Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling. Hoger beroep tegen afwijzing verlengingsverzoek terwijl ondertoezichtstelling is verlopen. Mag het hof (ambtshalve) een nieuwe ondertoezichtstelling uitspreken?
2Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013, en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2016 (hierna gezamenlijk: de minderjarigen).
2.3
De ouders zijn samen belast met het gezag over de minderjarigen. De minderjarigen wonen bij de moeder.
2.4
Bij beschikking van 5 februari 2024 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI tot 5 februari 2025.
2.5
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van een jaar afgewezen.
2.6
De vader en de GI hebben in hoger beroep verzocht om de beschikking van 24 januari 2025 te vernietigen en de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen voor de duur van een jaar, dan wel de beslissing te nemen die het hof juist acht.
2.7
De moeder heeft in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzocht om te bepalen dat van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen geen sprake (meer) is, zodat reeds op die grond het inleidend verzoek van de GI door de kinderrechter afgewezen had moeten worden.
2.8
Bij beschikking van 3 juli 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de kinderrechter van 24 januari 2025 vernietigd en opnieuw beschikkende de minderjarigen met ingang van 3 juli 2025 tot 5 februari 2026 (opnieuw) onder toezicht gesteld van de GI.
2.9
De moeder is (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van 3 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking). De GI heeft verweer gevoerd. De vader is in cassatie niet verschenen.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel heeft betrekking op de volgende overwegingen in de bestreden beschikking:
‘5.3 Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vader en de Gl als volgt. Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten behandelen. Op grond van artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van eindbeschikkingen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De eindbeschikking van de kinderrechter is van 24 januari 2025 en de vader en de GI zijn tijdig in hoger beroep gekomen. Daarmee zijn de vader en de GI dus ontvankelijk in het hoger beroep. De omstandigheid dat de ondertoezichtstelling niet meer verlengd kan worden staat daar niet aan in de weg. Het hof merkt op dat de moeder er terecht van uit gaat dat het hof de ondertoezichtstelling in deze zaak niet (meer) kan verlengen. Zoals ook ter zitting is besproken is het hof echter van oordeel dat het niet zo kan zijn dat van een uitgesproken verlenging wel beroep open staat hetwelk tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat het systeem van de wet meebrengt dat in geval het hof van oordeel is dat de rechtbank het verlengingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, het hof (opnieuw) een ondertoezichtstelling kan uitspreken, welke in tijd overigens wel beperkt is tot de einddatum van het oorspronkelijke door de GI gedane verlengingsverzoek, in casu 5 februari 2026.
5.9
Nu het hof een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht zal het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen, vernietigen. Omdat er in de periode van 5 februari 2025 tot vandaag geen ondertoezichtstelling was, is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet toewijsbaar. Het hof zal zoals aangegeven de kinderen (opnieuw) onder toezicht stellen van de GI met ingang van heden tot 5 februari 2026.’
3.2
Het middel komt hiertegen op met drie onderdelen. De klachten houden, kort gezegd, het volgende in.
Het hof miskent dat wanneer de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van rechtswege is geëindigd door het verstrijken van de door de kinderrechter bepaalde duur, de rechter in het hoger beroep tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek de verlopen ondertoezichtstelling niet meer kan verlengen en evenmin een nieuwe ondertoezichtstelling kan uitspreken. In dat geval ligt het op de weg van de raad voor de kinderbescherming om een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen bij de kinderrechter. Indien de raad voor de kinderbescherming hiervan afziet, heeft een ouder de mogelijkheid om dit verzoek te doen (art. 1:255 lid 2 BW) . (onderdeel 1a)
Het hof miskent dat het niet bevoegd is om in hoger beroep een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken, omdat daarvoor de procedure bij de kinderrechter is voorgeschreven (art. 1:255 BW) . Bovendien is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door zelfstandig een nieuwe ondertoezichtstelling van de minderjarigen uit te spreken, hoewel geen van de partijen hierom heeft verzocht. Een nieuwe ondertoezichtstelling kan alleen door de kinderrechter worden uitgesproken op grond van een verzoek van de raad voor de kinderbescherming of een van de andere in art. 1:255 lid 2 BW genoemde belanghebbenden. (onderdeel 1b)
Bij het slagen van een van de voorgaande klachten kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door de GI en de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep. (onderdeel 1c)
3.3
De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Hierbij is het volgende van belang. Bij beschikking van 5 februari 2024 heeft de kinderrechter op grond van art. 1:255 BW de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze ondertoezichtstelling duurde derhalve tot 5 februari 2025. Op 18 december 2024 heeft de GI op grond van art. 1:260 BW de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar. Dit verleningsverzoek is door de kinderrechter afgewezen bij beschikking van 24 januari 2025. De vader en de GI zijn hiervan (tijdig) in hoger beroep gekomen op 8 respectievelijk 22 april 2025. Op dat moment was de ondertoezichtstelling van de minderjarigen reeds verlopen. De maatregel was op 5 februari 2025 van rechtswege geëindigd, aangezien de termijn van de ondertoezichtstelling niet was verlengd.
Nadat een ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd door het verstrijken van de door de kinderrechter bepaalde duur, kan deze maatregel niet meer worden verlengd; wel kan de minderjarige in een dergelijk geval, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, opnieuw op grond van art. 1:255 BW onder toezicht worden gesteld. Het hof heeft dit ook met zoveel woorden onderkend; zie rov. 5.3 (‘Het hof merkt op dat de moeder er terecht van uit gaat dat het hof de ondertoezichtstelling in deze zaak niet (meer) kan verlengen.’) en rov. 5.9 (‘Omdat er in de periode van 5 februari 2025 tot vandaag geen ondertoezichtstelling was, is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet toewijsbaar.’).
Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof de op 5 februari 2025 verlopen ondertoezichtstelling van de minderjarigen heeft verlengd, mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft de ondertoezichtstelling niet verlengd, maar de minderjarigen opnieuw onder toezicht gesteld; zie rov. 5.9 (‘Het hof zal zoals aangegeven de kinderen (opnieuw) onder toezicht stelen van de GI met ingang van heden tot 5 februari 2026.’).
3.4
Naar mijn mening klaagt het middel terecht dat het hof (ambtshalve) geen nieuwe ondertoezichtstelling had mogen uitspreken. Ik leg dit als volgt uit.
In hoger beroep had het hof te oordelen over het verzoek van de vader en de GI om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen; zie rov. 4.2 (‘Hij [de vader, A-G] verzoekt het hof (…) de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen (…)’) en rov. 4.3 (‘Zij [de GI, A-G] verzoekt het hof (…) de verlenging van de ondertoezichtstelling met de duur van een jaar uit te spreken (…)’). De vader noch de GI heeft in hoger beroep (subsidiair) verzocht om een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken. Het tegendeel blijkt evenmin uit het proces-verbaal van de mondeling behandeling bij het hof. De moeder heeft de verzoeken van de vader en de GI in hoger beroep ook opgevat als een verlengingsverzoek; zie rov. 5.2 (‘De moeder stelt in haar verweer dat de vader en de GI in hun verzoeken in hoger beroep tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.’). Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof het verlengingsverzoek van de vader en de GI heeft opgevat en behandeld als een (subsidiair) verzoek tot een nieuwe ondertoezichtstelling.
Hieruit volgt dat het hof ambtshalve, zonder een daartoe strekkend verzoek van een belanghebbende, de minderjarigen in hoger beroep opnieuw onder toezicht heeft gesteld. Hiermee heeft het hof miskend dat een ondertoezichtstelling op grond van art. 1:255 lid 2 BW wordt uitgesproken ‘op verzoek’ van de raad voor de kinderbescherming, het openbaar ministerie of, als de raad niet tot indiening van een verzoek overgaat, een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever hiermee tot uitdrukking willen brengen dat een ondertoezichtstelling ‘slechts op verzoek’ van een van de in art. 1:255 lid 2 BW genoemde belanghebbenden kan worden uitgesproken. Weliswaar wordt hierop een uitzondering gemaakt in art. 1:255 lid 3 BW (wanneer de raad voor de kinderbescherming de kinderrechter in het in dit artikellid bedoelde geval verzoekt om te oordelen of een ondertoezichtstelling noodzakelijk is, kan de kinderrechter deze ambtshalve uitspreken) en in art. 1:255 lid 5 BW (indien het verzoek om een ondertoezichtstelling niet alle minderjarigen betreft over wie de ouders of de ouder het gezag uitoefenen, kan de kinderrechter dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of ambtshalve aanvullen, en deze minderjarigen eveneens onder toezicht stellen), maar deze uitzonderingen doen zich in dit geval niet voor.
Het hof heeft derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de minderjarigen in strijd met art. 1:255 lid 2 BW ambtshalve, zonder een daartoe strekkend verzoek van een belanghebbende, in het kader van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek opnieuw onder toezicht te stellen.
3.5
Voor het geval het hof in het verzoek van de vader en/of de GI een grondslag zou hebben gevonden om met ingang van de datum van de beschikking in hoger beroep een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken, heeft het hof miskend dat de vader noch de GI in een dergelijk verzoek kunnen worden ontvangen. De GI behoort niet tot de in art. 1:255 lid 2 BW genoemde belanghebbenden die de ondertoezichtstelling van de minderjarigen kunnen verzoeken. De vader is weliswaar belanghebbende, maar hij kan alleen een ondertoezichtstelling verzoeken als de raad voor de kinderbescherming daartoe niet overgaat. Ervan uitgaande dat aan dit vereiste is voldaan (de raad voor de kinderbescherming is in deze procedure niet betrokken) en de vader op zichzelf genomen dus gerechtigd was om dit verzoek te doen, loopt de vader tegen de beperking aan dat hij in hoger beroep geen zelfstandig verzoek mag doen (art. 362 Rv) . In eerste aanleg lag geen verzoek van de vader voor. Sterker nog, de vader was in eerste aanleg niet verschenen. Dit betekent dat de vader hoe dan ook niet ontvangen zou kunnen worden in een verzoek om een nieuwe ondertoezichtstelling in hoger beroep uit te spreken.
3.6
Voor het geval het hof in het verzoek van de vader en/of de GI een grondslag zou hebben gevonden om met ingang van de datum van de beschikking in hoger beroep een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken, heeft het hof bovendien miskend dat een dergelijk verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. In eerste aanleg lag uitsluitend een verzoek van de GI voor om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen te verlengen. De beslissing van het hof om een nieuwe ondertoezichtstelling uit te spreken heeft tot gevolg dat partijen, in het bijzonder de moeder die zich tegen de (verlenging van de) ondertoezichtstelling verzet, een feitelijke instantie wordt ontnomen. Dit klemt te meer nu een beslissing tot een (nieuwe) ondertoezichtstelling een inmenging oplevert in het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde familie- en gezinsleven van ouders en hun minderjarigen.
3.7
In rov. 5.3 motiveert het hof als volgt zijn beslissing om, ondanks dat de ondertoezichtstelling is verlopen, de afwijzing van het verlengingsverzoek in hoger beroep te toetsen: ‘(…) Zoals ook ter zitting is besproken is het hof echter van oordeel dat het niet zo kan zijn dat van een uitgesproken verlenging wel beroep open staat hetwelk tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden.’ Hiermee verliest het hof uit het oog dat de toewijzing en de afwijzing van een verlengingsverzoek niet op één lijn kunnen worden gesteld, omdat in het eerste geval wel maar in het tweede geval geen sprake zal zijn van een inbreuk op rechten die door art. 8 lid 1 EVRM worden beschermd. Alleen in geval van een inbreuk op door art. 8 lid 1 EVRM beschermde rechten zou de toetsing van de rechtmatigheid van een verlopen kinderbeschermingsmaatregel in hoger beroep gerechtvaardigd kunnen zijn.
3.8
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het hof niet bevoegd was om (ambtshalve) een nieuwe ondertoezichtstelling van de minderjarigen uit te spreken. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de vader en de GI alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek van de GI.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening zoals onder 3.8 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden