Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep over zorgregeling na seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht over risico’s bij aanwezigheid van oudste zoon en gelast raadsonderzoek met vraagpunten over veilige omgang, eventuele veiligheidsmaatregelen bij vader en verdere hulpverlening. Lopende het onderzoek treft het hof een voorlopige weekendregeling zonder overnachtingen (za en zo 9.00–19.00 uur). Schorsingsverzoek van moeder tegen uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen. Verdere beslissing wordt aangehouden.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 05-11-2026 |
| Zaaknummer | 200.353.740/01 en 200.353.740/02 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Zorgregeling / omgang / informatie; Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Raadsonderzoek over de zorgregeling en een voorlopige regeling gedurende het onderzoek zonder overnachtingen.Volledige uitspraak
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 november 2025
Zaaknummers: 200.353.740/01 en 02
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/429784 / JE RK 24-2243
in de zaak in hoger beroep van:
wonende te [woonplaats 1]
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban,
Deze zaak gaat over:
-
[kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] (België), hierna te noemen: [kind 1] .
-
[kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] (België), hierna te noemen: [kind 2] .
-
[kind 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2009 in [geboorteplaats] (België), hierna te noemen: [kind 3] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 2] (gemeente [gemeente] ),
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland.
Als informant wordt aangemerkt:
Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 18 maart 2025 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank de beschikking van 1 juli 2020 voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en het volgende bepaald:
- In de maanden maart en april 2025 krijgt de vader wekelijks de gelegenheid om met
[kind 3] , [kind 2] en [kind 1] gezamenlijk of met ieder van hen apart iets te ondernemen. Dat kan
beginnen met een ijsje eten om de hoek of ergens met de kinderen iets gaan eten of iets
anders leuks doen. De vader haalt de kinderen op bij de moeder en brengt ze ook weer terug
naar de moeder. De ouders stemmen onderling de tijdstippen af en houden rekening met wat
onder rechtsoverweging 5.13. is overwogen.
- In de maand mei 2025 hebben de vader en de kinderen contact met elkaar één keer in de
twee weken op zaterdag van 11.00 uur tot 17.00 uur. [de oudste zoon] is bij dit contact niet aanwezig.
De moeder brengt de kinderen naar de vader en de vader brengt de kinderen weer terug naar
de moeder.
- In de maanden juni en juli 2025 hebben de vader en de kinderen contact met elkaar één
keer in de twee weken op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur. De vader én [de oudste zoon] , als hij na
zijn werk thuiskomt, hebben dan de gelegenheid om met zijn allen te eten.
- In de maanden juli en augustus en september 2025 hebben de vader en de kinderen contact
met elkaar één keer in de twee weken vanaf vrijdag 17.30 uur tot zaterdag 19.00 uur.
- In de maanden oktober en november 2025 hebben vader en de kinderen contact met
elkaar één keer in de twee weken vanaf vrijdag 17.30 uur tot zondag 12.00 uur.
- Vanaf december 2025 zijn de vader en kinderen gerechtigd tot contact met elkaar
gedurende één keer in de twee weken vanaf vrijdag 17.30 uur tot zondag 19.00 uur,
- almede gedurende de helft van de vakanties.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 14 april 2025, heeft de moeder verzocht:
in het incident:
- de werking van de bestreden beschikking te schorsen totdat het hof in de bodemprocedure heeft beslist;
in de hoofdzaak:
- de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een raadsonderzoek te gelasten dan wel een deskundigenoordeel ex artikel 822a Rv en een omgangsregeling vast te stellen na advies van voornoemde deskundigen, welke tegemoet komt aan de belangen van de kinderen.
Het door de moeder ingediende verzoek in de hoofdzaak is bij het hof geregistreerd met zaaknummer 200.357.620/01. Het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking is bij het hof geregistreerd met zaaknummer 200.357.620/02.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 22 juli 2025, heeft de vader verzocht de moeder niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar deze als ongegrond en onbewezen te ontzeggen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De GI is hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Het hof heeft de minderjarigen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [kind 1] en [kind 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt. [kind 3] wel.
Het hof heeft op 22 juli 2025 een brief van de oudste zoon van partijen gekregen: [de oudste zoon], geboren op [geboortedatum 4] 2007 te [geboorteplaats] (België), hierna te noemen: [de oudste zoon] . In de brief vraagt [de oudste zoon] om gehoord te worden.
Het hof heeft aanleiding gezien om ook [de oudste zoon] te spreken en hem uitgenodigd voor een kindgesprek, omdat hij op dat moment nog minderjarig was. De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met [kind 3] en [de oudste zoon] afzonderlijk gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van de brief van [de oudste zoon] en deze gesprekken zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier met bijlage namens de vader, ingekomen bij de griffie op 1 oktober 2025;
- het V6-formulier met bijlagen namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 1 oktober 2025;
- het V8-formulier met bijlagen namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 8 oktober 2025;
- de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vader overgelegde pleitaantekeningen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof medegedeeld de productie die namens de moeder is overgelegd bij V6-formulier van 1 oktober 2025 en die de reactie van de moeder betreft, buiten beschouwing te laten. Deze productie is een eigen relaas van de moeder en derhalve geen productie. Het ligt op de weg van de advocaat het schriftelijk standpunt van de moeder in het beroepschrift te verwerken.
3De beoordeling
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op 26 maart 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn de ouders van [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [de oudste zoon] . Het gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de ouders. [de oudste zoon] is na de mondelinge behandeling achttien jaar geworden en dus meerderjarig.
[kind 1] , [kind 2] en [kind 3] wonen bij de moeder. [de oudste zoon] woont bij de vader.
Bij beschikking van 1 december 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 1 december 2017 voor de duur van een jaar. Deze maatregel is steeds verlengd. De ondertoezichtstelling van [de oudste zoon] is op 1 december 2023 geëindigd. De ondertoezichtstelling van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] is geëindigd, volgens de processtukken op 1 maart 2025, volgens het gezagsregister al op 1 december 2024.
De moeder voert samengevat het volgende aan.
De moeder verzoekt de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. De moeder heeft geen bezwaar tegen het opstarten van de zorgregeling tussen de vader en de drie kinderen noch tegen contact tussen de drie kinderen en hun broer [de oudste zoon] , mits dit goed omkaderd is. Concreet verzet de moeder zich tegen de uitbreiding van de zorgregeling zoals de rechtbank heeft bepaald met ingang van juni 2025, dus vanaf het moment dat [de oudste zoon] bij de omgang mag zijn. Het is onverantwoord zonder concrete risicotaxatie en veiligheidsafspraken de kinderen in contact te laten komen met [de oudste zoon] . [de oudste zoon] heeft ervoor gekozen zich niet te laten behandelen voor de grensoverschrijdende seksuele handelingen en gebeurtenissen die tussen de kinderen hebben plaatsgevonden. De moeder respecteert de keuze van [de oudste zoon] , maar er moeten om die reden wel passende maatregelen worden genomen, waarmee de risico’s op recidive en de kans op hertraumatisering tot het minimum worden beperkt. [kind 3] en [kind 2] hebben beiden MST PSB therapie (Multi- Systeemtherapie- Problematic Sexual Behavior) gehad bij de [instantie 1] . Tot de afronding van de behandeling was 100% toezicht geïndiceerd. Dat er nu camera’s in het huis van de moeder zijn heeft te maken met het agressieve gedrag van [kind 3] , het is niet vanwege mogelijk seksueel gedrag, want [kind 3] en [kind 2] zijn daarvoor behandeld. De [instantie 1] adviseert 100% toezicht zo lang niet iedere dader is behandeld, en [de oudste zoon] is niet behandeld. Daarom heeft ze zorgen over de situatie bij de vader.
[kind 1] was alleen slachtoffer. Voor [kind 1] is nog geen behandeling gestart. Onderzocht wordt of dit kan plaatsvinden bij praktijk [instantie 2] .
De rechtbank heeft ten onrechte geen raads- of deskundigenonderzoek gelast en geconcludeerd dat de problematiek en de risico’s helder zijn en dat er geen contra-indicaties zijn voor contact tussen de drie kinderen en de vader. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom zij tot de conclusie komen dat geen contact met de vader schadelijker is dan eventuele hertraumatisering. De moeder verzoekt een deskundigenonderzoek. Er dient een advies te komen over hoe het contact tussen de vader en de kinderen enerzijds en de kinderen en hun broer [de oudste zoon] anderzijds eruit zou moeten zien en aan welke maatregelen en veiligheidsvoorwaarden er voldaan moet worden.
De vader voert samengevat het volgende aan.
De moeder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat eerst afspraken gemaakt moeten worden over de veiligheid van de kinderen voordat de zorgregeling kan worden uitgevoerd omdat [de oudste zoon] zich niet heeft laten behandelen. [de oudste zoon] heeft op eigen initiatief meerdere gesprekken gehad met een kinderpsycholoog. Ook [kind 3] en [kind 2] zijn inmiddels behandeld bij de [instantie 1] . Het is belangrijk dat de behandeling van [kind 1] bij praktijk [instantie 2] spoedig wordt opgestart. Het had op de weg van de moeder gelegen om concrete suggesties te formuleren hoe de veiligheidsmaatregelen eruit dienen te zien.
Er is wel iets gebeurd maar de vader weet niet precies hoe en wat. De GI heeft hem er niet over geïnformeerd en hij heeft ook nooit navraag gedaan bij de [instantie 1] .
De vader is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid als vader van zijn kinderen en hij zal, met hetgeen in het verleden is gebeurd, daar speciale aandacht aan besteden. De vader is het met de GI en de raad eens dat een raadsonderzoek of een deskundigenonderzoek niet nodig is. Op dit moment verloopt de zorgregeling zoals de rechtbank die heeft bepaald en dat verloopt goed. [de oudste zoon] is ook regelmatig aanwezig bij dit contact. Een nieuw onderzoek zou tot gevolg hebben dat het weer een hele tijd gaat duren dat de kinderen op vrije wijze contact hebben met hun vader (en broer). Ook zal een nieuw onderzoek de kinderen verder beschadigen. Een nader onderzoek is niet in het belang van de kinderen.
De raad adviseert de huidige zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking te blijven volgen en handhaaft het standpunt dat er geen extra (deskundigen)onderzoek nodig is. Het is in het belang van de kinderen dat (de opbouw van) de zorgregeling blijft doorlopen en de drie kinderen contact blijven houden met de vader en [de oudste zoon] . Voorkomen moet worden dat er opnieuw een contactbreuk komt tussen de drie kinderen en de vader en [de oudste zoon] . Dat is schadelijk voor de kinderen. [kind 2] en [kind 1] laten sinds het opstarten van het contact met de vader en [de oudste zoon] geen ander gedrag zien. Het gedrag van [kind 3] is wel veranderd maar de moeder zegt dat dit niet samenhangt met mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag. Mogelijk worstelt [kind 3] met de vraag bij wie hij gaat wonen.
Het hof oordeelt als volgt.
Duidelijk is dat er in 2021 een incident is geweest danwel op dat moment een langer bestaande onveilige situatie aan het licht is gekomen, waarbij seksueel grensoverschrijdend gedrag is geconstateerd tussen de kinderen. De moeder vertelt hierover dat het tussen de kinderen in alle richtingen heeft plaatsgevonden, met uitzondering van [kind 1] die alleen slachtoffer was. Volgens de moeder is in de hulpverleningstrajecten gebleken dat het om verschillende handelingen gaat waaronder ook penetratie.
Dit heeft er toe geleid dat in de thuissituatie bij de moeder langere tijd 100% toezicht is geweest, met onder meer camera’s en contactalarmen op deuren, om de gelegenheid voor de kinderen weg te nemen. Na de behandeling van [kind 3] en [kind 2] werd dit in de thuissituatie van de moeder niet meer nodig geacht. De [instantie 1] adviseert volgens de moeder 100% toezicht als niet alle kinderen behandeld zijn.
De vader weerspreekt het seksueel grensoverschrijdende gedrag dat volgens de moeder tussen de kinderen heeft plaatsgevonden, niet zozeer. De vader zegt dat er iets is gebeurd, maar hij weet niet precies wat; de vader heeft ook nooit rapportages van De Vierspong gehad, maar ook niet zelf opgevraagd. De vader vindt de behandeling die [kind 3] en [kind 2] bij de [instantie 1] hebben ondergaan te zwaar ‘geschut’ voor hun leeftijd; hij heeft nooit achter deze behandeling gestaan. De vader houdt de interactie tussen de kinderen in de gaten en acht dit voldoende.
Voor het hof is onduidelijk of de aanwezigheid van [de oudste zoon] bij de omgang bij vader thuis een reden tot zorg is, zoals de moeder stelt. Het hof beschikt niet over onderliggende stukken of over adviezen van de [instantie 1] . Daarmee is niet duidelijk wat er precies is voorgevallen en welke (veiligheids)maatregelen of verdere hulpverlening geïndiceerd werd/wordt geacht. Vast staat dat na het aan het licht komen van seksueel grensoverschrijdend gedrag [de oudste zoon] bij de vader is gaan wonen en dat er lange tijd geen contact is geweest tussen de andere kinderen en de vader en [de oudste zoon] .
[kind 2] , [kind 3] en de moeder hebben een traject doorlopen bij De [instantie 1] , [de oudste zoon] is buiten deze behandeling gebleven. Het hof begrijpt uit de stellingen van de moeder dat uit het behandeltraject bij De [instantie 1] naar voren is gekomen dat [de oudste zoon] ook betrokken is geweest bij het seksueel grensoverschrijdend gedrag. [de oudste zoon] zelf heeft verteld dat hij niets met het seksueel grensoverschrijdend gedrag te maken heeft en dat hij het zijn moeder kwalijk neemt dat zij hem hiervan beticht. [de oudste zoon] heeft gesproken met een psycholoog omdat hij het gevoel had dat hij werd afgewezen door de moeder. Het traject dat [de oudste zoon] heeft doorlopen bij de psycholoog lijkt derhalve niet gericht te zijn geweest op mogelijk problematisch seksueel gedrag.
Gelet op het voorgaande is het voor het hof niet voldoende duidelijk of het risico op het opnieuw voordoen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen de kinderen toeneemt, als het contact tussen de vader en [de oudste zoon] en [kind 3] , [kind 2] en [kind 1] verder wordt uitgebreid. Het hof acht zich op grond van de nu beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over de (definitieve) zorgregeling en zal de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:
-
Welke omgangsregeling is in het belang van de kinderen?
-
Hoe kan de omgang tussen [kind 3] , [kind 2] , [kind 1] , de vader en [de oudste zoon] veilig verlopen gelet op wat in het verleden heeft plaatsgevonden en gelet op wat uit de hulpverleningstrajecten, specifiek het traject van [kind 3] en [kind 2] bij de [instantie 1] , is gebleken? Zijn er extra veiligheidsmaatregelen in de situatie bij de vader nodig, en zo ja, welke?
-
Is verdere hulpverlening voor de kinderen geïndiceerd? Is verdere hulpverlening voor [de oudste zoon] geïndiceerd en is traumabehandeling zoals “Slapende honden’ voor [kind 1] nodig?
-
Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?
Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vijf maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.
Het hof moet nu beslissen over de omgang lopende dit onderzoek. Het belang van omgang tussen de drie jongste kinderen en de vader wordt door beide ouders onderschreven. Ook het hof acht contact in het belang van de kinderen. Het is schadelijk voor de kinderen geweest dat zij lange tijd geen contact hebben gehad met de vader en [de oudste zoon] . Niet gebleken is dat er sinds het opstarten van de omgang met de vader zorgen zijn rondom de kinderen. Ook niet sinds [de oudste zoon] bij de omgang aanwezig is. De moeder heeft op de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zij achter het huidige contact kan staan, ook met [de oudste zoon] , maar dat zij wil dat er iemand naar de thuissituatie van de vader kijkt en meedenkt over de veiligheid en zij wil tot die tijd geen overnachtingen. Het hof zal bepalen dat gedurende het onderzoek de weekendregeling doorloopt, maar zonder overnachtingen bij de vader, omdat het van oordeel is dat de vader ’s avonds en ’s nachts het minste zicht heeft op de kinderen en nog onvoldoende duidelijk is of daardoor onveiligheid ontstaat. Door deze voorlopige regeling is er sprake van structureel contact tussen de vader en de kinderen en worden eventuele risico’s beperkt. Voorlopig zal er daarom een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken worden bepaald waarbij de vader en de kinderen gerechtigd zijn tot contact met elkaar een keer per veertien dagen op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 9.00 tot 19.00 uur. Deze regeling loopt in de vakanties door; het hof zal nog geen regeling bepalen voor vakanties. Over de feestdagen is in eerste aanleg en in hoger beroep niets verzocht; partijen kunnen desgewenst onderling afspraken hierover maken, in lijn met de voorlopige regeling.
Nu er sprake is van een voorlopige zorgregeling in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij haar schorsingsverzoek in het incident. Het schorsingsverzoek van de moeder wordt daarom afgewezen.
Op grond van het voorgaande zal het hof iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aanhouden.
4De beslissing
Het hof:
in zaak met het zaaknummer 200.353.740/02:
wijst het verzoek van de moeder af.
in zaak met het zaaknummer 200.353.740/01:
wijzigt voorlopig de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 18 maart 2025 en bepaalt dat de vader, [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar een keer per veertien dagen op zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 9.00 tot 19.00 uur waarbij de ouders het halen en brengen in onderling overleg afstemmen;
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.7.2. is overwogen;
verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 mei 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 27 november 2025 door mr. G.J. Vossestein uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
