Terug naar de uitspraak

Gerechtshof Den Haag 16-04-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:716

Datum publicatie04-05-2026
ZaaknummerBK-24/946 t/m BK-24/953
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Art. 7:10 Awb. Art. 16, lid 4, AWR. Navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019. Aanslag IB/PVV 2018. Art. 67e, lid 1, AWR. Vergrijpboetes 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019. Art. 2.17, lid 3, Wet IB 2001. Overschrijding termijn voor uitspraak op bezwaar zonder gevolg. Belanghebbende geeft over 2010 tot en met 2019 saldi van bankrekeningen in Duitsland en de VS niet dan wel voor kleine gedeelten aan. Renseignering onder Spaarrenterichtlijn en CRS. Navorderingsaanslagen zijn voldoende voortvarend opgelegd. Herverdeling box 3 inkomen tussen belanghebbende en echtgenoot leidt tot vernietiging navorderingsaanslagen 2015 en 2016 van belanghebbende. Belanghebbende laat aangiften door echtgenoot doen. Inspecteur toont grove schuld aan. Boetes terecht opgelegd.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-24/946 tot en met BK-24/953

Uitspraak van 16 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 september 2024, nummers SGR 23/4977 tot en met SGR 23/4984.

Procesverloop

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2009, 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (IB/PVV) alsmede voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd (tezamen: de belastingaanslagen), berekend naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning en sparen en beleggen alsmede bij gelijktijdig met de belastingaanslagen gegeven beschikkingen de volgende vergrijpboetes opgelegd en de volgende bedragen aan heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht:

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastbaar inkomen uit sparen beleggen

Vergrijpboete

(150% nagevorderde belasting)

Heffings-/ belastingrente

2009

22 mei 2022

€ 3.027

€ 1.362

€ 387

2010

9 mei 2022

€ 3 015

€ 1 356

€ 364

2012

9 mei 2022

€ 11 316

€ 3 714

€ 697

2015

17 mei 2022

€ -4.544

€ 8.280

€ 1.824

€ 26

2016

17 mei 2022

0

€ 3.973

€ 1.546

€ 167

2017

14 december 2022

0

€ 15.152

€ 2.893

€ 330

2018

15 december 2022

0

€ 3.890

niet

0

2019

14 december 2022

0

€ 10.593

€ 1.050

€ 64

1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de belastingaanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 50 geheven.

De Rechtbank heeft het volgende beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;

  • vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover betrekking hebbende op de aanslag IB/PVV 2017, de rentebeschikking voor het jaar 2017 en de boetebeschikkingen voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019;

  • vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.660

  • en vermindert de rentebeschikking 2017 dienovereenkomstig;

  • vernietigt de boetebeschikking ter zake van het jaar 2009;

  • vermindert de boetebeschikkingen 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019 tot de bedragen als genoemd in r.o. 24;

  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar; en

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden.”

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De Inspecteur heeft op 25 september 2025 nadere stukken ingediend en daarbij een verzoek om beperkte kennisneming gedaan. De geheimhoudingskamer van het Hof heeft op 31 oktober 2025 daarover geoordeeld en beslist:

“2.2. In de stukken waarop het verzoek zich richt zijn namen van medewerkers van de Belastingdienst en van derden weggelakt. De Inspecteur beroept zich op de privacy van deze personen. Het Hof is het met de Inspecteur eens. Het belang dat deze personen hebben bij het niet bekend worden van hun identiteit, weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming daarvan. Hetzelfde geldt voor de weggelakte gegevens en opmerkingen over cases van andere belastingplichtigen, zoals burgerservicenummers, inkomstengegevens en casusbeschrijvingen.

2.3. De Inspecteur heeft voorts een beroep op beperkte kennisneming gedaan voor de stukken, passages en zinnen die zijn aangeduid met de codes C1, C2 en C3. De Inspecteur beroept zich in zoverre op controlestrategische overwegingen, en specifiek op het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (C1), het belang van de Belastingdienst bij een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3).

2.4. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept voor de stukken, passages en zinnen die zijn aangeduid met de codes C1, C2 en C3. In deze teksten staan keuzes voor de vervolgstappen in bepaalde scenario’s en de selectiecriteria die bij het maken van die keuzes een rol spelen. Kennis hiervan kan tot gevolg hebben dat betrokken belastingplichtigen hun aangiftegedrag en hun reacties daarop afstemmen om de heffing van belasting te frustreren. Bij de informatie die in de documenten over de interne werkwijze, benodigde capaciteit en planning is opgenomen, heeft belanghebbende in het geheel geen belang. Het Hof zal het verzoek van de Inspecteur daarom volledig toewijzen.

2.5. Belanghebbende heeft de zetel van het Hof die de hoofdzaak zal behandelen nog geen toestemming gegeven, als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb, om mede op de grondslag van stukken waarvan de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak te doen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bepaalt dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is;

- verzoekt belanghebbende binnen twee weken mee te delen of hij erin toestemt dat de zetel die in de hoofdzaak beslist mede op grondslag van de namen en de stukken, passages en zinnen waarvoor de geheimhoudingskamer heeft beslist dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak zal doen.”

1.6. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 november 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting de in 1.5 genoemde toestemming gegeven. De zaken van belanghebbende zijn gezamenlijk behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft.

1.7. Op 18 november 2025 heeft tevens de nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden van de hoger beroepen van [A] , de echtgenoot van belanghebbende, zaaknummers BK-24/939 tot en met BK-24/945, betreffende de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018 alsmede de voor het jaar 2019 opgelegde aanslag IB/PVV. Hetgeen in de genoemde zaken van de echtgenoot is aangevoerd wordt geacht mede te zijn aangevoerd in de zaken van belanghebbende, tenzij hetgeen is aangevoerd uitsluitend op zijn zaken betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1964 en gehuwd met [A] . Sinds […] 1998 wonen belanghebbende en haar echtgenoot in Nederland.

2.2. Belanghebbende en haar echtgenoot hielden in de onderhavige jaren de volgende bank-, spaar- en effectenrekeningen in het buitenland aan (hierna: de buitenlandse rekeningen):

Duitsland

[Bank 1] / [Bank 1a] [Bank 2]

- […] - […]

- […]

- […]

Verenigde Staten

[Bank 3] [Bank 4]

- […] - […]

2.3. De buitenlandse rekeningen hadden de volgende saldi (in euro’s):

Peildatum

[Bank 1] / [Bank 1a]

[Bank 2]

[Bank 3]

[Bank 4]

Totaal

1-1-2008

41.455*

4.750

10.647*

8.265*

65.117

1-1-2009

41.455*

4.750

10.647*

8.265*

65.117

1-1-2010

49.994*

4.750

12.925*

18.450*

86.119

1-1-2011

120.222

4.750

15.010*

124.555*

264.537

1-1-2012

103.854

4.741

12.987

84.750*

206.332

1-1-2013

99.385

4.730

13.814

76.836*

194.765

1-1-2014

105.556

4.730

11.048

90.035*

211.369

1-1-2015

106.600

4.724

12.669

104.387

228.380

1-1-2016

109.015

4.724

9.343

75.612

198.694

1-1-2017

114.937

4.722

9.475

104.379

233.513

1-1-2018

123.583

4.721

7.957

142.954

279.215

1-1-2019

126.079

4.706

10.599

163.838

305.222

* Dit zijn schattingen op basis van de berekeningen van de echtgenoot van belanghebbende in zijn e-mail van 6 januari 2022.

2.4. De Belastingdienst heeft op grond van de Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/48/EU (de Spaarrenterichtlijn) gegevens ontvangen waaruit blijkt dat de echtgenoot van belanghebbende een rekening aanhield bij de bank [Bank 1] in Duitsland. De Inspecteur heeft voor het belastingjaar 2013 een renseignement uit het renseignementeninformatiesysteem overgelegd, raadpleegbaar vanaf 23 september 2014, waarin zijn vermeld: een rentebedrag van € 465 over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, de naam van de bank en het klantnummer van belanghebbende ( [klantnummer] ) bij die bank. Of de echtgenoot van belanghebbende een of meerdere rekeningnummers aanhield bij deze bank en om welk(e) rekeningnummer(s) het gaat alsmede de hoogte van de saldi is in het renseignement niet vermeld. Over de belastingjaren 2014 en 2015 zijn door de Belastingdienst soortgelijke renseignementen ontvangen.

2.5. De Inspecteur heeft bij brief van 26 februari 2014 de echtgenoot van belanghebbende erop gewezen dat hij volgens de gegevens van de Belastingdienst een of meerdere rekeningen in het buitenland aanhield. Het betreft rentegegevens die de Inspecteur had ontvangen op grond van de Spaarrenterichtlijn. De Inspecteur heeft hem in deze brief verzocht de saldi van de buitenlandse rekeningen in de aangiften IB/PVV aan te geven. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Jaarlijks ontvangen wij gegevens over bank-, spaar-, en effectenrekeningen in het buitenland van een groot aantal landen binnen en buiten Europa. Volgens deze gegevens hebt u één of meer rekeningen in het buitenland. U moet misschien in Nederland belasting betalen over uw vermogen in het buitenland.

(…)

Bekijk uw gegevens in het aangifteprogramma

Vanaf 1 maart kunt u in het aangifteprogramma uw gegevens over de bank-, spaar-, en effectenrekeningen bekijken. Wij hebben dan namelijk de volgende informatie al voor u ingevuld:

- de naam van de buitenlandse financiële instelling

- het rekeningnummer

- het land waar de rekening wordt aangehouden

Welke gegevens moet u aanvullen?

Omdat wij alleen de rentegegevens hebben ontvangen, moet u zelf uw saldo per 1 januari 2013 invullen. Ontbreken er buitenlandse spaartegoeden of andere gegevens? Vul dan de ontbrekende gegevens ook in. Blijkt dat u na het invullen van de aangifte belasting moet betalen? Dan moet u de aangifte opsturen. Heb u een aangiftebrief ontvangen? Dan moet u altijd aangifte doen, ook als u niet bij hoeft te betalen.

(…)”

2.6. Bij brief van 1 maart 2017 heeft de Inspecteur de echtgenoot laten weten dat hij over gegevens beschikt dat hij bankrekeningen aanhoudt in de Verenigde Staten. Het betreft rentegegevens die de Inspecteur uit de Verenigde Staten heeft gekregen op grond van de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) die vooraf in de aangifte zijn ingevuld. De Inspecteur heeft in deze brief de echtgenoot verzocht de saldi van deze buitenlandse rekeningen in de aangiften IB/PVV aan te geven. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Wij hebben gegevens ontvangen die van belang zijn voor uw aangifte inkomstenbelasting 2016. Wij wijzen u erop dat u deze gegevens misschien moet opnemen in uw aangifte.

FATCA

Nederland heeft op basis van de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) financiële gegevens (rente en dividend) ontvangen van de Verenigde Staten over inwoners van Nederland.

Ontvangen informatie

Volgens deze gegevens hebt u één of meer bank- en/of effectenrekeningen in de Verenigde Staten. Het gaat om:

- [Bank 4]

- [Bank 3]

Aangifte inkomstenbelasting 2016

De financiële gegevens uit de Verenigde Staten kunnen van belang zijn voor uw aangifte inkomstenbelasting 2016. Wij kunnen die gegevens niet voor u invullen in de vooringevulde aangifte. Als u de gegevens moet opnemen, moet u ze dus zelf invullen in uw aangifte. Wij gebruiken de gegevens bij de beoordeling van uw aangifte.

Wat moet u doen?

Het vermogen dat op 1 januari 2016 aanwezig is, moet u in uw aangifte inkomstenbelasting 2016 opnemen onder 'bank- en spaartegoeden in het buitenland' en/of onder 'aandelen, obligaties e.d.' (in box 3). Het kan hierbij gaan om bank- en effectenrekeningen, maar bijvoorbeeld ook om in het verleden uitgeoefende aandelenopties (de zogenoemde werknemersopties en overige aan aandelen gerelateerde beloningsvormen).

(…)”

2.7. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben gezamenlijk aangifte IB/PVV gedaan. In de desbetreffende jaren is het binnenlandse vermogen aangegeven voor de IB/PVV.

In de navolgende jaren zijn geen andere buitenlandse vermogensbestanddelen verantwoord dan tot de navolgende bedragen:

Jaar Rekening Saldo

2013 [Bank 1] € 3.310

2014 [Bank 1] € 5.000

2015 [Bank 1] € 500

2017 [Bank 1a] € 200

[Bank 4] € 75

In de aangiften IB/PVV 2009, 2010, 2011, 2012, 2016 en 2018 hebben belanghebbende en haar echtgenoot geen buitenlandse vermogensbestanddelen aangegeven.

2.8. De echtgenoot van belanghebbende had voorafgaand aan het indienen van de aangiften IB/PVV 2017 tot en met 2019 de vooringevulde aangiften geraadpleegd. In deze jaren stond een deel van de rekeningnummers van de buitenlandse rekeningen al vooraf ingevuld. De aanslagen IB/PVV over genoemde jaren zijn overeenkomstig de ingediende aangiften vastgesteld.

2.9. Voor de belastingjaren 2016 en volgende heeft de Inspecteur op grond van Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied informatie ontvangen over de bankrekeningen van belanghebbende en de echtgenoot in Duitsland. In deze richtlijn is de zogeheten Common Reporting Standard (CRS) van de OESO opgenomen.

2.10. De Inspecteur heeft in hoger beroep de in 2.10.1 nader aangeduide stukken van het project CRS van de Belastingdienst overgelegd.

2.10.1. Het bijbehorende memo houdt in:

1 Inleiding

De aanleiding voor dit project is een bijdrage te leveren aan verhoging van compliance van belastingplichtigen in Nederland door gebruik te maken van informatie uit de internationale uitwisseling van financiële inlichtingen gebaseerd op de door de OESO ontwikkelde Common Reporting Standard op 15 juli 2014. Deze OESO standaard is door de Europese Commissie opgenomen in de EU richtlijn die de Europese Spaarrenterichtlijn heeft vervangen (2014/107/EU). Deze richtlijn is in Nederland vanaf 1 januari 2016 van kracht in de Wet uitvoering Common Reporting Standard. Die wet verplicht financiële instellingen gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken over rekeningen van personen en organisaties die in het buitenland belastingplichtig zijn. De Belastingdienst verstrekt de op grond van deze Wet gegevens aan buitenlandse belastingdiensten. Omgekeerd krijgen wij informatie over buitenlandse financiële rekeningen van personen en organisaties die Nederland als fiscaal woon- of vestigingsland hebben.

De scope van dit project is de ontvangen informatie van buitenlandse belastingdiensten te gebruiken bij het toezicht op de naleving van de belastingplicht door belastingplichtigen.

(…)

3Projectstukken project CRS

1. Plan van aanpak gebruik FATCA/CRS-gegevens in de handhaving 21 april 2017

2. CRS-aanpak natuurlijke personen 2018/2019 (pilot) – 17 juli 2018

3. Handhavingsstrategie CRS/FATCA – 16 november 2018

4. Tussenrapportage pilot CRS – 4 februari 2019

5. Tussenrapportage pilot CRS – 1 mei 2019

6. Memo voorstel escalatie problematiek verrijking gegevens CRS – 17 mei 2019

7. Rapport Evaluatie kwaliteit gegevens VIA voor IH 2018 – 27 augustus 2019

Dit document betreft geen projectstuk CRS. Het rapport is wel van belang geweest voor het tijdspad en het vervolg van het project CRS. Om deze reden zijn alleen de paragrafen die zien op CRS opgenomen.

8. Afspraken en actiepunten kernteam VhV - 17 januari 2020

Dit document betreft geen projectstuk CRS. In dit verslag wordt gerefereerd aan het onder 7. genoemde rapport in combinatie met het vervolg van het project CRS. Om deze reden alleen de paragraaf die ziet op het project CRS opgenomen.

9. Memo mededelingen FATCA/CRS en leaks – 16 april 2020

10. Memo analyse en selectie CRS/FATCA-gegevens inclusief rolgegevens – 19 mei 2020

11. CRS en FATCA Behandelplan 2021 – 21 mei 2021

12. A) Projectplan CRS algemeen (versie september 2021)

B) Projectplan CRS algemeen (versie januari 2024)

13. Projectplan CRS niet-natuurlijke personen – 9 september 2021

14. Powerpoint CRS - september 2021

15. Powerpoint CRS - oktober 2021

16. Memo werkwijze opvragen broninformatie CRS (en FATCA) – 7 maart 2023

17. Projectlogboek CRS programmamanager

18. Projectlogboek CRS projectleider niet-natuurlijke personen

19. Projectlogboek CRS projectleider natuurlijke personen”

2.10.2.

Op 11 oktober 2017 heeft de afdeling Centraal Administratieve Processen (CAP) van de Belastingdienst voor het eerst gegevens ontvangen met betrekking tot het belastingjaar 2016.

2.10.3.

Vanaf 26 oktober 2017 zijn deze gegevens leesbaar gemaakt in de applicatie Registratie Bankgegevens. Het betreft onder meer gegevens van de [Bank 2] en [Bank 1a] .

2.10.4.

In het “Plan van aanpak gebruik FATCA/CRS – gegevens in de handhaving” van 21 april 2017 is onder meer het volgende vermeld (voetnoten weggelaten):

“1. Inleiding

De geautomatiseerde internationale gegevensuitwisseling (Automatic Exchange Of Information: AEOI) vormt een belangrijk instrument in de strijd tegen belastingontduiking door het verhullen van vermogen in het buitenland. Sinds 2014 worden met de Verenigde Staten onder FATCA gegevens over inkomen en vermogen uitgewisseld. Nieuw is dat vanaf september 2017 de gegevensuitwisseling onder de Common Reporting Standard (CRS) start. In 2017 zullen 53 landen gegevens met Nederland uitwisselen. Na dit jaar zal dit aantal landen groeien tot circa 100.

Dit plan van aanpak is gericht op de inzet van deze (FATCA- en CRS-) gegevens in de handhaving. Het PvA geeft inzicht in de komende gegevensuitwisseling, geeft zicht op lopende bijbehorende activiteiten en doet voorstellen voor verdere opvolging.

(…)

5. Voorbereiding op CRS-gegevens en stappenplan

5.1.

Voorbereiding op ontvangst CRS-gegevens in sept. 2017

September 2017 worden de eerste gegevens onder CRS ontvangen. Voorbereidingen die daarvoor uitgevoerd dienen te worden:

1. Om een inschatting te maken van het belang van de CRS-gegevens onderzoeken we nu welke internationale vermogens en inkomsten reeds uit ‘CRS landen’ worden aangegeven.

2. Op basis van ervaring met FATCA- en ESRR-gegevens en de reeds bekende gegevens die wij aan andere landen gaan verzenden kan ook een inschatting gemaakt worden van de hoeveelheid gegevens uit de nieuw toegevoegde landen.

3. Gebruik maken van het reeds bestaand risicomodel box 3 (geautomatiseerde risicodetectie) en op basis van ervaringen met het gebruik van ESRR- en FATCA-gegevens bezien of de bestaande selectieregels herbruikbaar zijn.

Voor bovengenoemde activiteiten dient analysecapaciteit beschikbaar te zijn. (…) Na het uitvoeren van de analyses is het mogelijk om ’keuzes t.a.v. de handhavingsmix op te stellen waaruit blijkt hoeveel handhavingscapaciteit, waaronder behandelcapaciteit, nodig is bij die verschillende keuzes.

5.2.

Stappenplan gebruik gegevens

Bij ontvangst van de FATCA/CRS-gegevens dienen de volgende vier stappen doorlopen te worden. Per stap is een toelichting gegeven. (…) Voor CRS is onderstaande pas van toepassing na ontvangst van de eerste gegevensset.

1. Overall analyse op ontvangen gegevens

> Biedt inzicht in de kwaliteit van de gegevens (ook nodig voor feedback aan andere landen).

> Geeft inzicht in trends, ontwikkelingen en een totaalbeeld van alle buitenlandse gegevens.

> Bij CRS ook ‘over alle landen heen’ (trends, ontwikkelingen, structuren, etc.).

2. Sofiëren en identificeren van de gegevens t.b.v. inzet handhavingsinstrumenten

> Verrijken van gesofiëerde gegevens met interne data.

> Analyse uitvoeren op de verrijkte gegevens.

> Vergelijken van gesofiëerde posten met de aangiften.

> Gesofiëerde gegevens na analyse verdelen in subgroepen ten behoeve van gedifferentiëerde vervolgstappen in de handhaving.

3. Instellen pilots CRS-NP, CRS-NNP en FATCA-NNP op gesofiëerde data

> Instellen pilot op CRS-NP en CRS-NNP: verkennen van de mogelijkheden voor gebruik in de handhaving (Q4 2017/Q1 2018).

(…)

4. Inzetten handhavingsinstrumenten volgens §4.2 Handhavingsmix.

Dit betekent dat een aantal keuzes in de handhavingsmix gemaakt moeten worden na stap 2 en 3. Bij deze keuzes moet vooral gedacht worden aan:

> Inzet van communicatie: welke soort communicatie, gericht op welke groep(en)?

> Welke criteria gebruiken we voor de selectie van de repressieve aanpak?

> Bij repressieve aanpak: 1 of 5 of 12 jaar navorderen?

> Hoeveel capaciteit wordt op de repressieve aanpak ingezet?

De keuzevragen zullen na stap 2 en 3 met voorstellen voorgelegd worden aan het management.

(…)

6. Conclusie

In dit PvA zijn de handhavingsstappen met betrekking tot FATCA en CRS beschreven. Eén van de belangrijkste constateringen hierbij is dat de komst van CRS-gegevens de komende periode mogelijkheden biedt en capaciteit vraagt voor de handhaving. Van belang is om daar nu al (verder) op voor te sorteren door de benodigde voorbereidingen te treffen. Door middel van dit PvA worden de volgende voorstellen ter goedkeuring voorgelegd:

1. De stappen zoals genoemd in het stappenplan onder 5.2 uitvoeren.

2. De bij de handhavingsactiviteiten beschreven benodigde capaciteit daar op inzetten.

3. Door CDO2 wordt de Landelijk directeur GO als opdrachtgever aangesteld.”

2.10.5.

In het document “CRS-aanpak natuurlijke personen 2018/2019” van 17 juli 2018 wordt onder meer vermeld (voetnoot weggelaten):

“Inleiding

Medio 2017 heeft toenmalig CDO2 het plan van aanpak Fatca/CRS goedgekeurd. Dit plan geeft handvatten voor de handhaving aan de hand van CRS-data (Common Reporting Standard). In de periode september 2017 – januari 2018 hebben 45 landen in het kader van CRS data hebben geleverd aan Nederland. Voor de handhaving zouden die data aan EHI [Hof: Expertisecentrum voor Handhaving en Intelligence] overgedragen worden. Vanwege diverse technische onvolkomenheden heeft die levering door CAP aan EHI een tijdlang gestagneerd.

Op dit moment heeft EHI de beschikking over een groot deel van die gegevens. Deze levering is nu goed genoeg om een pilot te kunnen gaan draaien (ondanks nog enkele omissies).

Op deze leveringen heeft EHi een nieuwe analyse gemaakt (zie voor het beschrijvende deel de bijlage) en die analyse is nu aanleiding om voor de natuurlijke personen een pilot voor te stellen. Dit voorstel volgt hierna.

Analyse

(…)

De groep van individuals (natuurlijke personen) betreft 356K records. Daarvan zijn er 294K gesofieerd en daarvan hebben er 139K betrekking op personen die tot en met 7 juli 2018 de IH-aangifte 2017 ingediend hebben. Deze groep is nader geanalyseerd.

De 139K records zijn te verdelen over de volgende, elkaar uitsluitende groepen (de aantallen blijken niet geheel correct maar zijn een goede indicatie van de omvang per groep):

1. Bij 16.729 records is er een rekeningnummer opgegeven in de aangifte IB dat perfect overeenkomt met het rekeningnummer uit CRS. Bij deze groep is vervolgens nagegaan in hoeverre de bedragen uit CRS overeen komen met die in de aangifte IB 2017.

2. Bij 26.730 records is er wel een gelijke landcode opgegeven in de aangifte IB, maar komt het eventueel opgegeven rekeningnummer niet overeen met het rekeningnummer uit CRS (dit kan een grote afwijking zijn, maar ook een heel kleine, bv. een verschrijving)

3. Bij 64.119 records betreft het een accountbalance (…)

4. Bij 17.528 records betreft het een accountbalance (…)

5. Bij 5.721 records betreft het een accountbalance (…)

6. Bij 1.431`records betreft het een accountbalance (…)

Uit de groepen 1 t/m 6 zijn met een klein groepje deskundigen de volgende voorstellen geformuleerd.

Pilotvoorstel

Doel van de pilot

Na de uitgevoerde desk-analyses is het moment aangebroken om in contact met bel.pl. na te gaan wat de betekenis van de CRS data in handhaving kan zijn.

Het doel van de pilot is daarbij:

- Kunnen we grote heffingsbelangen onderkennen die met een hoog risico optreden? Welke criteria spelen daarbij een differentiërende rol?

- Welke handhavingsmiddelen kunnen ingezet worden? Daarvoor moet uit de pilot blijken waarom bel.pl. hun buitenlandse financiële gegevens niet correct hebben aangegeven (bijvoorbeeld onkunde of bewust).

Pré-pilot

Naast de bijgevoegde desk-analyse heeft de afgelopen maanden een pré-pilot op 30 posten plaatsgevonden. Deze 30 posten hadden betrekking op 7 verschillende landen. Aan deze bel.pl. zijn brieven verstuurd. Uit de reactie op deze verificatiebrieven blijkt dat 26 belastingplichtigen aangeven dat de rekening bekend is, lx is sprake van een ontkenner en 3x is verzocht om uitstel voor beantwoording.

(...)

De uitkomsten van deze pré-pilot zijn betrokken bij het formuleren van de volgende voorstellen. Deze voorstellen leiden tot een nieuwe pilot. (...)

De posten in de pilot worden volledig behandeld. (...) Dit houdt in dat deze posten aan de hand van het CRS-gegeven fiscaal worden beoordeeld en indien nodig worden correcties over de afgelopen 12 jaar opgelegd. (…)”

Gegevens van belanghebbende en haar echtgenoot waren niet opgenomen in de pilots.

2.10.6.

In het document “Handhavingstrategie CRS/FATCA” van 16 november 2018 is onder meer het volgende vermeld:

3. Handhavingsacties ESRR/CRS/FATCA tot nu toe

De Belastingdienst ontving van 2005 tot 2017 elk jaar gegevens uit het buitenland op basis van de Europese Spaar Rente Richtlijn. (…) Vanaf 2017 is door tientallen landen gestart om gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken op basis van de Common Reporting Standard (CRS).

Tot nu toe kan daarvoor wat betreft de handhavingsacties het volgende overzicht worden opgesteld:

(…)

- In najaar 2017 ontvangt de Belastingdienst voor het eerst van 46 landen de CRS-gegevens. In najaar 2018 is dat aantal toegenomen tot 112 landen. In de paragraaf over de CRS-gegevens wordt beschreven wat daar tot dusverre mee gedaan is en wat de voorlopige resultaten zijn.

- Er is een selectiemethodiek ontwikkelt voor de massaal ontvangen gegevens uit het buitenland voor natuurlijke personen. Deze selectie vindt nu nog grotendeels extracomptabel plaats, maar is ook al deels ingebouwd in de weegmodule. Er wordt hierbij rekening gehouden met bijzondere kenmerken, zoals partiele belastingplicht en buitenlandse belastingplicht.

- EHI heeft op basis van de aangeleverde gegevens diverse verbeteringen voorgesteld in het proces van ontsluiting en identificatie van de aangeleverde gegevens. Dit gaat er toe leiden dat er een forse stijging van de identificatie plaats gaat vinden.

Voor het gebruik van deze gegevens in de handhaving moeten ze eerst voorzien worden van een BSN of RSIN. Dit is blijkbaar een lastig proces dat veel aandacht vergt om daarin succesvol te zijn. Dit zogenaamde sofiëren moet door CAP worden gedaan voordat handhavingsorganisatie (met name EHI) daar iets mee kan doen. Vervolgens kan men aan de slag om deze gegevens te verrijken en te analyseren. Hierbij is de volgende toedeling van activiteiten aan stakeholders van toepassing.

  1. De sofiëring is primair een taak van CAP. De ‘data-intelligence’ die daarbij nodig is zal gekoppeld moeten worden aan de ‘human- intelligence’. Voor die ‘human-intelligence’ lijkt op dit moment vanwege de ervaringen EHI/VT de relevante speler.

  2. De bewerking van gegevens voor de VIA is een taak voor CAP.

  3. Het kritisch beoordelen van de ontvangen CRS/FATCA gegevens door VT/EHI. Dit heeft in het verleden meermaals tot detectie van omissies geleid en vervolgens zijn daar verbeteringen door bewerkstelligd. Om deze kritische beoordelingen te kunnen maken is inhoudelijke kennis en ervaring nodig van de diverse regelingen. Deze kennis is aanwezig bij EHI/VT.

  4. Het verrijken en analyseren van de gegevens is een taak van EHI en wordt een taak voor DF&A. Ook bij dit proces is ‘human- intelligence’ nodig. Dit laatste is een taak voor EHI/VT. Het grootste deel van de ontvangen records (specifiek die van NP) kan d.m.v. business rules (voor box 1, 2 en 3) worden verwerkt. Hiervoor is geen analytics van DF&A nodig.

  5. Voor de massale risicoselectie zoveel mogelijk aansluiten bij het reguliere weegproces (selectiemodules IH en Vpb), ambtshalve, nabeschrijving en navorderingstrajecten. Dit reguliere weegproces lijkt voor een belangrijk deel ook in de toekomst belegd bij EHI/VT.

  6. De GO analysegroep kan hierbij wel een belangrijke ondersteunende rol spelen met name wat betreft de NNP.

  7. Voor een kleiner deel van de ontvangen gegevens, met name de gegevens van controlling persons, een deel van de gegevens van NNP en wellicht ook een deel van de niet-geïdentificeerde gegevens, inzetten op het verkennen van de mogelijkheden van data analytics van DF&A.

  8. EHI/VT stelt samen met de programmamanager VhV [Hof: Verhuld Vermogen] de handhavingsadviezen op.

  9. De handhavingsadviezen FATCA/CRS worden vervolgens voorgelegd aan de Stuurgroep VhV en deze bepaald of ze deze door moet zetten naar het Driehoeksoverleg FJZ/UHB of binnen het eigen mandaat tot besluitvorming kan komen.

De effectmeting is een taak die bij EHI/VT wordt belegd. Ook DF&A zal daarbij een aanvullende rol moeten vervullen. De benodigde data zijn immers bij DF&A voorhanden.

5Handhavingsacties CRS

(...)

1. CRS-gegevens voor handhaving

(...)

Wat is er overgedragen aan EHI?

Ten aanzien van de CRS-uitwisseling 2017 (betreffende het belastingjaar 2016) is de stand eind oktober 20 18 dat 377.945 CRS-records (van Individuals en van Organisations) afkomstig uit 35 landen aan EHI beschikbaar zijn gesteld. Deze gegevens zijn verkregen door middel van een query. In de query zijn niet alle velden opgenomen. Een query was nodig omdat er geen

mogelijkheid bestond om rechtstreeks bij deze gegevens te komen. (...) In september/oktober2018 worden van 112 landen CRS-gegevens verwacht in het kader van de gegevensuitwisseling 2018. Dit betreffen dan gegevens over belastingjaar 2017.

In de CRS uitwisseling is sprake van 3 verschillende soorten personen:

1. Individuals

2. Organisations

3. Controlling Persons

(...) Er zijn meer waardevolle velden niet beschikbaar gesteld, bijvoorbeeld de naam van de

financiële instelling (in 131.184 van de 377.945 records is de naam wel juist).

Door deze omissies kunnen de analyses voor handhaving slechts ten dele uitgevoerd worden.

Deze omissies zijn gemeld bij het Bestuurlijk Platform AEOI. (...)

Op dit moment (oktober 2018) wordt door CAP op aanwijzing van EHI gewerkt aan een tijdelijke oplossing voor deze problemen. Een robuuste oplossing ontbreekt nog.

Zowel de gegevens die in 2017 zijn binnen gekomen (jaar 2016) als de gegevens die in 2018 zijn binnen gekomen (jaar 2017) worden opnieuw geïdentificeerd. Dit betreft circa 1,4 miljoen records. Volgens planning zouden deze 1,4 miljoen records voor eind november 2018 allemaal moeten zijn verwerkt. (...)

Voor de totale populatie exclusief controlling persons is het identificatiepercentage nu ongeveer 75%.

Ondanks de omissies in de levering van de CRS gegevens aan EHI zijn een aantal activiteiten uitgevoerd met behulp van de wel aanwezige gegevens.

2. CRS-natuurlijke personen

In de Stuurgroep VhV [Hof. Stuurgroep Verhuld Vermogen] van 20 juli 2018 is de pilot CRS

besproken en geaccordeerd. Deze pilot houdt het volgende in.

Pré pilot.

Er heeft een pré-pilot op 30 posten plaatsgevonden. Deze 30 posten hadden betrekking op 7 verschillende landen. Ongeveer in de helft van de gevallen moest nader onderzoek ingesteld worden om na te gaan of een correctie op zijn plaats is.

De uitkomsten van deze pré-pilot zijn betrokken bij het opstellen van pilotplan.

Pilot

De posten in de pilot worden volledig behandeld. Dit houdt in dat deze posten aan de hand van het CRS-gegeven fiscaal worden beoordeeld en indien nodig worden correcties over de afgelopen 12 jaar opgelegd. De aanpak zal conform de aanpak VhV zijn hetgeen inhoudt dat ook de herkomst vraag aan de orde komt.

In de pilot worden 145 posten behandeld. Deze 145 posten zijn over 8 groepen verdeeld. Het pilotplan is in het Stuurgroep VhV overleg van 20 juli 2018 geaccordeerd.

(...)

Vervolgstappen

Als de CRS gegevens over de jaren 2016 en 2017 opnieuw geïdentificeerd zijn en aan EHI zijn aangeleverd dan zal op basis van de bestaande kennis en selectieregels en de ervaringen van de pilot een integrale weging van de totale populatie plaatsvinden. Op basis van deze integrale analyse zullen nadere voorstellen voor behandeling worden geformuleerd. Ook zal een uitspraak gedaan worden in hoeverre er sprake is van compliant gedrag. Bij de integrale analyse wordt nagegaan of differentiatie naar landen logisch is.”

2.10.7.

In de “Tussenrapportage pilot CRS + voorstel voor vervolgaanpak” van 4 februari 2019 is onder meer vermeld:

“Na juli 2018 heeft VT-Handhaving (een deel van EHI is inmiddels overgegaan naar Vaktechniek-handhaving) veelvuldig contact met CAP gehad over het oplossen van gebreken die bij het doorleveren van CRS-gegevens aan VT-handhaving waren geconstateerd. Dit heeft tot diverse maatregelen bij CAP geleid die op de nieuwe ontvangsten van CRS-gegevens in het najaar 2018 toegepast konden worden. Dit heeft er toe geleid dat van de circa 100 landen die CRS gegevens aan Nederland leveren er 80 zijn waarvan de gegevens inmiddels ook bij VT-handhaving beschikbaar zijn. De sofiëringsgraad bij deze gegevens is hoger dan medio vorig jaar en komt nu voor natuurlijke personen op ongeveer 86% uit.

Aangezien de meeste CRS-gegevens over natuurlijke personen nu bij VT-handhaving voorhanden zijn is het zinvol om met voorstellen te komen hoe die gegevens in de handhaving gebruikt kunnen worden.

Daarbij dienen we ons te realiseren dat een mix van handhavingsinstrumenten het grootste effect zal sorteren. (…)

Het voorinvullen wordt op dit moment op de daarvoor geëigende manier voorbereid. Zoveel mogelijk CRS/FATCA-gegevens van de ontvangst in najaar 2018 zullen voor de aangifte IH 2018 vooringevuld worden. Op dit moment staan ruim 800.000 gegevens klaar om verwerkt te worden in dit traject. De andere instrumenten komen aan bod na de paragraaf over de analyse van de pilot.”

Verder is een tussenrapportage gegeven van de pilot en een voorstel gedaan voor de verdere invulling van de pilots.

2.10.8.

Op 1 mei 2019 is wederom een tussenrapportage gegeven met als onderwerp “CRS Pilot 1 mei 2019” waarin wordt voorgesteld na overleg met de Stuurgroep Verhuld Vermogen (VhV) de pilots uit te breiden.

2.10.9.

In een memo van 20 mei 2019 betreffende “Voorstel escalatie problematiek rondom verrijking gegevens CRS” is vermeld dat in de periode december 2018 tot en met februari 2019 een groot aantal records is overgedragen (zowel kalenderjaar 2017 als inhaalkalenderjaar 2016). Het memo luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Stavaza overdracht CRS en FATCA gegevens aan Handhaving/DF&A [Hof: Datafundamenten en Analytics]

(…)

In de loop van 2019 is vastgesteld dat in veel gevallen een financiële instelling aan een verkeerde rekeninghouder was gekoppeld. Dit is een fors probleem en is door (…) van CAP bevestigd en men is op zoek gegaan naar de oorzaak of oorzaken. Op dit moment is onbekend wat de stand van zaken van dat onderzoek is en wanneer we nieuwe verbeterde gegevens verwachten te ontvangen.

Naast EHI heeft ook CAP/OAG geprobeerd om zicht te krijgen op de ontvangen CRS en FATCA gegevens, vanuit hun rol in het VIA proces. Zij hebben alle ontvangen CRS bestanden (de originele xml bestanden!) nogmaals zelfstandig ingelezen en van daar uit geprobeerd om aansluiting te vinden met de CRS verwerkingen. Deze aansluiting is niet gelukt. Een groot issue is de vaststelling dat in het verwerkingsproces niet goed zichtbaar is wat er met nieuwe, verbeterde en of gecorrigeerde records is/wordt gedaan. Duidelijk is dat een en ander tot op de bodem uitgezocht moet worden. (…) heeft aangegeven dat dit de verantwoordelijkheid is van CAP.

Conclusie

Duidelijk is dat de query nog niet goed genoeg is, maar ook is duidelijk door OAG is aangetoond dat er binnen het verwerkingsproces issues spelen die op korte termijn in kaart gebracht moeten worden en bij voorkeur ook worden opgelost.

Toezicht moet nu aan CAP vragen om een oplossing voor de geconstateerde gebreken met een vigerend tijdpad. In ieder geval voor de komende uitwisseling (1 oktober 2019) moet het duidelijk zijn wat de gebreken zijn in de query. Als er meer aan de hand is moet ook dit voor de uitwisseling van 1 oktober 2019 in kaart zijn gebracht en ook opgelost zijn.”

2.10.10.

Uit het rapport “Evaluatie kwaliteit gegevens VIA voor IH 2018” van 27 augustus 2019 blijkt dat een team aan het werk is gegaan met de in 2.10.9 genoemde problematiek rond de verrijking van de CRS-gegevens.

2.10.11.

Uit het document “Afspraken en actiepunten kernteam VhV” van 17 januari 2020 volgt dat een kernteam binnen de afdeling VhV is gevormd, dat een inwerkprogramma binnen deze afdeling is gestart en dat vanaf juli 2019 gegevens met iCOV (naar het Hof begrijpt: infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) worden uitgewisseld. Dit rapport biedt een overzicht met werkzaamheden vanaf 23 september 2019 tot en met 17 januari 2020 van het kernteam.

2.10.12.

In het memo “mededelingen [FATCA]/CRS en leaks” van 16 april 2020 komt het volgende naar voren:

“Voor het opwerken, analyseren en opleveren van risicoposten heeft Df&A eind 2018 de rol van EHI (mn de I van intelligence) overgenomen. Zoals eerder gemeld heeft dit nog niet tot een geoliede machine geleid. Medio maart is daarom door de directeur GO met behulp van de programmaleiding VhV een memo aangeboden aan de directeur Df&A om een knelpunt nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Het knelpunt zag op het niet opleveren van risicoposten waardoor de werkvoorraad VhV in het geding kwam.

Dit memo heeft geleid tot nader bestuurlijk overleg tussen de programmaleiding en Df&A. In dat overleg zijn 2 belangrijke onderwerpen besproken, te weten enerzijds CRS/FTACA en anderzijds de aanpak van de leaks.

Op beide onderwerpen wordt hierna in gegaan.

(…)

2. Df&A heeft van EHI een platform overgenomen om CRS-data op te werken. Dit platform moest omgebouwd worden. Nu de CRS data bij Df&A zijn kan blijken of dit goed functioneert. Df&A heeft aangegeven dat ze binnen 1 á 2 weken deze opwerking van CRS data eenmalig zal uitvoeren en vervolgens aan een structurele oplossing zal gaan werken.

Ondertussen wordt door VhV-medewerkers gewerkt met een bestand (niet volledig en deels onjuist) van circa 10.000 posten. Op dit bestand wordt een bureau beoordeling uitgevoerd (kan ook goed in deze corona-tijd) waaruit mogelijk 1.500 behandelwaardige posten voortkomen. Daarmee wordt gezorgd voor een werkvoorraad ook als Df&A daar nog niet op korte termijn voor kan zorgen.

Of deze tweede belemmering is opgeheven zal de komende weken gaan blijken.”

2.10.13.

In maart 2020 is een selectielijst met nader te onderzoeken dossiers – waaronder dat van belanghebbende – door de afdeling Datafundamenten en Analytics (DF&A) aan de projectleider CRS verstuurd.

2.10.14.

Het memo “Analyse en selectie CRS/FATCA-gegevens inclusief rolverdeling” van 19 mei 2020 van het kernteam VhV geeft overzicht van de te doorlopen stappen bij ontvangst van deze gegevens:

Stappen bij het gebruik van CRS/FATCA-gegevens

Deze beschrijving begint bij de ontvangst van de CRS/FATCA gegevens door DF&A van CAP. De gegevens zijn dan al aan de poort goedgekeurd, ontsloten, zoveel mogelijk geïdentificeerd en de vreemde valuta zijn reeds omgerekend naar eurobedragen. Vanaf dat moment worden de volgende stappen uitgewerkt.

1. Valideren

a. Gegevens consistent rubriceren;

b. Betekenis toekennen aan gegevens;

c. Ontvangen gegevens beoordelen op diverse aspecten1 (materiële toets, dit in tegenstelling tot wat CAP doet. CAP toetst vooral op het nakomen van de gemaakte afspraken op recordniveau)

2. Verrijken

a. Gegevens aan de CRS/FATCA-data toevoegen: ABS, BVR, kadaster, KvK, S&E, etc.

b. Gegevens matchen met VhV-posten;

c. het aanleggen van een CRS/FATCA moederbestand dat de basis vormt voor

1) risico analyse Natuurlijke Personen

2) risico analyse Niet-Natuurlijke Personen

In het moederbestand staan alle CRS/FATCA records opgenomen. Aan dit bestand worden ter verrijking diverse gegevens toegevoegd om inzicht te krijgen in de ontvangen gegevens. Met dit verzamelbestand kunnen uitspraken gedaan worden over de kwantiteit en kwaliteit van de ontvangen gegevens door middel van interne cijferanalyse, vergelijking tussen landen en stromen etc.

Nog een ander doel is het gebruik voor feedback doeleinden richting het buitenland. Met het toevoegen van adresgegevens en aangiftegegevens kan een meer inhoudelijke feedback gegeven worden dan louter op basis van de gegevens zelf mogelijk is.

Het bestand werd ook gebruikt voor Bestuurlijke Informatie naar interne (belastingdienst en ministerie) en externe klanten (OECD, EU). Een hoger doel is om een beschrijving van de ontvangen gegevens te maken op basis van de ontvangen contra informatie, subjectgegevens en aangiftegegevens.

3. Analyseren

a. Verrijkte gegevens rubriceren aan de hand van criteria (o.a. soort CRS/FATCA, hoogte bedragen (balance en payments), fiscale duiding (bijv.box 1 of 3), soort bel.pl.: binnenlands-buitenlands, NP-NNP, controllingpersons)

(…)

e. Inzicht verschaffen in de ontvangen gegevens in brede zin. Dit houdt ook inom patronen en fenomenen ontdekken (oa overall analyse die leidt tot:

loopholes constateren, netwerken detecteren, fenomenen, differentiatie in bijv. landen/facilitators/financiële producten, financiële producten op meerdere namen, meerdere financiële producten op één adres, jarenvergelijkingen maken);

f. Niet gesofieerde gegevens beoordelen;

g. Effectmeting gebruik CRS/FATCA-gegevens (o.a. door voorinvullen);

h. Inhoudelijke feedback geven aan de verzendende landen.

4. Prioriteren en selecteren

Adviseren over het gebruik van de gegevens op basis van handhavingsregie (van niks doen, preventief tot fraude onderzoeken). Dit kan op basis van prioritering en selecties.

a. Aan de hand van de analyses prioriteiten toekennen aan deelverzamelingen van de data. Daar hoort ook bij het doorselecteren van posten die in de selectiemodule IH/niet-winst zijn uitgeworpen

b. Pilots uitvoeren om prioritering te verbeteren en te onderbouwen;

c. Selecties uitvoeren op basis van gekozen prioriteringen.

5. Opleveren

a. Geprioriteerde posten opleveren aan VhV zodat VhV die in behandeling kan zetten.

b. Ervaringen die bij de klantbehandeling worden opgedaan op een systematische wijze terugleveren aan DF&A, zodat de leercirkel rond wordt gemaakt. Een aspect hierbij is ook oog hebben voor de kwaliteit van de aangeleverde informatie.

c. Tenslotte zijn de CRS/FATCA gegevens ook te gebruiken voor vragen vanuit de business (vooralsnog nodig omdat de gegevens (nog) niet of niet volledig

in de raakvlaksystemen staan opgeslagen).

Wie doet wat?

De stappen bij het gebruik van CRS/FATCA data moeten in samenwerking door meerdere partijen uitgewerkt worden.

De partijen die hier betrokken zijn:

- Vaktechniek Handhaving (VT HH,(…) )

- Df&A (…) coördineert, meerdere collega’s van Df&A;)

- Verhuld Vermogen (Kernteam VhV en daarnaast worden VhV specialisten

ingeschakeld);

- CCB (…);

- CAP (sofieert en levert data aan Df&A)

- CLO (is liaison naar andere landen).

Valideren:

VT HH in samenwerking met Df&A

Verrijken:

Df&A in overleg met VhV en VT HH

Analyseren:

Df&A in opdracht van VhV en in overleg met VT HH, CCB, VhV

Prioriteren en selecteren:

Df&A in opdracht van VhV en in overleg met VT HH, CCB, VhV

Opleveren:

Df&A levert op aan VhV.”

2.10.15.

De Inspecteur heeft vanaf augustus 2020 een interne analyse gemaakt van de dossiers, waaronder een vergelijking van de hem ter beschikking staande gegevens van belanghebbende en haar echtgenoot alsmede de door hen ingediende aangiften. Hierbij is door de Inspecteur het volgende opgemerkt:

“wel aangegeven maar op nihil. Jaren hiervoor ook deels aangegeven maar met geen of een lage waarde. Uitvragen hoe dit zit”.

2.11.

Bij brief van 14 januari 2021 heeft de Inspecteur de echtgenoot laten weten te beschikken over informatie dat hij en/of belanghebbende houder is (geweest) van een of meer in Duitsland aangehouden bankrekeningen. In deze brief heeft de Inspecteur verzocht om middels het bijgevoegde formulier een opsomming te geven van alle in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen.

2.12.

Op 15 maart 2021 heeft de echtgenoot op het verzoek om informatie van de Inspecteur van 14 januari 2021 gereageerd.

2.13.

Bij brief van 8 april 2021 heeft de Inspecteur de echtgenoot nogmaals verzocht om informatie en de brief van 14 januari 2021 volledig te beantwoorden en heeft hij aanvullende vragen gesteld. Op 16 juni 2021 heeft de Inspecteur nog een aanvullend verzoek om informatie gezonden. Vervolgens heeft tussen partijen correspondentie plaatsgevonden, waarbij de echtgenoot informatie over de buitenlandse bankrekeningen heeft verstrekt. Daarna heeft op 5 oktober 2021 met de echtgenoot een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de Belastingdienst in Den Haag.

2.14.

Uit de verstrekte gegevens blijkt dat belanghebbende en haar echtgenoot in de onderhavige jaren houder waren van rekeningen bij [Bank 1] (rechtsvoorganger van [Bank 1a] ) en [Bank 2] in Duitsland en van [Bank 3] en [Bank 4] in de Verenigde Staten. Daaruit bleek voorts van aanzienlijk hogere saldi dan in de aangiften voor de jaren 2013 tot en met 2015 en 2017 waren verantwoord. Over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2016 en 2018 waren in de aangiften in het geheel geen saldi verantwoord. De echtgenoot van belanghebbende heeft verklaard dat de Duitse rekeningen deels zijn gevoed met bedragen die hij uit de nalatenschap van zijn vader heeft ontvangen en dat de Amerikaanse rekeningen hun oorsprong vinden in het beloningspakket ter zake van een voormalige arbeidsbetrekking bij een Amerikaanse werkgever.

2.15.

Bij brief van 18 februari 2022 heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2018 op te leggen en de ingediende aangifte IB/PVV 2019 te corrigeren wegens het niet aangeven van (de saldi van) meerdere buitenlandse rekeningen in box 3 en stelt hij belanghebbende en haar echtgenoot, onder bijvoeging van een indicatieve berekening van de aanslagen, voor een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Ook deelt de Inspecteur mee voornemens te zijn ingevolge artikel 67d, lid 1 en/of lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en/of artikel 67e, lid 1 en/of lid 6, AWR vergrijpboetes op te leggen van 150%:

Motivering boete

De reden waarom een vergrijpboete wordt opgelegd wordt hierna door mij nader gemotiveerd. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens- en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks heeft u de in de bijlage opgenomen (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen niet in uw aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat u v oor deze belastingjaren (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Hoogte vergrijpboete

De onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 tot en met 2019 zijn ingediend na 1 juli 2009. Hierop is het nieuwe boeteregime van toepassing zodat (v oor box 3) maximaal 300% opgelegd kan worden. Naar mijn mening is een vergrijpboete van 150% passend en geboden.

Omstandigheden

Bij de bepaling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de volgende feiten en omstandigheden:

  • Vanaf het jaar 2010 staat in de aangiften het saldo rekeningen in Nederland en saldo rekeningen in het buitenland apart vermeld. Het feit dat over meerdere jaren, elk jaar opnieuw een bewuste keuze is gemaakt om een onjuiste aangifte te doen (stelselmatig gedrag);

  • Het feit dat er bewust voor is gekozen om geen gebruik te maken van de diverse inkeerregelingen.

  • Het feit dat de vooringevulde aangifte van 2017 op 15 maart 2018 is ingekeken, waarop reeds vermeld stonden [Bank 1a] en [Bank 4] . Op 18 juni 2018 is de aangifte ingediend, zonder dat saldi zijn ingevuld v oor deze rekeningen.

  • Het feit dat de vooringevulde aangifte van 2018 op 18 maart 2019 is ingekeken, waarop reeds vermeld stonden 4 rekeningen bij [Bank 2] , 3 rekeningen bij [Bank 1a] en [Bank 4] . Op 11 juli 2019 is de aangifte ingediend, zonder dat saldi zijn ingevuld voor deze rekeningen.

  • Met dagtekening 26 februari 2014 hebt u van ons een brief ontvangen met als onderwerp: Vermogen in het Buitenland. Hierin werd aangegeven dat volgens onze gegevens u een of meer rekeningen in het buitenland hield. Omdat wij destijds alleen over rentegegevens beschikten, werd u verzocht zelf uw saldo per 1 januari 2013 in te vullen. U hebt dit niet gedaan.

  • Met dagtekening 1 maart 2017 hebt u van ons een brief ontvangen met als onderwerp: Aangifte inkomstenbelasting en FATCA. Hierin werd aangegeven dat volgens onze gegevens u een of meer bank en/of effectenrekeningen had in de Verenigde Staten en dat dit mogelijk van belang kon zijn voor uw aangifte inkomstenbelasting 2016, box 3. Het betrof ontvangen rente en/of dividend van [Bank 4] en [Bank 3] . Het verzoek was deze zelf op te nemen in uw aangifte daar dit niet in uw vooringevulde aangifte ingevuld kon worden. U hebt dit niet gedaan.

Dit betekent dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzettelijk handelen met als gevolg dat er te weinig belasting is geheven. De boete die daarbij hoort bedraagt 150% van het bedrag aan belasting dat vanwege het (voorwaardelijk) opzettelijk handelen van belastingplichtige te weinig is aangegeven en betaald.”

2.16.

In de brief van 10 maart 2022 laat de echtgenoot weten dat hij en belanghebbende niet akkoord gaan met de concept-vaststellingsovereenkomst. In deze brief en de brief van 29 februari 2024 hebben belanghebbende en haar echtgenoot over het in 2.7 vermelde aangiftegedrag verklaard:

“As already mentioned, we were aware that we did not fill out the tax forms correctly, and as already mentioned we never received any answers to our letters asking for advise and instructions how to proceed further.

There is no „ernstige nalatigheid“ or even „grove schuld“ this was nothing more than laziness and ignorance.”

“We did not false report our properties abroad, we simply did not report them at all. The reasons was not tax evasion, as you say, the reasons was simply avoid the trouble to get access to accounts that I have not logged into for many years and needed to get all the access data, as well as not getting any feedback from the taks office on what to do or any reaction to our letters we send in 2014 and in 2017.”

2.17.

Op 18 april 2022 hebben belanghebbende en haar echtgenoot nieuwe aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 ingediend. Hierbij hebben zij de volgende saldi vermeld van de buitenlandse rekeningen:

2017: € 233.791

2018: € 278.323

2019: € 305.880

2.18.

Op 26 april 2022 heeft de Inspecteur de mededeling verzonden dat hij aan belanghebbende en haar echtgenoot navorderingsaanslagen IB/PVV met vergrijpboetes zal opleggen ingevolge artikel 67e, lid 1 en lid 6, AWR van 150%, zoals hij heeft aangekondigd bij brief van 18 februari 2022. Bij belanghebbende en haar echtgenoot zullen inkomsten in box 3 worden nagevorderd op basis van de volgende rendementsgrondslagen:

2009: € 75.618

2010: € 175.328

2011: € 264.537

2012: € 206.332

2014: € 206.369

2015: € 227.880

2016: € 198.694

Voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een verdeling gekozen van de rendementsgrondslag. Omdat voor de jaren na 2014 geen dan wel een onvolledige verdeling is gekozen, heeft de Inspecteur meegedeeld dat voor deze jaren conform de wettelijke verdeling bij ieder 50% wordt gecorrigeerd. De Inspecteur heeft het volgende schema bijgevoegd.

“Schema met verdeling in aangiften, en de verdeling zoals u 21- 4- 22 hebt doorgegeven voor het na te vorderen vermogen:

JAAR (na te vorderen vermogen)

Bij aangifte aangegeven aandeel in grondslag box 3 vermogen

Aangegeven verdeling na te vorderen vermogen

(grondslag box 3)

2009

(€ 75.608)

[A] : € 173.300,

[belanghebbende] : € 98

[A] : € 0,

[belanghebbende] : € 28.722

0%

100%

2010

(€ 175.328)

[A] : € 74.863

[belanghebbende] : €74.863

[A] : € 45.000,

[belanghebbende] : € 33.627

57%

43%

2011

(€ 264.537)

[A] : € 134.596,

[belanghebbende] : € 0

[A] : € 120.000,

[belanghebbende] : € 97.409

55%

45%

2012

(€ 206.332)

[A] :€ 75.000,

[belanghebbende] : € 76.576

[A] : € 0,

[belanghebbende] : € 164.054

0%

100%

2013

(€ 191.635)

[A] : € 0,

[belanghebbende] :€ 127.669

[A] :€ 100.000,

[belanghebbende] : € 49.357

67%

33%

2014

(€ 206.369)

[A] : € 0

[belanghebbende] : € 0,

(Binnenlands vermogen niet meer navorderbaar)

[A] : € 196.808,

[belanghebbende] : € 0

100%

0%

JAAR (na te vorderen vermogen)

Bij aangifte aangegeven aandeel in grondslag box 3 vermogen

Geen verdeling vermeld, navordering box 3 art. 2.17 lid 3 Wet IB 2001

2008

(€ 65.117)

[A] : € 0

[belanghebbende] : € 191.731

[A] : € 32.559

[belanghebbende] : € 32.558

50%

50%

2015

(€ 227.880)

[A] : € 40.000

[belanghebbende] : € 93.062

[A] : € 113.940

[belanghebbende] : € 113.940

50%

50%

2016

(€ 198.694)

[A] : € 134.058

[belanghebbende] : € 0

[A] : € 99.347

[belanghebbende] : € 99.347

50%

50%

2017

(€ 233.513)

[A] : € 0

[belanghebbende] : € 124.057

[A] : € 116.757

[belanghebbende] : € 116.756

50%

50%

2018

(€ 279.215)

[A] : € 0

[belanghebbende] :€ 99.449

[A] : € 139.608

[belanghebbende] : € 139.607

50%

50%

2019

(€ 305.222)

[A] : € 0

[belanghebbende] : € 198.065

[A] : € 152.611

[belanghebbende] : € 152.611

50%

50%

Naast het na te vorderen buitenlands vermogen is rekening gehouden met aftrek van betaalde dividendbelasting in het buitenland (voor max. 15%):

2014 € 205

2015 € 301

2016 € 320

2017 € 362

2018 € 504

2019 € 708

2020 € 788”

De Inspecteur vermeldt verder dat de (navorderings)aanslagen 2017 tot en met 2019 nog niet opgelegd zullen worden vanwege onduidelijkheid over de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, het zogenoemde Kerstarrest.

Ter motivering van de boete heeft de Inspecteur het volgende opgemerkt:

“Motivering boete

De reden waarom vergrijpboeten zijn opgelegd wordt hierna door mij nader gemotiveerd.

Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens- en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks heeft u bovenvermelde (en in de reeds verzonden bijlagen opgenomen) buitenlandse vermogensbestanddelen niet in uw aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat u voor deze belastingjaren (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften hebt gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Hoogte vergrijpboete

De onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 tot en met 2019 zijn ingediend na 1 juli 2009. Hierop is het nieuwe boeteregime van toepassing zodat (voor box 3) maximaal 300% opgelegd kan worden. Naar mijn mening is een vergrijpboete van 150% passend en geboden.

Omstandigheden

Bij de bepaling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de volgende feiten en omstandigheden:

  • Vanaf het jaar 2010 staat in de aangiften het saldo rekeningen in Nederland en saldo rekeningen in het buitenland apart vermeld.

  • Het feit dat over meerdere jaren, elk jaar opnieuw een bewuste keuze is gemaakt om een onjuiste aangifte te doen (stelselmatig gedrag);

  • Het feit dat er bewust voor is gekozen om géén gebruik te maken van de diverse inkeerregelingen.

  • Het feit dat de vooringevulde aangifte van 2017 op 15 maart 2018 is ingekeken, waarop reeds vermeld stonden [Bank 1a] en [Bank 4] . Op 18 juni 2018 zijn de aangiften van u beiden ingediend, terwijl diverse saldi bij u beiden zijn ingevuld echter slechts een fractie (€ 275) van de werkelijke waarde(€ 233.513).

  • Het feit dat de vooringevulde aangifte van 2018 op 18 maart 2019 is ingekeken, waarop reeds vermeld stonden 4 rekeningen bij [Bank 2] , 3 rekeningen bij [Bank 1a] en [Bank 4] . Op 11 juli 2019 zijn de aangiften ingediend, zonder dat saldi zijn ingevuld voor deze rekeningen.

  • Met dagtekening 26 februari 2014 hebt u van ons een brief ontvangen met als onderwerp: Vermogen in het Buitenland. Hierin werd aangegeven dat volgens onze gegevens u één of meer rekeningen in het buitenland hield. Omdat wij destijds alleen over rentegegevens beschikten, werd u verzocht zelf uw saldo per 1 januari 2013 in te vullen. U hebt op 31 maart 2014 bij u beiden een saldo van € 3.130 ingevuld met daarbij het klantnummer bij [Bank 1] in plaats van een rekeningnummer. Dit bedrag was slechts een fractie van het werkelijke saldo (€ 194.765).

  • Met dagtekening 1 maart 2017 hebt u van ons een brief ontvangen met als onderwerp: Aangifte inkomstenbelasting en FATCA. Hierin werd aangegeven dat volgens onze gegevens u een of meer bank en/of effectenrekeningen had in de Verenigde Staten en dat dit mogelijk van belang kon zijn voor uw aangifte inkomstenbelasting 2016, box 3. Het betrof ontvangen rente en/of dividend van [Bank 4] en [Bank 3] . Het verzoek was deze zelf op te nemen in uw aangifte daar dit niet in uw vooringevulde aangifte ingevuld kon worden. U hebt dit niet gedaan.

Dit betekent dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzettelijk handelen met als gevolg dat er te weinig belasting is geheven. De boete die daarbij hoort bedraagt 150% van het bedrag aan belasting dat vanwege het (voorwaardelijk) opzettelijk handelen van belastingplichtige te weinig is aangegeven en betaald.”

2.19.

De Inspecteur heeft tussen begin mei 2022 en medio december 2022 de in 1.1 vermelde (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd met de daarbij behorende rentebeschikkingen en boetebeschikkingen. Voor het jaar 2018 is geen navorderingsaanslag opgelegd maar is bij het opleggen van de primitieve aanslag afgeweken van de aangifte.

2.20.

De echtgenoot heeft bij brief aan de Inspecteur van 7 mei 2022 om de volgende verdeling verzocht van het vermogen in box 3 tussen belanghebbende en hem:

2015

[A] 180602 €

[belanghebbende] 0 €

2016

[A] 156416 €

[belanghebbende] 0 €

2.21.

Bij brief van 13 mei 2022 heeft de Inspecteur meegedeeld dat vanwege verrekening van heffingskortingen en verliezen aan de echtgenoot geen navorderingsaanslagen worden opgelegd over de jaren 2008 en 2013 en aan belanghebbende geen navorderingsaanslagen over de jaren 2008, 2011 en 2013 en dat de navorderingsaanslag 2015, na de dagtekening van 17 mei 2022, geheel verminderd wordt naar nihil. Omdat de echtgenoot in zijn reactie geen antwoord heeft gegeven over de gekozen verdeling van het box 3-vermogen over 2015 en 2016 dan wel een onvolledige verdeling heeft gekozen, deelt de Inspecteur mee dat hij uitgaat van een 50% verdeling voor beiden, conform artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001.

2.22.

Bij brieven van 1 september 2022 en 5 december 2022 heeft de Inspecteur de termijnen voor de beslissingen op de bezwaren met zes weken verdaagd. Daarin heeft belanghebbende niet bewilligd. De Inspecteur heeft de uitspraken op bezwaar gedaan op 11 juli 2023.

2.23.

In oktober en november 2023 heeft de Inspecteur twee verminderingsbeschikkingen gegeven uit hoofde van de Wet rechtsherstel box 3. Een daarvan heeft betrekking op de aan de belanghebbende ter zake van het jaar 2017 opgelegde navorderingsaanslag en de ander op de navorderingsaanslag die ter zake van het jaar 2018 aan de echtgenoot is opgelegd, steeds met gelijktijdig gegeven rente- en boetebeschikkingen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“(Navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen

11. Het eerste lid van artikel 7:10 van de Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan beslist op het bezwaar binnen zes weken na de laatste dag van de bezwaartermijn. Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de uitspraak met zes weken verdagen en krachtens het vierde lid is verder uitstel mogelijk voor zover de belanghebbende daarmee instemt. Nu verweerder zonder instemming van eiseres ruim later dan 12 weken na de laatste dag van de bezwaartermijn op de bezwaren heeft beslist, staat vast dat hij de termijn van artikel 7:10 van de Awb heeft overschreden.

12. De wet verbindt geen ander gevolg aan overschrijding van de termijn van artikel 7:10 van de Awb, dan dat alsdan de mogelijkheid bestaat om een dwangsom te verzoeken (artikel 4:17 van de Awb) en rechtstreeks beroep mogelijk is (artikel 6:12 van de Awb). Uit de algemene rechtsbeginselen volgt evenmin dat enig (ander) gevolg aan schending van artikel 7:10 van de Awb moet worden verbonden.

13. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat de overschrijding van de termijn van artikel 7:10 van Awb moet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen.

14. Er zijn overigens geen gronden tegen de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen aangevoerd en de rechtbank is ook niet ambtshalve gebleken van strijd met enige rechtsregel rond het opleggen daarvan. Zij zal daarom de beroepen tegen de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen ongegrond verklaren, behalve die ter zake van het jaar 2017. Het beroep ter zake van dat jaar (SGR 23/4982) zal de rechtbank gegrond verklaren, nu verweerder de navorderingsaanslag en de rente- en boetebeschikkingen ter zake van dat jaar hangende het beroep verminderd heeft (r.o. 6 hiervoor).

Boetebeschikkingen

15. Verweerder heeft gelijktijdig met de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslagen vergrijpboetes aan haar opgelegd op de voet van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) , van 150% van de in die navorderingsaanslagen begrepen, niet in de aangiften verantwoorde box 3-inkomsten.

16. De belastingrechter dient in geval van een geschil over een bestuurlijke boete ambtshalve na te gaan of zij is opgelegd binnen de daarvoor geldende termijn.[1] Voor de onderhavige vergrijpboetes is dat de navorderingstermijn van het vierde lid van artikel 16 van de AWR. De navorderingsaanslag over 2009 en de vergrijpboete daarbij zijn opgelegd met dagtekening van 20 mei 2022, dus ruim meer twaalf jaar na het einde van het belastingjaar. Verweerder heeft ter zitting verklaard niet te kunnen zeggen of eiseres voor het jaar 2009 om uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV had verzocht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat geen uitstel is verleend en komt daarmee tot het oordeel de vergrijpboete ter zake van het jaar 2009 buiten de daarvoor geldende termijn is opgelegd en op die grond moet worden vernietigd.

17. Verweerder heeft aan de vergrijpboetes ten grondslag gelegd dat het aan opzet van eiseres te wijten is dat de aanslagen voor de onderhavige jaren tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Subsidiair stelt hij dat dit aan haar grove schuld te wijten is. Verweerder draagt daarvan de bewijslast. Dat bewijs moet worden geleverd naar de maatstaf dat de bestanddelen van het beboetbare feit buiten redelijke twijfel komen vast te staan.[2]

18. Uit de stukken van het geding volgt eenduidig dat de aangiftes voor de onderhavige jaren onjuist waren, namelijk doordat de Duitse en Amerikaanse rekeningen daarin nagenoeg geheel niet waren verantwoord, en dat als gevolg daarvan de primitieve aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Omtrent de vraag of dat is te wijten aan opzet dan wel grove schuld van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

19. Blijkens de stukken van het geding bestond het financiële huishouden van eiseres en haar echtgenoot - afgezien van de onderhavige buitenlandse rekeningen - uit de arbeidsinkomsten van de echtgenoot, de eigen woning en spaarsaldi. De Duitse en Amerikaanse rekeningen stonden op naam van de echtgenoot. Voorts blijkt uit de stukken dat eiseres geen eigen arbeidsinkomen had. Dit laatste is ter zitting namens eiseres bevestigd door haar echtgenoot, die tevens in de hoedanigheid van gemachtigde van eiseres aanwezig was. Ter zitting is namens eiseres verklaard dat zij wel wist dat de echtgenoot buitenlandse bankrekeningen aanhield, maar dat zij geen enkele bemoeienis met de rekeningen heeft gehad, niet bij de desbetreffende banken bekend was en ook niet wist wat er op de rekeningen stond. Voorts is ter zitting namens eiseres verklaard dat zij zich niet met administratieve aangelegenheden inlaat en in het bijzonder ook geen inhoudelijke bemoeienis met de jaarlijkse aangiften IB/PVV heeft gehad: die werden door de echtgenoot opgesteld en daar heeft eiseres steeds 'blind' voor getekend. De verklaringen ter zitting zijn in tegenspraak met de brief die de echtgenoot mede namens eiseres schreef op 10 maart 2022 en met de motivering van het beroepschrift, namelijk nu die brief en die motivering in de wij-vorm zijn geformuleerd. Daar gaat de rechtbank aan voorbij nu de echtgenoot, zoals door hem ter zitting toegelicht, daarmee slechts voor ogen heeft gehad het in die brief en het beroepschrift opgenomen verweer ook voor eiseres te laten gelden. De rechtbank acht de ter zitting weergegeven gang van zaken niet a priori onaannemelijk. Gegeven de in dezen te hanteren bewijsmaatstaf (r.o. 17 hiervoor) zal de rechtbank bij haar verdere beoordeling uitgaan van de in deze overweging weergeven feiten en omstandigheden, namelijk omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat zij onjuist zijn.

20. Opzet omvat ook voorwaardelijk opzet. Toegespitst op het onderhavige geval houdt voorwaardelijk opzet in dat eiseres bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat onjuist aangifte werd gedaan met een te lage belastingheffing tot gevolg. Voor het bewijs daarvan is derhalve nodig dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat eiseres daadwerkelijk onder ogen heeft gezien dat er een aanmerkelijke kans was dat de aangifte onjuist werd gedaan, met het waarschijnlijke gevolg van een te lage belastingheffing, en dat zij dat gevolg op de koop heeft toegenomen. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. De feiten en omstandigheden waar de rechtbank bij haar beoordeling van uitgaat laten alleszins de mogelijkheid open dat eiseres zich bij het doen van aangifte geheel op haar echtgenoot heeft verlaten en voor de aangiftes getekend heeft zonder kennis te nemen van de inhoud ervan. Zodanig handelen sluit naar de aard van de zaak de mogelijkheid in dat onjuist aangifte wordt gedaan, maar daarmee nog niet dat de kans daarop aanmerkelijk is en net zo min dat het gevolg van een te lage belastingheffing is aanvaard. De rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder niet is geslaagd in het bewijs van de door hem gestelde opzet.

21. Van grove schuld is sprake bij een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van onachtzaamheid. Daarbij kan worden gedacht aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Van zodanige slordigheid of nalatigheid is sprake als de belanghebbende redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald.

22. Eiseres heeft steeds met haar echtgenoot zogenaamde gezamenlijke aangiften voor de IB/PVV ingediend. Dat eiseres, zoals door haar echtgenoot als gemachtigde ter zitting is verklaard, zelfs niet inhoudelijk kennis nam van de door hem opgestelde aangiften maar daar steeds ‘blind' voor heeft getekend kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als grofschuldige onachtzaamheid. Voorts is ter zitting namens eiseres verklaard dat zij op de hoogte was van het bestaan de buitenlandse bankrekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank had haar bij kennisneming van de aangiften niet kunnen zijn ontgaan dat de buitenlandse rekeningen daarin niet, althans niet juist waren verantwoord.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat het aan grove schuld van eiseres is te wijten dat bij de primitieve aanslagen te weinig belasting is geheven.

23. Gegeven de grove schuld van eiseres acht de rechtbank bij de omstandigheden van het geval vergrijpboetes naar een kwart van het boetemaximum van 300% passend en geboden. Zij zal de aan eiseres opgelegde boetes dienovereenkomstig verminderen. Feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor een verdere matiging van de boetes zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank vermindert de aan eiseres oplegde boetes daarom

steeds tot de helft daarvan.

Overschrijding redelijke termijn

24. Verweerder had bij brief aan de echtgenoot van 18 februari 2022 aangekondigd voornemens te zijn aan hem vergrijpboetes op te leggen. Bij brief van 26 april 2022 aan de echtgenoot en eiseres gezamenlijk liet hij weten ook het voornemen te hebben opgevat eiseres vergrijpboetes op te leggen. Vanaf de datum van laatstgenoemde brief tot de onderhavige uitspraak is meer dan twee jaar verstreken. De redelijke termijn voor afdoening is met minder dan zes maanden overschreven. De rechtbank ziet daarin ambtshalve aanleiding voor een verdere matiging van de boetes met 5%.3 Zij vermindert de boetes daarom tot de helft van de opgelegde boetes (r.o. 23) en vervolgens met 5% daarvan, tot de volgende bedragen:

2010 - € 644

2012 - € 1.764

2015 - € 866

2016 - € 734

2017 - € 1.270

2019 - € 499

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

(…)

[1] HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9685.

[2] HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.

[3] Hof Amsterdam 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o.. 5.7.3.7.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil:

I. of de belastingaanslagen dienen te worden vernietigd wegens schending van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan wel overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaken;

II. of de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2009, 2010, 2012, 2015 en 2016 de voortvarendheid in acht heeft genomen die is vereist indien wordt gebruikgemaakt van de twaalfjaarstermijn van artikel 16, lid 4, AWR;

III. of de door de Inspecteur bij de navorderingsaanslagen 2015 en 2016 toegepaste verdeling van de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen dient te worden gewijzigd;

IV. of de vergrijpboetes die zijn opgelegd voor de jaren 2009, 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019, zoals deze luiden na vermindering door de Rechtbank, terecht zijn opgelegd en zo ja, of deze boetes te hoog zijn vastgesteld.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de belastingaanslagen en de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen, en subsidiair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen 2009, 2010, 2012, 2015 en 2016 en vernietiging van de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen alsmede vernietiging van de boetebeschikking opgelegd bij de navorderingsaanslag 2019.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

I. Schending artikel 7:10 Awb

5.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de overschrijding van de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar ex artikel 7:10 Awb zonder gevolg blijft voor de onderhavige belastingaanslagen en rentebeschikkingen en dat deze daarom niet worden vernietigd (r.o. 11 tot en met r.o. 13 van de uitspraak van de Rechtbank). Het Hof volgt dit oordeel omdat het juist is. Het gaat hier om een termijn van orde. Dit volgt onder meer uit het feit dat het bestuursorgaan in beginsel niet wordt ontslagen van zijn verplichting om uitspraak op bezwaar te doen als de beslistermijn is overschreden (artikel 6:20, lid 1, Awb). Dit betekent dat aan een overschrijding van die termijn op zichzelf geen gevolgen verbonden zijn. Belanghebbende had wel de Inspecteur in gebreke kunnen stellen en een dwangsom kunnen verzoeken en zo in aanmerking kunnen komen voor een geldelijke genoegdoening, maar dat laat onverlet dat de overschrijding van de uitspraaktermijn geen gevolgen heeft voor de heffing van de inkomstenbelasting. Ook de overschrijding van de redelijke termijn vanaf de aankondiging van de boeteoplegging tot aan de uitspraak van de Rechtbank heeft geen gevolgen voor de onderhavige belastingaanslagen en rentebeschikkingen. Het primaire standpunt van belanghebbende faalt.

II. Vereiste voortvarendheid opleggen navorderingsaanslagen 2009, 2010, 2012, 2015 en 2016

5.2.

De aan belanghebbende over de jaren 2009, 2010, 2012, 2015 en 2016 opgelegde navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van de op de voet van artikel 16, lid 4, AWR verlengde navorderingstermijn. In geschil is of die navorderingsaanslagen, en bijgevolg de daarbij opgelegde vergrijpboetes, vernietigd dienen te worden omdat de Inspecteur niet de voortvarendheid in acht heeft genomen die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, is vereist als hij gebruikmaakt van de navorderingstermijn van twaalf jaar. Belanghebbende heeft gesteld dat de periode gerekend vanaf de brief van de Inspecteur van 26 februari 2014 waarin deze heeft vermeld dat hij op grond van de Spaarrenterichtlijn beschikt over rentegegevens van de bankrekening van belanghebbende en zijn echtgenote bij [Bank 1] in Duitsland (zie 2.5) tot aan het moment waarop de Inspecteur vragen heeft gesteld over de aangiften van belanghebbende en haar echtgenoot op 14 januari 2021 (zie 2.11) te lang is waardoor de desbetreffende navorderingsaanslagen en boetes vatbaar zijn voor vernietiging.

5.3.

Het Hof stelt bij beoordeling van dit geschilpunt het volgende voorop.

5.3.1.

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot), ECLI:EU:C:2008:308, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, regels geformuleerd die in verband met de eerbiediging van het door het HvJ EG genoemde evenredigheidsbeginsel ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal die artikel 16, lid 4, AWR inhoudt, in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Bij de toepassing van deze regels is niet van belang of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:689, en van 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2601, blijkt dat de beoordeling van de voortvarendheid waarmee een navorderingsaanslag is opgelegd betrekking dient te hebben op het tijdsverloop nadat de belastingautoriteiten van een lidstaat de beschikking hebben gekregen over aanwijzingen met betrekking tot in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen.

5.3.2.

De vraag of de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend zijn opgelegd dient slechts te worden beantwoord voor het gedeelte van de hiervoor in 5.2 genoemde navorderingsaanslagen dat ziet op de tegoeden die belanghebbende en zijn echtgenote in de Europese Unie hebben aangehouden (de Duitse rekeningen bij [Bank 1] / [Bank 1a] en de [Bank 2] ) en niet op de in de Verenigde Staten aangehouden tegoeden. Op de inkomsten uit de in de Verenigde Staten aangehouden (effecten)rekeningen is de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR onverkort van toepassing omdat te dier zake de zogeheten standstillbepaling van artikel 64, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kan worden ingeroepen, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 15 februari 2017, C-317/15 (X), ECLI:EU:C:2017:119, en het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843. De Inspecteur kon op grond van artikel 16, lid 4, AWR voor die tegoeden navorderen ook nadat de gewone navorderingstermijn van vijf jaar was verstreken.

5.3.3.

In zijn arresten van 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:689, en van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105, heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd die gelden bij de beoordeling van gevallen waarin het gaat om een groot aantal verkregen gegevens van in Nederland wonende personen zoals belanghebbende en zijn echtgenote die vermogen in het buitenland aanhouden. In laatstgenoemd arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld:

“2.3.1. Zoals is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137, neemt de Hoge Raad bij de beoordeling van gevallen als de onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, tot uitgangspunt dat de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In zodanige gevallen kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen, moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het Openbaar Ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

2.3.2.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

2.3.3.

Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 2.3.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).”

5.3.4.

Voor zover belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslag 2019, die is opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar, niet met de nodige voortvarendheid is opgelegd en deze navorderingsaanslag om die reden niet in stand kan blijven, verwerpt het Hof die stelling, reeds omdat de in 5.3.1 genoemde arresten niet meebrengen dat het beginsel van evenredigheid ook geldt in het geval artikel 16, lid 4, AWR geen toepassing vindt. Het Hof verwijst in dit verband ook naar het arrest van de Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2163, r.o. 2.3.

Uitwisseling gegevens op grond van de Spaarrenterichtlijn

5.4.1.

In dit geval zijn op grond van de Spaarrenterichtlijn gegevens over de echtgenoot uitgewisseld met betrekking tot de jaren 2013, 2014 en 2015. De Inspecteur heeft het renseignement over het jaar 2013 overgelegd. De uitgewisselde informatie betreft alleen de naam van de bank, het klantnummer [klantnummer] , het land waar de rekening wordt aangehouden en een bedrag aan rente. Saldogegevens werden niet uitgewisseld onder deze richtlijn. Over de jaren 2014 en 2015 heeft de Inspecteur soortgelijke renseignementen ontvangen, die niet zijn overgelegd.

5.4.2.

De Inspecteur heeft de echtgenoot van belanghebbende, voordat hij aangifte voor het jaar 2013 heeft gedaan, op 26 februari 2014 een brief gezonden waarin hij meedeelt dat op grond van de Spaarrenterichtlijn informatie is uitgewisseld en vooraf de aangifte is ingevuld met de gegevens uit het renseignement, te weten: de naam van de buitenlandse financiële instelling, het rekeningnummer en het land waar de rekening wordt aangehouden, maar dat hij zelf het saldo per 1 januari 2013 en de ontbrekende gegevens dient in te vullen (zie 2.5). In de aangifte voor het jaar 2013 die is ingediend op 31 maart 2014 heeft de echtgenoot bij box 3 het vooraf ingevulde rekeningnummer [klantnummer] laten staan en op peildatum 1 januari 2013 een saldo van € 3.130 vermeld. De Inspecteur kwam pas op de hoogte van het feit dat belanghebbende en haar echtgenoot meerdere rekeningen hadden bij diverse banken in Duitsland, alsmede welke rekeningnummers het exact betrof en wat de saldi van deze rekeningen waren, nadat op grond van de CRS informatie daarover was uitgewisseld. Het betrof gegevens van de [Bank 2] en [Bank 1a] met de volgende rekeningnummers:

  • […] ( [Bank 2] )

  • […] ( [Bank 2] )

  • […] ( [Bank 2] )

  • […] ( [Bank 2] )

  • […] ( [Bank 1a] )

  • […] ( [Bank 1a] )

5.4.3.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur bij het vaststellen van de (primitieve) aanslagen 2013, 2014 en 2015 mocht uitgaan van de juistheid van de gegevens die belanghebbende en haar echtgenoot in hun aangiften voor deze jaren hebben vermeld, mede gelet op het feit dat de echtgenoot met betrekking tot de rekening bij [Bank 1] expliciet erover is geïnformeerd welke gegevens de Inspecteur had en welke ontbrekende gegevens hij belanghebbende en haar echtgenoot verzocht in de aangifte te vermelden. Niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur niet met de normale zorgvuldigheid naar de aangiften heeft gekeken dan wel dat hem over die jaren gegevens ter beschikking stonden op grond waarvan hij aan de juistheid van de in de aangiften opgenomen gegevens in redelijkheid behoorde te twijfelen. Het was dus niet onwaarschijnlijk dat de aangiften voor de jaren 2013, 2014 en 2015 juist waren. De Inspecteur kon redelijkerwijs niet op de hoogte zijn van het feit dat, naar uiteindelijk bij het onderzoek naar aanleiding van de onder de CRS uitgewisselde gegevens bleek, de renseignementen over de jaren 2013, 2014 en 2015 slechts het overkoepelende klantnummer vermeldden en in de renseignementen die op grond van de Spaarrenterichtlijn zijn uitgewisseld niet was opgenomen dat er meerdere rekeningen bij dezelfde bank werden aangehouden en er bovendien nog een rekening bij een andere bank in Duitsland bestond en dat de door hen opgegeven saldi niet juist waren.

5.4.4.

Onder deze omstandigheden is bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur voortvarend te werk is gegaan alvorens hij aan belanghebbende de navorderingsaanslag 2015 oplegde niet doorslaggevend het moment waarop rentegegevens van de rekening met het klantnummer op grond van de Spaarrenterichtlijn werden uitgewisseld, maar zal het Hof deze vraag beoordelen aan de hand van de omstandigheden die zich voordeden vanaf het moment waarop de gegevens onder de CRS werden uitgewisseld, dat is vanaf oktober 2017. Hetzelfde heeft te gelden voor de navorderingsaanslagen 2009, 2010 en 2012. Niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur voor deze jaren renseignementgegevens tot zijn beschikking had, dan wel dat voorafgaand aan de uitwisseling in het kader van de CRS bij de Belastingdienst andere aanwijzingen voorhanden waren op grond waarvan de Inspecteur de onjuistheid en onvolledigheid van de in de aangiften 2009, 2010 en 2012 opgenomen banksaldi had kunnen vaststellen en een nader onderzoek daarnaar had kunnen instellen. Voor elk van de navorderingsaanslagen 2009, 2010, 2012 en 2015 en 2016 dient derhalve te worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur de gegevens op grond van de CRS heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de desbetreffende navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

Uitwisseling gegevens op grond van de CRS

5.5.

De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie van een belastingplichtige en het overige onderzoek, dient te getuigen van een redelijke voortvarendheid. Daarbij neem het Hof in aanmerking de massaliteit van het aantal gegevens, de massaliteit van de rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid om tot een eenduidige identificatie en vaststelling van de juiste navorderingsaanslag te komen. In het geval van het project CRS gaat het om de uitwisseling van ongeveer 1.230.000 gegevens uit 45 landen die in de periode van september 2017 tot en met januari 2018 aan de Belastingdienst ter beschikking zijn gesteld. Op grond daarvan kon de Belastingdienst naar het oordeel van het Hof in redelijkheid besluiten dat een projectmatige aanpak geboden was.

5.6.

Tussen het moment dat de eerste CRS-gegevens bij de Belastingdienst binnenkwamen in oktober 2017 en het moment dat voor het eerst contact met belanghebbende is opgenomen door het zenden van een vragenbrief, is ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. De Inspecteur heeft ter verklaring van deze periode de stukken van het project CRS overgelegd (zie 2.10). Daaruit blijkt een gecoördineerde projectmatige aanpak door de Belastingdienst, waarbij gebruik is gemaakt van diverse pilots en waarbij meerdere afdelingen/teams van de Belastingdienst met elkaar samenwerkten.

5.7.

De werkzaamheden met betrekking tot de CRS-gegevens zijn beschreven in 2.10.1 tot en met 2.10.15. In samenhang met de onweersproken verklaringen hierover van de Inspecteur ter zitting, kan hieruit het volgende over de voortgang van het project worden afgeleid:

  • De Belastingdienst heeft van oktober 2017 tot januari 2018 gegevens ontvangen. De Belastingdienst is in oktober 2017 aangevangen met het leesbaar maken van de ontvangen gegevens.

  • Ultimo 2017 is een plan van aanpak opgesteld met handvatten voor de handhaving aan de hand van de ontvangen gegevens.

  • In 2018/2019 hebben een zogenoemde prepilot en pilot plaatsgevonden. In de pilots is een select aantal dossiers bij een beperkt aantal belastingambtenaren in behandeling genomen. Ook is bij de pilot de juistheid en betrouwbaarheid van de gegevens beoordeeld. Daarnaast zijn in de vooringevulde aangiften vanaf het jaar 2017 CRS-gegevens ingevuld. Omdat de juistheid van het saldo niet kon worden gegarandeerd, is bewust ervoor gekozen om geen saldo in de vooringevulde aangifte op te nemen. De pilots zijn meerdere malen (tussentijds) geëvalueerd. Dit heeft geleid tot detectie van omissies en vervolgens zijn verbeteringen aangebracht.

  • De stappen bij het gebruik van de CRS-gegevens bestonden uit het valideren, verrijken, analyseren, prioriteren en selecteren van de ontvangen gegevens. Hierbij was een groot aantal afdelingen binnen de Belastingdienst betrokken, waaronder Vaktechniek Handhaving, Df&A, VhV, CCB, CAP en het Central Liaison Office (CLO).

  • In maart 2020 is een selectielijst met nader te onderzoeken dossiers – waaronder dat van belanghebbende – door de afdeling Df&A aan de projectleider CRS verstuurd.

  • Vervolgens heeft de Inspecteur vanaf augustus 2020 een interne analyse gemaakt van de dossiers, waaronder een vergelijking van de ter beschikking staande gegevens met de ingediende aangiften van belanghebbende en zijn echtgenote. Hierbij is bepaald welke informatie nog moest worden uitgezocht en opgevraagd.

  • In januari 2021 is aan belanghebbende en zijn echtgenote de eerste vragenbrief verzonden. Dat heeft geleid tot correspondentie tussen de Inspecteur en belanghebbende en zijn echtgenote waarbij er telkens regelmatige opeenvolgende contactmomenten zijn geweest en geen vertraging heeft plaatsgevonden.

5.8.

Uit de projectstukken volgt dat binnen de projectmatige aanpak sprake is geweest van vertraging omdat – kort samengevat – bij een of meerdere pilots is gebleken dat de verkregen informatie aan de verkeerde personen was gekoppeld. Uit de projectstukken kan echter worden opgemaakt dat dit een verklaarbare vertraging tot gevolg heeft gehad die niet langer dan zes maanden heeft geduurd. Verder zijn gegevens uit het CRS-project wel gebruikt in de vorm van een vooringevulde aangifte 2017, maar konden geen saldogegevens worden opgenomen omdat de juistheid daarvan nog niet kon worden gegarandeerd. Belanghebbende en haar echtgenoot behoorden niet tot deze pilot. De Hoge Raad heeft in de in 5.3.3 geciteerde arresten aanvaard dat met een project als het onderhavige geruime tijd kan zijn gemoeid. Gelet op de beschrijving van het project onder 2.10.1 tot en met 2.10.15 en de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het Hof – in het bijzonder in ogenschouw nemend de massaliteit van de te verwerken gegevens alsmede de zwaarwegende eis dat de informatie met een hoge mate van betrouwbaarheid moet worden teruggeleid naar een voor iedere belastingplichtige zorgvuldig vast te stellen aanslag– van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen, geen langere termijn is gemoeid dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard. In het bijzonder heeft zich hierbij geen onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden voorgedaan.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen 2009, 2010, 2012, 2015 en 2016 de vereiste voortvarendheid heeft betracht. De Inspecteur heeft de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR dus terecht toegepast.

IV. Verdeling box-3 tegoeden tussen belanghebbende en haar echtgenoot

5.10.1.

Art. 2.17 Wet IB 2001 bepaalt, voor zover van belang:

“2. Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, vijfde lid, en de op grond van artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. (…)

3. Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen.

4. De (…) voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen of voor de geheven dividendbelasting tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de (…) navorderingsaanslag (…), van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste volzin bedoelde aanslag vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te staan.

(…)”

5.10.2.

Volgens de wettekst kan de keuze voor de onderlinge verhouding van de box 3-grondslag door de belastingplichtige en zijn partner dus gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de navorderingsaanslag van de belastingplichtige én zijn partner onherroepelijk vaststaan.

5.10.3.

Omdat belanghebbende en haar echtgenoot in de correspondentie over de op te leggen navorderingsaanslagen 2015 en 2016 geen dan wel een onvolledige verdeling van de box 3-grondslag hadden gekozen, heeft de Inspecteur voor de navorderingsaanslagen over deze jaren conform de in artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001 neergelegde wettelijke verdeling bij ieder 50% toegepast.

5.10.4.

De echtgenoot van belanghebbende heeft echter mede namens belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat zij voor 2015 en 2016 een verdeling wensen conform het door hen voor deze jaren ingediende verzoek van 7 mei 2022. Deze verdeling komt erop neer dat in beide jaren de gehele box 3-grondslag bij de echtgenoot van belanghebbende wordt belast (zie 2.20).

5.10.5.

Nu de aan belanghebbende en haar echtgenoot over de jaren 2015 en 2016 opgelegde navorderingsaanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan, zal het Hof hun ter zitting kenbaar gemaakte keuze met betrekking tot de verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen volgen. Dit brengt mee dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor belanghebbende voor beide jaren dient te worden bepaald op nihil, zodat de navorderingsaanslagen over die jaren en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen dienen te worden vernietigd.

V. Vergrijpboetes 2010, 2012, 2017 en 2019

5.11.1.

Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem ingevolge artikel 67e, lid 1, AWR gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van 100% van de in het tweede lid van dat artikel omschreven grondslag voor de boete.

Voor zover de navorderingsaanslagen geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op het belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 Wet IB 2001, geldt voor die belastingjaren dat de boete, in zoverre in afwijking van het eerste lid van dat artikel, ten hoogste 300% bedraagt van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld (artikel 67e, lid 6, AWR) .

5.11.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond (HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526).

5.12.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende en haar echtgenoot gedurende de jaren 2009, 2010, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2019 buitenlandse rekeningen aanhielden waarvan de rekeningnummers en de tegoeden niet dan wel, indien het klantnummer wel is vermeld, niet volledig hebben opgenomen in de aangiften IB/PVV voor die jaren met het gevolg dat de aanslagen IB/PVV voor die jaren te laag zijn vastgesteld en er te weinig inkomstenbelasting is geheven.

5.12.2.

Het gaat om aanzienlijke bedragen aan saldi op bankrekeningen in het buitenland (zie 2.3) die belanghebbende niet of slechts voor een klein deel heeft vermeld in haar aangiften IB/PVV 2009, 2010, 2012, 2017 en 2019. Naar het oordeel van het Hof hebben deze handelingen direct tot gevolg dat de aanslagen te laag werden vastgesteld en dat te weinig belasting is geheven. Ter zitting van de Rechtbank is verklaard dat belanghebbende wist dat haar echtgenoot rekeningen aanhield in Duitsland en de Verenigde Staten, dat de jaarlijkse aangiften IB/PVV werden opgesteld door haar echtgenoot en dat deze vervolgens, zonder inhoudelijke beoordeling, elk jaar “blind” zijn ondertekend door belanghebbende. Dit is aan te merken als roekeloos handelen dat getuigt van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid en de Rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat haar grove schuld is te verwijten omdat haar bij kennisneming van de aangiften niet had kunnen ontgaan dat de buitenlandse rekeningen daarin niet, althans niet juist door haar echtgenoot waren verantwoord. De Inspecteur heeft bewezen dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aangiften naar te lage bedragen zijn gedaan. Het is daaraan te wijten dat de aanslagen voor de desbetreffende jaren naar te lage bedragen zijn vastgesteld. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat bij de grove schuld van belanghebbende in de omstandigheden van het geval vergrijpboetes naar een kwart van het boetemaximum van 300% (75%) passend en geboden zijn.

5.13.

De Rechtbank heeft de boetes verminderd met 10% wegens overschrijding van de termijn van twee jaar die als redelijk geldt voor de bezwaar- en de beroepsfase samen. Het Hof doet uitspraak op 16 april 2026. Sinds de uitspraak van de Rechtbank op 10 september 2024 is de redelijke termijn niet verder overschreden. Voor verdere matiging van de boetes ziet het Hof geen aanleiding.

Slotsom

5.14.

Het hoger beroep is gegrond (zie 5.10.5).

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat niet is gebleken dat belanghebbende in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 138 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, doch uitsluitend voor zover die betrekking hebben op de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen 2015 en 2016 en de daarbij gegeven rente- en boetebeschikkingen;

  • vernietigt de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen 2015 en 2016 en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen; en

  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 138 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.

De griffier, de voorzitter

Y. Postema R.A. Bosman

De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733