Essentie (gemaakt door AI)
Internationale echtscheidingszaak waarin Nederlands forum bevoegd is en Marokkaans huwelijksvermogensrecht (Mudawwana) geldt. Woningproject vormt een eenvoudige gemeenschap; de aannemingsovereenkomst valt onder art. 3:170 lid 3 BW en is met instemming van vrouw aangegaan. Partijen dragen elk 50% van de openstaande bouwkosten. Op grond van artikel 49 Mudawwana heeft vrouw aanspraak op een vergoeding van 50% van de waarde van de aandelen van man in [bedrijf 2] per 19-08-2024. Tussentijds hoger beroep wordt toegestaan.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 05-11-2026 |
| Zaaknummer | C/16/597318 / HL ZA 25-191 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Almere |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vergoeding op grond van artikel 49 MudawwanaVolledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: C/16/597318 / HL ZA 25-191
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Cortet,
tegen
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Groenleer.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- een brief namens de vrouw van 2 juni 2026 met de producties 11 tot en met 44;
- een brief namens de vrouw van 11 augustus met de producties 45 tot en met 47;
- een brief namens de man van 17 augustus 2026 met de producties 18 tot en met 27;
- een brief namens de vrouw van 20 augustus 2026 met de producties 48 tot en met 50.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen zijn op [trouwdatum] 1990 met elkaar getrouwd in [trouwplaats] , Marokko. Zij hebben samen drie zonen ( [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] ), die allen inmiddels meerderjarig zijn.
In 2004 is [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht, waarin tolkwerkzaamheden werden geëxploiteerd. De onderneming staat op naam van de man.
De man heeft in 2010 [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) opgericht. Vanaf 31 december 2013 houdt [bedrijf 2] 100% van de gewone aandelen in [bedrijf 1] . [bedrijf 2] is actief in het kopen, verkopen, verhuren en beheren van onroerend goed.
In 2019 zijn partijen overgegaan tot de aankoop van vier kavels in Almere . De woningen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] zijn gezamenlijk eigendom van partijen.
Op 10 juni 2024 is de [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) opgericht. De aandelen van [bedrijf 2] zijn op 28 augustus 2024 overgedragen aan deze [bedrijf 3] .
De man heeft op 19 augustus 2024 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank in Marokko. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 12 februari 2025 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De uitspraak is op 24 februari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand in Almere . De Marokkaanse rechter heeft de vrouw een schadevergoeding van 200.000 dirham toegewezen, alsmede een huisvestingsvergoeding van 6.000 dirham voor de duur van de wachtperiode (omgerekend circa € 19.500,-). De man heeft deze bedragen inmiddels volledig voldaan. In hoger beroep is deze schadevergoeding verhoogd tot 300.000 dirham.
De vrouw heeft op 2 september 2024 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland (C/16/581547 / FA RK 24/954). De rechtbank heeft in de beschikking van 9 juli 2025 de beslissing tot echtscheiding van de Marokkaanse rechter van 12 februari 2025 erkend en zich onbevoegd verklaard om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen.
In de uitspraak in de voorlopige voorzieningen van 20 december 2024 heeft de rechtbank onder meer het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] aan de vrouw toegewezen, en het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] aan de man.
3Het geschil
in conventie en in reconventie
De man vordert – na vermindering van eis ter zitting – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de nog openstaande kosten van [bedrijf 4] van in totaal € 235.000,- voor de bouw van de woning aan de [adres 1] voor de rekening van partijen komen, ieder voor de helft.
De vrouw voert verweer, strekkende tot afwijzing van de vordering van de man.
De vrouw vordert in reconventie – na vermindering van eis ter zitting – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om op grond van artikel 49 Mudawwana een vergoeding aan de vrouw te betalen van een nog nader door de vrouw te vorderen bedrag. Ook vraagt zij compensatie van de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
In conventie en in reconventie
De Nederlandse rechter is bevoegd
Partijen zijn op [trouwdatum] 1990 in Marokko getrouwd. Dat betekent dat deze zaak een internationaal karakter heeft. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of zij bevoegd is om te beslissen op de vorderingen van partijen en welk recht daarop van toepassing is.
De rechtbank is bevoegd om van de vorderingen van partijen over het huwelijksvermogensregime kennis te nemen, omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
1
Op het huwelijksvermogensregime is Marokkaans recht van toepassing
Op het huwelijksvermogensregime van partijen is het Marokkaanse recht van toepassing. Partijen zijn namelijk vóór 1 september 1992 met elkaar gehuwd en het toepasselijk recht moet aan de hand van de verwijzingsregels van het Chelouche/Van Leer-arrest
2 worden beoordeeld. Partijen hebben voor het huwelijk geen rechtskeuze gemaakt, waardoor er moet worden gekeken naar het recht van het land waarvan partijen ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de nationaliteit hadden. Gebleken is dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de Marokkaanse nationaliteit hadden. Dat betekent dat Marokkaans recht van toepassing is.
Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht is geregeld in de Mudawwana. Daarin is bepaald dat als gevolg van het huwelijk tussen partijen geen gemeenschappelijk vermogen ontstaat. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij/zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Daarnaast is het uitgangspunt dat elke echtgenoot aansprakelijk is voor zijn of haar eigen schulden. Van een recht op verdeling kan hierdoor geen sprake zijn. Dit is anders als partijen gezamenlijk eigenaar zijn van een goed.
De woningen en het geschil over de openstaande facturen van de aannemer
De woningen in Nederland vormen eenvoudige gemeenschappen
Omdat er geen sprake is van een huwelijksgoederenrechtelijke gemeenschap, vormen de woningen waarvan de man en de vrouw samen eigenaar zijn een algemeen vermogensrechtelijke gemeenschap. Dat wordt ook wel een ‘eenvoudige gemeenschap’ genoemd. Partijen zijn het erover eens dat er tijdens het huwelijk meerdere eenvoudige gemeenschappen zijn ontstaan. Op dit moment hebben zij de volgende vermogensbestanddelen gezamenlijk:
-
de woning aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [woonplaats] ;
-
de woning aan de [adres 2] te ( [postcode] ) [woonplaats] .
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verkoop en overname van de gemeenschappelijke woningen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Alleen over de vraag voor wiens rekening de nog openstaande facturen van aannemer [bedrijf 4] van in totaal € 235.000,- voor de bouw van de woning aan de [adres 1] komen, verschillen zij nog van mening. Partijen hebben hun overige vorderingen met betrekking tot de woningen ingetrokken. Ter zitting zijn zij daarnaast overeengekomen dat de minimumverkoopprijs van de woning aan de [adres 2] € 1.150.000,- bedraagt en dat dit minimumbedrag niet aan de makelaar wordt medegedeeld.
Tussen partijen is niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is
Partijen zijn het erover eens dat op de eenvoudige gemeenschappen Nederlands recht van toepassing is. Ook is niet in geschil dat de vraag of de man
de aannemingsovereenkomst met bouwbedrijf [bedrijf 4] voor de bouw van de woning aan de [adres 1] bevoegd heeft gesloten, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in boek 3, titel 7, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
De aannemingsovereenkomst valt onder artikel 3:170 lid 3 BW
In artikel 3:170 BW is geregeld wie van de deelgenoten handelingen mag verrichten met betrekking tot gemeenschappelijke goederen. De aannemingsovereenkomst ziet op de bouw van de woning van nummer 33. Het aangaan van die overeenkomst is naar het oordeel van de rechtbank een handeling als bedoeld in artikel 3:170 lid 3 BW. Het laten bouwen van een woning is geen beheershandeling als bedoeld in lid 2 en evenmin een handeling die dient tot gewoon onderhoud of behoud van de woning als bedoeld in lid 1. Op grond van artikel 3:170 lid 3 BW zijn de deelgenoten daarom uitsluitend gezamenlijk bevoegd tot het aangaan van deze overeenkomst.
De vrouw heeft met het aangaan van de aannemingsovereenkomst ingestemd
Dit betekent dat de vrouw met het aangaan van de aannemingsovereenkomst moest instemmen. De aannemingsovereenkomst is niet overgelegd, zodat niet is komen vast dat de vrouw de overeenkomst heeft ondertekend. Dat de ondertekening door de vrouw niet kan worden vastgesteld, betekent echter niet zonder meer dat ook niet kan worden vastgesteld dat zij met het aangaan van de overeenkomst heeft ingestemd. Die instemming kan ook blijken uit haar gedragingen en uit de overige omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan hier sprake. Daarbij is het volgende van belang:
-
partijen hebben gezamenlijk een kavel gekocht met de bedoeling daarop een gezamenlijke woning te bouwen;
-
de inschakeling van een aannemer was een noodzakelijk dan wel een voorzienbaar onderdeel van het gezamenlijke plan om een woning te laten bouwen;
-
de vrouw wist van de bouw en was ook betrokken bij de uitvoering daarvan. Zo heeft zij voorgesteld om op de begane grond een badkamer te realiseren en is de trap op haar initiatief vergroot;
-
de vrouw heeft verklaard dat de man contracten en formaliteiten regelde en dat zij dit aan hem overliet. Dat alleen de man de offerte en mogelijk ook alleen de aannemingsovereenkomst heeft getekend, past bij deze taakverdeling;
-
de vrouw heeft tijdens de bouw geen bezwaar gemaakt tegen de werkzaamheden van de aannemer. Ook heeft zij ter zitting erkend dat zij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de betalingen van eerdere facturen die verband hielden met dezelfde opdracht. Die facturen zijn ook allemaal betaald.
Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de vrouw met het aangaan van de aannemingsovereenkomst heeft ingestemd.
Partijen dragen ieder de helft van de openstaande bouwkosten
Uitgaven die voortvloeien uit bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap verrichte handelingen, komen op grond van artikel 3:172 BW voor rekening van de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen. Partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de woning. Zij moeten daarom in beginsel ieder voor de helft bijdragen in de bouwkosten.
De rechtbank overweegt dat deze uitkomst ook strookt met de redelijkheid en billijkheid, die op grond van artikel 3:166 lid 3 BW jo. artikel 6:2 BW de rechtsverhouding tussen partijen als deelgenoten beheersen. De vrouw deelt namelijk voor de helft in de waarde en de opbrengst van de woning aan de [adres 1] . Het is daarom ook redelijk dat zij voor de helft bijdraagt in de kosten die zijn gemaakt om die woning te realiseren. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een andere verdeling van de resterende bouwkosten rechtvaardigen. Partijen moeten daarom ieder voor de helft bijdragen in de nog openstaande bouwkosten van € 235.000,-. De vordering van de man wordt toegewezen.
Vordering op grond van artikel 49 Mudawwana
De rechtbank beslist dat de vrouw jegens de man aanspraak heeft op een vergoeding ter hoogte van 50% van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op 19 augustus 2024. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het juridisch kader
Artikel 49 Mudawwana 2004 luidt als volgt:
Artikel 49
-Beide echtgenoten behouden de bevoegdheid om over hun vermogen te beschikken, onafhankelijk van die van de ander. Binnen het kader van het beheer van vermogensbestanddelen welke zijn verworven gedurende het huwelijk kunnen beide [echtgenoten] overeenstemming bereiken over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling ervan.
Deze overeenstemming wordt opgenomen in een akte welke onafhankelijk is van de huwelijksovereenkomst.
De twee Adls (rechtbank: notarissen van de burgerlijke stand) stellen de twee partijen bij hun huwelijk in kennis van voormelde bepalingen.
Indien er geen overeenstemming is, wordt gebruik gemaakt van de algemene beginselen van het bewijsrecht, met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin.
Dit wetsartikel staat sinds 2004 in de Mudawwana. Het is ook van toepassing op huwelijken die voor die tijd zijn gesloten. Op grond van dit wetsartikel kan de vrouw in dit geval aanspraak maken op een vergoeding in verband met de waardevermeerdering van het vermogen van de man. Daarvoor moet zij onderbouwen dat zij bepaalde inspanningen heeft verricht of lasten heeft gedragen tijdens het huwelijk, waardoor het vermogen van de man in waarde is toegenomen.
De rechtbank zal bij de beoordeling van deze vordering de lijn in de Nederlandse jurisprudentie volgen. In een rapport van het IJI is in algemene zin uitleg gegeven aan artikel 49 Mudawwana, zoals weergegeven in een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2648). Daaruit volgt dat op grond van de laatste zin van artikel 49 Mudawwana 2004 aanspraak kan bestaan op een vergoeding of schadeloosstelling voor geleverde inspanningen of gedragen lasten. Ook werkzaamheden in de huishouding die hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas kunnen de grondslag vormen voor een aanspraak op vergoeding. Het is aan de rechter om een dergelijke aanspraak te beoordelen in het licht van de concrete omstandigheden van het geval.
De vordering van de vrouw
De vrouw stelt dat zij recht heeft op een vergoeding die verband houdt met de waarde van de ondernemingen van de man, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Zij stelt dat zij tijdens het huwelijk van ruim 30 jaar, waarin sprake was van een traditionele taakverdeling, vrijwel alleen de kinderen heeft opgevoed en voor het huishouden heeft gezorgd. Zij heeft daartoe verklaringen van de zoons van partijen overgelegd waaruit blijkt dat zij verantwoordelijk was voor alle huishoudelijke taken en dat de man een beperkte rol had in de opvoeding. Ook stelt de vrouw dat zij werkzaamheden in beide ondernemingen heeft verricht, zoals schoonmaakwerk en vertaalwerkzaamheden.
De man voert gemotiveerd verweer tegen de vordering van de vrouw. De rechtbank zal de inhoud van zijn verweer – voor zover nodig voor de beoordeling – hierna vermelden.
De vrouw droeg grotendeels de zorg voor het gezin en het huishouden
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met haar eigen verklaring en die van de zonen van partijen voldoende onderbouwd dat het grootste deel van de dagelijkse zorg voor de kinderen en het huishouden tijdens het huwelijk op haar neerkwam. De vrouw heeft na het volgen van een HBO opleiding slechts kortdurend als parttime docent gewerkt, terwijl de man fulltime bij de politie werkte. De man heeft aangevoerd dat ook hij veel in het huishouden en de zorg voor de kinderen deed. Hij was onder meer betrokken bij het voetbal van de kinderen. Dat de man ook enige zorgtaken op zich nam, doet echter niet af aan het beeld dat uit de verklaringen naar voren komt dat de dagelijkse zorg voor de kinderen en het huishouden in overwegende mate door de vrouw werd gedragen. Deze taakverdeling gaf de man ruimte om zich naast zijn fulltime werkzaamheden bij de politie ook op zijn ondernemingen te richten. De enkele stelling van de man dat de zonen de kant van de vrouw hebben gekozen, geeft de rechtbank geen aanleiding om hun verklaringen terzijde te schuiven.
De door de vrouw verrichte werkzaamheden voor [bedrijf 1]
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht. De man betwist echter de omvang van de werkzaamheden. Volgens hem heeft de vrouw slechts incidenteel en in beperkte mate werkzaamheden voor [bedrijf 1] verricht. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de door de vrouw overgelegde stukken waaruit de werkzaamheden blijken, zijn gemanipuleerd.
De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog dat de werkzaamheden slechts incidenteel en beperkt waren. De vrouw heeft declaraties overgelegd van haar tolkwerkzaamheden voor [bedrijf 1] , waaruit blijkt dat zij in de periode 2016–2021 regelmatig als tolk voor de politie heeft gewerkt. Ook zijn er e-mails van de man overgelegd waarin hij verzoekt om declaraties op te maken van tolkwerkzaamheden die onder meer door de vrouw zijn verricht. Daarnaast heeft de vrouw verklaringen overgelegd van medewerkers van de politie waaruit blijkt dat zowel de man als de vrouw werkzaam waren voor tolk- en vertaalbureau [bedrijf 1] . Zo staat in een e-mail van A. Dekkers van de politie van 2 oktober 2020 aan tolk- en vertaalbureau [bedrijf 1] de vraag of “jullie” tijd hebben om een gesprek uit te werken. In samenhang met de overige stukken begrijpt de rechtbank onder “jullie” de man en de vrouw. Ook de naam [bedrijf 1] ondersteunt dat beeld. De vrouw heeft meerdere verklaringen van oud-medewerkers overgelegd waarin zij bevestigen dat [bedrijf 1] staat voor de voornamen van partijen: Abdelhafid en Hakima. De man stelt dat deze twee letters allebei staan voor zijn voornaam, maar dat vindt de rechtbank, gelet op de verklaringen van de oud-medewerkers en de overige stukken, niet aannemelijk.
Uit de hiervoor genoemde stukken volgt dat de werkzaamheden van de vrouw voor [bedrijf 1] niet slechts incidenteel of van geringe omvang waren, maar dat zij gedurende langere tijd daadwerkelijk aan de activiteiten van [bedrijf 1] heeft bijgedragen.
Het verweer van de man dat de door de vrouw overgelegde stukken zijn gemanipuleerd, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft onvoldoende concreet gemaakt welke stukken volgens hem zijn gemanipuleerd en waaruit die manipulatie zou bestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze stukken te twijfelen.
De vrouw heeft ook bijgedragen aan de vermogensopbouw binnen [bedrijf 2]
Uit de stukken blijkt dat het geld dat partijen met [bedrijf 1] verdienden door de man is geïnvesteerd in vastgoed en is aangewend voor de vermogensopbouw binnen [bedrijf 2] . Daarmee hebben ook de hiervoor vastgestelde werkzaamheden van de vrouw voor [bedrijf 1] bijgedragen aan de middelen waarmee binnen [bedrijf 2] vermogen is opgebouwd.
Daarnaast heeft de vrouw zelf werkzaamheden voor [bedrijf 2] verricht. De man heeft dit betwist, maar de vrouw heeft haar stelling naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Zij heeft stukken en verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat zij werkzaamheden verrichtte in verband met de verhuur van het vastgoed van [bedrijf 2] via Airbnb, waaronder het regelen van schoonmakers. Ook had zij contact met een aannemer in verband met werkzaamheden aan het vastgoed. Tegenover deze concrete onderbouwing heeft de man zijn betwisting onvoldoende geconcretiseerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vrouw deze werkzaamheden voor [bedrijf 2] heeft verricht.
Ook overigens ondersteunen de stukken het beeld dat [bedrijf 2] door partijen samen is opgebouwd. Daarbij is van belang dat de naam “ [bedrijf 2] ” volgens de vrouw is samengesteld uit de voorletters van partijen en hun kinderen. Daar komt bij dat de man zelf aan zijn zoon heeft geappt: “ [bedrijf 2] is door je moeder en ik opgebouwd”. Deze uitlating van de man sluit aan bij de overige stukken waaruit de betrokkenheid van de vrouw bij de opbouw van [bedrijf 2] blijkt.
De man heeft betwist dat de werkzaamheden en inspanningen van de vrouw aan de vermogensontwikkeling binnen [bedrijf 2] hebben bijgedragen. Hij heeft daarbij aangevoerd dat ook zijn eigen werkzaamheden daarvoor niet bepalend zijn geweest en dat de vermogensgroei vooral het gevolg is van de gedane investeringen en de ontwikkeling van de vastgoedmarkt. De man heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd. Ook als ervan wordt uitgegaan dat deze omstandigheden aan de vermogensgroei hebben bijgedragen, doet dit echter onvoldoende af aan de hiervoor vastgestelde bijdrage van de vrouw aan de opbouw en ontwikkeling van het vermogen binnen [bedrijf 2] . Door haar bijdrage is mede de vermogensbasis opgebouwd waarmee binnen [bedrijf 2] kon worden geïnvesteerd en waarop de latere waardestijging kon worden gerealiseerd. Dat dit vermogen vervolgens mede door investeringen en ontwikkelingen op de vastgoedmarkt in waarde is gestegen, doet daarom niet af aan het gewicht van haar bijdrage en geeft de rechtbank ook geen aanleiding om de vergoeding op een lager percentage vast te stellen.
De ontvangen betalingen staan niet in verhouding tot de werkzaamheden van de vrouw
De man heeft verder aangevoerd dat de vrouw, voor zover zij werkzaamheden voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft verricht, daarvoor al is betaald en dat met die werkzaamheden daarom geen rekening meer moet worden gehouden. De vrouw heeft weliswaar over de jaren heen enkele incidentele betalingen ontvangen, maar naar het oordeel van de rechtbank vormen deze slechts een zeer beperkte vergoeding voor haar werkzaamheden. Gelet op de aard, duur en omvang van de hiervoor vastgestelde werkzaamheden staan de ontvangen bedragen in geen verhouding tot de werkzaamheden die zij gedurende het huwelijk voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft verricht.
Voor [bedrijf 2] geldt dat meerdere loonstroken en een werkgeversverklaring zijn overgelegd, terwijl uit de stukken blijkt dat de bedragen die volgens de loonstroken aan haar toekwamen niet steeds op haar eigen bankrekening werden gestort. Op de stukken stond een fictief rekeningnummer dan wel het bankrekeningnummer van de man vermeld. Ook de man heeft ter zitting erkend dat de loonstroken fictief waren en alleen zijn opgesteld voor het gebruik door de vrouw van een leaseauto. Ook daaruit kan niet worden afgeleid dat de vrouw voor haar werkzaamheden daadwerkelijk en volledig is betaald. Het verweer van de man dat haar werkzaamheden al door betaling zijn gecompenseerd, wordt daarom verworpen.
Concluderend
Gelet op het voorgaande is het totaalbeeld bij de rechtbank dat de man en de vrouw gedurende hun huwelijk als team hebben gefunctioneerd: de vrouw richtte zich voornamelijk op het gezin en het huishouden en verrichte daarnaast concrete werkzaamheden in de ondernemingen, terwijl de man zich vooral bezighield met de formele en zakelijke kant van de ondernemingen, naast zijn eigen fulltime werkzaamheden bij de politie. De bijdrage van de vrouw was daarmee zowel indirect als rechtstreeks.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben haar inspanningen wezenlijk bijgedragen aan de vermogensontwikkeling binnen [bedrijf 1] én [bedrijf 2] . De vrouw heeft haar aanspraak op de vermogensvorming concreet gekoppeld aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Over ander vermogen van de man heeft zij in dit verband niets gesteld. De rechtbank beperkt de aanspraak van de vrouw daarom tot deze twee ondernemingen. Omdat [bedrijf 2] 100% van de gewone aandelen houdt in [bedrijf 1] , komt de hiervoor bedoelde vermogensontwikkeling van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] tot uitdrukking in de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] . Dit betekent dat de vrouw recht heeft op een vergoeding van de man die wordt bepaald aan de hand van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op de peildatum.
Een vergoeding van 50% is in deze zaak passend
De hoogte van de vergoeding is niet automatisch 50%, omdat artikel 49 Mudawwana geen gemeenschap bij helfte creëert. De omvang van de vergoeding moet worden bepaald aan de hand van de bijdrage van de vrouw en de omstandigheden van het geval.
De rechtbank acht in dit geval een vergoeding van 50% van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] passend. Daarbij is van belang dat sprake is van een langdurig huwelijk waarin de relevante vermogensopbouw heeft plaatsgevonden. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn allebei tijdens het huwelijk opgericht en opgebouwd. De volledige waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] is daarmee tijdens het huwelijk gevormd. Zoals hiervoor is vastgesteld, hebben partijen daarbij als team gefunctioneerd en heeft de vrouw zowel door de taakverdeling binnen het gezin als door haar eigen werkzaamheden voor de ondernemingen aan die vermogensopbouw bijgedragen en is de vrouw hiervoor niet gecompenseerd. Gelet op dit totaalbeeld acht de rechtbank een vergoeding van 50% van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op de peildatum gerechtvaardigd.
De rechtbank betrekt hierbij ook jurisprudentie over artikel 49 Mudawwana. In eerdere uitspraken is een vergoeding van 50% toegekend in zaken waarin de bijdrage van de vrouw bestond uit de zorg voor het huishouden en de kinderen, waarmee zij de man in staat stelde vermogen op te bouwen (vgl. bijv. ECLI:NL:GHSHE:2024:1812). In deze zaak gaat de bijdrage van de vrouw verder: zij heeft naast haar bijdrage aan het gezin ook rechtstreeks werkzaamheden voor de ondernemingen verricht. Dit ondersteunt het oordeel dat een vergoeding van in ieder geval 50% hier passend is. De rechtbank bepaalt de aanspraak van de vrouw daarom op 50% van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op de peildatum.
De vergoeding in de Marokkaanse procedure staat niet aan deze aanspraak in de weg
Dat de vrouw in de Marokkaanse echtscheidingsprocedure in hoger beroep een vergoeding van 300.000 dirham heeft ontvangen, betekent niet, zoals de man aanvoert, dat zij geen recht meer heeft op een vergoeding op grond van artikel 49 Mudawwana. De vergoeding in de echtscheiding is naar het oordeel van de rechtbank een ander rechtsfiguur en heeft betrekking op geleden schade doordat het huwelijk is geëindigd. De rechtbank volgt hierbij de visie van N. Chiheb, de advocaat van de vrouw in de Marokkaanse procedure, zoals vermeld in zijn brief van 18 augustus 2026. Hierin staat dat de vergoeding van 300.000 dirham uitsluitend betrekking heeft op de troostgift (Mout'a) en geen enkel verband houdt met de bepalingen van artikel 49 van de Mudawwana. De aanspraken hebben dus een verschillende grondslag en strekking.
De peildatum is 19 augustus 2024
Tussen partijen is niet in geschil dat 19 augustus 2024 als peildatum moet worden gehanteerd. Dit is de datum waarop de man zijn verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend bij de rechtbank in Marokko.
Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding moet daarom worden vastgesteld wat de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op die datum was. De [bedrijf 3] was toen al opgericht, terwijl de aandelen in [bedrijf 2] volgens de stukken pas op 28 augustus 2024 (en dus na de peildatum) aan de [bedrijf 3] zijn overgedragen.
Het percentage van de aanspraak van de vrouw staat met dit vonnis vast op 50%; het vervolg van de procedure ziet op de bepaling van de waarde waarover dit percentage moet worden berekend.
Het vervolg
Aanvullende financiële stukken zijn nodig
De rechtbank stelt vast dat de man de jaarstukken van [bedrijf 2] over 2022 en 2023 heeft overgelegd. De (recente) onderliggende financiële stukken behorende bij de financiële rapportage van Hofman (productie 23 van de man) ontbreken echter. Ter zitting heeft de man aangegeven dat deze overgelegd kunnen worden. De rechtbank zal de man daartoe opdracht geven.
De vrouw kan haar vordering daarna mogelijk concreet in een bedrag uitdrukken. Gelet op de aard van de ondernemingen, de financiële structuur en de discussie over de waardering overweegt de rechtbank om zelf een deskundige te benoemen. Of dit echt nodig is, kan de rechtbank pas beoordelen nadat de onderliggende financiële stukken zijn overgelegd. Pas hierna kan worden beoordeeld welke waarderingsvragen daadwerkelijk spelen en welke waarderingsmethode daarvoor passend is. Ook omdat een deskundigenonderzoek aanzienlijke kosten met zich brengt, acht de rechtbank het van belang dat eerst de financiële stukken worden overgelegd. De rechtbank zal de man opdragen om binnen 6 weken de in het dictum genoemde stukken over te leggen.
Partijen mogen zich daarna uitlaten over het vervolg
De vrouw krijgt daarna de gelegenheid om aan de hand van de financiële stukken haar vordering zo veel mogelijk te concretiseren, waarop de man kan reageren. Partijen krijgen daarna de gelegenheid zich uit te laten over het door de rechtbank overwogen deskundigenonderzoek, in ieder geval:
o of een deskundige nodig is;
o welke uitgangspunten bij de waardering moeten worden gehanteerd en welke omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen;
o welke waarderingsmethode moet worden gebruikt;
o welke vragen aan de deskundige moeten worden gesteld;
o wie als deskundige moet optreden;
o eventuele opmerkingen over het voorschot en de kosten.
Daarna zal de rechtbank beslissen of een deskundigenonderzoek nodig is en hoe de procedure verder wordt voortgezet. Indien een deskundige nodig blijkt te zijn, zal deze worden benoemd met een daarbij vast te stellen vraagstelling en beslissing over het voorschot. Indien uit de stukken en reacties blijkt dat een deskundige niet nodig is, zal het waarderingsdebat zonder een deskundige worden voortgezet.
Tussentijds hoger beroep wordt toegestaan
De rechtbank ziet aanleiding om tussentijds hoger beroep open te stellen op grond van artikel 337 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het uitgangspunt is om hier terughoudend mee om te gaan, onder andere omdat dit tijd kost en de procedure kan vertragen.
De rechtbank acht tussentijds beroep hier echter aangewezen omdat de rechtbank de principiële en dragende beslissing neemt dat de vrouw op grond van artikel 49 Mudawwana aanspraak heeft op een vergoeding. Verder beslist zij ook over de omvang van deze vergoeding, namelijk 50% van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op 19 augustus 2024. Deze beslissing is bepalend voor het verdere verloop van de procedure.
In het vervolg moet de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op de peildatum worden vastgesteld. Naar verwachting zal daarover een ingewikkelde waarderingsdiscussie volgen en mogelijk is een dure deskundige nodig. Gelet op het belang en de gevolgen van de hiervoor genomen beslissing, vindt de rechtbank dat partijen de kans moeten krijgen deze beslissing in hoger beroep te laten toetsen voordat de waardering plaatsvindt. Het is niet doelmatig eerst tijd en kosten aan die waardering te besteden als in hoger beroep vervolgens anders wordt geoordeeld over de aanspraak van de vrouw, de peildatum of het percentage van 50%. Een ander oordeel op één van deze punten heeft immers rechtstreeks gevolgen voor het verdere verloop van de procedure.
De rechtbank zal daarom tussentijds hoger beroep toestaan, zodat deze beslissingen kunnen worden getoetst voordat verdere kosten voor de waardering worden gemaakt.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de nog openstaande bouwkosten van [bedrijf 4] van in totaal € 235.000,- voor rekening van partijen komen, ieder voor de helft, zodat ieder van partijen € 117.500,- van deze bouwkosten draagt;
bepaalt dat de vrouw jegens de man aanspraak heeft op een vergoeding ter hoogte van 50% van de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf 2] op 19 augustus 2024;
houdt de zaak aan tot de rol van woensdag 18 november 2026 voor akte van de man, inhoudende overlegging van:
-
de aangiften inkomstenbelasting 2022 tot en met 2024 van de man;
-
de administratievoorwaarden van [bedrijf 3] van 10 juni 2024;
-
de toekenning van de certificaten aan de man op 28 augustus 2024;
-
de notariële akte van levering en certificering van de aandelen in [bedrijf 2] op 28 augustus 2024;
-
het aandeelhoudersregister van [bedrijf 2] ;
-
de jaarrekening 2024 van [bedrijf 2] ;
-
een overzicht van de materiële vaste activa per 1 september 2024;
-
een overzicht van de facturatie aan Gemeente Almere ten behoeve van [adres 3] , [adres 3] , [adres 3] , [adres 3] ;
-
een overzicht huursommen vastgoed van [bedrijf 2] ;
-
een taxatierapport [adres 4] , [adres 5] , [postcode] , [postcode] , [woonplaats] en [adres 6] , [postcode] , [woonplaats] d.d. 27 november 2025, ondertekend door [A] en [B] ;
-
een taxatierapport [adres 7] , [postcode] [woonplaats] d.d. 27 november 2025, ondertekend door [A] en [B] ;
-
een taxatierapport [adres 8] , [postcode] [plaats] d.d. 13 januari 2026, ondertekend door [B] en [A] ;
-
de jaarrekeningen 2022 tot en met 2024 van [bedrijf 1] ;
houdt de zaak aan tot de rol van woensdag 16 december 2026 voor antwoordakte van de vrouw, zoals vermeld onder 4.40, en tot woensdag 13 januari 2027 voor antwoordakte van de man, zoals vermeld onder 4.40, waarna partijen de gelegenheid zullen krijgen zich uit te laten over deskundigenonderzoek, zoals ook vermeld in 4.39;
bepaalt dat van dit vonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld;
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Artikel 5 lid 1 HuwvermVo jo. artikel 3 sub a onder i Brussel II-ter.
Hoge Raad, 10 december 1976, NJ 1977, 275
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
