Essentie (gemaakt door AI)
Voorlopige voorzieningen waarin het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan vrouw is toegewezen en het onderdeel ‘met inboedel’ wegens gebrek aan belang is afgewezen. Het verzoek van man om een gebruiksvergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu dit niet valt onder de limitatieve opsomming van art. 822 Rv; verwijzing naar oud recht (art. 825b Rv) helpt niet. Voorlopige partneralimentatie wordt vastgesteld op € 5.050 bruto per maand, aansluitend bij actuele inkomens en zonder verdiencapaciteit vrouw te imputeren.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 04-11-2026 |
| Zaaknummer | C/09/709088 / FA RK 26-7216 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Vovo art. 822 Rv; Familievermogensrecht; Gebruiksvergoeding |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
voorlopige voorzieningen. uitsluitend gebruik. kan gebruiksvergoeding op grond van 822 Rv? voorlopige partneralimentatieVolledige uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-7216
Zaaknummer: C/09/709088
Datum beschikking: 28 september 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 14 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.D. Bakker te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift, met bijlagen;
-
het verweerschrift tevens verzoekschrift, met bijlagen;
- de (e-mail)brief van 9 september 2026, met bijlagen, namens de vrouw;
- het bericht van 12 september 2026, met bijlage, namens de man.
Op 14 september 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk B.A. Hitchcock-Szafranska en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 1997 te [plaats 1] in [land].
- Zij zijn de ouders van twee meerderjarige kinderen:
[meerderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats 1];
[meerderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [geboorteplaats 2].
- De man en de vrouw hebben (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan [adres], met inbegrip van de inboedel;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van
€ 5.050,- bruto per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man verweert zich tegen de verzoeken van de vrouw. Hij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw althans de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud bij toewijzing van het verzoek te beperken tot een bedrag van € 3.147,- bruto per maand althans zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
Tevens verzoekt de man zelfstandig:
- voor het geval het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de
echtelijke woning wordt toegewezen, te bepalen dat de vrouw met ingang van
17 juli 2025 althans een zodanige datum als uw rechtbank rechtvaardig acht een
gebruiksvergoeding van € 1.350,- per maand aan de man verschuldigd is, althans
een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- te bepalen dat ieder der partijen de eigen proceskosten dient te dragen.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe. De rechtbank past in dit geval Nederlands recht toe.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
De vrouw verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Volgens de vrouw woont de man sinds juni 2024 bij zijn vriendin in [plaats 2]. De man komt wel iedere dag naar de woning om de paarden verzorgen. Daarbij komt hij regelmatig de echtelijke woning binnen, wat voor escalaties zorgt. Inmiddels is er meerdere keren sprake geweest van huiselijk geweld waarbij de vrouw de man ook herhaaldelijk heeft verzocht de woning niet meer te betreden. Dat is volgens de vrouw ook niet nodig, omdat de man de stal in kan om de paarden te verzorgen en daar ook alle benodigdheden zijn. Bovendien zou de man ook gebruik kunnen maken van de woning van zijn moeder, die op hetzelfde erf als de echtelijke woning is gelegen. Dochter [meerderjarige 2] woont met haar vriend in een stacaravan op het erf en dochter [meerderjarige 1] woont sinds augustus 2026 weer thuis. De vrouw heeft de woning nodig als thuis voor de kinderen. In tegenstelling tot de man stelt de vrouw geen alternatieve woonruimte te hebben. Zij heeft alles in haar geboorteland achtergelaten. De man kan bij zijn vriendin wonen en bij zijn moeder. Daarnaast is het inkomen van de vrouw zo gering, dat het lastig is om andere woonruimte te krijgen. Tot slot stelt de vrouw dat de man haar heeft laten weten dat zij per 18 augustus 2026 de echtelijke woning moet verlaten. De moeder van de man is vruchtgebruikster en wil de woning gaan verhuren. De vrouw verzoekt daarom nu het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Zij meent dat haar belang bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de moeder van de man om huurinkomsten te ontvangen.
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw. De man bestrijdt dat er gronden bestaan om de vrouw het uitsluitend gebruik toe te kennen. In het bijzonder bestrijdt de man uitdrukkelijk dat er sprake is geweest van huiselijk geweld tegenover de vrouw. Volgens de man leefden partijen voor de beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding ook al langs elkaar heen en leidden zij min of meer een gescheiden leven.
Op de zitting heeft de man nader toegelicht dat het voor hem van belang is dat hij weer samen met de vrouw in de woning kan verblijven. Volgens de man is dit ook mogelijk, omdat hij een eigen slaapkamer heeft. Daarnaast is de man veel aan het werk. Hij heeft twee projecten in [plaats 3] en [plaats 4] en vertrekt een aantal dagen per week vroeg in de ochtend. De andere dagen wil hij thuiswerken, wat nu niet kan. In de echtelijke woning heeft hij de studeerkamer. De man heeft weliswaar een nieuwe partner, maar deze relatie staat op losse schroeven vanwege de situatie. De man verblijft nu bij zijn moeder op hetzelfde erf.
De rechtbank overweegt als volgt.
De vrouw stelt belang te hebben bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de man stelt belang te hebben dat hij samen met de vrouw in de echtelijke woning kan verblijven althans dat hij gebruik kan blijven maken van de echtelijke woning. De vrouw stelt dat zij –in tegenstelling tot de man– op dit moment geen alternatieve woonruimte heeft. Verder is tussen partijen niet in geschil dat de vrouw de echtelijke woning niet zal kunnen overnemen. Dit betekent dat de vrouw in het kader van de echtscheidingsprocedure in de nabije toekomst niet meer in de echtelijke woning zal kunnen blijven wonen en elders woonruimte zal moeten vinden. De vrouw stelt dat zij door haar geringe inkomen nu nog onvoldoende in staat is geweest op zoek te gaan naar alternatieve woonruimte. Wat daar ook van zij, feit is dat de vrouw op dit moment niet over andere woonruimte kan beschikken, terwijl de man in elk geval vanaf juni 2024 uit de echtelijke woning is vertrokken en tot nu toe bij zijn vriendin heeft verbleven. Voor zover de man niet langer bij zijn vriendin zou kunnen verblijven, heeft de man voldoende andere mogelijkheden om te verblijven als ook voldoende financiële middelen voor alternatieve woonruimte. Voor de rechtbank staat vast dat de vrouw en de man vanwege de onderlinge spanningen niet meer gezamenlijk in de echtelijke woning kunnen verblijven. De rechtbank zal het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning dan ook aan de vrouw toekennen.
De rechtbank wijst er evenwel uitdrukkelijk op dat de vrouw actief op zoek zal moeten gaan naar alternatieve woonruimte. Ook zullen beide partijen constructief moeten gaan meewerken aan de financiële afwikkeling van de echtscheiding, zodat hierover snel duidelijkheid zal ontstaan en aan de huidige –niet ideale – situatie een einde zal komen.
Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.
Gebruiksvergoeding echtelijke woning
Voor zover de rechtbank het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toekent, verzoekt de man een gebruiksvergoeding toe te kennen,
Dit verzoek van de man tot toekenning van een gebruiksvergoeding betreft niet een maatregel die behoort tot de in artikel 822, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen die de rechter voor de duur van het scheidingsgeding kan treffen.
De man heeft op de zitting verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 1993 (ECLI:NL:HR:1993, ZC1099, NJ 1994, 63) en stelt dat op grond van artikel 822 Rv wel een gebruiksvergoeding kan worden verzocht, omdat een gebruiksvergoeding samenhangt met het uitsluitend gebruik van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het arrest van de Hoge Raad op een oude wettekst, namelijk artikel 825b, aanhef onder a, Rv. Deze wettekst is niet meer van kracht. De in het huidige artikel 822 Rv opgenomen opsomming van mogelijk te treffen voorlopige voorzieningen is limitatief. De rechtbank moet hiervan nu uitgaan en daar valt een verzoek tot het toekennen van een gebruiksvergoeding niet onder. Wel kan de man dit verzoek in de echtscheidingsprocedure indienen.
Gelet op het voorgaande is de man niet-ontvankelijk in dit verzoek.
Voorlopige partneralimentatie
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat een summier onderzoek wordt gedaan en wordt uitgegaan van de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. In dat kader merkt de rechtbank vooraf op dat in de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen, waarin geen plaats is voor de verdiencapaciteit bij het berekenen van de voorlopige partneralimentatie.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum beoordelen. De vrouw verzoekt de datum van indiening van het verzoekschrift (14 juli 2026) als ingangsdatum te hanteren. De man heeft zich hiertegen niet verweerd. Gelet hierop en omdat de man vanaf 14 juli 2026 hiermee rekening heeft kunnen houden, zal de rechtbank de ingangsdatum van de voorlopige partneralimentatie vaststellen op 14 juli 2026.
Behoefte vrouw
De rechtbank zal – evenals partijen – de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van uiteengaan van partijen.
Voor het bepalen van het netto besteedbare gezinsinkomen (NBGI) moet allereerst het netto besteedbare inkomen (NBI) van de man en de vrouw tijdens hun samenleving worden bepaald. Vast staat dat partijen in juni 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de inkomensgegevens over 2024.
NBI vrouw 2024
De rechtbank gaat bij de vrouw uit van een jaarinkomen van € 13.060,- over 2024. Dit volgt uit de Aangifte inkomstenbelasting 2024.
Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vrouw op het moment van de samenleving op € 1.088,- per maand (tarief 2024-1).
NBI man 2024
De rechtbank gaat bij de man uit van een jaarinkomen over 2024 van € 132.285,-
(€ 142.672 -/- € 10.387 bijtelling auto), zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2024 en loonspecificatie december 2024.
In geschil tussen partijen is of de man inkomsten geniet uit werkzaamheden voor [naam] voor de inzet van zijn werkpaarden. De vrouw stelt dat de man in 2024 een vergoeding van [naam] heeft ontvangen van € 9.868,-, zoals blijkt uit het door de vrouw als productie 4 overgelegd Rabo Totaal rekening overzicht. De man betwist het standpunt van de vrouw en stelt dat hij geen inkomsten geniet uit de werkzaamheden voor [naam]. De betalingen die de man van [naam] heeft ontvangen zijn vergoedingen van de door de man gemaakte kosten. Op de zitting heeft de man nader toegelicht dat de paarden een hobby zijn. Hij leent af en toe paarden uit aan [naam] en de betalingen die hij hiervoor ontvangt, gebruikt de man om de gangbare kosten van de paarden te voldoen. De man heeft geen extra kosten van de paarden als gevolg van het uitlenen van de paarden. Anders dan de man stelt, oordeelt de rechtbank dat deze betalingen van [naam] als extra inkomsten moeten worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom bij het bepalen van het NBI van de man ook rekening houden met deze inkomsten van
€ 9.868,- netto per jaar, nu de man de hoogte van het door de vrouw gestelde bedrag niet heeft betwist.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man op het moment van de samenleving op
€ 7.178,- per maand (tarief 2024-1).
NBGI in 2024
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 8.266,- per maand
(€ 1.088 (NBI vrouw) + € 7.178 (NBI man)). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 4.960,- netto per maand (60% van
€ 8.266 per maand). Geïndexeerd naar 2026 is dat afgerond € 5.525,- netto per maand.
Aanvullende behoefte vrouw
Op de berekende netto behoefte van de vrouw van € 5.525,- per maand moet haar netto besteedbaar inkomen in mindering worden gebracht.
De man stelt dat de vrouw in staat moet worden geacht om ten minste het minimum loon te verdienen, omdat zij niet meer is belast met de zorg voor minderjarige kinderen, noch arbeidsongeschikt is of anderszins beperkt is in de mogelijkheden om inkomsten te genereren. De vrouw heeft zich hiertegen gemotiveerd verzet. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, zal in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure nu geen rekening worden gehouden met een verdiencapaciteit. Wel merkt de rechtbank daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief zal worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening zou kunnen worden gehouden. De rechtbank zal in deze voorlopige voorzieningenprocedure uitgaan van de huidige feitelijke situatie. Daarbij gaat de rechtbank er wel vanuit dat de vrouw nog steeds evenveel verdient dan wel kan verdienen als in 2024, te weten € 13.060,- bruto per jaar.
Op basis van het jaarinkomen van € 13.060,- en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vrouw op € 1.070,- per maand (tarief 2026-2).
Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 4.455,- netto per maand, te weten € 5.525 -/-
€ 1.070. Dat is € 8.503,- bruto per maand.
NBI en draagkracht man in 2026
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgaan – evenals beide partijen – van de door hem als productie 12 overgelegde recente salarisspecificaties over januari tot en met juli 2026. Uit deze salarisspecificaties blijkt dat de man een salaris van
€ 10.592,- bruto per maand ontvangt, te vermeerderen met vakantiegeld en eindejaarsuitkering van € 10.592,- per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de diverse ingehouden pensioenpremies, de inhouding SAB premie, de premie PAWW en de netto ingehouden premie WGA.
Ook in het kader van de draagkracht zal de rechtbank bij het berekenen van het NBI van de man rekening houden met de inkomsten uit werkzaamheden voor [naam] van
€ 9.868,- netto per jaar,
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man op € 7.408,- per maand (tarief 2026-2).
De rechtbank zal voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het gebruikelijke woonbudget (0,3 x NBI). Vast staat dat de man sinds juni 2024 de echtelijke woning heeft verlaten en samenwoont met zijn nieuwe partner. De rechtbank is niet gebleken dat de man nu eigen woonlasten heeft.
Op de zitting heeft de vrouw toegezegd uit de door haar te ontvangen partneralimentatie de gebruikerslasten van de woning te zullen gaan betalen. Ook heeft de vrouw op zitting toegezegd dat zij de helft van de eigenaarslasten van de woning zal gaan betalen. Op de zitting is gebleken dat de eigenaarslasten in ieder geval een bedrag van € 419,94 per maand zijn, te weten de hypotheekrente en – aflossing. Omdat partijen langer dan twee jaar duurzaam gescheiden leven, gaat de rechtbank ervan uit dat bij de man geen recht meer bestaat op fiscale aftrek van de hypotheekrente. De rechtbank zal daarom bij de man rekening houden met een netto maandlast van de helft van € 419,94, zijnde afgerond
€ 210,-. Daarnaast heeft de advocaat van de man op zitting aangegeven dat een bedrag van
€ 130,52 per maand de helft van de overige eigenaarslasten is. Gezien de waarde van de woning vindt de rechtbank het niet onredelijk om ook met dit bedrag van € 130,52 per maand rekening te houden, zodat de rechtbank bij de man rekening zal houden met een netto woonlast van totaal € 340,- per maand.
Hieruit volgt een draagkracht van de man voor partneralimentatie van € 3.422,- per maand
(60% x [€ 7.408 – (€ 1.365 + € 340)]). Gebruteerd komt dit neer op € 5.480,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Rechtsstrijd van partijen en inkomensvergelijking
De rechtbank merkt op dat het haar procesrechtelijke niet is toegestaan om meer partneralimentatie toe te wijzen dan is verzocht. Gelet hierop zal de rechtbank de voorlopige partneralimentatie vaststellen op het verzochte bedrag van € 5.050,- per maand.
Uit de door de rechtbank gemaakte inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 5.179,- bruto per maand aan voorlopige partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte zou overhouden als de vrouw. Dit betekent dat de man door voldoening van een partneralimentatie van € 5.050,- bruto per maand niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw.
Conclusie voorlopige partneralimentatie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van heden een voorlopige partneralimentatie van € 5.050,- bruto per maand moet betalen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding;
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres];
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 14 juli 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 5.050,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2026. |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
