Rechtbank Overijssel 03-11-2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6623

Essentie (gemaakt door AI)

Kinderalimentatie in samengesteld gezin waarin voorlopige bijdragen voor twee kinderen bij vader zijn vastgesteld op € 256 (BC1) en € 170 (BC2) per maand per 1 oktober 2025, met indexering per art. 1:402a BW. Draagkracht van vijf (stief)ouders verdeeld over zes kinderen; halvering forfaitaire woonlast toegepast bij samenwoners. Rechtbank vergelijkt gangbare methode met schottenmethode, signaleert overschot/tekort tussen gezinnen en stelt op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over verdeling draagkracht en overheveling onbenutte DKB

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Kinderalimentatie en samengesteld gezin: rechtbank stelt prejudiciële vragen aan Hoge Raad
Rb constateert grote verschillen in opvattingen in rechtspraak. Daarom: "wat is uitgangspunt bij verdeling draagkracht onderhoudsplichtige bij samengesteld gezin: zoveel mogelijk voorzien in behoefte alle kinderen of deel onbenut laten?

Datum publicatie06-11-2026
ZaaknummerC/08/339315 / FA RK 25-2546
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlmelo
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenAlimentatie; Samengestelde gezinnen;
Familieprocesrecht; Prejudiciële vragen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie, samengesteld gezin. Verdeling van de draagkracht van vijf onderhoudsplichtige (stief)ouders over zes kinderen in drie gezinnen. Combinaties van een tekort aan draagkracht in een gezin en een overschot elders. De rechtbank vergelijkt de uitkomst van de gangbare methode met de uitkomst van de schottenmethode en stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Volledige uitspraak


RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht

locatie Almelo

zaaknummer: C/08/339315 / FA RK 25-2546

beschikking van 3 november 2026

in de zaak van:

[voornaam][achternaam],

verder te noemen: C,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. B.E.A. Lamping,

tegen

[voornaam][achternaam],

verder te noemen: B,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. G.H. Hoekman.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft op 1 december 2025 een beslissing genomen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De beslissing over de kinderalimentatie is aangehouden.

1.2.

De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

  • een gewijzigd/aanvullend verzoek van C met bijlagen, binnengekomen op 23 februari 2026;

  • een verweerschrift op het gewijzigd/aanvullend verzoek van B, binnengekomen op 23 maart 2026;

  • een brief van mr. Lamping van 14 april 2026;

  • een brief van mr. Hoekman van 21 april 2026;

  • een brief van mr. Lamping van 21 april 2026;

  • een brief van mr. Hoekman van 29 mei 2026;

  • een brief van mr. Lamping van 2 juni 2026;

  • een brief (met bijlage) van mr. Hoekman van 2 juli 2026;

  • een brief van mr. Hoekman van 3 juli 2026 en

  • een brief (met bijlagen) van mr. Lamping van 8 juli 2026.

1.3.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • C, bijgestaan door zijn advocaat, en

  • B, bijgestaan door haar advocaat.

2De feiten

Voor de feiten wordt verwezen naar de beschikking van 1 december 2025.

3Het gewijzigde/aanvullende verzoek

C verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van 12 juni 2013 te wijzigen, subsidiair de aanvulling op het ouderschapsplan van 26 juli 2016 te wijzigen en daarbij te bepalen dat B gehouden is met ingang van 1 oktober 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aan C te voldoen een bedrag van € 315,– per kind per maand, althans een dusdanig bedrag als de rechtbank juist acht, vermeerderd met de door haar ontvangen kinderbijslag vanaf 1 oktober 2025, voor zover die nog aan haar is dan wel wordt uitbetaald.

4Het verweer op het gewijzigde/aanvullende verzoek

B verzoekt de rechtbank C in zijn wijzigings- c.q. aanvullingsverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hem dit te ontzeggen als zijnde ongegrond, althans te bepalen dat B vanaf februari 2026 een bijdrage is verschuldigd aan C in de kosten van verzorging en opvoeding van € 93,– per maand voor BC1 en € 49,– per maand voor BC2, onder aftrek van de in oktober 2025 reeds betaalde bijdrage van € 150,– althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank juist acht.

5De beoordeling

De bijdrage voor BC1 en BC2

5.1.

De rechtbank zal in deze zaak prejudiciële vragen stellen om redenen zoals vermeld onder 6.2. en volgende. De rechtbank zal bepalen dat B aan C met ingang van 1 oktober 2025 voorlopig een bijdrage voor BC1 voldoet van € 256,– per maand en voor BC2 een bijdrage van € 170,–. De rechtbank verhoogt deze bijdragen met ingang van 1 januari 2026 op de voet van artikel 1:402a BW met het indexeringspercentage van 4,6%, zodat de bijdrage voor BC1 per 1 januari 2026 – afgerond – € 268,– bedraagt en voor BC2 € 167,–. De rechtbank legt dit hierna uit.

Meerdere onderhoudsplichtigen

5.2.

C heeft met zijn nieuwe partner D twee kinderen:

CD1, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2017;

CD2, geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2019.

B heeft met haar nieuwe partner A één kind:

AB, geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 3] 2017.

A heeft uit een eerdere relatie één kind:

XA, geboren op [geboortedatum 4] 2012.

5.3.

C is onderhoudsplichtig voor BC1, BC2, CD2 en CD1.

Daarnaast is D ook onderhoudsplichtig voor BC1 en BC2 (naast CD2 en CD1), omdat zij bij C en D wonen en C en D met elkaar zijn getrouwd.

B is onderhoudsplichtig voor BC1, BC2 en AB.

A is onderhoudsplichtig voor AB en XA.

Nu XA niet tot het gezin van B en A behoort, is B voor XA niet onderhoudsplichtig.

5.4.

Als iemand onderhoudsplichtig is voor meerdere kinderen, dan moet de rechtbank beoordelen wat diegene in totaal kan betalen voor zijn/haar kinderen (de draagkracht) en dat bedrag over al zijn/haar kinderen verdelen.

Indien een onderhoudsplichtige niet voldoende draagkracht heeft om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, dan dient de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk te worden verdeeld over de kinderen, tenzij er bijzondere redenen zijn om de draagkracht anders te verdelen. 1 Een reden voor zo’n andere verdeling kan zijn dat het ene kind meer kost dan het andere kind. Hoeveel een kind kost, hangt namelijk samen met hoeveel de ouders te besteden hadden voordat zij uit elkaar gingen. Van een dergelijk verschil is hier geen sprake (zie hierna onder 5.6).

De ingangsdatum

5.5.

Partijen zijn het er over eens om voor de ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage uit te gaan van 1 oktober 2025.

De behoefte van alle kinderen

5.6.

Partijen zijn het er over eens dat de behoefte van alle kinderen in 2025 € 430,– per kind per maand bedraagt, zodat de rechtbank daarbij aansluit. Voor XA zal de rechtbank er rekening mee houden dat haar moeder en A ieder de helft van deze kosten zullen voldoen, zodat in het kader van deze berekening de rechtbank uitgaat van € 215,– aan kosten voor XA die op de draagkracht van A drukken.

De draagkracht van C

5.7.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de WIA-uitkering van januari 2026 van (afgerond) € 2.808,– bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag. Gesteld noch gebleken is dat dit bedrag wezenlijk afwijkt van de uitkeringsbedragen in 2025. Rekening houdend met de heffingskortingen en het kindgebonden budget van € 7.245,– per jaar (voor BC2, CD2 en CD1) is dit inkomen € 2.764,– netto per maand.

5.8.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van BC1, BC2, CD2 en CD1. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’, waarin ervan wordt uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van € 2.764,– =) € 829,– per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.310,– per maand.

5.9.

De rechtbank houdt verder rekening met een bedrag van € 279,– per maand voor de aflossing van een schuld, omdat C voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft moeten maken toen BC1 en BC2 bij hem kwamen wonen en hij daarvoor geen financiële middelen beschikbaar had.

5.10.

Van het netto besteedbaar inkomen van C blijft dan een bedrag van (2.764 -/- 829 -/- 1.310 -/- 279 =) € 346,– over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 242,– per maand.

De draagkracht van B

5.11.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van een gemiddelde van de salarisspecificaties van april tot en met juni 2026 van (afgerond) € 2.622,– bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Gesteld noch gebleken is dat deze bedragen noemenswaardig afwijken van de bedragen in 2025. Rekening houdend met de diverse (pensioen)premies en de heffingskortingen is dit inkomen € 2.697,– netto per maand.

5.12.

Van het netto besteedbaar inkomen van B blijft dan een bedrag van (2.697 -/- 809 -/- 1.310 =) € 578,– over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 405,– per maand.

De draagkracht van D

5.13.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de resultaten van 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft C voldoende aannemelijk gemaakt waarom de resultaten lager zijn geworden en niet te verwachten is dat dit op korte termijn zal veranderen. De winst uit onderneming bedroeg € 19.776,–. Rekening houdend met de ondernemersaftrek, de MKB winstvrijstelling en de heffingskortingen is haar inkomen € 1.582,– netto per maand.

Op grond van de draagkrachttabel heeft D een draagkracht van € 50,– per maand.

De draagkracht van A

5.14.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van een gemiddelde van de salarisspecificaties van april tot en met juni 2026 van (afgerond) € 4.518,– bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Gesteld noch gebleken is dat deze bedragen noemenswaardig afwijken van de bedragen in 2025. Rekening houdend met de diverse (pensioen)premies en de heffingskortingen is het inkomen € 3.512,– netto per maand.

5.15.

Van het netto besteedbaar inkomen van A blijft dan een bedrag van (3.512 -/- 1.054 -/- 1.310 =) € 1.148,– over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 804,– per maand.

Verdeling van de kosten

5.16.

De draagkracht van A is voldoende om volledig in de (voor XA: resterende) behoefte van XA en AB te voorzien. De draagkracht van B, C en D is te laag om volledig in de behoefte van – voor B en C: – BC1 en BC2 en – voor C en D: – CD1 en CD2 te voorzien. B deelt haar woonlasten met A en C en D delen hun woonlasten met elkaar. Daarom past de rechtbank bij hen ambtshalve de aanwijzing uit het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2021 2 toe door de forfaitaire woonlast bij hen alle drie te halveren.

Dat leidt tot de volgende aangepaste draagkracht:

  • voor B: € 687,–

  • voor C: € 532,– en

  • voor D: € 76,–.

5.17.

De draagkracht van B van € 687,– per maand dient verdeeld te worden over BC1, BC2 en AB, dat is € 229,– per kind per maand.

De draagkracht van C van € 532,– per maand dient verdeeld te worden over BC1, BC2, CD2 en CD1, dat is € 133,– per kind per maand.

De draagkracht van D van € 76,– per maand dient verdeeld te worden over BC1, BC2, CD2 en CD1, dat is € 19,– per kind per maand.

De bijdrage van B voor AB

5.18.

De draagkracht van A (€ 804,–) bedraagt – na aftrek van € 215,– voor XA – € 589,– per maand. Samen met het voor AB bestemde deel van de draagkracht van B (€ 229,–) is voor AB € 818,– beschikbaar. Daarom maakt de rechtbank een draagkrachtvergelijking volgens de formule:

Voor AB dient A [(589 ÷ 818) x 430 =] € 310,– bij te dragen en B [(229 ÷ 818) x 430=] € 120,–. Van haar voor AB beschikbare draagkracht heeft B dus nog (229 - 120 =) € 109,– over.

De bijdrage van C en D voor CD1 en CD2

5.19.

C en D hebben voor CD1 en CD2 per kind beschikbaar € 152,– (133 + 19) 3. Dat is € 278,– minder dan de behoefte van € 430,– per kind.

De bijdrage van B voor BC1 en BC2

5.20.

Voor BC1 en BC2 heeft B € 229,– per kind beschikbaar (€ 687,– ÷ 3), C € 133,– (€ 532,– ÷ 4) en D € 19,– (€ 76,– ÷ 4). Dat is samen € 381,– en dat is per kind € 49,– minder dan hun behoefte van € 430,–. Alle drie: B, C en D zouden dus voor BC1 en BC2 moeten bijdragen tot de grens van hun draagkracht. Omdat B nog € 109,– draagkracht ‘over’ heeft 4 verhoogt de rechtbank haar aandeel tot € 278,– per kind, waarmee volledig in de behoefte van BC1 en BC2 wordt voorzien.

De zorgkorting

5.21.

Partijen zijn het er over eens om voor BC2 uit te gaan van een zorgkorting van 25% (€ 108,–). Voor BC1 vindt de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 5% (€ 22,–), nu zij incidenteel bij B verblijft.

5.22.

De door B te betalen bijdrage voor BC1 komt daarmee uit op € 256,– (278 -/- 22) per maand en de bijdrage voor BC2 op € 170,– (278 -/- 108) per maand. Deze bijdrage zal de rechtbank – voorlopig – opleggen voor de duur van deze procedure, omdat de rechtbank prejudiciële vragen stelt om de redenen zoals hierna genoemd in 6.2. en volgende.

5.23.

De rechtbank verhoogt deze bijdragen met ingang van 1 januari 2026 op de voet van artikel 1:402a BW met het indexeringspercentage van 4,6%, zodat de bijdrage voor BC1 per 1 januari 2026 – afgerond – € 268,– bedraagt en voor BC2 € 178,–.

5.24.

De rechtbank heeft partijen op de zitting voorgehouden dat zij (mogelijk) voornemens is om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Nadien heeft zij partijen hierover per mail geïnformeerd.

5.25.

De rechtbank verklaart de (voorlopige) beslissingen over de alimentatie ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen blijven gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist.

6Prejudiciële vragen

6.1.

Omwille van de duidelijkheid voegt de rechtbank hier een overzicht in van de kinderen en de ouders met een weergave van de onderhoudsverplichtingen (zoals hiervoor onder 5.2 en 5.3 vastgesteld), de behoefte van de kinderen (zie 5.6) en de – gecorrigeerde – draagkracht van de ouders (zie 5.15 en 5.16).

Als gevolg van de hiervoor berekende bijdragen is sprake van verschillen in de mate waarin in de behoefte van de verschillende kinderen kan worden voorzien.

In de behoefte van XA en AB wordt volledig voorzien en in het gezin van B en A is sprake van een overschot, nu A na aftrek van zijn aandeel in de kosten van XA en AB draagkracht over heeft.

Er is een tekort (bij C en D) voor CD1 en CD2 en – net – voldoende draagkracht (bij B, C en D) voor BC1 en BC2. Weliswaar hebben B, C en D samen voldoende draagkracht om in de behoefte van BC1 en BC2 te voorzien (zie 5.20), maar omdat BC1 en BC2 in het gezin van C en D opgroeien worden ook zij met het aldaar bestaande tekort geconfronteerd. Onderstaand overzicht dient ter verduidelijking.

Voor de verdeling van een tekort geldt als uitgangspunt de in de beschikking van de Hoge Raad van 17 april 2026 5 (herhaalde) hoofdregel en uitzonderingen. Voor de verdeling van een overschot geldt de regel van 1:397 lid 2 BW, in de rechtspraktijk vrijwel altijd vertaald in een draagkrachtvergelijking op de wijze zoals hiervoor onder 5.18 weergegeven.

6.2.

De rechtspraak en de rechtspraktijk zijn al enige tijd verdeeld over de vraag hoe de verdeling van de draagkracht van onderhoudsplichtige ouders zou kunnen plaatsvinden in situaties als de voorliggende, waarbij een of meer ouders onderhoudsplichtig zijn voor kinderen uit verschillende relaties. In een aantal gerechten is de methode gangbaar waarbij de draagkracht van alle onderhoudsplichtige ouders meteen over hun kinderen wordt verdeeld volgens de formule:

Vervolgens wordt met de aldus bepaalde draagkracht per kind of gezin verder gerekend. Deze methode kan – door de verdeling ‘vooraf’ van de draagkracht – tot resultaat hebben dat in een gezin voor kinderen van één ouder een tekort ontstaat, terwijl in het andere gezin voor de andere kinderen van diezelfde ouder een overschot bestaat, terwijl de draagkracht van alle onderhoudsplichtige ouders samen voldoende is en geen van de ouders meer hoeft bij te dragen dan de behoefte van de kinderen waarvoor die ouder onderhoudsplichtig is.

6.3.

Omdat in het voorliggende geschil sprake is van samenloop van veel onderhoudsverplichtingen schetst de rechtbank bij wijze van voorbeeld eerst een eenvoudiger situatie:

A en B zijn de ouders van AB, B en C zijn de ouders van BC.

AB heeft een behoefte van € 300,– en BC heeft een behoefte van € 600,–.

De draagkracht van A is € 50,–; de draagkracht van B is € 500,– en de draagkracht van C is € 400,–. Samen hebben A, B en C € 950,– draagkracht: een overschot van € 50,–.

Volgens de hiervoor beschreven rekenmethode zou B (300 ÷ 900 x 500 =) € 167,– draagkracht beschikbaar hebben voor AB, zodat met de draagkracht van A (€ 50,–) in het totaal € 217,– beschikbaar is voor AB: een tekort van € 83,–.

B heeft (600 ÷ 900 x 500 =) € 333,– beschikbaar voor BC en omdat B en C samen meer draagkracht (€ 733,–) hebben dan de behoefte van BC moet B – na draagkrachtvergelijking – (333 ÷ 733 x 600 =) € 273,– bijdragen voor BC.

Onderstaand is dit schematisch weergegeven:

6.4.

Een dergelijke uitkomst zou op gespannen voet kunnen staan met de ambtshalve taak van de rechter die over de alimentatie oordeelt om de belangen van alle kinderen (ook de kinderen die niet in de betreffende procedure betrokken zijn) in aanmerking te nemen en er op toe te zien dat zoveel mogelijk in de behoefte van alle kinderen kan worden voorzien. 6 Soms wordt een dergelijk tekort opgevangen of verminderd door niet benutte draagkracht van een ouder voor kinderen uit één relatie aan te wenden om te voorzien in resterende, onvervulde behoefte van kinderen van deze ouder uit een andere relatie (zoals de rechtbank hier onder 5.20. heeft gedaan). In bovenstaand voorbeeld zou de ‘onbenutte’ draagkracht van B: € 60,– kunnen worden ‘overgeheveld’ naar de bijdrage van B voor AB, maar ook dan is er nog sprake van een tekort van € 23,–. In de praktijk wordt dat ‘overhevelen van onbenutte draagkracht’ niet standaard gedaan. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat C voor een groter deel (meer dan op grond van de draagkrachtvergelijking) in de behoefte van BC voorziet. Dan hoeft B minder bij te dragen voor BC en heeft meer draagkracht beschikbaar voor AB, zodat geheel in de behoefte van alle kinderen kan worden voorzien. De bijdrage van A, B en C zou dan niet hoger moeten zijn dan de behoefte van de kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn en ook niet hoger dan hun eigen draagkracht.

Als bezwaar tegen deze methode wordt genoemd dat bij de geboorte van een nieuw kind of verdere gezinsuitbreiding in het tweede gezin de ouder in het eerste gezin (A) soms een groter deel van de eigen draagkracht moet aanwenden voor de eigen kinderen, wat ervaren wordt als het ‘moeten meebetalen aan de nieuwe kinderen van de ex-echtgenoot/echtgenote’.

Overigens kan dat andersom ook het geval zijn: als de ouder in het eerste gezin (A) draagkracht verliest of diens draagkracht ook voor een nieuw kind moet worden aangewend, kan dat tot gevolg hebben dat de ouder in het nieuwe gezin (C) een groter deel van de kosten voor zijn of haar rekening moet nemen.

In de literatuur zijn deze en andere bezwaren vanaf 2014 beschreven in diverse artikelen en zijn ook voorstellen gedaan voor een andere rekenmethode. 7 Inmiddels passen sommige gerechten ook een van de voorgestelde methodes (de zogenaamde ‘schotten-methode’) toe. Bij deze methode wordt per gezin de volledige draagkracht van alle onderhoudsplichtigen in dat gezin opgeteld, dus zonder rekening te houden met andere onderhoudsverplichtingen. Is sprake van voldoende draagkracht om volledig in de behoefte (van het kind of de kinderen) in één gezin te voorzien, dan vindt vervolgens een draagkrachtvergelijking plaats. Is de draagkracht onvoldoende, dan wordt de volledige draagkracht van elke onderhoudsplichtige in aanmerking genomen. Zo wordt voor elke onderhoudsplichtige per kind/gezin het ‘ideale aandeel’ bepaald.

6.5.

Toepassing van deze rekenmethode op het onderhavige geval leidt tot de volgende ‘ideale’ aandelen.

A voor AB: € 232,– na draagkrachtvergelijking tussen hem en B:

B voor AB € 198,– (na draagkrachtvergelijking tussen haar en A):

B voor BC1 en BC2 € 228,– per kind (na draagkrachtvergelijking tussen haar, C en D):

C voor BC1 en BC2 € 177,– per kind (na draagkrachtvergelijking tussen hem, B en D):

D voor BC1 en BC2 € 25,– per kind (na draagkrachtvergelijking tussen haar, B en C):

Omdat C en D samen onvoldoende draagkracht hebben (€ 532,- + € 76,- = € 608,-) om in de behoefte van CD1 en CD2 (€ 860,-) te voorzien is, blijft een draagkrachtvergelijking achterwege en is het ideale aandeel gelijk aan hun draagkracht. 8 Dit betekent dat het ideale aandeel van C voor CD1 en CD2 € 266,– per kind (€ 532 ÷ 2) bedraagt en het ideale aandeel van D voor CD1 en CD2 € 38,– per kind (€ 76 ÷ 2).

6.6.

In onderstaand overzicht is deze eerste stap weergegeven.

6.7.

Is de som van die ‘ideale aandelen’ van een onderhoudsplichtige kleiner dan diens totale draagkracht, dan kunnen de ‘ideale aandelen’ worden vastgesteld als bijdrage per kind/gezin. Is de draagkracht van de betreffende onderhoudsplichtige lager dan de som van de ‘ideale aandelen’, dan wordt het aandeel per kind/gezin bepaald door de breuk 9

6.8.

De ideale aandelen van A (€ 447,–) en B (€ 654,–) zijn lager dan hun draagkracht en hoeven dus niet te worden aangepast.

De ideale aandelen van C (€ 885,–) en D (€ 126,–) zijn hoger dan hun draagkracht. Voor hen moet derhalve worden gecorrigeerd op de hiervoor weergeven wijze, wat leidt tot een verdeling van de draagkracht van C voor BC1 en BC2 van € 106,– per kind:

Voor CD1 en CD2 komt het aandeel van C na correctie op € 160,–:

Het aandeel van D voor BC1 en BC2 wordt gecorrigeerd naar € 15,– per kind

Voor CD1 en CD2 wordt de bijdrage van D € 23,– per kind.

Voor BC1 en BC2 is het tekort € 81,– per kind 10 en voor CD1 en CD2 € 247,– per kind 11. B heeft € 33,– draagkracht over, dat gebruikt zou kunnen worden om verder mee in de behoefte van BC1 en BC2 te voorzien. Het totale tekort in het gezin van C en D is € 656,– (of € 623,- als B tot de grens van haar draagkracht wordt belast).

6.9.

Als resultaat van deze rekenmethode is het overschot in het gezin van A en B € 100,– groter dan in de door de rechtbank gehanteerde berekening (€ 357,– + € 33,– in plaats van € 279,– + € 11,– 12) en het tekort in het gezin van C en D derhalve € 100,– groter. Voor de aan B op te leggen bijdrage scheelt dit € 50,- per kind per maand.

6.10.

Hoewel de beslissing van de rechter in alimentatiezaken – vrijwel altijd – nauw verweven is met de omstandigheden van het geval en de weging van de specifieke factoren die van invloed zijn op de vaststelling van behoefte en draagkracht, zou een eenduidige rekenmethode bij Samengestelde Gezinnen de rechtseenheid kunnen bevorderen. Uit het vorenstaande moge duidelijk zijn geworden dat naarmate het aantal samenlopende onderhoudsverplichtingen (onderhoudsrelaties) groter is het formuleren van een eenduidige rekenmethode moeilijker is.

Voorts is het de vraag of een dergelijke eenduidige methode te vinden is nu het uitgangspunt voor de verdeling van de draagkracht afhankelijk is van de vraag of sprake is van een tekort of een overschot om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Zoals gezegd is bij een tekort de hoofdregel 13 gelijke verdeling van de beschikbare draagkracht over de kinderen, met als uitzondering een andere verdeling bij bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij een aanmerkelijk verschil in de behoefte van de kinderen, terwijl bij een overschot in de regel de draagkrachtvergelijking als uitgangspunt wordt gehanteerd.
Wat daarvan ook zij: het ontbreken van overeenstemming over hoe als uitgangspunt gerekend zou moeten worden hindert in elk geval het ontwerpen van en consensus bereiken over een dergelijke methode. Gelet op de verschillende opvattingen van de rechtbanken en gerechtshoven ziet deze rechtbank aanleiding voor het ambtshalve stellen van prejudiciële vragen op de voet van artikel 392 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de kern gaat het daarbij om de vraag wat uitgangspunt moet zijn bij de verdeling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige bij een samengesteld gezin: zoveel mogelijk voorzien in de behoefte van alle kinderen, al dan niet in de procedure betrokken, of draagkracht – deels – onbenut laten?

Het antwoord op de hieronder nader gespecificeerde vragen is rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van een groot aantal andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vragen zich voordoen. De rechtbank is ambtshalve bekend met soortgelijke procedures bij deze rechtbank en bij andere gerechten waar deze vragen spelen. Met name bestaat behoefte aan de beantwoording van de volgende vragen:

I. Is het als gevolg van de gekozen rekenmethode bestaan van een overschot (aan draagkracht) in het ene gezin en een tekort in het andere gezin in overeenstemming met artikel 1:392 lid 2 BW (kinderen zijn behoeftig), artikel 1:400 lid 1 BW (rangorde onderhoudsgerechtigden) en artikel 1:404 (naar draagkracht bijdragen) BW?

II. Verzet artikel 1:397 lid 2 BW (verdeling naar (rato van) draagkracht) zich ertegen om onbenutte/resterende draagkracht over te hevelen, zolang de betreffende ouder niet meer bijdraagt dan – maximaal – de behoefte van het kind of de kinderen waarvoor hij/zij onderhoudsplichtig is?

6.11.

De rechtbank houdt de (definitieve) beslissing over de door B aan C te betalen onderhoudsbijdrage voor BC1 en BC2 aan in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen. De zaak wordt daartoe verwezen naar het familiejournaal van 3 mei 2027.

7De beslissing

De rechtbank:

7.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 12 juni 2023 en het door partijen op 26 juli 2016 en 30 juli 2016 ondertekende ouderschapsplan en bepaalt dat B met ingang van 1 oktober 2025 en voor de duur van deze procedure een bedrag van € 256,– per maand voor BC1 en € 170,– per maand voor BC2 moet betalen aan C als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding;

7.2.

bepaalt de onder 7.1 genoemde bedragen met ingang van 1 januari 2026 op € 268,–voor BC1 en op € 178,– voor BC2;

7.3.

beslist dat B de toekomstige betalingen steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

7.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

verzoekt de Hoge Raad bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen te beantwoorden:

I. Is het als gevolg van de gekozen rekenmethode bestaan van een overschot (aan draagkracht) in het ene gezin en een tekort in het andere gezin in overeenstemming met artikel 1:392 lid 2 BW (kinderen zijn behoeftig), artikel 1:400 lid 1 BW (rangorde onderhoudsgerechtigden) en artikel 1:404 (naar draagkracht bijdragen) BW?

II. Verzet artikel 1:397 lid 2 BW (verdeling naar (rato van) draagkracht) zich ertegen om onbenutte/resterende draagkracht over te hevelen, zolang de betreffende ouder niet meer bijdraagt dan – maximaal – de behoefte van het kind of de kinderen waarvoor hij/zij onderhoudsplichtig is?

7.6.

bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van deze beschikking zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad, postbus 20303, 2500 EH Den Haag;

7.7.

bepaalt dat de griffier afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken op eerste verzoek aan de voornoemde griffie van de Hoge Raad zendt;

7.8.

houdt de definitieve beslissing over de door B aan C te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van BC2 en BC1 aan in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 3 mei 2027.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Jongebreur, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026 in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink, griffier.

Partij

C

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht zonder correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

€

33.696

44

Vakantietoeslag

€

2.696

Bruto inkomsten

€

36.392

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

€

36.392

59

Inkomsten

€

36.392

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

€

36.392

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

36.392

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

13.035

95

Inkomensheffing box 1

€

13.035

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

36.392

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

13.035

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

2.562

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

€

10.473

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

25.919

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

2.562

jaar

Bij: Kindgebonden budget

€

7.245

120

Besteedbaar inkomen

€

33.164

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

33.164

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

2.764

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.764

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

€

1.310

123a

Woonbudget

€

829

134a

Extra lasten opnemen

€

279

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.418

136a

Draagkrachtruimte

€

346

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

€

242

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

242

Partij

B

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht zonder correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

€

31.468

44

Vakantietoeslag

€

2.517

48

Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering

€

2.566

Bruto inkomsten

€

36.551

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

-

€

3.177

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

€

33.374

59

Inkomsten

€

33.374

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

€

33.374

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

33.374

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

11.954

95

Inkomensheffing box 1

€

11.954

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

33.374

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

11.954

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

11.121

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

€

833

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

32.541

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

2.754

jaar

Arbeidskorting

€

5.381

jaar

Combinatiekorting

€

2.986

jaar

Af: Netto premie (WGA/WHK)

€

177

120

Besteedbaar inkomen

€

32.364

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

32.364

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

2.697

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.697

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

€

1.310

123a

Woonbudget

€

809

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.119

136a

Draagkrachtruimte

€

578

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

€

405

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

405

Partij

partner man

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht zonder correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

€

19.776

70

Winst uit onderneming

€

19.776

Ondernemersaftrek

71/ 72

Zelfstandigenaftrek

-

€

2.470

- Zelfstandigenaftrek

€

2.470

MKB Winstvrijstelling

-

€

2.198

75

Belastbare winst uit onderneming

€

15.108

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

15.108

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

5.411

95

Inkomensheffing box 1

€

5.411

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

19.776

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

5.411

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

7.894

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

19.776

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

3.068

jaar

Arbeidskorting

€

3.265

jaar

Combinatiekorting

€

1.561

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

€

15.108

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

€

15.108

Maximum bijdrage loon

€

75.864

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

€

75.864

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

€

15.108

Percentage Zvw

%

5,26

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€

795

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

€

795

120

Besteedbaar inkomen

€

18.981

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

18.981

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

1.582

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

1.582

Draagkracht wordt berekend op basis van

Tabel

Afwijken van de tabel?

nee

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

50

Partij

partner vrouw

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht zonder correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

€

54.224

44

Vakantietoeslag

€

4.338

48

Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering

€

4.422

Bruto inkomsten

€

62.984

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

-

€

5.644

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

€

57.340

59

Inkomsten

€

57.340

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

€

57.340

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

57.340

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

€

7.083

95

Inkomensheffing box 1

€

20.852

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

57.340

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

20.852

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

5.906

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

€

14.946

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

42.394

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

1.235

jaar

Arbeidskorting

€

4.671

jaar

Af: Netto premie (WGA/WHK)

€

249

120

Besteedbaar inkomen

€

42.145

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

42.145

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

3.512

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

3.512

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

€

1.310

123a

Woonbudget

€

1.054

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.364

136a

Draagkrachtruimte

€

1.148

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

€

804

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

804

Partij

C

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht met correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

€

33.696

44

Vakantietoeslag

€

2.696

Bruto inkomsten

€

36.392

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

€

36.392

59

Inkomsten

€

36.392

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

€

36.392

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

36.392

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

13.035

95

Inkomensheffing box 1

€

13.035

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

36.392

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

13.035

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

2.562

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

€

10.473

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

25.919

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

2.562

jaar

Bij: Kindgebonden budget

€

7.245

120

Besteedbaar inkomen

€

33.164

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

33.164

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

2.764

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.764

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

€

1.310

123a

Woonbudget

€

415

134a

Extra lasten opnemen

€

279

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.004

136a

Draagkrachtruimte

€

760

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

€

532

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

532

Partij

B

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht met correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

€

31.468

44

Vakantietoeslag

€

2.517

48

Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering

€

2.566

Bruto inkomsten

€

36.551

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

-

€

3.177

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

€

33.374

59

Inkomsten

€

33.374

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

€

33.374

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

33.374

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

11.954

95

Inkomensheffing box 1

€

11.954

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

33.374

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

11.954

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

11.121

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

€

833

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

32.541

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

2.754

jaar

Arbeidskorting

€

5.381

jaar

Combinatiekorting

€

2.986

jaar

Af: Netto premie (WGA/WHK)

€

177

120

Besteedbaar inkomen

€

32.364

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

32.364

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

2.697

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

2.697

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

€

1.310

123a

Woonbudget

€

405

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

€

1.715

136a

Draagkrachtruimte

€

982

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

€

687

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

687

Partij

partner man

Zaak

B / C

Berekening

draagkracht met correctie woonlast

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-11-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

€

19.776

70

Winst uit onderneming

€

19.776

Ondernemersaftrek

MKB Winstvrijstelling

-

€

2.512

75

Belastbare winst uit onderneming

€

17.264

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€

17.264

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

€

6.183

95

Inkomensheffing box 1

€

6.183

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

€

19.776

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

€

6.183

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

€

7.894

Inkomen na aftrek inkomensheffing

€

19.776

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

€

3.068

jaar

Arbeidskorting

€

3.265

jaar

Combinatiekorting

€

1.561

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

€

17.264

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

€

17.264

Maximum bijdrage loon

€

75.864

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

€

75.864

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

€

17.264

Percentage Zvw

%

5,26

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€

908

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

€

908

120

Besteedbaar inkomen

€

18.868

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

€

18.868

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

€

1.572

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

€

1.572

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

Afwijken van de tabel?

ja

122a

Kosten van levensonderhoud

€

1.260

123a

Werkelijke woonlasten

€

236

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

€

1.496

136a

Draagkrachtruimte

€

76

137a

Draagkrachtpercentage

%

100

Beschikbaar

€

76

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

€

76

1

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664

2

Hoge Raad 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586

3

€ 532,- ÷ 4 en € 76,- ÷ 4

4

Zie 5.18. van deze beschikking

5

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664

6

Bijvoorbeeld door de (forfaitaire) woonlast aan te passen als niet in de behoefte van alle kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten lager liggen (Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586)

7

[naam 1], ‘De complexiteit van het samengestelde gezin’, EB 2014/62,

[naam 2], ‘Onderhoudsverplichting stiefouder: kunnen we het domino- effect van alimentatiewijzigingen afschaffen?’,

EB 2023/29, [naam 3], [naam 4] & [naam 5], ‘Proportioneel verdelen van draagkracht bij kinderalimentatie in samengestelde gezinnen’,

EB 2020/63, [naam 6], ‘De berekening van kinderalimentatie in samengestelde gezinnen: van afgeleide draagkracht naar zuivere draagkracht’,

EB 2023/58, [naam 7] & [naam 8], ‘Kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen: een knelpunt en stappenplan’, Ars Aequi 2024061,

[naam 9], ‘Verdelen van de draagkracht bij samengestelde gezinnen: (g)een abc’tje!’, EB 2024/61 en EB 2024/8

[naam 9], Een tekort aan draagkracht bij een Samengesteld Gezin, Enkele aanwijzingen van de Hoge Raad en hoe verder, EB 2026/67

8

EB 2023/58, [naam 7] & [naam 8], ‘Kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen: een knelpunt en stappenplan’, Ars Aequi 2024061, stap 4

9

EB 2023/58, [naam 7] & [naam 8], ‘Kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen: een knelpunt en stappenplan’, Ars Aequi 2024061, stap 5

10

€ 430 – (€ 228 + € 106 + €15)

11

€ 430 – (€ 160 + 23)

12

Het resterende (niet overgehevelde) deel van de draagkracht van B (zie 5.20)

13

Laatstelijk Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733