Rechtbank Gelderland 15-10-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:8108

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Verzoek tot schorsing en ontslag van de benoemde executeur‑afwikkelingsbewindvoerder afgewezen. Verzoeker stelt fraude (gefingeerd legaat), gebrekkige taakuitoefening, onvoldoende informatie, onjuiste aangifte erfbelasting en onzorgvuldige woningverkoop. Kantonrechter oordeelt dat geen gewichtige redenen als bedoeld in art. 4:149 lid 2 BW zijn aangetoond; wantrouwen is niet objectief onderbouwd. Informatievoorziening en verkoopaanpak zijn toereikend. Verzoeker wordt in proceskosten veroordeeld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Wantrouwen erfgenaam jegens executeur niet geobjectiveerd: ontslagverzoek afgewezen
Erfgenamen verwijten executeur fraude (gefingeerd legaat), fouten in aangifte erfbelasting en onzorgvuldige woningverkoop. Ktr: geen gewichtige redenen voor ontslag aangetoond; wantrouwen niet objectief onderbouwd.

Datum publicatie04-11-2026
ZaaknummerK/5002/12194245
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsZutphen
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenErfrecht; Executeur nalatenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfecht. Verzoek ontslag executeur afgewezen

Volledige uitspraak


RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer / rekestnummer: 12194245 / EZ VERZ 26-289

Beschikking van 15 oktober 2026

in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [verzoeker 2],

te [woonplaats] ,
3. [verzoeker 3],

te [woonplaats] ,

verzoekende partijen,

hierna samen te noemen: [verzoekster] ,

procederend in persoon,

tegen

[verweerder] ,

te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder] ,

gemachtigde: mr. F.C.M.V. ten Broeke en mr. F. Klabbers,

en

1 [belanghebbende 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [belanghebbende 2],

te [woonplaats] ,
3. [belanghebbende 3]

te [woonplaats] ,

4. [belanghebbende 4]

te [woonplaats] ,

belanghebbenden,

hierna samen te noemen: de belanghebbenden,

procederend in persoon.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen

  • het verweerschrift van [verweerder] met bijlagen

  • het verweerschrift van de belanghebbenden met bijlagen

- de mondelinge behandeling van 15 juni 2026.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2De feiten

2.1.

Op 16 juli 2025 is te Nijmegen overleden [erflaatster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1951 (hierna: erflaatster). De laatste woonplaats van erflaatster was [woonplaats] .

2.2.

Erflaatster was niet gehuwd of geregistreerd als partner en heeft geen afstammelingen achtergelaten.

2.3.

Bij testament van 21 juni 2024 heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. Daarin heeft zij tot haar erfgenamen benoemd haar twee zussen, haar broer en de kinderen van haar overleden broer [naam] , als ware het wettelijk versterferfrecht van toepassing op haar nalatenschap. De kinderen van haar overleden broer [naam] zijn samen gerechtigd tot één vierde deel van haar nalatenschap en haar broer en zussen ieder voor één vierde van haar nalatenschap.

2.4.

Erflaatster heeft in haar testament [verweerder] (hierna: [verweerder] , zoon van haar zus [belanghebbende 1] ) benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder.

2.5.

Bij akte van 11 november 2025 heeft [persoon 1] (zus van erflaatster) de nalatenschap van erflaatster verworpen, zodat via plaatsvervulling [verzoeker 2] en [verzoeker 1] (verzoekers sub 1 en 2) als erfgenamen tot de nalatenschap van erflaatster worden geroepen.

2.6.

De volgende personen zijn daarmee de gerechtigde erfgenamen, zoals ook staat in de verklaring van erfrecht:

  • [belanghebbende 1] (zus van erflaatster / belanghebbende sub 1);

  • [verzoeker 3] (broer van erflaatster / verzoeker sub 3);

  • [belanghebbende 2] (dochter van vooroverleden broer van erflaatster [persoon 2] / belanghebbende sub 2);

  • [belanghebbende 3] (dochter van vooroverleden broer van erflaatster [persoon 2] / belanghebbende sub 3);

  • [belanghebbende 4] (zoon van vooroverleden broer van erflaatster [persoon 2] / belanghebbende sub 4);

  • [verzoeker 2] (erfgenaam door verwerping zus van erflaatster [persoon 1] / verzoeker sub 2);

  • [verzoeker 1] (erfgenaam door verwerping zus van erflaatster [persoon 1] / verzoeker sub 1).

2.7.

[belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn bewindvoerders van [belanghebbende 4] en hebben de nalatenschap namens hem beneficiair aanvaard. De overige erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om [verweerder] te schorsen en te ontslaan als executeur-afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van erflaatster, met benoeming van primair [verzoeker 2] , subsidiair mr. C.G. Houterman RB als opvolgend executeur-afwikkelingsbewindvoerder.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder] heeft opzettelijk fraude gepleegd ten gunste van zijn eigen staak door een legaat te fingeren, [verweerder] voert zijn taken slecht uit, [verweerder] weigert financiële informatie te verstrekken, [verweerder] heeft de woning voor een te lage prijs te koop aangeboden, [verzoekster] wantrouwt [verweerder] , [verzoekster] twijfelt aan de onpartijdigheid en objectiviteit van de betrokken notaris.

3.3.

[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Er zijn geen gewichtige redenen voor ontslag (artikel 4:149 lid 2 BW) . [verweerder] betwist de aantijgingen van [verzoekster] Het wantrouwen van [verzoekster] is niet gebaseerd op objectieve feiten.

3.4.

De belanghebbenden verzetten zich tegen het verzoek van [verzoekster] Zij herkennen zich niet in het door [verzoekster] gestelde. Volgens de belanghebbenden heeft [verweerder] steeds op zorgvuldige en transparante wijze gehandeld.

4De beoordeling

4.1.

[verzoekster] is volgens [verweerder] niet-ontvankelijk in zijn verzoek omdat [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] alleen als erfgenaam en niet ook als bewindvoerder van [belanghebbende 4] in de procedure betrokken zijn. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Het document dat een procedure inleidt, in dit geval het verzoekschrift, bepaalt in beginsel de procespartijen. Het stuk hoeft niet steeds (uitdrukkelijk) melding te maken van de hoedanigheid van een partij. De vaststelling wie partij zijn en in welke hoedanigheid gebeurt door (ambtshalve) uitleg van de processtukken. In dit geval is richt het verzoek zich tegen [verweerder] en zijn [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] als belanghebbende betrokken. Ook [belanghebbende 4] is als belanghebbende genoemd in het verzoekschrift. Dat hij formeel vertegenwoordigd wordt door [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] maakt het verzoek niet niet ontvankelijk. Hun voornaamste belang is dat de belanghebbenden zijn geïdentificeerd en dat zij in de procedure zijn betrokken. Dat is in dit geval zo. Dat een partij voor zich verschijnt en daarnaast ook bewindvoerder van een andere belanghebbende is, is minder relevant. Nu [verzoekster] ontvankelijk is, zal de kantonrechter het verzoek inhoudelijk beoordelen.

4.2.

Op grond van artikel 4:149 lid 2 BW kan een executeur op verzoek van een erfgenaam worden ontslagen om gewichtige redenen. Van gewichtige redenen is sprake indien de executeur ernstig en serieus tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen. Uit de rechtspraak volgt dat eveneens als gewichtige redenen worden gezien, een ernstig wantrouwen (of een ernstig gebrek aan vertrouwen) van de erfgenamen jegens de executeur, dat niet zomaar kan worden weggenomen. Het wantrouwen dient ernstig, gemeend en op feiten gebaseerd te zijn. Erfgenamen moeten op basis van concrete (objectieve) feiten en omstandigheden aantonen dat van hen niet kan worden gevergd dat de nalatenschap door deze executeur nog langer wordt beheerd. Hangende het onderzoek kan de kantonrechter de bij wijze van voorlopige voorziening de executeur-afwikkelingsbewindvoerder schorsen.

4.3.

[verzoekster] baseert zijn verzoek op zes grieven, die de kantonrechter hierna (r.o. 4.4 tot en met 4.9) achtereenvolgens zal beoordelen.

4.4.

[verzoekster] verwijt [verweerder] dat hij in de aangifte erfbelasting ten onrechte heeft opgenomen dat de auto van erflaatster aan [persoon 3] is gelegateerd. [persoon 3] is een kind van de zus van [verweerder] en een kleinkind van [belanghebbende 1] (belanghebbende sub 1). [verzoekster] kwalificeert dit handelen als fraude. [verweerder] heeft toegelicht dat hij het ‘legaat’ heeft opgenomen vanwege het navolgende. Erflaatster heeft vlak voor haar overlijden op een document getiteld “Instructies voor het maken van een codicil” het volgende geschreven: “wil dat [persoon 4] de auto gaat verkopen als hij wil, En de opbrengst is voor [persoon 4] (niet veel, maar goed bedoeld). maar als [persoon 3] v [naam] rijbewijs heeft en de auto wilt mag hij hem hebben toch? gratis. fam gaat voor.

9 juli [persoon 4] krijgt belastingvrije som voor reparatie van zijn mooie auto”. Op basis hiervan heeft [verweerder] geconcludeerd dat het de wens van erflaatster was dat [persoon 3] ( [persoon 3] ) de auto kreeg als hij zijn rijbewijs zou halen. Op advies van de huisadministrateur van erflaatster, [bedrijf] , heeft [verweerder] deze wens van erflaatster geïnterpreteerd als legaat. Hoewel dit juridisch niet juist is, en de auto voor het overlijden van erflaatster reeds om naam van [persoon 4] ( [persoon 4] ) is gezet, heeft [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar of frauduleus gehandeld. Op basis hiervan is dan ook geen sprake van ernstig tekortschieten door [verweerder] of van objectieve, gewichtige redenen voor wantrouwen van [verzoekster] jegens [verweerder] .

4.5.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat [verweerder] zijn taak slecht uitvoert, stelt [verzoekster] verder dat er fouten zijn gemaakt in de aangifte erfbelasting. Dit is onvoldoende vast komen te staan. De door [verzoekster] gestelde fouten worden door [verweerder] betwist en staan bij gebrek aan nadere onderbouwing door [verzoekster] niet vast. [verzoekster] stelt bijvoorbeeld dat [verweerder] ten onrechte de vordering/schuld die voortvloeit uit de laatste aangifte inkomstenbelasting niet heeft opgenomen, maar [verweerder] stelt dat deze op het moment van aangifte erfbelasting nog niet bekend was. Bovendien kan dit later nog worden verrekend in overleg met de Belastingdienst, aldus [verweerder] . Verder had [verweerder] volgens [verzoekster] bezwaar moeten maken tegen de vastgestelde WOZ-waarde per 1 januari 2025. De executeur-afwikkelingsbewindvoerder is hiertoe echter niet verplicht, ongeacht of de waarde aan de hoge kant is. [verweerder] voert aan dat de makelaar hem heeft geadviseerd geen bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde, omdat een hoge WOZ-waarde mogelijk tot hogere biedingen en dus een hogere verkoopprijs van de woning leidt. Dat [verweerder] voorts de betaling van € 2.500,00 van erflaatster aan [persoon 4] als schenking heeft aangemerkt, kan ook niet zonder meer als fout worden aangemerkt. [verweerder] baseert dit namelijk op de schriftelijke verklaring van erflaatster dat [persoon 4] een belastingvrije som krijgt voor reparatie van zijn auto (zie hiervoor onder r.o 4.4). Volgens [verzoekster] is deze overboeking geen schenking maar een betaling voor geleverde diensten. Dat is echter een geschil tussen partijen dat buiten deze procedure staat. Dit geschil is onvoldoende voor ernstig tekortschieten door de [verweerder] of van objectieve, gewichtige redenen voor wantrouwen van [verzoekster] jegens [verweerder] .

4.6.

De executeur heeft een uitgebreide informatieplicht ten opzichte van de erfgenamen (artikel 4:148 BW) . [verzoekster] stelt dat [verweerder] hem in weerwil hiervan te weinig financiële informatie heeft verstrekt. De kantonrechter constateert dat [verweerder] op 11 november 2025 een omschrijving van de boedel naar de erfgenamen heeft gestuurd. Ook heeft [verweerder] op 11 mei 2026 (voorlopig) rekening en verantwoording afgelegd, hoewel hij hier pas bij het einde van het beheer toe is gehouden (artikel 4:151 BW) . Ook op dit punt heeft [verzoekster] onvoldoende aangevoerd voor het oordeel dat er gewichtige redenen zijn voor het ontslag van [verweerder] als executeur.

4.7.

[verzoekster] is daarnaast ontevreden over de gang van zaken bij de verkoop van de woning. Hij is het niet eens met de door [verweerder] en de makelaar voorgestelde vraagprijs en wil daarnaast dat een tweede makelaar meekijkt met de verkoop. Dat [verzoekster] het niet eens is met de wijze waarop [verweerder] de verkoop van de woning aanpakt, is geen gewichtige reden voor ontslag van [verweerder] . [verweerder] heeft op grond van de wet (artikel 4:147 BW, artikel 4:171 BW) en het testament uitgebreide zelfstandige bevoegdheden. Zo staat in het testament: “De executeur is niet verplicht omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking in overleg te treden en heeft geen toestemming nodig voor de tegeldemaking van een goed”. In de verklaring van erfrecht is expliciet opgenomen dat [verweerder] het recht heeft om “zonder medewerking van de erfgenamen alle tot de nalatenschap van de overledene behorende (register)goederen, om welke reden dan ook, te gelde te maken”. Dat [verweerder] het verzoek van [verzoekster] om een tweede makelaar te benoemen niet heeft ingewilligd en dat hij ervoor heeft gekozen om de woning te laten taxeren, kan hem dan ook niet worden verweten.

4.8.

[verzoekster] voert aan dat sprake is van wantrouwen. Wantrouwen kan alleen een grond zijn voor ontslag van de executeur, als dit is gestoeld op concrete en objectieve feiten. Dat heeft [verzoekster] niet aangetoond. De kantonrechter ziet in de door [verzoekster] geschetste gang van zaken dat er weliswaar wrijving is tussen [verzoekster] en [verweerder] , maar ook dat [verweerder] informatie aan [verzoekster] en de andere erfgenamen is blijven verstrekken. De communicatie heeft ook plaatsgevonden via de notaris hetgeen klaarblijkelijk het wantrouwen bij [verzoekster] heeft vergroot. Dit is ten onrechte want het inschakelen van een professionele, derde partij op een moment dat de communicatie stroef verloopt, is naar het oordeel van de kantonrechter een begrijpelijke keuze en geen objectieve grond voor wantrouwen.

4.9.

De laatste grief van [verzoekster] bestaat uit verwijten aan het adres van de betrokken notaris. [verzoekster] meent dat de notaris verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter zal niet uitgebreid op deze aantijgingen ingaan aangezien het handelen van de notaris geen onderwerp van deze procedure is en de notaris evenmin partij is. Los daarvan is zonder nadere toelichting niet in te zien dat dit handelen van de notaris zou kunnen leiden tot een verwijt aan het adres van de executeur dat gewichtige reden voor ontslag meebrengt.

4.10.

Bovenstaande brengt mee dat er geen gewichtige redenen zijn aangetoond voor het ontslag van [verweerder] als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. De verzoeken van [verzoekster] zullen daarom worden afgewezen.

4.11.

[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [verweerder] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris advocaat

€

174,00

(2 punten × € 87,00)

- nakosten

€

133,50

Totaal

€

400,50

De kosten van de belanghebbenden worden begroot op nihil.

5De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van [verweerder] , begroot op € 400,50,

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733