Essentie (gemaakt door AI)
Nalatenschap waarin legaten en legitieme portie worden vastgesteld na tussenvonnis. Saldi van diverse rekeningen en volledige waarde van beleggingen behoren tot de nalatenschap; stellingen executeur over economisch eigendom blijven ononderbouwd. Kosten executele komen voor rekening van executeur wegens onvolledige informatievoorziening. Zelfcontractering bij schenkingen aan executeur en mede-erfgenaam is in strijd met art. 3:68 BW; schenkingen nietig. Schenkingen op papier vervallen bij overlijden art. 7:177 BW.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 03-11-2026 |
| Zaaknummer | C/10/697315 HA ZA 25-301 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vaststelling legaten en omvang legitieme portie na tussenvonnis. Executeur heeft nagelaten om zijn stelling dat anderen dan erflater (deel)gerechtigd waren tot bankrekeningen en beleggingen met onderliggend bewijs te onderbouwen. Executeur moet de kosten van de executele zelf dragen, want er is sprake geweest van onvolledige informatievoorziening door de executeur. Selbsteintritt/zelfcontractering. Executeur en mede- erfgenaam hebben gehandeld in strijd met het verbod van artikel 3:68 BW. Notariele akte maakt schenking niet automatisch legaal. Schenkingen kwalificeren daarom als nietige rechtshandelingen. Schenkingen op papier: vervallen bij het overlijden van de erflater (artikel 7:177 BW) .Volledige uitspraak
Team handel en haven
zaaknummer/rolnummer: C/10/697315 HA ZA 25-301
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
woonplaats: [plaats 1] ;
2. [eiser 2],
woonplaats: [plaats 2] ;
3. [eiser 3],
woonplaats: [plaats 3] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. G.W.J. van Dijke, Middelburg,
tegen:
[executeur] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] ,
woonplaats: [plaats 4] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat: mr. P.M. Boiten, Dordrecht.
Partijen worden hierna ‘ [eiser 1] , [eisers 2 en 3] ’/eisers’ en ‘executeur’ genoemd.
1Het verdere verloop van de procedure
-
de akte uitlaten tevens houdende akte vermeerdering van eis van eisers van 22 april 2026, met bijlagen;
-
de conclusie van de executeur van 27 mei 2026, met bijlagen;
-
de antwoordakte van eisers van 1 juli 2026;
-
de akte/brief van de executeur van 18 augustus 2026;
-
de antwoordakte van eisers van 16 september 2026.
2De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank de door [eiser 1] op 17 december 2021 getekende overeenkomst vernietigd en geoordeeld dat eisers een rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden. De executeur is daarom veroordeeld om binnen twee maanden aan eisers te verstrekken:
a. een volledige boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater;
b. de aangiften en aanslagen erfbelasting, alsmede correspondentie en (proces)stukken die zien op de vaststelling van de aanslagen erfbelasting;
c. de aangiften IB van erflater vanaf 2018 t/m 2021;
d. bankafschriften vanaf januari 2018 t/m datum overlijden erflater;
e. opgave van alle schenkingen die vanaf januari 2018 door erflater zijn gedaan.
Daarnaast heeft de rechtbank de executeur veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat hij in gebreke blijft aan de veroordeling tot afgifte van de genoemde stukken te voldoen, met een maximum van € 25.000,-.
Wijziging van eis
Eisers hebben bij akte van 22 april 2026 hun eis vermeerderd. De executeur heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt en ook ambtshalve ziet de rechtbank daartegen geen bezwaar zodat de rechtbank zal oordelen over de gewijzigde eis.
Eisers trekken de conclusie dat een grote hoeveelheid (relevante) informatie nog altijd ontbreekt. Zij menen echter dat er nu wel een mogelijkheid is om het geschil definitief te beslechten. De executeur meent daarentegen dat hij tijdig en stipt aan de veroordeling in het tussenvonnis heeft voldaan en vraagt de rechtbank om de vorderingen van eisers in conventie af te wijzen, althans de omvang van de legaten vast te stellen op € 4.930,11 en de legitieme portie van [eiser 1] vast te stellen op primair € 28.403,23, subsidiair op € 57.343,90 en meer subsidiair op € 59.275,23, in alle gevallen te verminderen met het al betaalde bedrag van € 21.305,69 en de betaalde erfbelasting van € 5.790,-.
Gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat het geschil definitief kan worden beslecht. De rechtbank zal dit doen aan de hand van de boedelbeschrijving, de door eisers overgelegde productie 21, en de gewijzigde aangifte erfbelasting van 18 augustus 2026.
Bankrekeningen op naam van erflater
Partijen zijn het er met elkaar over eens dat de bankrekeningen [bankrekeningnummer 1] , [bankrekeningnummer 2] en [bankrekeningnummer 3] tot de nalatenschap van erflater behoren. Ze verschillen alleen van mening over het saldo op de rekening eindigend op 555. Eisers gaan uit van een saldo van € 216,66, terwijl de executeur uitgaat van een saldo van € 117,36 (54,17%). Ook de rechtbank gaat uit van een saldo van € 216,66. De executeur heeft nagelaten zijn stelling voldoende te onderbouwen. Dit betekent dat het totale saldo van bovengenoemde bankrekeningen ten tijde van het overlijden van erflater € 30.947,- bedroeg.
Partijen verschillen daarnaast van mening over het economisch eigendom van de bankrekeningen [bankrekeningnummer 4] , [bankrekeningnummer 5] , [bankrekeningnummer 6] , [bankrekeningnummer 7] en [bankrekeningnummer 8] . Volgens de executeur lag het economisch eigendom niet bij erflater. Om die reden zijn de saldi van de bankrekeningen in (bepaalde) aangiften IB op € 0,- gesteld. Eisers betwisten dit nadrukkelijk. Volgens hen kan bezwaarlijk op basis van dat standpunt worden aangenomen dat de saldi dus niét aan erflater toekwamen, laat staan dat de saldi wél van de executeur en/of een ander waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de executeur ook op dit punt zijn stellingname onvoldoende onderbouwd. Het totale saldo van € 38.680,72 behoort daarom tot de nalatenschap.
Beleggingen/aandelenportefeuille
De executeur voert aan dat de beleggingen/aandelenportefeuille het gezamenlijk eigendom was van hem, erflater en [naam 1] . Volgens het door hem overgelegde overzicht zou vóór de onttrekkingen op 21 mei 2021 de waarde van het aandeel van erflater € 494.197,76, de waarde van het aandeel van de executeur € 48.876,70 en de waarde van het aandeel van [naam 1] € 0,- zijn. Na de onttrekkingen was volgens dat overzicht het aandeel van erflater ten tijde van zijn overlijden € 316.940,63. Eisers betwisten uitdrukkelijk dat anderen dan erflater (deel)gerechtigd waren tot de beleggingen/aandelenportefeuille. Het had dan ook op de weg van de executeur gelegen om zijn stelling met bewijsstukken te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Een enkel overzicht, zonder onderliggend bewijs, is onvoldoende. De totale waarde van de beleggingen/aandelenportefeuille ten tijde van het overlijden zal hierna onder 2.16 worden bepaald.
Inboedel en sieraden
Het is voor de rechtbank niet mogelijk vast te stellen welke inboedel en sieraden er ten tijde van het overlijden van erflater waren. De executeur heeft betwist dat erflater de beschikking had over een inboedel van enige waarde. Na zijn verhuizing naar een verzorgingstehuis is de gehele inboedel weggegooid en had hij alleen nog twee stoelen en een lamp. Ook betwist de executeur dat erflater sieraden had, anders dan de trouwring en het horloge die samen met erflater zijn gecremeerd. Eisers hebben niet geconcretiseerd om welke inboedel en sieraden het gaat. Anders dan zij aanvoeren komt het niet voor rekening en risico van de executeur dat nooit een overzicht van inboedel en sieraden is gemaakt. De stelposten worden dus niet bij de activa opgenomen.
Vermogensregisseur
De executeur heeft bij de aangifte erfbelasting als schuld ‘Vermogensregisseur’ € 23.030,14 opgegeven. Hij stelt dat erflater voor het beleggen van geld gebruik maakte van zijn diensten en dat hij daarvoor een vergoeding in rekening mocht brengen. Nog daargelaten dat uit niets blijkt dat er een dergelijke afspraak was, er is geen enkele onderbouwing of berekening overgelegd. Bovendien had het, zoals eisers terecht opmerken, voor de hand gelegen dat een dergelijke vergoeding bij leven zou zijn uitgekeerd. Deze vergoeding kwalificeert daarom niet als schuld van de nalatenschap.
Erfdeel [naam 2] t.b.v. [eiser 1]
Volgens opgave van eisers is het erfdeel van [eiser 1] in de nalatenschap van haar moeder, groot € 92.616,-, uitgekeerd. Dit bedrag zal dan ook bij de passiva worden opgenomen.
Auto [Vriendin van erflater]
De executeur stelt dat hij, overeenkomstig de uitdrukkelijke wens van erflater, aan diens vriendin, een auto ter beschikking heeft gesteld ter waarde van € 22.701,44. Eisers betwisten dat dit een schuld van de nalatenschap is, nu niet is gebleken van een uitdrukkelijke wens van erflater. De rechtbank volgt eisers. Een dergelijke wens blijkt niet uit het testament, een legaat of enig ander document. Het bewijsaanbod om de vriendin te laten horen wordt gepasseerd, nu een begin van bewijs (bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van haar) ontbreekt. Het door de executeur opgevoerde bedrag kan dus niet als een schuld van de nalatenschap worden aangemerkt.
IB 2021
Partijen zijn het over deze post eens, zodat het bedrag van € 7.820,- tot de passiva wordt gerekend.
Uitvaartkosten
Ook bestaat geen discussie over de uitvaartkosten van € 13.190,34.
Kosten executele
In beginsel zijn kosten van de executele, waaronder advocaatkosten, op grond van artikel 4:7 lid 1 onder d BW schulden van de nalatenschap en komen deze voor rekening van de erfgenamen. Volgens vaste rechtspraak kan er aanleiding zijn te oordelen dat een executeur deze kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet dragen, wanneer hij, gelet op zijn taak en de vervulling daarvan, in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen. De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van onvolledige informatievoorziening door de executeur. Hem kan worden aangerekend dat er 4 jaar na het overlijden van erflater nog geen correcte boedelbeschrijving was en dat hij niet altijd duidelijk en ondubbelzinnig heeft gecommuniceerd, zodat het niet redelijk is om de kosten ten laste van de nalatenschap te brengen. Dit betekent dat de vordering in reconventie wordt afgewezen.
Schenkingen aan de executeur en [naam 1]
De executeur neemt over deze schenkingen niet alleen wisselende standpunten in, hij noemt ook wisselende bedragen. Waar hij het aanvankelijk heeft over twee schenkingen van € 120.000,-, heeft hij het later in de procedure over schenkingen van € 100.000,-. Ook over de wijze van betaling van die giften is de executeur onduidelijk. Pas na het tussenvonnis verklaart hij dat erflater aan twee van zijn kinderen een aandeel in zijn beleggingen t.w.v. € 100.000,- p.p. heeft geschonken. Ter onderbouwing van die schenkingen overlegt hij een notariële akte van 21 mei 2021, waaruit blijkt dat de begiftigden (de executeur en [naam 1] ) ook als gevolmachtigden van erflater optraden en dat de schenkingen zijn verricht op basis van een volmacht. Dit laatste roept bij eisers vragen op. Was de volmacht die dateert van 27 juni 2013 op dat moment nog steeds geldig? Zijn de schenkingen verricht in overeenstemming met de wil van erflater? En zijn deze schenkingen onder die omstandigheden wel rechtsgeldig tot stand gekomen?
De executeur beroept zich op een volmacht, maar een (algehele) volmacht houdt niet zonder meer ook de bevoegdheid voor de gevolmachtigde in om handelingen namens de volmachtgever te verrichten waarbij hij zelf de wederpartij is. De wet bepaalt dat een gevolmachtigde alleen als wederpartij van de volmachtgever kan optreden “wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is”.
1
De rechtbank is van oordeel dat de executeur en [naam 1] in strijd hebben gehandeld met het verbod van artikel 3:68 BW. Niet is gebleken dat in de volmacht was bepaald dat de gevolmachtigden rechtshandelingen met zichzelf (Selbsteintritt/zelfcontractering) mochten sluiten. Ook is niet gebleken dat in de volmacht een duidelijke bepaling, dat het verbod op zelfcontractering niet gold, was opgenomen.
2 Evenmin kan geoordeeld worden dat geen sprake is van strijd tussen de belangen van erflater en de begiftigden. Het gaat om grote bedragen. De notariële akte maakt de schenking niet automatisch legaal. Als de volmacht geen toestemming gaf voor zelfcontractering, is de juridische schenking ongeldig en aantastbaar. De schenkingen van een aandeel in de beleggingen t.w.v. € 100.000,- p.p. kwalificeren daarom als nietige handelingen, met als gevolg dat die bedragen moeten worden ‘terugbetaald’. De rechtbank gaat uit van € 100.000,- p.p. en niet van € 120.000,- p.p., omdat uit het door de executeur overgelegde overzicht
3 volgt dat twee keer € 100.000,- is onttrokken. Dit heeft tot gevolg dat de totale waarde van de beleggingen/aandelenportefeuille ten tijde van het overlijden € 585.085,16 bedroeg.
Schenking op papier
De executeur heeft bij de aangifte erfbelasting de post ‘Schuldig erkende bedragen (schenking op papier)’ ad € 143.525,- opgegeven. Hij stelt dat deze schenkingen, gelet op het vermogen van erflater, als gebruikelijke schenkingen kunnen worden beschouwd. Het waren steeds bedragen die waren vrijgesteld van schenkbelasting. Bovendien waren de schenkingen niet bovenmatig en onredelijk. De executeur wordt hierin niet gevolgd. Voor een schenking op papier eist de wet dat de schenker persoonlijk de notariële akte aangaat en ondertekent.
4 Omdat niet is gesteld of gebleken dat de schenkingen zijn gedaan conform de vereiste formaliteiten – er is geen notariële akte overgelegd - vervallen de schenkingen bij het overlijden van de schenker, met andere woorden er is geen schenking. Dit gaat niet op voor de schenkingen op papier van in totaal € 41.707,-, want die schenkingen zijn daadwerkelijk gedaan, en naar de rechtbank aanneemt, met instemming van erflater.
Het bedrag van € 143.525,- kan dus niet als schuld op de erfenis in mindering worden gebracht.
Overige schenkingen
De overige schenkingen van in totaal € 48.412,- zijn schenkingen die door middel van girale overboekingen zijn betaald over een lang tijdbestek. Deze schenkingen worden als gebruikelijk en niet bovenmatig aangemerkt.
Vaststelling legaten
Een en ander leidt tot een totale activa van € 654.712,88. Verminderd met de passiva van in totaal € 100.436,- bedraagt het saldo van de nalatenschap, verminderd met de uitvaartkosten van € 13.190,34, in totaal € 541.086,54. Op grond van het testament bedraagt het legaat van [eiser 1] 1/6e = € 90.181,09 en het aan [eisers 2 en 3] toegekende legaat bedraagt eveneens € 90.181,09. Ook de aan de andere kleinkinderen van erflater toegekende legaten bedragen € 90.181,09 per staak.
Omvang legitieme portie
[eiser 1] heeft binnen de wettelijke vervaltermijn een beroep gedaan op de legitieme portie, namelijk binnen vijf jaar na het overlijden van erflater.
5 Zij is als legitimaris, schuldeiser van de nalatenschap. De legitieme portie wordt berekend over de legitimaire massa, die bestaat uit de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden.
6
Niet in geschil is dat het breukdeel van de legitieme voor [eiser 1] 1/6e is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de legitimaire massa en de hoogte van de legitimaire aanspraak van [eiser 1] als volgt vaststellen:
Activa
a. Bankrekeningen € 69.627,72
b. Beleggingen/aandelenportefeuille € 585.085,16*
7
Totaal € 654.712,88
Passiva
a. Erfdeel [naam 2] t.b.h. [eiser 1] € 92.616,00
b. IB 2021 € 7.820,00
Totaal € 100.436,00
Uitvaartkosten € 13.190,34
Legaten
Legaat [eiser 1] (1/6e ) € 90.181,09
Legaat [eisers 2 en 3] (1/6e ) € 90.181,09
Legaat [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] (1/6e ) € 90.181,09
Legaat [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] (1/6e ) € 90.181,09
Saldo nalatenschap € 541.086,54
Giften
Schenking € 41.707,00
Overige schenkingen € 48.412,00
Totaal schenkingen voor legitimaire massa € 180.362,18
Legitimaire massa € 721.448,72
Breukdeel [eiser 1] 1/6e
Legitieme portie € 120.241,45
Imputatie € 90.181,09
Legitimaire aanspraak € 30.060,36
Inkorting door aanspraak
De legitimaire aanspraak wordt voor 1/6e door inkorting verkregen bij [eisers 2 en 3] , als gevolg waarvan hun legaat € (1/6e x € 90.181,09) kleiner wordt en een bruto legaat resteert van € 75.150,91.
Totale vorderingen eisers
De totale vordering van [eiser 1] komt op € 120.241,45, te vermeerderen met de wettelijke rente en te verminderen met het reeds door haar in december 2021 ontvangen bedrag van € 8.478,88, de helft van het op 20 april 2026 ontvangen voorschot van € 20.305,69 en de helft van de voorgeschoten erfbelasting van € 5.790,-, dus een bedrag van € 98.214,72. De rechtbank veroordeelt de executeur tot betaling van dit bedrag.
De totale vordering van [eisers 2 en 3] komt op € 75.150,91, te vermeerderen met de wettelijke rente en te verminderen met het reeds door hen in december 2021 ontvangen bedrag van € 8.478,88, de helft van het op 20 april 2026 ontvangen voorschot van € 20.305,69 en de helft van de voorgeschoten erfbelasting van € 5.790,-, dus een bedrag van € 53.124,18. De rechtbank veroordeelt de executeur tot betaling van dit bedrag.
Proceskosten
Het uitgangspunt is dat kosten van procedures tussen bloedverwanten in beginsel voor eigen rekening blijven. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.
Uitvoerbaar bij voorraad
Het vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
8
Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van diens uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld.
3De beslissing
De rechtbank:
In conventie
veroordeelt de executeur tot betaling aan [eiser 1] van € 98.214,72 zoals hiervoor onder 2.23 vermeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt de executeur tot betaling aan [eisers 2 en 3] van € 53.124,18 zoals hiervoor onder 2.24 vermeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
In reconventie
wijst de vordering van de executeur af;
In conventie en in reconventie
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.
3092
Artikel 3:68 BW
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2019:5105
Productie 12 conclusie van 27 mei 2026
Artikel 7:177 BW
Artikel 4:85 lid 1 BW
Artikel 4:65 BW
Productie 12 conclusie van 27 mei 2026
Artikel 233 Rv
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
