Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding tussen ouders met gezamenlijk gezag waarin de vrouw als momfluencer werkt en de man online beschuldigingen plaatst en opdrachtgevers benadert. Botsing tussen art. 8 EVRM en art. 10 EVRM wordt in nadeel van de man beslecht. De rechter gebiedt verwijdering van posts en gedeelde privécommunicatie, verbiedt toekomstige publieke uitingen over het geschil en het benaderen van opdrachtgevers, en legt een herstelbericht en dwangsom op. Partijen moeten een gezagsregeling treffen of de weg van art. 1:253a BW volgen. Het conflict hoort niet op social‑Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 04-11-2026 |
| Zaaknummer | C/15/382553 / KG ZA 26-553 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Alkmaar |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Overig; Social media in het familierecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Partijen hebben een relatie gehad en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun twee kinderen. De vrouw is “momfluencer” en de man heeft online berichten geplaatst met zijn bezwaren tegen het inzetten van de kinderen voor commerciële doeleinden. Ook heeft hij rechtstreeks opdrachtgevers van de vrouw benaderd. De vrouw heeft – samengevat – gevorderd dat de man daarmee ophoudt. De voorzieningenrechter wijst de gevraagde voorzieningen (grotendeels) toe. Partijen dienen een gezagsregeling te treffen en als zij daarin niet slagen, dan moeten zij de in artikel 1: 253a BW aangewezen weg bewandelen. Het meningsverschil dient niet publiekelijk op social media te worden uitgevochten.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/382553 / KG ZA 26-553
Vonnis in kort geding van 3 november 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.T.M. Sengers,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
verschenen in persoon.
De zaak in het kort
Partijen hebben een relatie gehad en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun twee kinderen. De vrouw is “momfluencer” en de man heeft online berichten geplaatst met zijn bezwaren tegen het inzetten van de kinderen voor commerciële doeleinden. Ook heeft hij rechtstreeks opdrachtgevers van de vrouw benaderd. De vrouw heeft – samengevat – gevorderd dat de man daarmee ophoudt. De voorzieningenrechter wijst de gevraagde voorzieningen (grotendeels) toe. Partijen dienen een gezagsregeling te treffen en als zij daarin niet slagen, dan moeten zij de in artikel 1: 253a BW aangewezen weg bewandelen. Het meningsverschil dient niet publiekelijk op social media te worden uitgevochten.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 oktober 2026 met producties 1 tot en met 17,
- de mondelinge behandeling van 20 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van de vrouw.
2Uitgangspunten
Partijen hebben een relatie gehad en hebben twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen) waarover zij gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben.
De vrouw is influencer, model en contentcreator. Via haar openbare Instagram account [account] , dat ongeveer 42.200 volgers heeft, deelt zij onder andere content over haar dagelijks leven, moederschap en gezin. Zij genereert inkomsten uit betaalde samenwerkingen met merken en opdrachtgevers.
De vrouw verrichtte deze werkzaamheden ook al tijdens de relatie met de man. De man werkte toen mee aan betaalde en onbetaalde samenwerkingen waarin de kinderen voorkwamen en had er geen bezwaar tegen dat de kinderen als online content werden opgenomen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende Instagram en Whatsapp berichten van de vrouw:
Bericht van de vrouw van 22 december 2019 bij een foto van partijen en hun dochter
1:
“Oh wat is dit genieten zeg quality time met ons gezin We zijn vandaag bij het winterstation geweest. [kind 1] ging ook voor het eerst schaatsen het was zo leuk! Het was een weekend om niet te vergeten #winterstation #spoorwegmuseum”
Bericht van de vrouw van 12 oktober 2020 bij een foto van de man en hun dochter:
“About last weekend how [kind 1] look up to her daddy! I just cant”
Whatsappbericht van de vrouw aan de man van 13 februari 2022
2:
“Nu nog hopen dat het goedgekeurd word. Ik ben zooooooo benieuwd wat die luier merk gaat zeggen. Zou echtmega chill zijn”,
waarop de man heeft geschreven:
“Ja denk wel dat ze akkoord gaan”.
Bericht met video van de vrouw aan de man van 20 februari 2023:
“Leuk geworden?”,
waarop de man heeft geantwoord:
“Ja leuk”.
Bericht van de vrouw aan de man van 5 april 2025:
[kind 1] staat komende week in de scapino folder”,
waarop de man heeft geschreven:
“Okee cooooool”.
Sinds partijen uit elkaar zijn verzet de man zich tegen het gebruik van de kinderen als content door de vrouw en wil hij daar voor iedere samenwerking apart toestemming voor geven. Omdat de vrouw daar niet aan wil meewerken en zij de man heeft geblokkeerd op whatsapp en niet meer reageert op zijn e-mails, heeft de man zijn bezwaren online gezet. Ook heeft hij privéberichten tussen partijen gedeeld met zijn volgers en heeft hij hen opgeroepen die berichten te delen en content van de vrouw te rapporteren. In dat kader heeft de man diverse publicaties op zijn Instagram pagina geplaatst.
Eind augustus 2026 heeft de man ongeveer negen opdrachtgevers en zakelijke relaties van de vrouw rechtstreeks benaderd via Instagram. Daarin heeft hij hen medegedeeld dat de kinderen vanaf 1 september 2026 niet meer aan samenwerkingen mogen deelnemen en dat voor iedere samenwerking apart zijn toestemming moet worden gevraagd. De man heeft juridische maatregelen aangekondigd als de opdrachtgevers zich hier niet aan houden.
Op 1 september 2026 heeft man het volgende, voor zover hier van belang, op zijn Instagram pagina geplaatst
3:
“Er zijn in de afgelopen jaren meerdere voorvallen geweest die ik samen met mijn kinderen en mijn ex partner besproken heb. Helaas zie ik niet dat er voor haar samenwerkingen waarin de kinderen nodig zijn, de kinderen er altijd 100% achter staan. Ik vind het belangrijk dat mijn kinderen er wel 100% achter staan aangezien het hun moeders werk is en ze daar niet verplicht aan mee hoeven doen.”
Tevens heeft de man geschreven:
“Geen reden om dit als iets persoonlijks richting de moeder van mijn kinderen te zien. Dit speelt al heel lang en samen komen we er helaas niet uit.”
Op 16 september 2026 heeft de man het volgende, voor zover hier van belang, gepubliceerd op zijn Instagram pagina
4:
“Ik plaats dit hier omdat het vorige keer zin leek te hebben. Ik kreeg namelijk 2 dagen na mijn laatste post een bericht van mijn ex waarin ze mij vertelde dat ze mij toch wel op de hoogte zal houden en mij om toestemming zou vragen voor samenwerkingen waarin de kids betrokken zijn --- zie bericht (03/09/26 20:26) ----
waarbij de man heeft verwezen naar het volgende Whatsapp bericht van de vrouw aan de man:
Voor nieuwe samenwerkingen waarbij [kind 1] of [kind 2] betrokken zouden zijn, ben ik bereid om dit voortaan vooraf met jou te bespreken via de app en per samenwerking om akkoord te vragen. Dat lijkt mij ook een redelijke manier om hier vanaf nu mee om te gaan, zonder dat bestaande afspraken ineens geannuleerd hoeven te worden.”
Ook heeft de man op 16 september 2026 zijn volgers opgeroepen om zijn publicaties te delen. Hij heeft privé communicatie tussen partijen op zijn Instagram pagina gedeeld en het volgende, voor zover hier van belang, geschreven
5:
“Ze stuurde nog een bericht om 21:45 waarin ze aangaf dat ze duidelijk genoeg was geweest in haar vorige bericht over haar al ingeplande samenwerkingen. (…) --- zie bericht ------->
waarbij de man heeft verwezen naar het volgende Whatsapp bericht van de man aan de vrouw:
[eiseres] ,
Wat een groot verschil van wat je maandag allemaal tegen me hebt gezegd en wat je nu zegt. (…)
Op deze manier kan ik geen afspraken maken namelijk.”
Verder heeft de man op 16 september 2026 op zijn Instagram pagina het volgende geschreven
6:
“Helaas is het in het verleden wel voorgekomen dat mijn kinderen mee moesten doen met samenwerkingen terwijl ze dat niet wilden. Ze geven dit dan ook duidelijk aan maar krijgen als wel eens te horen: ‘Waarom doe je zo raar?’-‘Doe gewoon even mee, we zijn bijna klaar’- ‘Als je nog één keer goed meedoet, krijg je dit of dat”. Zoals aangegeven heb ik dit meermaals met mijn ex proberen op te lossen maar worden in mijn ogen, voor sommige samenwerkingen, haar verdiensten boven de keuzes van onze kinderen gezet.”
tevens heeft de man geschreven:
“ [eiseres] , je hebt voor de tweede keer deze maand onze kinderen als verdienmodel gebruikt door middel van een bericht op Instagram. Je hebt hier geen toestemming voor gekregen van mij en ik accepteer dit niet meer!!”
Bij brief en e-mail van 18 september 2026 heeft de advocaat van de vrouw de man gesommeerd publicaties te verwijderen, verdere uitingen en benadering van klanten te staken en schriftelijk te bevestigen dat hij dit heeft gedaan. De man heeft niet aan deze schriftelijke sommatie voldaan.
3Het geschil
De vrouw vordert - in een zeer uitgebreid petitum en hier sterk samengevat - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de man gebiedt om de door hem online geplaatste publicaties zoals weergegeven in producties 5 tot en met 14 te verwijderen en verwijderd te houden;
II. de man gebiedt om alle door hem online gepubliceerde privécommunicatie en vermeende uitlatingen, ervaringen of wensen van de kinderen te verwijderen en verwijderd te houden;
III. de man verbiedt om de vrouw openbaar zonder toereikende feitelijke grondslag ervan te beschuldigen of de indruk te wekken dat zij de kinderen tegen hun wil laat werken of als verdienmodel gebruikt;
IV. de man verbiedt om via sociale media of andere openbare kanalen informatie openbaar te maken over het ouderlijke geschil;
V. de man verbiedt om klanten, opdrachtgevers, agencies en samenwerkingspartners van de vrouw te benaderen;
VI. de man gebiedt een rectificatie te plaatsen;
VII. bepaalt dat de man voor iedere overtreding een dwangsom verbeurt;
VIII. de man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en de wettelijke rente;
IX. althans zodanige voorzieningen treft als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
De vrouw legt aan de vordering ten grondslag dat zij op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) recht heeft op eerbiediging van haar privéleven, eer en goede naam. Volgens haar heeft de man weliswaar op grond van artikel 10 EVRM recht op vrijheid van meningsuiting en hebben de kinderen recht op bescherming van hun privéleven, maar dat betekent niet dat de man (vermeende) verklaringen, gevoelens en ervaringen van de kinderen of het conflict tussen de ouders tegenover een groot publiek mag openbaren. Ouders moeten over wezenlijke beslissingen die de kinderen aangaan overleg met elkaar voeren. Het gezamenlijk gezag geeft geen van beide ouders een onbeperkt eenzijdig handhavingsrecht via sociale media. Een geschil over het gezamenlijk gezag moeten ouders op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter voorleggen. De publicaties van de man wekken tegenover een groot publiek de stellige indruk dat de vrouw de kinderen tegen hun wil commercieel inzet. Die voorstelling mist een toereikende basis en heeft aantoonbaar zakelijke en persoonlijke gevolgen, aldus de vrouw.
De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
In dit kort geding wordt uitsluitend een beslissing gevraagd over, samengevat, de manier waarop de man online reageert op door de vrouw gebruikte content en hoe de man de opdrachtgevers van de vrouw benadert. Partijen hebben de vraag of het is toegestaan foto’s, video’s en andere content van en met de kinderen online te plaatsen niet aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Omdat het gaat om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen, is voor toewijzing nodig dat de vrouw een spoedeisend belang heeft. Omdat de handelwijze van de man leidt tot reputatie- en inkomensschade van de vrouw, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang.
In dit kort geding gaat het om een botsing tussen twee fundamentele grondrechten: enerzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de vrouw (artikel 8 EVRM) en anderzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van de man (artikel 10 EVRM) en daarmee het recht om vrijelijk deel te nemen aan het publieke debat via social media.
Volgens de vrouw is haar belang erin gelegen dat zij inkomsten genereert uit betaalde samenwerkingen met merken en opdrachtgevers door content over haar dagelijks leven, moederschap en gezin op social media te plaatsen. Zij heeft die inkomsten nodig voor de verzorging en opvoeding van de kinderen, mede omdat de man slechts € 68,- per maand aan kinderalimentatie betaalt en hij de alimentatie in het recente verleden veertien maanden niet uit zichzelf heeft betaald. Bovendien heeft de man altijd ingestemd met het plaatsen van content met de kinderen toen partijen nog een relatie hadden. Hij heeft de vrouw in die tijd zelf ook gevraagd om een filmpje van de kinderen te maken voor het social media account van zijn toenmalige werkgever, een profvoetbalclub. Sinds enige tijd verzet de man zich echter tegen het gebruik van content waarop de kinderen zichtbaar zijn.
De man heeft aangevoerd dat de kinderen inmiddels ouder zijn en een eigen mening hebben. Hij vindt dat die meningen moeten worden gerespecteerd en dat de vrouw de content met de kinderen niet meer mag gebruiken zonder zijn toestemming. Hij heeft geprobeerd een oplossing te zoeken met de vrouw, maar dat is niet gelukt. Toen de vrouw de man blokkeerde op whatsapp en zijn e-mails niet meer beantwoordde, is hij publiekelijk online berichten gaan plaatsen waarin hij zich over de vrouw en de door haar gebruikte content met de kinderen beklaagde en heeft hij zich tot opdrachtgevers van de vrouw gewend.
Hoewel de man in beginsel zijn visie mag geven over de manier waarop de vrouw met de kinderen omgaat en niet iedere kritiek op het handelen van de vrouw achterwege hoeft te laten, verdient de vrouw bescherming van haar persoonlijke levenssfeer, eer en goede naam en zakelijke belangen. De voorzieningenrechter moet deze rechten en belangen in onderling verband afwegen, waarbij de volgende omstandigheden relevant kunnen zijn
7: (i) de aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor de betrokkene, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen en (v) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.
Uit de social media berichten van de man blijkt dat hij daarin niet uitsluitend feitelijke mededelingen doet, maar dat hij daarin ook beschuldigingen uit aan het adres van de vrouw, zoals bijvoorbeeld in een bericht van 16 september 2026
8:
“ [eiseres] , je hebt voor de tweede keer deze maand onze kinderen als verdienmodel gebruikt door middel van een bericht op Instagram”
en in datzelfde bericht:
“Zoals aangegeven heb ik dit meermaals met mijn ex proberen op te lossen maar worden in mijn ogen, voor sommige samenwerkingen, haar verdiensten boven de keuzes van onze kinderen gezet.”
Hoewel de man heeft gesteld dat de kinderen niet altijd meer zin hebben om mee te doen met het maken van filmpjes en foto’s, is daarvan niets gebleken en heeft hij dat op geen enkele wijze onderbouwd. Ook heeft hij niet gesteld dat de inhoud van de filmpjes of foto’s onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de berichten op de social media accounts van de man zich niet beperken tot zakelijke mededelingen en niet uitsluitend feitelijk van aard zijn. De mededelingen zijn suggestief voor wat betreft het optreden van de vrouw. Gezien de aard van de mededelingen kon de man voorzien dat de vrouw daardoor publiekelijk in een slecht daglicht zou komen te staan en dat dit tot ernstige gevolgen voor haar zou leiden, waaronder reputatie- en inkomensschade. Dat geldt temeer omdat de man de berichten op een openbaar account heeft gepubliceerd, zijn volgers heeft aangespoord om de berichten te delen zodat het bereik alleen nog maar groter wordt (zie hiervoor r.o. 2.8) en zowel de man als de vrouw een groot bereik hebben op hun social media accounts.
Hoewel de privacy van de kinderen zwaar weegt en de man die privacy in beginsel mag beschermen, ligt dat anders als het handelen van de man wordt ingegeven om de vrouw onder druk te zetten of financieel te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de man zich weliswaar bereid verklaard om afspraken te maken met de vrouw over het gebruik van content waarin de kinderen voorkomen, maar hij tekende daarbij aan dat als de vrouw zich niet aan die afspraken zou houden, hij zich vrij achtte de opdrachtgevers van de vrouw onmiddellijk opnieuw te benaderen. De voorzieningenrechter ziet in die opstelling voldoende reden om de vorderingen van de vrouw (grotendeels) toe te wijzen, mede omdat uit die opstelling blijkt dat een kans op herhaling bestaat. Als de man het niet eens is met de opstelling van de vrouw, dan dient hij zich te wenden tot de rechter die bevoegd is kennis te nemen van geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag. Door dat niet te doen, maar er in plaats daarvan mee te dreigen zich rechtstreeks tot opdrachtgevers van de vrouw te wenden, doorkruist de man het wettelijk systeem, hetgeen niet toelaatbaar is. Daarbij weegt het voor de voorzieningenrechter ook mee dat de man tijdens de relatie van partijen nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van de content en dat hij de vrouw zelfs heeft aangemoedigd om inkomsten te verwerven als influencer.
De vrouw heeft in vordering I en II (samengevat) gevorderd dat alle publicaties en uitlatingen door de man zoals overgelegd in producties 5 tot en met 14 bij dagvaarding moeten worden verwijderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd dat hij de betreffende publicaties zal verwijderen. Om er zeker van te zijn dat de man dit ook daadwerkelijk zal doen, zal de voorzieningenrechter het gevorderde (grotendeels) toewijzen.
De vrouw heeft in vordering III en IV (samengevat) gevorderd dat de man in de toekomst geen publicaties mag doen waarbij de vrouw of de kinderen bij naam, beeld, account, als ‘mijn ex, ‘de moeder van mijn kinderen’ worden genoemd of waarbij wordt gesuggereerd dat de vrouw de kinderen als verdienmodel gebruikt. Aangezien de man geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen deze vorderingen en gezien hetgeen hiervoor in r.o. 4.7 en 4.8 is overwogen, zal de voorzieningenrechter deze vorderingen ook (grotendeels) toewijzen.
Ook voor wat betreft de vordering onder V dient de voorzieningenrechter de belangenafweging zoals genoemd in 4.5 te maken. Hoewel het de man in beginsel vrijstaat aan klanten van de vrouw uit te leggen dat, en waarom, hij bezwaar heeft tegen de rol van de kinderen in commerciële content, houdt dat niet in dat hij zonder voldoende feitelijke grond beschuldigingen mag verspreiden die de vrouw in diskrediet brengen. Bovendien is het standpunt van de vrouw (volledig) weggelaten in de berichtgeving van de man aan de opdrachtgevers, waardoor een scheef beeld ontstaat. De man heeft onder meer aan opdrachtgevers geschreven dat ‘kinderen gebruikt worden’ en dat ‘kinderen geen zin hebben om mee te werken’
9, waarop die opdrachtgevers de samenwerking met de vrouw onmiddellijk hebben stopgezet.
Daar komt bij dat de man in zijn berichten aan de betreffende opdrachtgevers heeft gedreigd met juridische maatregelen. Zo heeft de man geschreven
10: “Ik heb [eiseres] hiervan op de hoogte gebracht en ik verwacht dat jullie hier allemaal gehoor aan zullen geven. Mochten jullie hier geen gehoor aan geven, dan zal ik juridische stappen tegen jullie ondernemen”. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de berichten er op zijn gericht dat opdrachtgevers zouden afhaken en om aldus de inkomsten van de vrouw te ondermijnen met feiten die niet zijn onderbouwd en/of die misleidend zijn.
Gelet op het voorgaande volgt de voorzieningenrechter niet het standpunt van de man dat hij uitsluitend de privacy van de kinderen probeert te beschermen, maar is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man zijn positie in het geschil tussen partijen gebruikt en misbruikt om druk uit te oefenen op de vrouw door middel van het plaatsen van de hiervoor genoemde publicaties en het rechtstreeks benaderen van opdrachtgevers van de vrouw. Dat is onrechtmatig, mede gezien het feit dat de man andere, minder ingrijpende mogelijkheden heeft om zijn doel te bereiken. De man kan immers proberen overeenstemming met de vrouw te bereiken over een gezagsregeling of kan gebruik maken van de in artikel 1:253a BW aangewezen weg. In beide gevallen hoeft de discussie tussen partijen dan niet publiekelijk te worden gevoerd. De man heeft ten onrechte niet van deze mogelijkheden gebruik gemaakt.
Het voorgaande leidt ertoe dat er voldoende aanleiding bestaat voor het online plaatsen van een herstelbericht. De vrouw heeft daartoe een tekstvoorstel gedaan, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat die tekst te lang en te vergaand is. De voorzieningenrechter zal de vordering onder VI dan ook toewijzen zoals hierna opgenomen in het dictum.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Aangezien de kinderen in dit geschil een grote rol spelen en op de zitting is gebleken dat zij als gevolg van het conflict tussen de ouders in een loyaliteitsconflict (dreigen te) komen, roept de voorzieningenrechter partijen uitdrukkelijk op om ofwel gezamenlijk tot een gezagsregeling te komen waarin ook afspraken worden gemaakt over het plaatsen van content met de kinderen, ofwel zich te wenden tot de in artikel 1:253a BW bedoelde rechter in plaats van het geschil verder publiekelijk te laten escaleren.
Proceskosten
Gelet op de familierechtelijke relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
gebiedt de man om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de door hem
geplaatste publicaties, stories en reacties, zoals weergegeven in producties 5 tot en met 14 van de dagvaarding, op Instagram, Facebook en overige door de man openbaar beheerde online accounts volledig te verwijderen en verwijderd te houden,
gebiedt de man om binnen 48 uur na betekening van het vonnis alle door hem
publiekelijk online gepubliceerde privécommunicatie van en met de vrouw te verwijderen en verwijderd te houden,
verbiedt de man na betekening van het vonnis om openbaar de vrouw zonder toereikende feitelijke grondslag ervan te beschuldigen of de indruk te wekken dat zij de kinderen tegen hun wil laat werken of aan samenwerkingen laat deelnemen, hen als verdienmodel gebruikt of hun belangen of wensen ondergeschikt maakt aan haar inkomsten,
verbiedt de man na betekening van het vonnis om via sociale media, websites of andere openbare kanalen informatie openbaar te maken over het ouderlijk geschil en de privécommunicatie tussen partijen,
verbiedt de man na betekening van het vonnis om bestaande en potentiële klanten, opdrachtgevers, agencies en samenwerkingspartners van de vrouw direct of indirect te benaderen teneinde hen wegens het geschil tussen partijen te bewegen samenwerkingen met de vrouw niet aan te gaan, te beperken of te beëindigen, dan wel content van de vrouw te verwijderen of te vervangen,
gebiedt de man om binnen 48 uur na betekening van het vonnis op zijn
Instagram- en Facebookaccounts waarop de uitingen zijn gepubliceerd zonder commentaar, duidelijk leesbaar, in een normaal lettertype en met zwarte letters op een witte achtergrond voor de duur van 72 uur en, indien mogelijk, gepinned het volgende bericht te plaatsen:
“HERSTELBERICHT
Ik heb op mijn socialmedia-accounts berichten geplaatst over [eiseres] , de moeder van mijn kinderen, en haar werkzaamheden. Ik had onze privé communicatie en het geschil tussen ons als ouders niet publiekelijk moeten maken en anderen niet moeten oproepen de berichten verder te verspreiden of haar content te rapporteren. Ik heb de berichten dan ook inmiddels verwijderd.”
bepaalt dat de man voor iedere overtreding van een van de onder 5.1 tot en met 5.6 uitgesproken veroordelingen een dwangsom verbeurt van € 500,-, vermeerderd met € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat een overtreding voortduurt, met een maximum van € 5.000,-,
|
5.8. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026. |
||
Productie 1 bij dagvaarding
Productie 2 bij dagvaarding
Productie 5 bij dagvaarding
Productie 6 bij dagvaarding
Productie 6 bij dagvaarding
Productie 6 bij dagvaarding
HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221 en Rechtbank Rotterdam 27 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2075
Productie 6 bij dagvaarding
Productie 15 bij dagvaarding
Productie 15 bij dagvaarding
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
