Essentie (gemaakt door AI)
Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap, waarin erfgenamen van ex‑echtgenoten een gelijk aandeel hebben art. 1:100 BW. Woning, gekocht tijdens huwelijk, valt in de gemeenschap. Peildatum voor waardering op grond van redelijkheid en billijkheid verlegd naar 1 januari 1985; waarde vastgesteld op € 21.740. Regresvordering voor hypotheek(en) en kosten verjaard; geen verrekening. Woning wordt aan erfgenamen van erflaatster (eiser en broer) toegedeeld tegen betaling van € 10.870 aan langstlevende echtgenoot van erflater.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 04-11-2026 |
| Zaaknummer | C/13/777061 / HA ZA 25-1590 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Verdeling; Familievermogensrecht; Verdeling; Woning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap, waarin de (erfgenamen van) de ex-echtgenoten een gelijk aandeel hebben (art. 1:100 BW) . Peildatum voor waardering van de woning op grond van de redelijkheid en billijkheid verlegd. Regresvordering verjaard.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777061 / HA ZA 25-1590
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.M. de Vries,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
niet verschenen,
2. de stichting STICHTING MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING FLEVOLAND, in haar hoedanigheid als bewindvoerder over het vermogen van [gedaagde 2] , hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S. Flantua,
3. [bewindvoerder], maat van [bedrijf] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [gedaagde 3] , hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
wonende te [woonplaats 4] ,
advocaat: mr. M.G. Blokziel,
4. [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats 2] ,
niet verschenen,
5. [gedaagde 5],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
niet verschenen,
6. [gedaagde 6],
wonende te [woonplaats 3] (Duitsland),
niet verschenen,
7. [gedaagde 7], voor zichzelf als in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,
wonende te [woonplaats 3] (Duitsland)
niet verschenen,
8. [gedaagde 8],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
niet verschenen,
allen gedaagde partijen in conventie,
gedaagden onder 2. en 3. zijn tevens eisende partijen in reconventie.
1. Dit vonnis in het kort
Deze zaak gaat om het verdelen van een gemeenschappelijke woning, die tijdens huwelijk van [erflaatster] , erflaatster (overleden op 8 november 1993), met [erflater] (overleden op 30 december 2020), door [erflaatster] is gekocht. Tezamen hebben zij geen kinderen. Het huwelijk is op 19 januari 1984 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis. De huwelijkse boedel is nooit verdeeld. [erflaatster] heeft twee vóórkinderen, waaronder [eiser] , en [erflater] heeft 9 kinderen uit een samenleving, waaronder [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , en uit een later huwelijk met [gedaagde 7] . Alleen de hier genoemde kinderen zijn verschenen in deze procedure, tegen de overigen is verstek verleend.
In dit vonnis wordt beslist dat:
-
[eiser] bevoegd is om namens de nalatenschap een vordering in te stellen
-
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn erfgenamen van [erflater]
-
[erflaatster] en [erflater] een gelijk aandeel hebben in de ontbonden huwelijksgemeenschap en de woning valt in de huwelijkse boedel
-
De peildatum voor de waarde van de woning wordt naar redelijkheid en billijkheid gesteld op 1 januari 1985
-
De vordering op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en de overige erfgenamen van [erflater] tot betaling van de helft van de hypotheekrente wordt afgewezen omdat die is verjaard
-
Door die verjaring van de regresvordering en het ontstaan van het vorderingsrecht voor de helft van de waarde van de woning per heden heeft [eiser] ook geen mogelijkheid van verrekening van de kosten van de woning
-
Aan [gedaagde 7] als langstlevende dient de helft van de waarde op de waardepeildatum te worden uitgekeerd. Aan haarzelf komt uit hoofde van de gemeenschap van goederen de helft van die waarde toe. Voor de andere helft hebben de erfgenamen ( [gedaagde 7] en alle kinderen van [erflater] voor een gelijk deel) dus ieder voor 1/10e een vordering op [gedaagde 7]
-
dient gelijktijdig mee te werken aan de (notariële) levering van het aandeel van [erflater] in de gemeenschappelijke woning; de nalatenschap van [erflaatster] dient de kosten daarvoor te dragen.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 13 juni 2025,
- de dagvaarding van [eiser] van 3 juli 2025, onder intrekking van de eerder uitgebrachte dagvaardingen,
- het herstelexploot van 11 juli 2025 ten aanzien van [gedaagde 6] ,
- de akte overlegging producties van 15 oktober 2025 van [eiser] , met producties 1-15,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde 3] van 4 maart 2026,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde 2] van 11 maart 2026, met productie 1,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens voorwaardelijke vermeerdering van eis van [eiser] van 22 april 2026, met producties 16-21,
- de antwoordakte van [gedaagde 2] van 29 april 2026,
- de antwoordakte van [gedaagde 3] van 29 april 2026,
- het tussenvonnis van 1 juli 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 september 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
Op 8 november 1993 is [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren op [geboortedatum 1] 1938, overleden te [plaats 1] (Filipijnen). Haar laatste woonadres was aan de [adres 1] . Ze had de Nederlandse nationaliteit. Zij was de moeder van [gedaagde 8] (tevens gedaagde sub 8, hierna te noemen: [gedaagde 8] , geboren in [geboortedatum 2] 1971 te [geboorteplaats 1] (Filipijnen)) en [eiser] (geboren op [geboortedatum 3] 1969 te [geboorteplaats 1] (Filipijnen)).
Op 8 november 1976 is erflaatster in gemeenschap van goederen getrouwd met [erflater] (hierna: [erflater] ), geboren op [geboortedatum 4] 1950 en overleden op 30 december 2020 te Spanje.
Op 18 januari 1980 kocht erflaatster een appartement gelegen aan de [adres 1] (hierna: de woning), voor een bedrag van fl. 48.500,00. De leveringsakte vermeldt dat erflaatster destijds haar woonplaats had in [plaats 4] en [erflater] in [plaats 5] .
Om de woning te financieren werden twee hypothecaire leningen afgesloten ter hoogte van f 9.000,00 en f 38.000,00, met een rente van 7,7%. De hypotheken stonden alleen op naam van erflaatster. In de hypotheekakte wordt, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
“(…)
De comparante verklaarde, (…)
dat genoemde heer [erflater] ten tijde van het huwelijk woonde te [plaats 2] aan de [adres 2] ;
dat de comparante de toenmalige gezinswoning heeft verlaten op drie december negentienhonderd achtenzeventig en sindsdien de samenwoning niet is hersteld;
dat daarna de man de gezinswoning heeft opgegeven en is verhuisd naar zijn huidige adres te [adres 3] .
(…)”
De rechtbank Amsterdam heeft op 15 juni 1983 de echtscheiding tussen erflaatster en [erflater] uitgesproken. In de echtscheidingsbeschikking staat [plaats 3] (België) vermeld als de woonplaats van [erflater] . Op 19 januari 1984 is de echtscheiding vervolgens ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand in [plaats 2] . De huwelijksgemeenschap van erflaatster en [erflater] is tot op heden niet verdeeld.
Tijdens het huwelijk met erflaatster heeft [erflater] een buitenechtelijke relatie gehad met [naam] , met wie hij vier kinderen heeft gekregen: [gedaagde 1] (geboren op [geboortedatum 5] 1982), [gedaagde 2] (geboren [geboortedatum 6] 1985), [gedaagde 3] (geboren op [geboortedatum 7] 1994) en [gedaagde 4] (geboren [geboortedatum 8] 1998) (gedaagden sub 1 t/m 4).
Vanaf 20 november 1986 woonden erflaatster en [eiser] samen in de woning.
In 1987 is ook [gedaagde 8] uit de Filipijnen overgekomen en in 1988 is [gedaagde 8] vertrokken uit Nederland. [eiser] heeft sindsdien niets meer van hem vernomen.
Erflaatster is op 8 november 1993 overleden. [eiser] en [gedaagde 8] zijn haar enige erfgenamen. Erflaatster heeft geen testament opgemaakt. In de verklaring van erfrecht is verder, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“(…)
Blijkens en onder berusting van ondergetekende notaris zijnde en blijvende onderhandse akte heeft erflaatsters zoon last en volmacht gegeven aan zijn sub a. genoemde zuster om hem te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de onderhavige nalatenschap.
Mevrouw [eiser] voornoemd is derhalve bevoegd alle tot erflaatsters nalatenschap behorende goederen op te vorderen, in ontvangst te nemen en voor de ontvangst rechtsgeldig kwijting te verlenen.
(…)”
Uit het Uittreksel van Kadastrale Registratie van 9 juni 1994, blijkt – voor zover hier relevant – het volgende:
“(…)
1/1 EIGENDOM
(…)
gerechtigde:
[erflaatster]
(…)
objekt:
(…)
Adres: [adres 1]
(…)”
In augustus 2000 heeft [eiser] de nog op de woning rustende hypotheek geheel afgelost.
Op 24 juni 2004 is [erflater] in gemeenschap van goederen getrouwd met [gedaagde 7] (hierna: [gedaagde 7] , geboren op [geboortedatum 9] 1979), te [geboorteplaats 2] . Uit dat huwelijk zijn vijf kinderen geboren: [gedaagde 5] (geboren [geboortedatum 10] 2004), [gedaagde 6] (geboren op [geboortedatum 11] 2006) , [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum 12] 2007), [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum 13] 2011) en [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 14] 2013) (gedaagden sub 5 t/m 7).
Op 30 december 2020 is [erflater] in Spanje overleden. [erflater] heeft geen testament opgemaakt.
[eiser] heeft in 2025 navraag gedaan naar de verschillende verblijfplaatsen van [erflater] . Op 8 april 2025 heeft de gemeente [plaats 3] haar laten weten dat [erflater] volgens het bevolkingsregister nooit in [plaats 3] heeft gewoond. Op 16 april 2025 heeft de gemeente [plaats 2] aan [eiser] laten weten dat [erflater] volgens haar gegevens op 5 november 1976 is vertrokken naar [plaats 5] . De gemeente [gemeente] heeft op haar beurt op 20 maart 2025 laten weten dat bij haar geen gegevens van [erflater] bekend zijn.
4Het geschil
In conventie
[eiser] vordert – samengevat, na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de huwelijksgemeenschap van [erflater] en erflaatster verdeelt en daarbij de woning geheel aan [eiser] en [gedaagde 8] toedeelt, zonder betaling aan de nalatenschap van [erflater] wegens overbedeling, althans de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] toedeelt, onder betaling van de helft van de waarde van de woning ten tijde van de echtscheiding, met aftrek van de hypotheek en de helft van de kosten koper, resulterend in een bedrag ter hoogte van € 990,38;
II. gedaagden veroordeelt tot medewerking aan het opstellen van de akte verdeling c.q. de levering van de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] , en indien zij verzuimen hun medewerking binnen twee weken na dit vonnis te verlenen bepaalt dat voor gedaagden als voor [gedaagde 8] een onzijdig persoon benoemd zal worden in de zin van artikel 1:181 van het Burgerlijk Wetboek (BW) althans dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW voor die medewerking in de plaats treedt;
En voorwaardelijk, voor het geval [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen aantonen dat zij de rechtmatige erfgenamen zijn van [erflater] , de woning voor de helft van de huidige marktwaarde aan de erven van [erflater] wordt toegedeeld:
III. bepaalt dat gedaagden voor de helft moeten meedelen in de eigenaarslasten ter hoogte van € 33.752,71, wat voor de helft neerkomt op: € 16.876,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
Ter onderbouwing van haar vorderingen voert [eiser] aan dat de huwelijksgemeenschap tussen erflaatster en [erflater] tot op heden niet is verdeeld, zodat dit nog moet gebeuren. Op grond van de redelijkheid en billijkheid dient bij de verdeling van de woning te worden afgeweken van de hoofdregel uit artikel 1:100 lid 1 BW dat goederen in de huwelijksgemeenschap bij helfte worden verdeeld. In plaats daarvan moet de woning volledig aan [eiser] en [gedaagde 8] toekomen, zonder het recht op verrekening. Dit aangezien het huwelijk tussen [erflater] en [erflaatster] destijds naar alle waarschijnlijkheid een schijnhuwelijk was. Daarnaast woonde [erflater] nooit in de woning en heeft hij er nooit iets aan bijgedragen. Verder is de woning alleen aan [erflaatster] geleverd. Subsidiair voert [eiser] aan dat – om dezelfde redenen – in plaats van het moment van verdeling, het moment van ontbinding van het huwelijk tussen erflaatster en [erflater] als peildatum voor de waardering van de woning moet worden genomen. Mocht de rechtbank toch anders beslissen, dan stelt [eiser] zich op het standpunt dat zij recht heeft op vergoeding van de helft van de kosten die zij heeft gemaakt ten behoeve van de woning, zoals de riool- en afvalheffingslasten, onroerendezaakbelasting, opstalverzekeringskosten en de hypotheektermijnen inclusief rente, waarvan de helft neerkomt op € 16.876,35.
[gedaagde 3] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling in de volledige proceskosten, omdat [eiser] hen rauwelijks heeft gedagvaard.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
De reconventionele vordering van [gedaagde 3]
[gedaagde 3] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De verdeling van de huwelijksgemeenschap van erflaatster en [erflater] op grond van artikel 3:185 BW vaststelt, met inachtneming van de navolgende uitgangspunten:
-
dat de woning wordt gewaardeerd op de marktwaarde ten tijde van de feitelijke verdeling;
-
dat de woning aan de erven van erflaatster wordt toebedeeld, tegen betaling van de helft van de feitelijke marktwaarde aan de erfgenamen van [erflater] ;
-
dat op het onder b. genoemde bedrag in mindering wordt gebracht de eventuele vergoedingsrechten in de nalatenschap van erflaatster ter zake van de door haar na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap tussen erflaatster en [erflater] gedane betalingen ten behoeve van de woning, welke vergoedingsrechten nominaal worden berekend;
II. Een onafhankelijke taxateur te benoemen ter vaststelling van de actuele waarde van de woning per de datum van de feitelijke verdeling, zulks overeenkomstig de in de jurisprudentie geldende hoofdregel voor de peildatum van waardering;
III. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De reconventionele vordering van [gedaagde 2]
[gedaagde 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De verdeling van de huwelijksgemeenschap van erflaatster en [erflater] op grond van artikel 3:185 BW vaststelt, met inachtneming van de navolgende uitgangspunten:
-
dat de woning wordt gewaardeerd op de marktwaarde ten tijde van de feitelijke verdeling, vast te stellen door een door de rechtbank te benoemen taxateur althans door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen taxateur;
-
dat de woning aan de erven van erflaatster wordt toebedeeld, tegen betaling van 50% van de actuele marktwaarde aan de erfgenamen van [erflater] ;
-
dat op het onder b. genoemde bedrag in mindering wordt gebracht de eventuele niet verjaarde vergoedingsrechten in de nalatenschap van erflaatster ter zake van de door haar na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap tussen erflaatster en [erflater] gedane betalingen ten behoeve van de woning;
-
an wel dat een stappenplan wordt vastgesteld om tot verdeling van de volledige ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te komen.
II. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ter onderbouwing van hun vorderingen voeren [gedaagde 3] en [gedaagde 2] het volgende aan. De woning is aangeschaft tijdens het huwelijk van erflaatster en [erflater] , zodat de woning van rechtswege in de huwelijksgemeenschap valt. Dat betekent dat de erfgenamen van [erflater] op grond van artikel 1:100 lid 1 BW recht hebben op de helft van de waarde van de woning, die volgens vaste rechtspraak moet worden gewaardeerd op het tijdstip dat feitelijke verdeling plaatsvindt, met andere woorden: het moment dat de rechtbank de verdeling vaststelt (artikel 3:185 lid 1 BW) .
[eiser] voert verweer en verzoekt de rechtbank de vorderingen van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] af te wijzen dan wel, in het geval dat de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] wordt toebedeeld tegen de actuele marktwaarde, te bepalen dat gedaagden voor de helft moeten meedelen in de kosten zie [eiser] ten behoeve van de woning heeft gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente (zie 4.1).
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie en in reconventie
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
[eiser] kan zelfstandig ten behoeve van de nalatenschap procederen
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiser] dat zij feitelijk procedeert namens de nalatenschap van erflaatster. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben ter discussie gesteld of [eiser] daartoe wel bevoegd is, omdat zij al voor het overlijden van erflaatster geen contact meer had met [gedaagde 8] en het dus nog maar de vraag is of aan [eiser] wel een volmacht is verleend om hem te vertegenwoordigen. De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens de hoofdregel uit artikel 3:170 BW geschiedt het beheer van de gemeenschap, waaronder het instellen van rechtsvorderingen, in beginsel door deelgenoten tezamen. Artikel 3:171 BW biedt echter de mogelijkheid dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering instelt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De deelgenoot die zelfstandig procedeert (hier: [eiser] ), moet dan kenbaar maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zoveel mogelijk met name genoemde deelgenoten optreedt.
1 Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] verwezen naar de verklaring van erfrecht, waaruit blijkt dat de notaris destijds een volmacht onder zijn berusting had waarin [eiser] werd gevolmachtigd om [gedaagde 8] te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Kennelijk heeft de notaris die volmacht destijds beoordeeld en goed bevonden, zodat ervan wordt uitgegaan dat die volmacht geldig is. Daar komt bij dat geen andersluidende stelling van [gedaagde 8] , die tevens is gedagvaard, in het geding is gebracht. Dat betekent dan ook dat [eiser] ontvankelijk is in haar vorderingen.
Verstekverlening tegen gedaagden 1 en 4 t/m 8
Gedaagden onder 1 en 4 tot en met 8 zijn niet verschenen in dit geding. Tegen hen is verstek verleend. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn wel verschenen, hebben inhoudelijk verweer gevoerd en daarnaast een vordering in reconventie ingesteld. Er zal ten aanzien van alle gedaagden één vonnis worden gewezen dat op grond van artikel 140 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient te worden beschouwd als een vonnis op tegenspraak.
Artikel 139 Rv bepaalt dat een vordering ten aanzien van niet verschenen gedaagden wordt toegewezen, tenzij de rechter die vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De verweren van de wel verschenen gedaagden werken daarmee niet in het voordeel van de gedaagden die niet zijn verschenen, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing.
2 Omdat het hier gaat om een vordering tot verdeling van een huwelijksgemeenschap waarbij alle partijen betrokken zijn, is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijke rechtsbetrekking sprake is. Anders zou dit leiden tot tegenstrijdige vonnissen.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn erfgenamen van [erflater]
[eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben allen om verdeling van de huwelijksgemeenschap van erflaatster en [erflater] gevraagd. [eiser] stelt zich echter op het standpunt dat niet is gebleken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] erfgenamen zijn van [erflater] , zodat hun eis in reconventie alleen al om die reden moet worden afgewezen. In dat kader wordt het volgende overwogen.
Omdat [erflater] in Spanje woonde en aldaar is overleden, dient zich eerst de vraag aan welk recht op zijn nalatenschap van toepassing is. Dit moet hier worden beoordeeld aan de hand van de Europese Erfrechtverordening.
3 In artikel 21 van de Erfrechtverordening is bepaald dat op de erfopvolging in beginsel het recht van staat van toepassing is waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had, tenzij blijkt dat de erflater een kennelijk nauwere band had met een andere staat. [eiser] heeft toegelicht dat [erflater] slechts tijdelijk in Spanje verbleef en hij een nauwere band had met Nederland. Omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dit niet hebben weersproken, gaat de rechtbank ervanuit dat op de nalatenschap van [erflater] Nederlands recht van toepassing is.
Artikel 4:10 lid 1 sub a BW bepaalt dat, in het geval er geen testament is opgemaakt, de kinderen van de erflater worden aangemerkt als erfgenamen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] zijn geboorteakte voorgelezen, waaruit volgt dat [erflater] zijn vader was. Daarnaast heeft [gedaagde 2] verklaard dat [gedaagde 3] zijn zus is, zodat voldoende vaststaat dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de kinderen, en dus de erfgenamen, zijn van [erflater] . Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Partijen hebben een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap
Vaststaat dat erflaatster en [erflater] in gemeenschap van goederen getrouwd zijn geweest. De huwelijksgemeenschap die daardoor is ontstaan, is door de echtscheiding van erflaatster en [erflater] weliswaar ontbonden, maar nog niet verdeeld. Partijen zijn het erover eens dat die verdeling nu, ruim veertig jaar later, alsnog plaats moet vinden. Tussen hen bestaat echter discussie over de voorwaarden waaronder dat moet gebeuren. In dat kader wordt het volgende overwogen.
Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW hebben echtgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Een afwijking daarvan is op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW) evenwel mogelijk, maar dat kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen.
4 De door [eiser] aangevoerde omstandigheden (zie 4.2) zijn naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf, maar ook niet in onderlinge samenhang zó uitzonderlijk dat een afwijking van artikel 1:100 lid 1 BW gerechtvaardigd is. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [eiser] weliswaar heeft gesteld dat het hier om een schijnhuwelijk zou gaan, maar gesteld noch gebleken is dat het huwelijk om die reden nietig is verklaard (artikel 1:71a BW) . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het huwelijk destijds bestaand en geldig was. Het voorgaande maakt dan ook dat erflaatster en [erflater] , en daarmee hun erfgenamen, een gelijk aandeel – van 50% – hebben verkregen in de ontbonden huwelijksgemeenschap.
De woning behoort tot de ontbonden huwelijksgemeenschap
Vervolgens moet worden beoordeeld of de woning onderdeel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Voor het vaststellen van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum waarop de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden bepalend.
5 Op grond van artikel 1:99 lid 1 (oud) BW moet daarvoor worden gekeken naar de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, wat hier uitkomt op 19 januari 1984.
6Niet in geschil is dat erflaatster de woning tijdens het huwelijk met [erflater] heeft gekocht en dat de woning op 19 januari 1984 nog in haar bezit was. Dat betekent dus dat de woning onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap.
De peildatum voor waardering wordt verlegd naar 1 januari 1985
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] moet worden toebedeeld. Wat partijen hier echter verdeeld houdt, is welke waarde aan de woning moet worden toegekend. De rechtbank overweegt als volgt.
Uitgangspunt is dat bij de waardering van de te verdelen gemeenschapsgoederen moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.
7
De rechtbank is van oordeel dat afwijking van de hoofdregel voor waardering op grond van de redelijkheid en billijkheid hier op zijn plaats is. Uit de stukken die [eiser] in het geding heeft gebracht, kan immers worden afgeleid dat erflaatster de woning destijds voor zichzelf kocht. Zo stonden de hypotheken alleen op naam van erflaatster en volgt uit de gegevens van het kadaster dat de eigendom van de woning voor 1/1 deel, dus volledig, bij erflaatster lag. Verder is duidelijk dat erflaatster en [erflater] nooit samen in de woning hebben gewoond. Zo is in de hypotheekakte vermeld dat “dat de comparante de toenmalige gezinswoning heeft verlaten op drie december negentienhonderd achtenzeventig en sindsdien de samenwoning niet is hersteld”. Kennelijk woonden partijen dus al enige tijd niet meer samen toen erflaatster de woning kocht. Niet is gebleken dat [erflater] desondanks van het bestaan van de woning op de hoogte was, wat wordt onderschreven door het feit dat [erflater] ook na de echtscheiding niets aan de woning heeft bijgedragen. Daar komt nog bij dat [erflater] in die periode geen vaste woon- of verblijfplaats had. Volgens de gegevens in de hypotheekakte zou [erflater] op 3 december 1978 naar [plaats 5] zijn vertrokken, terwijl bij de gemeente [gemeente] geen gegevens van hem bekend zijn. Datzelfde geldt voor de gemeente [plaats 3] , waar [erflater] volgens de echtscheidingsbeschikking op dat moment woonplaats zou hebben gehad. Verder acht de rechtbank van belang dat [eiser] onweersproken heeft verklaard dat [gedaagde 7] haar heeft verteld dat [erflater] alleen maar schulden had. Al deze omstandigheden tezamen maken dat naar het oordeel van de rechtbank moet worden afgeweken van de hoofdregel dat bij de waardering van de te verdelen goederen moet worden uitgegaan van de datum van verdeling. In plaats daarvan heeft 1 januari 1985 hier als peildatum voor de waardering van de woning te gelden, omdat de verdeling van de huwelijksgemeenschap toen plaatsgevonden had kunnen hebben.
De waarde van de woning op 1 januari 1985
De vraag die vervolgens voorligt, is welke waarde de woning had op 1 januari 1985. Vaststaat dat erflaatster de woning in 1980 heeft gekocht voor fl. 48.500,00. [eiser] stelt dat de waarde van de woning in ieder geval tot aan het moment van de echtscheiding gelijk is gebleven. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben op hun beurt naar voren gebracht dat de [plaats 6] woningmarkt een aanzienlijke waardestijging heeft doorgemaakt vanaf 1980, zodat de woning meer waard moet zijn geworden. In dit kader wordt het volgende overwogen.
In de jaren van 1980 tot 1985 heeft zich in Nederland een grote woningmarktcrisis voorgedaan. In die periode daalde de gemiddelde Nederlandse woning ruim veertig procent in waarde. Na 1985 begonnen de woningprijzen weer te stijgen.
8 Specifieke gegevens over Amsterdam uit onafhankelijke bron zijn niet verkregen. Wel wordt deze lijn bevestigd in het artikel van universitair docent M. Korevaar, Prof. M. Francke en prof. P. Eichholtz zodat ervan uit wordt gegaan dat de landelijke trend ook die van [plaats 6] was.
9 Dat betekent dat de woning op 1 januari 1985 niet hoger gewaardeerd wordt dan op het moment dat erflaatster de woning in 1980 kocht, zodat de rechtbank de waarde van de woning zal vaststellen op fl. 48.500,00 (afgerond € 21.740).
De erfgenamen van [erflater] hoeven niet bij te dragen aan de aflossingen op de hypotheken
Omdat de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] zal worden toebedeeld, zijn zij in beginsel een bedrag ter hoogte van de helft van de waarde van de woning aan de erfgenamen van [erflater] verschuldigd. [eiser] stelt dat de hypotheekaflossingen en de kosten koper daarop nog in mindering moeten worden gebracht, omdat erflaatster althans [eiser] die kosten alleen heeft gedragen. Voor de kosten die tijdens het huwelijk zijn gemaakt, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat niet ter zake doet uit wiens portemonnee die kosten feitelijk zijn betaald. In die periode was immers sprake van één gezamenlijk vermogen.
Dat is anders voor de kosten die na ontbinding van het huwelijk ten behoeve van het gemeenschappelijk goed zijn gemaakt. Op het moment dat de huwelijksgemeenschap tussen erflaatster en [erflater] werd ontbonden, waren de hypotheken nog niet volledig afgelost. Erflaatster en [erflater] hadden ieder voor de helft moeten bijdragen aan de hypothecaire schuld. Zij waren immers toen wel ieder voor de helft draagplichtig. De aflossingen die erflaatster heeft gedaan zijn daardoor voor de helft ten goede van haarzelf gekomen en voor de helft ten goede van [erflater] . In verband met de waardepeildatum die naar redelijkheid en billijkheid op 1 januari 1985 wordt gesteld, hoeft [erflater] om die reden alleen tot die datum bij te dragen. Dat betekent in beginsel dat [erflater] , althans zijn erfgenamen, de helft van de door erflaatster tot 1 januari 1985 afgeloste bedragen zou moeten terugbetalen. Die helft heeft zij meer betaald dan zij hoefde te betalen. De rechtbank is het echter met [gedaagde 2] en [gedaagde 3] eens dat de terugbetalingsvordering (regresvordering) is verjaard. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een regresvordering in ieder geval door verloop van twintig jaren.
10 Vaststaat dat de hiervoor genoemde verjaringstermijn inmiddels is verstreken. Voor zover [eiser] een beroep op doet op verrekening in de zin van artikel 6:131 BW met hetgeen erflaatster en zijzelf hebben betaald, slaagt dit niet. Haar regresvordering is immers ook al verjaard, terwijl de overbedelingsvordering van erfgenamen van [erflater] op [eiser] en [gedaagde 8] pas met dit vonnis ontstaat.
11
De voorwaardelijke eisvermeerdering van [eiser]
[eiser] heeft haar eis voorwaardelijk vermeerderd voor het geval dat de rechtbank de woning aan haar en [gedaagde 8] zou toedelen tegen betaling van de helft van de huidige marktwaarde. Omdat de rechtbank de peildatum voor de waardebepaling van de woning vaststelt op 1 januari 1985, is die voorwaarde niet vervuld. Dat betekent dan ook dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de vraag of de erfgenamen van [erflater] gehouden zijn voor de helft mee te delen in de door [eiser] gestelde eigenaarslasten ter hoogte van € 16.876,35.
Slotsom verdeling
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat rechtbank de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] zal toedelen tegen betaling van de helft van de waarde van € 21.740, dus € 10.870 aan de erfgenamen van [erflater] . Zoals door [eiser] terecht gesteld, is hierbij van belang dat [erflater] ten tijde van zijn overlijden getrouwd was met [gedaagde 7] , in gemeenschap van goederen. Omdat niet is gebleken dat [erflater] een testament heeft opgemaakt, gaat de rechtbank ervanuit dat op zijn nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. De rechtbank zal daarom bepalen dat [eiser] en [gedaagde 8] het door hen verschuldigde bedrag moeten betalen aan [gedaagde 7] als langstlevende echtgenoot. De helft van het geërfde bedrag, dus € 5.435 behoort uit hoofde van de gemeenschap van goederen aan [gedaagde 7] toe. De erfgenamen van [erflater] , te weten [gedaagde 7] en alle negen kinderen krijgen dan een vordering op [gedaagde 7] die overeenkomt met de waarde van hun erfdeel (artikel 4:13 lid 3 BW) . Dat erfdeel bedraagt voor zover nu bekend 1/10e van de andere helft. Het is daarmee dus ook aan [gedaagde 7] om haar medewerking te verlenen aan levering van de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] .
Proceskosten
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] stellen beiden dat [eiser] moet worden veroordeeld in de volledige proceskosten, omdat zij rauwelijks zijn gedagvaard. Daarin volgt de rechtbank hen niet. [eiser] heeft verschillende brieven in het geding gebracht waaruit volgt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voorafgaand aan het instellen van de dagvaarding heeft aangeschreven. Van rauwelijks dagvaarden is dus geen sprake.
Omdat dit een familiezaak betreft, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De rechtbank
In conventie en in reconventie
stelt de wijze van verdeling van de woning, gelegen aan de [adres 1] , als volgt vast:
bepaalt dat de woning op de peildatum een waarde heeft van € 21.740;
bepaalt dat de woning wordt toebedeeld aan [eiser] en [gedaagde 8] , onder de verplichting dat:
-
i) [eiser] en [gedaagde 8] een bedrag ter hoogte van € 10.870 aan [gedaagde 7] voldoen,
-
ii) dit bedrag dient te worden betaald op het moment dat de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] wordt geleverd,
-
iii) de kosten die verbonden zijn aan de levering van de woning voor rekening van [eiser] en [gedaagde 8] zijn.
bepaalt dat [eiser] , [gedaagde 8] en [gedaagde 7] moeten meewerken aan de levering van de woning,
veroordeelt [gedaagde 7] om binnen acht weken na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan alle formaliteiten die nodig zijn voor de overdracht van het aandeel van [gedaagde 7] in de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] . Als de hiervoor bedoelde termijn van medewerking is verstreken zonder dat bedoelde medewerking is verleend, wordt op grond van artikel 3:300 lid 1 BW aan dit vonnis dezelfde rechtskracht toegekend als een in wettige vorm opgemaakte akte waarbij het aandeel van [gedaagde 7] in de woning aan [eiser] en [gedaagde 8] wordt overgedragen.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.
Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043.
Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, r.o. 3.2.
Verordening (EU) Nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad.
Vgl. Hoge Raad 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071 (Moordhuwelijk).
Hoge Raad 6 september 1997, ECLI:NL:HR:1996:AC2130, r.o. 3.5.
Omdat het hier gaat om een huwelijksgemeenschap die vóór 1 januari 2012 is ontbonden, geldt nog het oude recht.
Zie o.a. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0760, r.o. 3.5.
R. Bhageloe-Datadin, ‘De huidige crisis vergeleken met die in de jaren tachtig’, in: De Nederlandse economie 2012, Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek 2013, p. 237-238, geraadpleegd via: www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2013/37/de-nederlandse-economie-2012.
zie www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/85792NED; voor Amsterdam zijn de prijzen pas vanaf 1995 bijgehouden. En zie M. Korevaar e.a., ‘Dure huizen maar geen zeepbel in Amsterdam’, ESB 21 januari 2021/4793, p. 32-34, geraadpleegd via: www.esb.nu/publicaties/jrg-106/4793/.
Vgl. Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, r.o. 3.5.
Zie o.a. Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:93, r.o. 3.2.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
