Essentie (gemaakt door AI)
Uitleg testament over verval erfstelling bij beëindiging “gemeenschappelijke huishouding”. Broer en zussen stellen dat erfstelling ten gunste van partner vervalt omdat samenwoning is geëindigd. Rechtbank oordeelt dat “gemeenschappelijke huishouding” niet samenvalt met wonen op één adres. Latrelatie met gedeelde financiën, intensief contact en gezamenlijke uitgaven kwalificeert als gemeenschappelijke huishouding. Erfstelling vervalt niet; vorderingen van [eisers] afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 02-11-2026 |
| Zaaknummer | C/08/347019 / HA ZA 26-134 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Almelo |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Uitleg testament |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Uitleg testament. Is de gemeenschappelijke huishouding beëindigd als de samenwonig is beëindigd, maar de relatie is voortgezet als latrelatie? Naar het oordeel van de kantonrechter moet het testament zo worden begrepen dat erflater gedaagde heeft willen benoemen zolang zij op een bepaalde manier een gemeenschappelijke huishouding voerden, ook al woonden zij niet meer op één adres. Vorderingen afgewezen.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/347019 / HA ZA 26-134
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser],
te [woonplaats 1],
2. [eiseres 1],
te [woonplaats 2],
3. [eiseres 2],
te [woonplaats 3],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J.W. Post,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 4],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.P.A. Hoogstad.
De zaak in het kort
[eisers] zijn de broer en zussen van erflater. Erflater had een affectieve relatie met [gedaagde]. In zijn testament heeft erflater [gedaagde] tot zijn enig erfgenaam benoemd, maar bepaald dat deze erfstelling vervalt als hun gemeenschappelijke huishouding vóór zijn overlijden beëindigd is. [eisers] stellen dat de gemeenschappelijke huishouding beëindigd is, aangezien erflater en [gedaagde] niet meer samenwoonden. Zij vorderen onder andere dat voor recht wordt verklaard dat zij de enig erfgenamen van erflater zijn in plaats van [gedaagde]. [gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij nog een affectieve relatie met erflater had en dat de gemeenschappelijke huishouding niet beëindigd is.
Naar het oordeel van de rechtbank moet het testament zo worden begrepen dat erflater [gedaagde] als erfgenaam heeft willen benoemen zolang zij op een bepaalde manier een gemeenschappelijke huishouding voerden, ook al woonden zij niet meer op één adres. Van een gemeenschappelijke huishouding was nog steeds sprake. De vorderingen van [eisers] worden daarom afgewezen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met eis in incident en met producties,
- de conclusie van antwoord in incident,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de akte overlegging producties van [eisers],
- de akte overlegging producties van [gedaagde],
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eisers],
- de pleitaantekeningen van [gedaagde].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
[eisers] zijn de broer en zussen van [erflater] (hierna: erflater).
Erflater en [gedaagde] hadden een affectieve relatie. Op 6 april 2011 hebben zij een samenlevingscontract gesloten. Op diezelfde datum heeft erflater ook een testament laten opstellen. In het testament staat:
“
Ik benoem tot enig erfgenaam van mijn gehele nalatenschap mijn partner, [gedaagde]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd drieënzeventig met wie ik sinds heden samen woon en bij akte verleden heden voor mij, notaris te Enschede, een samenlevingscontract ben aangegaan, onder de ontbindende voorwaarde als hierna bepaald.
Ik benoem de kinderen van mijn partner, gezamenlijk en voor gelijke delen, tot erfgenamen van mijn gehele nalatenschap onder de opschortende voorwaarde als hierna bepaald.
(…)
In geval van beëindiging samenwoning
Indien ik overlijd nadat de gemeenschappelijke huishouding die ik met mijn partner
voerde beëindigd is – anders dan in het geval van opname in een zorginstelling of
overlijden – vervallen alle beschikkingen die ten behoeve van mijn partner zijn
getroffen.
(…)
Verval beschikkingen aan familie
Het bovenstaand geldt eveneens voor de benoeming van de bloedverwanten van mijn partner dan wel echtgenote, behoudens mijn afstammelingen.”
Van 6 april 2011 tot ergens in 2020 hebben erflater en [gedaagde] samengewoond.
Op 19 oktober 2020 heeft erflater de aan de samenleving met [gedaagde] gerelateerde levensverzekering beëindigd en afgekocht.
Erflater en [gedaagde] hebben daarna een latrelatie gehad tot aan het overlijden van erflater.
Op 30 maart 2025 is erflater overleden.
Op 4 juni 2025 heeft notaris [naam] per e-mail aan [eisers] medegedeeld dat hij advies heeft gevraagd aan Het Notarieel Bureau te Maashees over de uitleg van het testament, omdat erflater en [gedaagde] niet meer samenwoonden. Het Notarieel Bureau heeft geconcludeerd dat de erfstellingen ten gunste van [gedaagde] en haar kinderen niet zijn vervallen. De notaris heeft een verklaring van erfrecht afgegeven aan [gedaagde] als (enig) erfgenaam.
3Het geschil
in het incident
[eisers] vorderden aanvankelijk dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis, aan hen te verstrekken:
-
de informatie en vraagstelling die aan het advies van Het Notarieel Bureau te Maashees ten grondslag ligt,
-
alle onderliggende bewijsstukken die in het advies genoemd zijn,
-
de bankafschriften van de en/of rekening met nummer [rekeningnummer] van [gedaagde] en erflater van de afgelopen vijf jaren,
dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft. Daarnaast vorderen zij veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van het incident.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de hoofdzaak
[eisers] vorderen dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat [eisers] de enig erfgenamen van erflater zijn in plaats van [gedaagde],
II. [gedaagde] veroordeelt om aan [eisers] of de nalatenschap alles te voldoen wat zij uit hoofde van de nalatenschap van erflater heeft ontvangen, waaronder de administratieve bescheiden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft,
III. [gedaagde] veroordeelt om rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid in de afwikkeling van de nalatenschap, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft,
IV. [gedaagde] veroordeelt om de door de notaris verstrekte verklaring van erfrecht te retourneren en het bewijs van ontvangst door de notaris aan [eisers] te verschaffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft,
V. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eisers] hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat zij met hun vordering onder IV bedoelen dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat de verklaring van erfrecht uit het rechtsverkeer wordt gehaald.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in het incident
[eisers] hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat zij hun vordering tot het verstrekken van de informatie en vraagstelling die aan het advies van Het Notarieel Bureau te Maashees ten grondslag ligt en van alle onderliggende bewijsstukken die in het advies genoemd zijn, intrekken. [gedaagde] heeft [eisers] aangeboden de gevorderde bankafschriften te verstrekken. Ook deze vordering wordt daarom als ingetrokken beschouwd. Het incident behoeft dan ook geen nadere bespreking meer.
in de hoofdzaak
In zijn testament heeft erflater [gedaagde] tot zijn enig erfgenaam benoemd, maar bepaald dat deze erfstelling vervalt als hun gemeenschappelijke huishouding vóór zijn overlijden beëindigd is (anders dan door opname in een zorginstelling of overlijden). [eisers] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of de gemeenschappelijke huishouding beëindigd is en de erfstelling dus vervallen is.
In artikel 4:46 lid 1 en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat:
“1. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
2. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.”
Om te bepalen wat erflater met het beëindigen van de gemeenschappelijke huishouding heeft bedoeld, moet dus worden gelet op de verhoudingen die erflater met het testament kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Daarbij kunnen feiten en omstandigheden van ná het opmaken van het testament van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder het testament is opgemaakt. Indien erflater bij het opmaken van het testament geen rekening heeft gehouden met een bepaalde mogelijke situatie, dan moet worden bepaald of erflater met het testament ook de door die omstandigheid gewijzigde verhoudingen kennelijk wilde regelen (ECLI:NL:HR:2023:1531).
Voor zover [eisers] stellen dat de daden en verklaringen van erflater buiten het testament niet voor de uitlegging daarvan mogen worden gebruikt op grond van artikel 4:46 lid 2 BW, omdat het testament duidelijk is, is dat onjuist. Lid 2 van het artikel moet zo worden begrepen dat daden of verklaringen van erflater buiten de uiterste wil wel mogen worden gebruikt voor de uitleg van wat erflater met de uiterste wil heeft bedoeld, maar dat deze niet in de plaats van de uiterste wil mogen worden gesteld (zie ook ECLI:NL:PHR:2023:444).
Ten tijde van het opmaken van het testament hadden erflater en [gedaagde] een affectieve relatie en gingen zij samenwonen. Erflater heeft toen kennelijk gewild dat zijn “partner” [gedaagde] – zoals zij in het testament is aangeduid – zijn erfgenaam zou zijn en niet zijn broer en zussen. Erflater heeft in het testament drie situaties opgenomen waarin de erfstelling zou komen te vervallen, namelijk in geval van beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding, in geval van echtscheiding en in geval van beëindiging van het geregistreerd partnerschap. Hieruit kan worden afgeleid dat erflater de erfstelling kennelijk wilde laten vervallen als de relatie zou eindigen.
Vaststaat dat erflater en [gedaagde] de samenwoning hebben beëindigd, maar dat zij hun affectieve relatie hebben voortgezet in de vorm van een latrelatie. Bij het opmaken van het testament heeft erflater deze ontwikkeling in de relatie wellicht niet voorzien. Aannemelijk is echter dat erflater met het testament ook in deze situatie [gedaagde] als erfgenaam heeft willen benoemen op grond van het volgende.
In het testament van erflater is namelijk niet opgenomen dat de erfstelling vervalt als de “samenwoning” is beëindigd, maar als de “gemeenschappelijke huishouding” is beëindigd. Erflater heeft dus kennelijk niet specifiek het samenwonen of het hebben van een gemeenschappelijke woning als voorwaarde willen stellen voor de erfstelling. Het testament moet dan ook zo worden begrepen dat erflater [gedaagde] als erfgenaam heeft willen benoemen, zolang hij en [gedaagde] op een bepaalde manier een gemeenschappelijke huishouding voerden. Naar het oordeel van de rechtbank kan daar ook de situatie onder worden verstaan dat zij niet meer op één adres woonden.
Van een gemeenschappelijke huishouding was, ondanks dat erflater en [gedaagde] apart woonden, nog steeds sprake. Erflater en [gedaagde] waren veel samen. Zij hebben hun gezamenlijke en/of rekening laten voortbestaan, stortten daar beiden geld op en betaalden daar allerlei – al dan niet gemeenschappelijke – kosten van, waaronder vakanties, uitjes, abonnementen en cadeaus. Volgens [gedaagde] beschikte erflater ook regelmatig over contant geld, waarmee hij onder andere gezamenlijke etentjes en boodschappen betaalde. Uit de overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dat er na het beëindigen van de samenwoning nog steeds sprake was van een liefdevolle relatie tussen erflater en [gedaagde]. Erflater heeft [gedaagde] zelfs ten huwelijk gevraagd, waarop zij ja heeft gezegd. Daarnaast blijkt uit de WhatsApp-berichten en de vele overgelegde foto’s dat erflater intensief contact had met de kinderen en kleinkinderen van [gedaagde], voor wie hij een (stief)vader en (stief)opa was. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat erflater de benoeming van [gedaagde] als erfgenaam onder deze omstandigheden zou hebben willen laten vervallen, alleen omdat zij niet meer samenwoonden.
Het testament moet dan ook zo worden begrepen dat erflater [gedaagde] heeft willen benoemen tot erfgenaam en dat deze erfstelling niet vervallen is. De vorderingen van [eisers] zullen daarom worden afgewezen.
in het incident en in de hoofdzaak
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisers] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
