Rechtbank Den Haag 24-09-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:31358

Essentie (gemaakt door AI)

Vrouw verzoekt verlenging van de wettelijke termijn partneralimentatie tot AOW-leeftijd. Zij stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn door een functionele neurologische stoornis en beroept zich op redelijkheid en billijkheid. Man betwist causaal verband met huwelijk en ingrijpendheid van beëindiging. Rechtbank past Nederlands recht toe, acht verzoek tijdig en ontvankelijk, maar oordeelt dat bijzondere, met het huwelijk samenhangende omstandigheden niet zijn onderbouwd. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Geen verlenging partneralimentatietermijn: geen bijzondere omstandigheden aanwezig bij vrouw
Vrouw verzoekt verlenging van de wettelijke termijn tot AOW-leeftijd om volledige arbeidsongeschikt door een functionele neurologische stoornis. Man voert verweer. Rb: geen bijzondere, met het huwelijk samenhangende omstandigheden.

Datum publicatie02-11-2026
ZaaknummerC/09/693128 / FA RK 25-7827
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Verlenging termijn partneralimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Afwijzen verzoek verlenging termijn partneralimentatie

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-7827

Zaaknummer: C/09/693128

Datum beschikking: 24 september 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 15 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.J. van Steensel te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P.C. Burger te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het F9-formulier van 14 november 2025 van de vrouw, met bijlage;

  • het verweerschrift;

  • het F9-formulier van 11 augustus 2026 van de vrouw, met bijlagen;

  • het F9-formulier van 12 augustus 2026 van de vrouw, met bijlagen.

Op 13 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw met haar advocaat;

  • de man met zijn advocaat.

Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2002 tot [datum 2] 2021.

  • Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de man de Nederlandse nationaliteit en heeft de vrouw de Belgische nationaliteit.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 5 februari 2018 zijn partijen gescheiden van tafel en bed. De scheiding van tafel en bed is op [datum 3] 2018 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank Den Haag.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 3 september 2020 is het huwelijk van partijen ontbonden en is het door hen opgestelde convenant, dat op 10 februari 2020 ondertekend is, aangehecht.

  • In het op 10 februari 2020 ondertekende convenant is ten aanzien van de partneralimentatie het volgende opgenomen:

“Partneralimentatie

Voorop staat het gegeven dat iedere partij geacht wordt zelfstandig in zijn/haar

levensonderhoud te voorzien. Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht van partijen volgens de wettelijke bepalingen (in principe) vijf jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van de ontbinding van hun huwelijk (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand). Zulks met dien verstande dat de alimentatiegerechtigde tot uiterlijk drie maanden na ommekomst van de termijn verlenging van deze termijn kan vragen. Verlenging is alleen mogelijk als de beëindiging in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid.

De man zal met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de

registers van de burgerlijke stand een bijdrage ten titel van alimentatie c.q.

levensonderhoud ten behoeve van de vrouw voldoen, te weten een bedrag van

€ 412,05 per maand, bij vooruitbetaling door man te voldoen op een door de vrouw op te geven rekeningnummer. Deze alimentatie is te beginnen m.i.v. 1 januari 2021 onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:4024 BW. ”

  • Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 529,- per maand.

  • Op grond van artikel 1:157 lid 1 BW eindigt de alimentatieverplichting van de man – zoals ook opgenomen in het convenant – na vijf jaar, zodat deze eindigt op [datum 2] 2026.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – met wijziging van de door partijen onderling getroffen regelingen – de alimentatietermijn te verlengen tot aan de AOW-leeftijd van de vrouw, althans met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verlenging termijn partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

Op het verzoek tot verlenging van de partneralimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:157 lid 7 BW geldt het volgende. Indien ongewijzigde handhaving van de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde termijn, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd van degene die recht heeft op die uitkering, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek wordt daartoe ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.

De onderhoudsverplichting van de man is geëindigd op [datum 2] 2026. Het verzoek van de vrouw, om de termijn gedurende welke de man onderhoudsplichtig is ten opzichte van de vrouw te verlengen, is op 15 oktober 2025 door de rechtbank ontvangen en is dus tijdig ingediend. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft sinds 2019 een functionele neurologische stoornis, waardoor zij in een rolstoel zit en volledig arbeidsongeschikt is. De vrouw ontvangt een WIA-uitkering en zij kreeg tot [datum 2] 2026 een bedrag aan partneralimentatie. Deze twee bedragen waren gezamenlijk al niet voldoende om fatsoenlijk van rond te komen, met name gelet op alle extra kosten die de vrouw maakt vanwege haar neurologische stoornis en het gebruik van de rolstoel. Dat de partneralimentatie wegvalt is voor de vrouw zo ingrijpend dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden. Temeer omdat de klachten die de vrouw ervaart volgens haar zijn ontstaan vanwege stress door gebeurtenissen die gedurende het huwelijk van partijen zijn voorgevallen. De vrouw verzoekt daarom de termijn van de partneralimentatie te verlengen tot aan haar pensioenleeftijd.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Partijen zijn in 2018 gescheiden van tafel en bed, en in 2020 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. Op het moment dat de klachten van de vrouw tot uiting kwamen, waren partijen dus al van tafel en bed gescheiden. De ziekte houdt geen verband met het huwelijk van partijen. De man betwist dat er gedurende het huwelijk dingen zijn voorgevallen die maken dat de vrouw de neurologische aandoening heeft gekregen en die dus zouden maken dat het stoppen van de partneralimentatie niet van de vrouw gevergd kan worden. Daarnaast betwist de man dat het aflopen van de termijn van de partneralimentatie ingrijpend is. De vrouw heeft een lijstje overgelegd waarop haar inkomsten en uitgaven staan, en daaruit blijkt dat zij rond kan komen, ook zonder de partneralimentatie. Tot slot vraagt de man zich af wat de behoefte van de vrouw nog is, gelet op de huidige inkomsten van de vrouw, die anders zijn dan toen de behoefte destijds werd vastgesteld. De man vindt daarom dat het verzoek van de vrouw afgewezen moet worden.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank verlengt de termijn van de partneralimentatie, als de beëindiging van de uitkering gelet op alle omstandigheden van het gevel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden van degene die de partneralimentatie ontvangt. Dit betekent in dit geval dus dat er aan de zijde van de vrouw bijzondere omstandigheden moeten zijn die maken dat nier van haar verwacht kan worden dat zij het zonder partneralimentatie moet doen. In de parlementaire stukken (Kamerstukken II 2018/19, 34231, 15, p. 1) worden voorbeelden genoemd. Gedacht kan worden aan alimentatiegerechtigden die de zorg dragen voor een gehandicapt of ernstig ziek (minder- of meerderjarig) kind of die mantelzorger voor een familielid (moeten) zijn. Ook kan het gaan om een alimentatieplichtige die de zorg voor de kinderen na de scheiding geheel of grotendeels aan de alimentatiegerechtigde heeft gelaten, ondanks een aantoonbaar verzoek van de alimentatiegerechtigde om zorgtaken voor de kinderen over te nemen. Het kan ook gaan om alimentatiegerechtigden die voor of tijdens het huwelijk arbeidsongeschikt of ziek zijn geworden waardoor zij geen economische zelfstandigheid hebben kunnen bereiken tijdens de duur van de alimentatie. In deze gevallen kan de lotsverbondenheid op grond van het huwelijk meebrengen dat een langere termijn redelijk en billijk is.

De rechtbank overweegt dat de hiervoor genoemde voorbeelden allemaal samenhangen met omstandigheden tijdens het huwelijk. Op de vrouw rust de stelplicht en (bij voldoende betwisting) de bewijslast om aan te tonen dat er aan haar zijde sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De stelling van de vrouw is dat haar klachten rond de scheiding van partijen zijn begonnen en vervolgens zo zijn verergerd dat zij in 2020 niet meer kon werken. De aanleiding van deze klachten zoekt de vrouw in het huiselijk geweld dat volgens haar tijdens het huwelijk van partijen heeft plaatsgevonden. Die stelling heeft zij voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling ingenomen. De man heeft dit huiselijk geweld betwist. Door de vrouw is het huiselijk geweld, maar ook de mogelijke invloed daarvan op haar neurologische stoornis, niet onderbouwd. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de fysieke beperkingen die de vrouw nu ervaart tijdens het huwelijk of door iets binnen het huwelijk zijn ontstaan, en dus zodanig samenhangen met het huwelijk tussen partijen, dat de lotsverbondenheid op grond van het huwelijk maakt dat een langere termijn voor de partneralimentatie redelijk en billijk is. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de vrouw tot verlenging van de termijn van de partneralimentatie.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 september 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733