Essentie (gemaakt door AI)
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen waarin partijen ontvankelijk zijn ondanks ontbreken ouderschapsplan art. 815 lid 2 Rv. Hoofdverblijfplaats niet vastgesteld; zorgregeling uit voorlopige voorzieningen definitief. Kinderalimentatie € 451 p/m. Partneralimentatie € 1.744 p/m, niet uitvoerbaar bij voorraad art. 826 lid 1 onder c Rv. Afwikkeling partnerschapsvoorwaarden: woonark aan man; overwaarde te delen 93,43% (man) en 6,57% (vrouw) op basis van inleg/aflossingen; vrouw vergoedt € 3.220,56 wegens investeringen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 04-11-2026 |
| Zaaknummer | C/09/683723 / FA RK 25-2871 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familieprocesrecht; Uitvoerbaar bij voorraad |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen: partnerschapsvoorwaarden. De waarde van de woonark wordt conform de partnerschapsvoorwaarden bepaald op basis van de inleg en de aflossingen van partijen.Volledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2871 (ontbinding geregistreerd partnerschap) en FA RK 25-7673 (afwikkeling partnerschapsvoorwaarden)
Zaaknummer: C/09/683723 (ontbinding geregistreerd partnerschap) en C/09/692891 (afwikkeling partnerschapsvoorwaarden)
Datum beschikking: 29 september 2026
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 16 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schuerman in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.C.J.M. Hageraarts-Bouwens in Utrecht.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het bericht met bijlage van 18 juni 2025 van de vrouw;
-
het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
-
het bericht van 3 juli 2025 van de man;
-
het verweer van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man;
-
het verweer van de man tegen de vermeerdering van het verzoekschrift van de vrouw;
-
de brief met bijlagen van 26 juli 2026 van de vrouw;
-
de brief met bijlagen van 3 augustus 2026 van de man;
-
de brief van 11 augustus 2026 van de vrouw.
Op 18 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
-
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] 2019 in [plaats 1].
-
Partijen zijn het geregistreerd partnerschap aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een finaal verrekenbeding.
-
Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats].
-
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].
-
Deze rechtbank heeft op 20 maart 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
-
de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
-
de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben de ene week van woensdagmiddag na school tot vrijdagochtend naar school en de andere week van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school;
-
de man aan de vrouw met ingang van 20 maart 2025 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 548,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
de man aan de vrouw met ingang van 20 maart 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 345,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw zoals dat na wijziging luidt, strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:
-
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
-
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat zij in week 1 van vrijdag uit school tot maandag naar school en in week 2 van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de man verblijft, alsmede vaststelling van een vakantieregeling;
-
voorwaardelijk: vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw voor een reis naar [plaats 2] met [minderjarige] van 20 februari 2027 tot en met 28 februari 2027 waarbij de vrouw zal verblijven bij haar neef in [plaats 3] aan het adres [adres 1];
-
vaststelling van kinderalimentatie van € 636,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de datum van de beschikking;
-
vaststelling van partneralimentatie van € 3.904,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de datum van de beschikking;
-
afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden conform het voorstel van de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig de ontbinding van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen tot:
-
primair: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man, en subsidiair te bepalen dat [minderjarige] geen hoofdverblijfplaats heeft;
-
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat zij in de ene week van maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school, en de andere week van vrijdagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school bij de vrouw verblijft, alsmede een verdeling van de vakanties vast te stellen;
-
afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden conform het voorstel van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft haar voorwaardelijke verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming voor een reis naar [plaats 2] ingetrokken op de zitting.
Beoordeling
Ontbinding geregistreerd partnerschap
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Volgens de wet kan de rechtbank een verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap alleen inhoudelijk beoordelen en hierop beslissen wanneer er een ouderschapsplan is overgelegd (artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om een ouderschapsplan op te stellen en/of over te leggen.
Gebleken is dat het partijen ondanks meerdere pogingen en het ouderschapsbemiddelingstraject niet is gelukt om afspraken te maken over [minderjarige]. Hierdoor is het voor partijen niet mogelijk om een ondertekend ouderschapsplan in te dienen. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen nu zij vanaf de geboorte van [minderjarige] het grootste gedeelte van de zorg heeft gedragen en de man alleen in de weekenden voor [minderjarige] zorgde. Daarnaast is [minderjarige] tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure aan haar toevertrouwd en zou de man tot voor kort geen bezwaar hebben tegen vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw.
De man is het daar niet mee eens en verzoekt primair om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen. De man is van mening dat hij meer in staat is een evenredige rol voor de vrouw in het leven van [minderjarige] te gunnen dan andersom. Subsidiair verzoekt de man geen hoofdverblijfplaats vast te stellen, gelet op de huidige co-ouderschapsregeling waar partijen al ruim twee jaar uitvoering aangeven.
De rechtbank overweegt als volgt. De afgelopen twee jaar hebben partijen uitvoering gegeven aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] ongeveer de helft van de tijd bij beide ouders is. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige] om de hoofdverblijfplaats bij één van partijen vast te stellen. Dit zou geen recht doen aan de gelijkwaardige rol die beiden in de zorg voor [minderjarige] vervullen. Nu de term een emotionele lading lijkt te hebben voor partijen, vreest de rechtbank dat vaststelling van een hoofdverblijfplaats tot conflicten zal leiden.
Uit het uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat [minderjarige] sinds 20 mei 2025 staat ingeschreven op het woonadres van de vrouw. Nu partijen in het kader van de kinderalimentatie beiden uitgaan van de situatie waarbij de vrouw het kindgebonden budget ontvangt, gaat de rechtbank ervan uit dat [minderjarige] op het adres van de vrouw ingeschreven blijft staan.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw maakt zich zorgen om de mentale gezondheid van de man, omdat hij in het verleden last heeft gehad van depressieve periodes. In combinatie met de veeleisende baan die de man heeft met werkverplichtingen in het buitenland, maakt dit voor de vrouw dat de huidige zorgregeling niet goed werkt voor [minderjarige]. Daarnaast is de onderlinge verstandhouding tussen de ouders – ondanks het ouderschapsbemiddelingstraject – slecht en communiceren zij amper met elkaar. De vrouw verzoekt daarom een zorgregeling waarbij [minderjarige] bij de man is:
-
in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school en ‘
-
in de even weken van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school.
De man voert verweer. Partijen geven sinds mei 2024 uitvoering aan de zorgregeling waarbij de zorg voor [minderjarige] gelijkwaardig is verdeeld. Deze zorgregeling verloopt goed. [minderjarige] is gewend aan deze regeling en beide partijen kunnen het combineren met werk. De man heeft tot 1 januari 2025 de zorg kunnen opvangen door vrije dagen in te zetten en werkt sindsdien vier dagen om voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Daarnaast heeft hij met zijn werkgever afgesproken dat hij op de dagen dat [minderjarige] bij hem is, niet naar het buitenland hoeft te reizen. De man betwist de zorgen van de vrouw omtrent zijn mentale gezondheid. Hij heeft in het verleden last heeft gehad van depressiviteit, maar dat is na zijn behandeling bij een psycholoog niet meer aan de orde.
De rechtbank overweegt als volgt. De zorgregeling zoals vastgelegd in maart 2025 in de voorlopige voorzieningenprocedure loopt goed en zorgt ervoor dat beide partijen een evenwichtig deel van de opvoeding dragen. Op deze manier kunnen zij beiden een volwaardige rol in het leven van [minderjarige] vervullen. De vrouw heeft twee bezwaren geuit tegen deze zorgregeling, gericht op de mentale gezondheid van de man en zijn veeleisende baan. Ten aanzien van de mentale gezondheid overweegt de rechtbank dat de man heeft laten zien dat hij zijn behandeling bij de psycholoog heeft afgerond. De rechtbank heeft verder geen zorgen over het welzijn van de man. Ten aanzien van zijn werk heeft de man aangetoond dat hij voor [minderjarige] kan zorgen op de dagen dat zij bij hem is. Als de man in het buitenland moet zijn voor werk, zorgt hij ervoor dat hij op dinsdagavond terug is zodat hij [minderjarige] op woensdagmiddag uit school kan halen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan de geuite bezwaren van de vrouw en de voorlopige zorgregeling definitief vaststellen.
Vakanties en feestdagen
De man verzoekt een verdeling van de vakanties bij helfte en heeft een voorstel gedaan. De vrouw heeft ingestemd met deze verdeling en heeft aanvullend verzocht kerst, de verjaardag van [minderjarige], het kinderfeestje en de traktaties op school te verdelen. De man heeft daar geen bezwaren tegen geuit, behalve ten aanzien van de kerstdagen. De man is van mening dat een wisseling met kerst zorgt voor onrust bij [minderjarige] en partijen, waardoor beter kan worden vastgehouden aan een verdeling van de kerstvakantie en niet ook nog de kerstdagen.
De rechtbank zal beslissen conform de bereikte overeenstemming ten aanzien van de verdeling van de vakanties, de verjaardag van [minderjarige], het kinderfeestje en de traktaties op school. Ten aanzien van de verdeling van kerst kan de rechtbank zich voorstellen dat het voor [minderjarige] fijn is om met haar beide ouders kerst te vieren. Daarom zal de rechtbank daarvoor aansluiting zoeken bij de verdeling van kerst zoals verzocht door de vrouw.
Paspoort van [minderjarige] en de [gemeente-pas]
De vrouw wil graag het paspoort van [minderjarige] in beheer houden en aan de man afgeven als het nodig is voor een vakantie. De man voert verweer, en is van mening dat hij het paspoort in beheer moet houden of dat het paspoort met [minderjarige] meegaat conform de zorgregeling.
De rechtbank overweegt dat het paspoort van [minderjarige] op dit moment bij de vrouw is en zal bepalen dat het paspoort blijft bij degene die het laatst nodig heeft gehad en dat het paspoort wordt afgegeven op het eerste verzoek van de ander.
Ten aanzien van de [gemeente-pas] van [minderjarige] overweegt de rechtbank dat deze in de tas van [minderjarige] meegaat conform de zorgregeling. Op die manier kunnen beide partijen daarmee uitjes met [minderjarige] ondernemen. Nu daar geen concreet verzoek over is gedaan zal de rechtbank het niet opnemen in het dictum.
Kinderalimentatie
Behoefte van [minderjarige]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 924,- per maand bedraagt in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.029,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)].
Draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is de draagkracht van de vrouw in geschil.
De rechtbank is met de man van oordeel dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft van 32 uur per week. De zorg voor [minderjarige] is gelijkwaardig verdeeld tussen partijen en de rechtbank acht de vrouw in staat om (net als de man) vier dagen per week te werken. De rechtbank zal de verdiencapaciteit van de vrouw berekenen aan de hand van het huidige inkomen van de vrouw.
Uit de salarisspecificaties van mei en juni 2026 volgt dat de vrouw op dit moment – bij 24 uur werken – een bruto inkomen heeft van € 2.130,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Daarnaast volgt daaruit een pensioenpremie van € 172,-, een WGA premie van € 13,- per maand en een netto pensioenvergoeding van € 42 per maand. De rechtbank zal het bruto inkomen, het vakantiegeld en de premies delen door drie en vermenigvuldigen met vier om de verdiencapaciteit van de vrouw te berekenen.
De rechtbank berekent de bruto verdiencapaciteit van de vrouw op € 2.840,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Daarbij houdt de rechtbank rekening met een pensioenpremie van € 229,-, een WGA premie van € 17,- per maand en netto pensioenvergoeding van € 56,- per maand.
Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
-
de algemene heffingskorting;
-
de arbeidskorting;
-
de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
-
het kindgebonden budget;
-
de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 3.167,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt daarmee € 596,- per maand.
Draagkracht van de man
Partijen zijn het niet eens over de draagkracht van de man. De vrouw stelt dat de man een verdiencapaciteit heeft en net als tijdens de relatie fulltime kan werken, zodat rekening moet worden gehouden met een bruto inkomen van € 196.471,- per jaar. De man voert verweer en stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van 80% dienstverband, nu hij vier dagen werkt om voor [minderjarige] te kunnen zorgen.
De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de huidige situatie, waarin de man vier dagen werkt. Dat is nodig voor de zorg voor [minderjarige].
Uit de salarisspecificaties van april tot en met juni 2026 volgt een bruto inkomen van € 6.885,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. De rechtbank zal rekening houden met een CAO-uitkering van € 1.826,- per jaar (80% van € 2.282,-). Dit is het bedrag dat de man bij een fulltime dienstverband in 2024 aan CAO-uitkering heeft ontvangen.
Uit de salarisspecificaties volgt daarnaast een pensioenpremie van € 460,- per maand en ANW-hiaat van € 28,- per maand, zodat de rechtbank hier rekening mee zal houden.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
-
de algemene heffingskorting;
-
de arbeidskorting.
Conform de aanbeveling uit het Rapport Alimentatienormen zal de rechtbank geen rekening houden met de fiscale bijtelling van de auto van de man.
Tussen partijen is verder de bonusregeling van de man en de woonlasten van de man in geschil. De vrouw stelt dat de man structureel een bonus ontvangt en dat deze moet worden meegenomen in zijn draagkracht. Daarnaast is de vrouw van mening dat bij de man moet worden uitgegaan van de halvering van de woonlasten, te weten 15% van het NBI, omdat de man de woning samen met iemand anders bewoont. De man stelt dat geen rekening moet worden gehouden met de bonus omdat niet de verwachting is dat hij in de toekomst nog ieder jaar een bonus ontvangt. In lijn met de voorlopige voorzieningenbeschikking wil de man gedurende zijn partneralimentatieverplichting de bonussen delen met de vrouw. De man betwist verder de halvering van het woonbudget omdat de andere persoon tijdelijk in de woning woonde om op de hond te passen en niet bijdroeg in de woonlasten.
De rechtbank stelt vast dat de man zowel in 2024 als 2025, net als de voorgaande jaren, een bonus heeft ontvangen. Daarmee is sprake van een structurele bonusuitkering. De rechtbank zal daarom rekening gehouden met het gemiddelde van de door de man ontvangen bonussen in de jaren 2023 tot en met 2025. De rechtbank zal echter voor de berekening van de draagkracht van de man geen rekening houden met de eenmalige uitkering van oud-aandeelhouders van € 82.137,-. Dit was een eenmalige uitkering waar de man in de toekomst niet op kan rekenen. Dit betekent dat de rechtbank rekening houdt met een gemiddelde bonus van € 48.805,- per jaar die als volgt is berekend.
bonus 2023 van € 72.194,-
bonus 2024 van € 14.000,-
bonus 2025 van € 59.920
totaal € 146.114,-
€ 146.114 / 3 = € 48.805,- aan gemiddelde bonus per jaar.
De rechtbank zal bij de man rekening houden met een woonbudget van 30% van het NBI, nu nergens uit blijkt dat hij zijn woonlasten met iemand anders deelt.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de man op € 6.474,- per maand en de draagkracht van de man op € 2.217,- per maand.
Zorgkorting
Gelet op de hierboven vastgestelde zorgregeling en de uitgangspunten van het Rapport Alimentatienormen, zal de rechtbank een zorgkorting van 35% hanteren. De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 1.029,- per maand, waardoor de zorgkorting (0,35 x 1.029 =) € 360,- per maand bedraagt.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt (596 + 2.217 =) € 2.813,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de vrouw: 596 / 2.813 x 1.029 = 218
het eigen aandeel van de man: 2.217 / 2.813 x 1.029 = 811
samen 1.029
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 218,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van € 811,- per maand voor rekening van de man.
Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde zorgkorting van € 360,- per maand, moet de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige] betalen van (811 – 360 =) € 451,- per maand.
Ingangsdatum
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw verzoekt om de kinderalimentatie vast te stellen vanaf de datum van de beschikking. De man voert verweer en stelt dat 1 juni 2025 als ingangsdatum moet worden gehanteerd. Tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure is namelijk geen rekening gehouden met een kindgebonden budget bij de vrouw omdat partijen nog fiscaal partners waren. De vrouw zou de man op de hoogte stellen als er wel kindgebonden budget kon worden aangevraagd om vanaf dat moment een nieuwe alimentatieberekening te maken. Dit heeft de vrouw niet gedaan en de man heeft vernomen dat de vrouw sinds 1 juni 2025 wel kindgebonden budget ontvangt.
De rechtbank zal de datum van de beschikking als ingangsdatum hanteren van de kinderalimentatie. De reden daarvoor is dat de voorlopige kinderalimentatie niet zodanig afwijkt van de in deze beschikking berekende kinderalimentatie dat dit een wijziging met terugwerkende kracht rechtvaardigt.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 451,- per maand moet betalen.
Aanhechten beschikking
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Partneralimentatie
Huwelijksgerelateerde behoefte
De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud en dat voor het berekenen van de huwelijksgerelateerde behoefte de Hofnorm moet worden gehanteerd. De man betwist dat de vrouw behoefte heeft en stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw haar behoefte niet heeft onderbouwd.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat de vrouw geen behoefte heeft. De vrouw heeft gesteld dat zij niet kan voorzien in haar eigen levensonderhoud en heeft dit op de zitting nader toegelicht. De rechtbank zal de vrouw daarom ontvangen in haar verzoek en overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.
Partijen zijn in mei 2024 uit elkaar gegaan. Daarom zal de rechtbank rekenen met de inkomens uit 2023 en de tarieven van 2023-II.
Voor de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen over de jaren 2021 tot en met 2023. De rechtbank doet dat omdat de jaaropgaves een wisselend inkomen laten zien. Voor de berekening van de behoefte houdt de rechtbank ook rekening met de door de man ontvangen bonussen en de eenmalige uitkering van oud-aandeelhouders, omdat die bijdroegen aan het welstandsniveau van partijen.
Het bruto inkomen van de man (inclusief bonussen en eenmalige uitkering) bedroeg in 2023 € 171.994,-, in 2022 € 257.972,- en in 2021 € 165.536,-,. Dit blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgaves. Het gemiddelde hiervan is (595.502 / 3 =) € 198.501,- per jaar. Hierop moet de eigen bijdrage voor de zakelijke auto van € 50,- per maand in mindering worden gebracht.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
-
de algemene heffingskorting;
-
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 9.093,- per maand.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen in 2023 van € 10.806,- uit dienstverband en € 6.221,- winst uit onderneming.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
-
de algemene heffingskorting;
-
de arbeidskorting;
-
de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2023 op € 1.414,- per maand.
De rechtbank berekent het NBGI van partijen op (1.414 + 9.093 =) € 10.507,- per maand in 2023. Hierop dienen de kosten van [minderjarige] van € 870,- per maand in 2023 in mindering worden gebracht. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt vervolgens overeenkomstig de hofnorm vastgesteld op € 5.782,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 6.840,- per maand.
Aanvullende behoefte
Tussen partijen is in geschil of de vrouw een aanvullende behoefte heeft. De rechtbank zal daarom beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien door het huidige NBI van de vrouw in mindering te brengen op de hiervoor berekende netto behoefte van € 6.859,- per maand. De rechtbank houdt bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw rekening met dezelfde uitgangspunten zoals hiervoor vermeld in het kader van de kinderalimentatie, minus het kindgebonden budget van € 472,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van (6.859– 2.695 =) € 5.426,- netto per maand. Dat is € 10.162,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
De rechtbank gaat voor de draagkracht van de man uit van een inkomen zoals hiervoor in het kader van de kinderalimentatie is overwogen. Uitgaande van deze gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 6.474,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 3.167,- per maand. Hiervoor is 60% beschikbaar voor alimentatie, wat neerkomt op € 1.900,- per maand.
Op dit bedrag wordt het hierboven berekende aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 811,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarmee een draagkracht voor partneralimentatie van € 1.089,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op een bedrag van € 1.744,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt.
Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 2.605,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhoudt. Dat betekent dat de man gehouden zou zijn om een hoger bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw te betalen dan zijn draagkracht toelaat, zodat er geen reden is om op grond van de inkomensvergelijking een lager bedrag op te leggen aan partneralimentatie.
Ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vaststellen op € 1.744,- per maand.
De vrouw heeft verzocht om de beslissing op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens artikel 288 Rv kan de rechter de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar volgens artikel 233 lid 1 Rv is dat niet mogelijk als uit de wet anders voortvloeit. Uit de wet vloeit op grond van artikel 826 lid 1 onder c Rv voort dat de op 20 maart 2025 door deze rechtbank gewezen voorlopige voorziening inzake partneralimentatie op dit moment nog behoort te gelden. Daarmee verdraagt zich niet dat de beslissing op de nevenvoorziening partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom zal de rechtbank de partneralimentatie niet uitvoerbaar bij voorraad vaststellen.
Afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden
Partijen zijn met het oog op hun geregistreerd partnerschap op [datum] 2019
bij een notaris partnerschapsvoorwaarden overeengekomen. Daarbij is in artikel 1 van de partnerschapsvoorwaarden opgenomen dat partijen iedere goederengemeenschap uitsluiten. De overige relevante artikelen uit de partnerschapsvoorwaarden luiden als volgt:
Artikel 8 – Kosten van de huishouding
a. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de partners gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen;
b. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen.
c. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
a. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke — verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de woning waarin de partners samenwonen en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van een dergelijke woning en de vakantiewoning.
b. Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde vervoermiddelen,
c. indien aan die kosten, waaronder begrepen de kosten van een geldlening die in verband met de aanschaf zijn aangegaan, door beide partners is bijgedragen, komt de eigendom daarvan aan ieder van hen voor de helft toe.
Artikel 10 – Woning in gemeenschappelijk eigendom
-
De Ark, gemerkt [kenmerk]", alsmede een perceel grond/water aan [adres 2], hierna ook te noemen: “de woning”, is in eigendom verkregen door de partners, ieder voor de onverdeelde helft. Het hierna bepaalde heeft zowel betrekking op deze woning alsook op een in de toekomst gezamenlijk te verkrijgen woning.
-
Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de hoofdsom van de in lid 5 bedoelde hypothecaire lening, de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering), komen voor rekening van beide partijen naar evenredigheid van hun inleg/aflossing van de hypotheekschuld met betrekking tot de woning, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of waardevermindering van de woning. Bij scheiding wordt de waarde van de woning verdeeld in de verhouding waarin partijen hebben ingelegd dan wel hebben afgelost op de hypotheekschuld.
-
(…)
a. Als voor de financiering van die gemeenschappelijke woning een hypothecaire lening wordt aangegaan, worden de rentelasten beschouwd als kosten van de gemeenschappelijke huishouding en overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 1 gedragen.
b. Het onder 4.a. bepaalde geldt ook als ieder van de partners voor deze lening hoofdelijk aansprakelijk is.
Artikel 11 – verrekening bij het einde van het partnerschap door ontbinding
8. Ingeval het partnerschap wordt ontbonden krachtens rechterlijke uitspraak alsmede bij beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden, zal
a. Hetgeen ieder van de partners krachtens erfrecht, making, schenking of gift heeft of zal worden verkregen,
b. de waarde van het door een partner thans of te eniger tijd, in welke rechtsvorm dan ook, al dan niet tezamen met derden, uitgeoefend bedrijf of vrij beroep, dan wel de aandelen die middellijk of onmiddellijk worden gehouden in één of meer vennootschappen waarin een zodanig bedrijf of vrij beroep mochten zijn ondergebracht
c. alle privé-schulden op naam van één van de partners
d. het saldo op een bankrekening die uitsluitend op naam van één echtgenoot is gesteld;
e. de verdeling van de waarde van de woning als opgenomen in artikel 10
Eenvoudige gemeenschap woonark
De woonark aan [adres 2] en de daarop rustende hypothecaire geldleningen
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woonark in [plaats 1]. Zij zijn het erover eens dat de woonark wordt toegedeeld aan de man. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat WNBT in Amsterdam de woonark zal taxeren en dat partijen gezamenlijk opdracht zullen geven voor taxatie van de woonark voor de huidige waarde. WNBT in Amsterdam is een taxateur die gespecialiseerd is in woonboten met het EMCI-keurmerk, wat nodig is voor de man om de financiering rond te krijgen. De rechtbank zal verder bepalen dat de man na deze beschikking twee maanden de tijd krijgt om de financiering te regelen en aan de vrouw te laten zien dat hij haar kan ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid.
Om te bepalen in welke mate partijen delen in de overwaarde van de woonark, dient de rechtbank uitleg te geven aan artikel 10 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden. Hierin is vastgelegd dat alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning (de woonark) die niet onder de kosten van de huishouding vallen zoals opgenomen in artikel 8 van de partnerschapsvoorwaarden, voor rekening komen van beide partijen naar evenredigheid van hun inleg en aflossing, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van de waardevermeerdering of waardevermindering van de woning. Bij een ontbinding van het geregistreerd partnerschap wordt de waarde van de woning verdeeld in de verhouding waarin partijen hebben ingelegd dan wel afgelost.
De rechtbank zal rekening houden met de aflossingen van partijen tot november 2024. Sindsdien is de vrouw namelijk gestopt met aflossen, omdat zij niet meer in de woning woonde. Een redelijke uitleg van artikel 10 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden brengt mee dat aflossingen sindsdien niet meewegen voor de verhouding waarin partijen delen in de overwaarde. Daarmee zou de man namelijk een groter deel van de overwaarde naar zich toe trekken, terwijl het begrijpelijk is dat de vrouw sindsdien is gestopt met aflossen.
De aflossingen die de man vanaf november 2024 heeft gedaan moeten wel in mindering worden gebracht bij de bepaling van de overwaarde van de woonark. Het is immers niet de bedoeling dat de vrouw daarvan profiteert. De rechtbank zal daarom bepalen dat de overwaarde van de woonark als volgt berekent dient te worden: de huidige taxatiewaarde minus de actuele hypotheekstand en de aflossingen van de man sinds 1 november 2024 tot heden.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen hoeveel partijen hebben ingebracht en afgelost.
Uit de samenlevingsovereenkomst van partijen blijkt dat de man bij de aankoop van de woonark € 116.047,- heeft ingebracht. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij – in tegenstelling tot haar eerdere standpunt – geen eigen inleg heeft gehad bij de aanschaf van de woonark. Dit volgt ook uit de samenlevingsovereenkomst.
Partijen losten maandelijks af op de hypotheek en hebben dit bijgehouden door iedere maand geoormerkte overboekingen aan de gezamenlijke rekening te doen. Uit productie 21 van de man blijkt dat hij op die manier t/m oktober 2024 € 46.132,30 heeft afgelost.
De vrouw heeft ook maandelijks afgelost. Uit productie 21 van de man blijkt dat de vrouw in totaal € 14.493,92 geoormerkt als ‘aflossing’ heeft betaald. Om fiscale redenen heeft de vrouw alleen van september 2018 t/m december 2021 minder geoormerkt ‘aflossing’ aan de gezamenlijke rekening betaald. In plaats daarvan heeft zij in die periode ‘huur’ aan de gezamenlijke rekening overgemaakt voor het gebruik van een ruimte in de woonark. Omdat een deel van de overgemaakte ‘huur’ wel gebruikt werd om de hypotheek af te lossen, moet dit worden meegewogen. Op de zitting heeft de rechtbank besproken dat het redelijk lijkt om voor de periode september 2018 t/m december 2021 voor de vrouw rekening te houden met een maandelijkse aflossing van € 237,56. Dat is het bedrag dat de vrouw vanaf januari 2022 heeft afgelost, toen zij stopte met ‘huur’ betalen. Dit komt neer op een extra bedrag van € 4.845,20 (40 x (237,56 – 116,43)). De man heeft hiermee ingestemd. De vrouw heeft daarmee in totaal (14.493,92 + 4.845,20 =) € 19.339,12 afgelost.
De man heeft dus in totaal € 275.079,30 afgelost en ingebracht en de vrouw € 19.339,12. De totale aflossingen en inbreng bedragen dus (275.079,30 + 19.339,12 =)
€ 294.418,42. De rechtbank zal hierna het aandeel van iedere partij berekenen waarin zij delen in de overwaarde:
het aandeel van de man: 275.079,30 / 294.418,42 x 100 = 93,43%
het aandeel van de vrouw: 19.339,12 / 294.418,42 x 100 = 6,57%
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank bepalen dat de overwaarde van de woonark verdeeld moet worden tussen partijen waarvan 93,43% toekomt aan de man, en 6,57% toekomt aan de vrouw.
Investeringen in de woonark: artikel 10 lid 2 2 van de partnerschapsvoorwaarden
Partijen verschillen verder van mening hoe artikel 10 lid 2 in combinatie met artikel 8 van de partnerschapsvoorwaarden moet worden uitgelegd.
De man stelt dat hij verschillende investeringen in de woonark heeft gedaan. Deze investeringen zagen volgens de man op het herstel, de constructie en verdere verduurzaming van de woonark. In het taxatierapport van 26 oktober 2017 worden deze werkzaamheden ook deels aangemerkt als noodzakelijke investeringen.
Het gaat volgens de man om de volgende investeringen:
-
zonnepanelen van € 9.495,61
-
nokvorsten dak van € 1.796,58
-
schuifpui van € 13.850,-
-
ramen van € 10.590,-
-
verwarming van € 1.140,90,-
-
bak roest van € 7.146,82,-
-
oversluiten van de hypotheek van € 10.000,-
-
schuur van € 5.000,-
-
Gamma, Hornbach, Karwei en diversen van € 8.141,44
De vrouw voert verweer en is van mening dat de door de man genoemde posten niet kwalificeren als investeringen in de zin van artikel 10 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden. Volgens haar gaat het om regulier of noodzakelijk onderhoud en zien deze kosten op het in stand houden van de woonark en niet op investeringen die de waarde van de woonark vermeerderen.
De rechtbank overweegt dat artikel 8 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden een duidelijk definitie van de kosten van de huishouding geeft. Kosten van onderhoud, herstel en vernieuwing van de woonark vallen daar niet onder. Een redelijke uitleg van de definitie van de kosten van de huishouding brengt mee dat kleine herstellingen daar wel onder vallen.
Artikel 10 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden bepaalt vervolgens dat alle investeringen, kosten en lasten die niet onder de kosten van de huishouding vallen naar rato van de inleg en aflossing van partijen voor hun beider rekening komt. De rechtbank is van oordeel dat alle door de man aangevoerde posten hier in beginsel onder vallen, behalve de oversluitkosten van de hypotheek en de kosten van Gamma, Hornbach, Karwei en diversen. De investering in de oversluitkosten van de hypotheek is immers gedaan om de rentelasten te drukken, die vallen onder de kosten van de huishouding. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de man degene is die op langere termijn profiteert van het oversluiten van de hypotheek omdat hij de hypotheek met lagere rente zal overnemen. Voor de kosten van Gamma, Hornbach, Karwei en diversen geldt dat de man niet heeft aangetoond dat waar dit geld aan is uitgegeven, zodat niet kan worden vastgesteld dat dit moet worden meegewogen.
Concreet betekent dit dat de man een bedrag van totaal € 49.019,91 heeft geïnvesteerd in de woonark. Gelet op de hierboven vastgestelde percentages is het aandeel van de man daarin (49.019,91 x 0,9343 =) € 45.799,30 en het aandeel van de vrouw (49.019,91 x 0,0657 =)
€ 3.220,56. Dit betekent dat de vrouw nog een bedrag van € 3.220,56 aan de man moet betalen.
Te verrekenen vermogen
Op de zitting hebben partijen toegelicht dat er geen te verrekenen vermogen is, zodat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerde partnerschap tussen partijen, aangegaan op [datum] 2019 in [plaats 1];
*
bepaalt als verdeling in de zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats]:
- in de ene week van woensdagmiddag na school tot vrijdagochtend bij de man, en in de andere week van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de man, en de overige dagen bij de vrouw;
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen:
-
zomervakantie: in de oneven jaren eerste drie weken bij de man en in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw. Degene waarbij [minderjarige] de eerste drie weken verblijft brengt [minderjarige] naar de andere ouder op zondag 18:00 uur na afloop van de eerste drie weken;
-
herfstvakantie: in de oneven jaren bij de man, in de even jaren bij de vrouw;
-
kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de man, in de even jaren de eerste week bij de vrouw, met als wisselmoment zondag 18:00 uur;
-
voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
-
meivakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de man, in de even jaren de eerste week bij de vrouw, met als wisselmoment zondag 18:00 uur;
-
Kerst: [minderjarige] wordt op 1e Kerstdag om 16:00 uur door de ouder bij wie zij verblijft naar de andere ouder gebracht. De andere ouder brengt haar op 2e Kerstdag om 12:00 uur terug;
-
Verjaardag [minderjarige]: bij de ouder op wie zij op dat moment verblijft. In de even jaren organiseert het kinderfeestje de vrouw en in de oneven jaren de man;
-
traktaties op school en BSO worden verzorgd door de ouder bij wie [minderjarige] op de schooldag van haar verjaardag is, als dit in het weekend valt dan verzorgt de ouder die haar naar school brengt op de dag waarop zij haar verjaardag op school viert na haar verjaardag de traktaties;
*
bepaalt dat het beheer van het paspoort van [minderjarige] ligt bij de partij die het paspoort voor het laatst nodig heeft gehad;
*
bepaalt de door de man, met ingang van heden, te betalen kinderalimentatie aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] op € 451,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van ontbinding van het huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 1.744,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van de man en de vrouw – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – :
- met betrekking tot de woonark gelegen aan [adres 2]:
1. de woonark wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de woonark wordt getaxeerd door WNBT Amsterdam. Partijen geven – als dit nog niet is gebeurd – binnen één week na de beschikking gezamenlijk opdracht aan WNBT Amsterdam tot taxatie van de woonark waarbij WNBT een tussen partijen bindende waarde zal vaststellen waartegen de man de woonark zal overnemen;
b. de man dient binnen twee maanden na deze beschikking aan de vrouw aan te tonen dat hij de woonark tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woonark gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c. de overwaarde van de woonark bestaat uit de huidige taxatiewaarde, minus de aan de woonark gekoppelde hypothecaire geldlening, minus de door de man gedane aflossingen van de hypotheek sinds 1 november 2024. De overwaarde wordt conform artikel 10 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden gedeeld tussen partijen, waarbij het aandeel van de man 93,43% bedraagt en het aandeel van de vrouw 6,57%;
d. de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper voldaan;
e. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woonark;
2. indien de man de woonark niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, wordt de woonark verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden;
a. partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man ) kenbaar heeft gemaakt de woonark niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woonark;
b. de overwaarde van de woonark bestaat uit de huidige taxatiewaarde, minus de aan de woonark gekoppelde hypothecaire geldlening, minus de door de man gedane aflossingen van de hypotheek en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur. De overwaarde wordt conform artikel 10 lid 2 van de partnerschapsvoorwaarden gedeeld tussen partijen waarbij het aandeel van de man 93,43% bedraagt en het aandeel van de vrouw 6,57%;
c. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woonark;
- de vrouw dient aan de man € 3.220,56 te voldoen in verband met de door de man gedane investeringen in de woonark;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding en de partneralimentatie – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 september 2026. |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
