tot gevolg zou hebben dat niet kan worden beoordeeld of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.4.5
De Hoge Raad komt daarmee toe aan toetsing van de uitzondering met betrekking tot nieuwe jurisprudentie aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Hij zal daarbij de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van die uitzondering beoordelen. De toetsing dient in dit geval materieel terughoudend te zijn, aangezien bij de totstandkoming van artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt.Een indringender toets is hier niet vereist, omdat geen sprake is van een regeling die in hoge mate ingrijpt in het leven van een belanghebbende.
4.4.6
Met inachtneming daarvan komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de uitzondering in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling met betrekking tot nieuwe jurisprudentie de toets aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. Op basis van een terughoudende beoordeling kan niet worden gezegd dat de nadelige gevolgen van die uitzondering voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, die zijn gelegen in algemene overwegingen van rechtszekerheid en praktische overwegingen (zie hiervoor in 4.4.4). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de uitzondering geschikt en noodzakelijk is om die doelen te bereiken. Zij kan niet als onevenwichtig worden aangemerkt, mede gelet op het feit dat zij niet leidt tot een verschil in behandeling tussen gelijke gevallen (zie hiervoor in 4.3, slotzin).
4.4.7
In het licht van wat hiervoor in 4.1.4 is overwogen, kan ook niet worden geoordeeld dat de uitzondering met betrekking tot nieuwe jurisprudentie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel voor zover het, zoals hier, gaat om jurisprudentie waaruit een schending blijkt van fundamentele rechten uit het EVRM of een protocol daarbij.
4.4.8
Ook in zoverre ziet de Hoge Raad geen aanleiding om terug te komen van zijn arrest van 20 mei 2022.
4.4.9
Middel 5 faalt daarom voor zover het betoogt dat de regel die een uitzondering maakt ten aanzien van nieuwe jurisprudentie – artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling – in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel.
4.4.10
Toetsing aan evenredigheidsvereisten die voortvloeien uit het EVRM en het EP, die een zeer ruime beoordelingsruimte laten aan de regelgever, leidt niet tot een andere uitkomst. De middelen falen daarom eveneens voor zover zij iets anders betogen.
4.4.11
De middelen 4 en 5 falen (ook) voor zover zij de klacht inhouden dat toepassing van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in de bijzondere omstandigheden van dit geval een inbreuk vormt op het evenredigheidsbeginsel als ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur. Aangezien de afwijzingen van de verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering moeten worden aangemerkt als zogenoemde gebonden besluiten en zij hun grondslag vinden in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, geldt dat uitsluitend moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van dat algemeen verbindende voorschrift (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling) in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden, waarbij het dan alleen nog gaat om de evenwichtigheid van die besluiten. De uitkomst van een besluit is onevenwichtig als de gevolgen ervan in de gegeven omstandigheden voor een belanghebbende onredelijk bezwarend zijn. Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die zouden kunnen meebrengen dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van de uitzondering in zijn geval onredelijk bezwarend zou zijn.
4.4.12
Het hiervoor in 3.3.11 vermelde, door belanghebbende ingeroepen arrest van het EHRM in de zaak Grobelny tegen Polen maakt dat niet anders. De beslissing van het EHRM in dat arrest was namelijk gebaseerd op de bijzondere omstandigheden in die zaak, die voor de klager leidden tot een buitensporige individuele last. Zulke omstandigheden heeft belanghebbende in deze zaak evenmin gesteld.
4.4.13
De middelen 4 en 5 falen daarom in hun geheel.
Overige klachten
4.6
Deze procedure is een van de vier procedures die zijn geselecteerd als proefprocedure in het kader van de zogenoemde massaalbezwaarplusprocedure. Naar aanleiding van de gegevens over de selectie van belanghebbenden voor deze procedures, zoals vermeld in onderdeel 2.14 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, verdient nog opmerking dat bij de voorgaande beoordeling in dit arrest, afgezien van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld in 4.4.11 en 4.4.12, geen betekenis toekomt aan de samenstelling en de omvang van het inkomen en vermogen van de belastingplichtige en diens eventuele fiscale partner. Die individuele financiële omstandigheden kunnen in dit verband alleen een rol spelen als het gaat om de hiervoor in 4.4.11 en 4.4.12 vermelde, en in dit geval ontkennend beantwoorde vragen of toepassing van de uitzondering ten aanzien van nieuwe jurisprudentie in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een resultaat dat voor een belanghebbende onredelijk bezwarend is dan wel tot een met artikel 1 EP strijdige buitensporige individuele last.