Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding over draagmoederschap waarin moeder na geboorte terugkomt op draagmoederovereenkomst. [minderjarige] is erkend door vader 2; alleen moeder heeft gezag. Kernvraag: voorlopige verblijfplaats en zorgregeling. De rechter weegt intenties en belang van het kind en beslist dat [minderjarige] voorlopig bij de vaders verblijft en ingeschreven blijft, in afwachting van bodemprocedure over gezag en adoptie. Voor moeder geldt een wekelijkse zorgregeling (zo 15:00–ma 20:00). Verzoeken moeder tot afgifte en verbodshandelingen worden afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 05-11-2026 |
| Zaaknummer | C/16/617676 / KL ZA 26-249 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Almere |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
draagmoederovereenkomst, moeder met spijt, voorlopige verblijfplaats kind, vader zonder gezagVolledige uitspraak
Familierecht
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: C/16/617676 / KL ZA 26-249
Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026
in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.E. Koopmans,
tegen
1 [vader 1] ,
en
2. [vader 2],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: de vaders.
1De procedure
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie.
Op 22 september 2026 heeft de mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-
de moeder en haar advocaat;
-
de vaders en hun advocaat;
-
mevrouw [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Partijen hebben hun standpunten toegelicht tijdens de zitting. Daarnaast hebben zij de vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Van de zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2De feiten
De vaders en de moeder hebben op [datum 1] 2020 een draagmoederovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten waarin zij afspraken hebben gemaakt over het tot stand komen van een zwangerschap van de moeder als draagmoeder en over het verkrijgen van juridisch ouderschap, het gezag over het toekomstige kind door de vaders en de relatie met de moeder. Deze overeenkomst is geüpdatet op [datum 2] 2026, waarbij nadere afspraken zijn gemaakt over het toekomstige kind.
Op [geboortedatum] 2026 is in [plaats 2] [minderjarige] geboren uit de moeder. [vader 2] is de biologische vader en heeft [minderjarige] erkend. Alleen de moeder is belast met het gezag.
Sinds zijn geboorte woont [minderjarige] bij de vaders. Daar staat [minderjarige] ook ingeschreven.
3Het geschil
in conventie en in reconventie
De moeder vordert:
Primair
I. vaders te bevelen de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026, onmiddellijk aan de moeder af te geven en aan de moeder toe te vertrouwen;
II. te bepalen dat de minderjarige [minderjarige] gedurende de looptijd van de bodemprocedure zijn hoofdverblijf bij de moeder zal hebben;
III. vaders te verbieden handelingen te verrichten die ertoe strekken dat zij als juridische ouder(s), gezaghebbende(n) of verzorgende(n) van de minderjarige worden geregistreerd, zolang daarover in de bodemprocedure geen beslissing is genomen;
IV. vaders te bevelen alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar de moeder;
V. de moeder te machtigen om met behulp van de sterke arm de tenuitvoerlegging van het bepaalde in dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vaders in gebreke blijven hieraan te voldoen,
Subsidiair
I. indien de voorzieningenrechter onmiddellijke afgifte van de minderjarige niet verantwoord acht, een voorlopige zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de moeder de minderjarige met onmiddellijke ingang substantieel bij zich heeft, waarbij de regeling zo nodig gefaseerd wordt uitgebreid;
II. te bepalen dat deze regeling wordt uitgevoerd onder begeleiding van een daartoe geschikte professionele instantie indien de voorzieningenrechter dat noodzakelijk acht;
III. een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten, voor zover de voorzieningenrechter dat noodzakelijk acht;
Meer subsidiair
Iedere andere voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in het belang van de minderjarige en ter bescherming van de juridische positie van de moeder noodzakelijk acht;
Proceskosten
De vaders te veroordelen in de proceskosten.
De vaders voeren verweer. De vaders concluderen tot afwijzing van het primair gevorderde en zij vorderen:
I. het subsidiair en meer subsidiair gevorderde in zoverre toe te wijzen dat een voorlopige, begeleide contactregeling van het kind met de moeder wordt vastgesteld op nader door de vaders aan te geven wijze, althans in goede justitie bepaald, en af te wijzen het verzoek om een raadsonderzoek om dat dit reeds volgt, alsmede af te wijzen het verzoek om de vaders in de proceskosten te veroordelen;
reconventionele vordering
I. voor recht te verklaren, althans te bepalen dat [minderjarige] bij de vaders verblijft en ingeschreven dient te blijven staan totdat in de bodemprocedure over gezag en adoptie ten gronde is beslist;
II. een voorlopige begeleide, contactregeling van het kind met de moeder wordt vastgesteld op nader door de vaders aan te geven wijze, althans in goede justitie bepaald;
in verweer en reconventie
de proceskosten te compenseren, althans partijen ieder te veroordelen in de eigen kosten van deze procedure, waaronder het betaalde griffierecht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
Uitgangspunten
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening of maatregel. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Dat wil zeggen dat zij nu een beslissing van de voorzieningenrechter nodig hebben en de uitkomst van een bodemprocedure niet kunnen afwachten. Daarnaast geldt in beginsel dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of het in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen in een bodemprocedure zal toewijzen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang zowel in conventie als in reconventie
Er is een spoedeisend belang. De moeder staat niet meer achter de afspraken die zij heeft gemaakt in de overeenkomst en partijen verschillen van mening over waar [minderjarige] voorlopig moet blijven. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de vorderingen inhoudelijk kan beoordelen en daarop kan beslissen.
Bij wie verblijft [minderjarige] voorlopig? (vordering I, II, IV en V in conventie en vordering I in reconventie)
4.3 De voorzieningenrechter beslist dat [minderjarige] voorlopig bij de vaders blijft en op hun adres ingeschreven blijft staan totdat in de bodemprocedure over het gezag en de adoptie is beslist. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de vorderingen hierover van de moeder afwijst en een deel van de vordering van de vaders toewijst. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Verloop en standpunten partijen
4.4 De moeder en de vaders hebben met elkaar een overeenkomst gesloten. In de overeenkomst is afgesproken dat [minderjarige] bij de vaders zal wonen en door hen zal worden opgevoed.
1 De moeder zal als moeder op afstand betrokken blijven in het leven van [minderjarige] .
2 Zij heeft al twee kinderen en bij het sluiten van de overeenkomst heeft zij verklaard dat zij zelf geen kinderen meer wil opvoeden, haar kinderwens is vervuld.
3 Deze afspraken zijn herhaald en bevestigd in het addendum dat ondertekend is op [datum 2] 2026. Daarbij zijn ook concrete intenties opgenomen over contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] .
De moeder heeft sinds de geboorte van [minderjarige] spijt van de door haar gesloten overeenkomst. Voor de vaders is dit een onverwachte wending. Zij willen onveranderd [minderjarige] verzorgen en opvoeden als hun zoon. In de overeenkomst is opgenomen dat partijen bij problemen een therapeut inschakelen om te zoeken naar een oplossing voor te ontstane geschillen. Dit is ook gebeurd, maar het is niet gelukt om met behulp van de therapeut nadere afspraken te maken. Er zijn wel afspraken gemaakt over het contact tussen [minderjarige] en de moeder in september. De moeder heeft naast de therapie bij de gezamenlijke therapeut ook een eigen therapeut ingeschakeld die haar ondersteunt.
De moeder stelt dat zij de genetische, biologische en juridische moeder is van [minderjarige] . Doordat de vaders [minderjarige] niet willen afgeven, onttrekken zij hem aan haar ouderlijke macht. Zij heeft de vaders inmiddels nadrukkelijk laten weten dat zij niet langer instemt met de overdracht van [minderjarige] aan hen. Na de geboorte van [minderjarige] is de moeder ongeveer drie weken bij de vaders gebleven. Zij heeft toen bemerkt dat zij zelf voor [minderjarige] wil zorgen en hem zelf wil groot brengen. Zij heeft zich na [minderjarige] geboorte gerealiseerd dat zij zich niet meer kan vinden in de overeenkomst. De moeder heeft de woning van de vaders inmiddels verlaten. Eerst is zij naar vrienden in [plaats 3] gegaan zodat zij dichterbij [minderjarige] was dan als ze naar huis zou zijn gegaan. Zij heeft [minderjarige] in de tussentijd een aantal keren gezien (onder andere in [plaats 3] ) en [minderjarige] heeft ook een nacht bij haar geslapen, maar dit is zo voor haar niet vol te houden. De overeenkomst blijkt niet meer uitvoerbaar voor de moeder en zij kan daaraan niet langer gehouden worden. Zij heeft haar instemming voor de overdracht van [minderjarige] daarom ingetrokken en het is niet in het belang van de [minderjarige] dat hij zonder definitieve rechterlijke beslissing wordt gescheiden van zijn juridische en biologische moeder. Dit aldus de moeder.
De vaders voeren aan dat [vader 2] (nog) niet is belast met het gezag over [minderjarige] omdat dat in de weg zou staan aan de procedure over het verkrijgen van het gezag door [vader 2] en [vader 1] en de adoptie van [minderjarige] door [vader 1] . Dit is ook met zoveel woorden opgenomen in de overeenkomst. In de overeenkomst is het gezagsrecht volgens de vaders wel materieel aan hen overgedragen. Zij willen dat de situatie blijft zoals die was bedoeld en zoals die nu is, dus dat [minderjarige] bij hen is. Zij stemmen in met een contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] zolang er nog geen beslissing is genomen in de bodemprocedure. Zij willen dat het contact begeleid plaatsvindt, omdat zij bang zijn dat de moeder [minderjarige] niet terug zal brengen.
Oordeel voorzieningenrechter
4.8 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. [minderjarige] heeft twee biologische en juridische ouders: de moeder en [vader 2] . Een verschil tussen deze ouders is dat de moeder belast is met het gezag. Volgens de wet volgt een kind de woonplaats van de gezaghebbende ouder.
4 Dat betekent dat [minderjarige] zijn woonplaats zou hebben bij de moeder. Maar in dit geval hebben partijen voor de geboorte van [minderjarige] andere afspraken gemaakt en heeft de moeder toen ingestemd met de afspraak dat [minderjarige] bij de vaders woont en zal opgroeien. Uit de overeenkomst volgt verder dat in eerste instantie alleen de moeder belast zal worden met het gezag, zodat de vaders daarna samen het gezag over [minderjarige] kunnen verkrijgen en [vader 1] [minderjarige] kan adopteren. Dit is zo gedaan omdat alleen een ouder die nooit eerder medegezag had met de moeder eenhoofdig gezag kan vragen.
5 Dat de moeder geen gezag meer heeft, is (ook) een voorwaarde voor [vader 1] om [minderjarige] te kunnen adopteren. Dit was de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst en de vaders hebben, zoals overeengekomen, verzoeken hiertoe ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Het is dus een bewuste keuze dat [vader 2] (nog) niet met het gezag is belast en dit is juist gedaan met de intentie om hem samen met [vader 1] met het gezag te kunnen belasten en de adoptie van [minderjarige] door [vader 1] mogelijk te maken. In Nederland ontbreekt wetgeving op het gebied van draagmoederschap. De overeenkomst tussen partijen is op het punt van de ‘gezagsoverdracht’ niet zonder meer afdwingbaar, omdat een beslissing daarover niet ter vrije bepaling van partijen staat. Dat is anders voor afspraken over een hoofdverblijfplaats of over omgang tussen een ouder en een kind. Bij het nemen van een beslissing over de verblijfplaats van [minderjarige] zal de voorzieningenrechter dan ook niet alleen kijken naar welke ouder op dit moment met het gezag is belast, maar ook de intenties van partijen en alle verdere omstandigheden die van belang zijn voor [minderjarige] meewegen. Bij elke beslissing moet immers het belang van het kind een eerste overweging zijn.
6
De voorzieningenrechter is het met de Raad eens dat het nu niet in het belang van [minderjarige] is om zijn verblijfplaats te wijzigen naar die van de moeder. Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] bij de vaders. De moeder heeft dat ook bevestigd tijdens de zitting. Dat is in dit geval dus geen reden om de woonplek van [minderjarige] te wijzigen. Dat de moeder de afspraken in de overeenkomst niet meer wil nakomen, is dat op dit moment ook niet. De voorzieningenrechter zou door het wijzigen van de verblijfplaats van [minderjarige] vooruitlopen op een beslissing in de bodemprocedure en zij acht het vooralsnog niet in hoge mate aannemelijk dat in die procedure de verblijfplaats van [minderjarige] zal worden gewijzigd. [minderjarige] heeft namelijk op dit moment twee biologische en juridische ouders (de moeder en [vader 2] ) die allebei voor hem willen en kunnen zorgen en die allebei recht op contact met hem hebben.
7 Verder is tussen [vader 1] en [minderjarige] sprake van (intended) family life omdat [minderjarige] sinds zijn geboorte bij en door hem en [vader 2] is verzorgd. De moeder wil niet dat [minderjarige] wordt gescheiden van zijn juridische en biologische moeder, maar verblijf bij haar zou leiden tot een scheiding van zijn juridische en biologische vader ( [vader 2] ) en van [vader 1] met wie [minderjarige] sinds zijn geboorte samen met [vader 2] een gezin vormt. In de overeenkomst is afgesproken dat [minderjarige] bij de vaders woont en dat is ook de plek waar hij tot nu toe steeds is geweest. Of de moeder kan terugkomen op deze afspraak is een beslissing die genomen moet worden in een bodemprocedure. Daar leent deze kortgedingprocedure zich niet voor.
De verhouding tussen partijen is ernstig onder druk komen te staan, doordat de moeder is teruggekomen op de eerder gemaakte afspraken. Het onderling vertrouwen is daardoor beschadigd. Het is belangrijk dat er rust komt in de situatie tussen de vaders en de moeder en dat er voor nu duidelijkheid is over bij wie [minderjarige] voorlopig woont. Daarover zal de voorzieningenrechter een beslissing nemen en deze beslissing is dat [minderjarige] blijft waar hij is, dus bij de vaders, totdat in de bodemprocedure een andere beslissing is genomen.
De vordering van de moeder onder III wijst de voorzieningenrechter af, omdat deze vordering onvoldoende concreet is en het ook onduidelijk is waarom het nu noodzakelijk is om te bepalen dat de vaders geen handelingen mogen verrichten als ouders.
De vorderingen onder IV en V van de moeder worden afgewezen, omdat beslist wordt dat [minderjarige] voorlopig bij de vaders blijft.
Voorlopige zorg- en contact regeling tussen [minderjarige] en de moeder (vordering I en II subsidiair en vordering I meer subsidiair van de moeder en vordering II in reconventie)
4.13 De voorzieningenrechter beslist dat er tussen [minderjarige] en de moeder een voorlopige zorgregeling zal gelden die inhoudt dat [minderjarige] elke week bij de moeder verblijft van zondag 15.00 uur tot maandag 20.00 uur. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
[minderjarige] woont vanaf zijn geboorte bij de vaders en hij is aan hen gehecht. De moeder heeft vanaf de geboorte ook een rol gespeeld in zijn leven en [minderjarige] is daardoor ook aan haar gehecht. Wat de uitkomst van de bodemprocedure zal zijn, is in deze procedure niet te voorspellen. De vaders hebben geen bezwaar tegen een voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] . Zij hebben voorgesteld dat [minderjarige] een keer in de veertien dagen naar de moeder zal gaan. De moeder vindt dat te weinig, maar heeft niet verteld welke zorgregeling zij passend vindt.
De Raad heeft geadviseerd om een zorgregeling vast te stellen waarbij er vaker, maar korter contact is zodat [minderjarige] zich kan hechten aan de moeder. Er is geen concreet advies gegeven over de invulling en frequentie van het contact.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een wekelijks contact tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment het meest in zijn belang is. Volgens de vaders is het niet nodig dat [minderjarige] zich hecht aan de moeder, omdat de vaders met de adoptie samen de ouders van [minderjarige] zullen worden. Zij vinden het wel belangrijk dat [minderjarige] voor zijn identiteitsontwikkeling contact heeft met de moeder en zo is het ook geregeld in de overeenkomst. Wat ook het doel is van het contact, in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij met regelmaat bij zijn moeder kan zijn en haar blijft zien. Vaker en frequenter contact tussen [minderjarige] en de moeder dan eenmaal per week is niet goed te realiseren doordat partijen ver uit elkaar wonen. De moeder woont in [plaats 1] en de vaders in [plaats 2] . Zij hebben eerder een schema opgesteld voor [minderjarige] voor september waarbij [minderjarige] in ieder geval een keer per week een nacht bij de moeder verbleef. De voorzieningenrechter sluit voor de voorlopige zorgregeling aan bij dit schema en beslist dat [minderjarige] elke zondag van 15.00 uur tot maandag 20.00 uur bij de moeder zal verblijven.
De voorzieningenrechter ziet geen redenen om de omgang begeleid te laten plaatsvinden. Begeleid contact via hulpverlening is een traject dat lang op zich laat wachten en is in dit geval ook niet nodig. Er zijn geen concrete zorgen naar voren gekomen over de vaardigheden van de moeder om [minderjarige] te verzorgen. Ook zijn er nu geen redenen om aan te nemen dat de moeder [minderjarige] niet zal terugbrengen naar de vaders. In de afgelopen periode heeft de moeder de gemaakte afspraken daarover ook gerespecteerd. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat beide partijen de beslissing zullen respecteren en naleven zolang er in de bodemprocedure geen andere beslissing is genomen.
Het meer of anders gevorderde over de zorgregeling wordt door de voorzieningenrechter afgewezen.
Raadsonderzoek (vordering III subsidiair van de moeder)
4.19 De vordering van de moeder om een Raadsonderzoek te gelasten wordt afgewezen. Een kortgedingprocedure leent zich niet voor een dergelijk onderzoek, omdat het een voorlopige beslissing betreft waarbij er geen ruimte is voor bewijslevering of nader onderzoek.
Uitvoerbaar bij voorraad
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep is ingesteld. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat het – gelet op alle betrokken belangen – belangrijk is dat er duidelijkheid is over de verblijfplaats van [minderjarige] en dat de zorgregeling met de moeder zo spoedig mogelijk wordt hervat. Het instellen van hoger beroep mag deze zorgregeling niet doorkruisen.
Proceskosten
In familiezaken is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren vanwege de relatie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Iedere partij moet daarom de eigen kosten dragen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
beslist dat [minderjarige] bij de vaders verblijft en ingeschreven moet blijven staan totdat in de bodemprocedure over het gezag en de adoptie is beslist;
beslist dat er tussen [minderjarige] en de moeder een voorlopige zorgregeling geldt die inhoudt dat [minderjarige] elke week bij de moeder verblijft van zondag 15.00 uur tot maandag 20.00 uur;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Janssen – Witteveen (voorzieningenrechter) in samenwerking met mr. M. van Meurs (griffier). De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026 door mr. L.P. de Haas (voorzieningenrechter) |
||
Productie 3 bij de dagvaarding, artikel 1 lid 2
Productie 3 bij de dagvaarding, artikel 3 lid 7 en artikel 5
Productie 3 bij de dagvaarding, pagina 1 onder b
Artikel 1:12 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
Artikel 1:253c BW
Artikel 3 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind
Artikel 1:377a BW
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
