Rechtbank Oost-Brabant 14-11-2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:5782

Essentie (gemaakt door AI)

Incident internationale bevoegdheid waarin wordt geoordeeld dat het geschil, hoewel samenhangend met huwelijksvermogensrecht (effectuering verdeling en alimentatieachterstand), een duidelijke erfrechtelijke kant heeft en onder de Erfrechtverordening (EU nr. 650/2012) valt. De vraag betreft in hoeverre erfgenaam gehouden is verplichtingen van erflater na te komen. Op grond van art. 4 Erfrechtverordening is de Spaanse rechter bevoegd. Beroep op art. 9 Rv faalt wegens voorrang van de verordening. De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Strikte scheiding erfrecht en huwelijksvermogensrecht is niet altijd te maken": NL-rechter onbevoegd
Erfgenaam stelt dat NL-rechter onbevoegd is, omdat erflater in Spanje is overleden. Hoewel zaak huwelijksvermogensrechtelijke kant heeft, zit er ook een duidelijke erfrechtelijke kant aan. Erfrecht-Vo: Spaanse rechter.

Datum publicatie02-11-2026
ZaaknummerC-01-335932 - HA ZA 18-449
ProcedureBodemzaak
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenIPR familierecht;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Incident internationale bevoegdheid. Geschil hangt samen met huwelijksvermogensrecht, maar heeft ook een duidelijke erfrechtelijke kant en valt daarom onder werking van de Erfrechtverordening (EU nr. 650/2012). Op grond van de Erfrechtverordening is niet de Nederlandse, maar de Spaanse rechter bevoegd.

Volledige uitspraak


vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/335932 / HA ZA 18-449

Vonnis in incident van 14 november 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. G.L. Brokking-van Alphen te Valkenswaard,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A. Houtman te Oirschot.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 2 juli 2018;

  • de incidentele conclusie van onbevoegdheid tevens voorwaardelijke conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde] van 19 september 2018;

  • de antwoordakte incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [eiser] van 3 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2De beoordeling in het incident

2.1.

In deze zaak speelt het volgende. [eiser] is op [datum huwelijk] 1986 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [de man] , de zoon van [gedaagde] (hierna: de man). In 2003 zijn [eiser] en de man naar Spanje verhuisd. Dit huwelijk is geëindigd door inschrijving op [datum einde huwelijk] 2015 van de echtscheidingsbeschikking van 4 september 2015. In die beschikking heeft de rechtbank tevens (onder toepassing van Nederlands recht) de wijze van verdeling van de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap gelast. Dit grotendeels overeenkomstig de overeenstemming die [eiser] en de man daarover hebben bereikt.

Op 20 maart 2016 is de man in zijn woonplaats in Spanje overleden. [gedaagde] is - ingevolge het Spaanse recht dat volgens beide partijen op de nalatenschap van de man van toepassing is - de enige erfgenaam van de man.

[eiser] vordert in de hoofdzaak van [gedaagde] - kort gezegd - effectuering van de gelaste wijze van verdeling en betaling van een niet nagekomen alimentatieverplichting.

2.2.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. De vorderingen van [eiser] hebben volgens [gedaagde] betrekking op de afwikkeling dan wel verdeling van de nalatenschap van de man en hij had ten tijde van zijn overlijden gewone verblijfplaats Spanje. Op grond van artikel 4 juncto artikel 21 van de Erfrechtverordening (EU Nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012) is dan de Spaanse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Ook bevinden de vermogensbestanddelen zich in Spanje, zodat de Spaanse rechter de aangewezen rechter is om het geschil te beoordelen, aldus [gedaagde] .

2.3.

[eiser] brengt als verweer naar voren dat in deze zaak geen sprake is van de afwikkeling van een nalatenschap. Als eerste dient immers de oudste gemeenschap te worden afgewikkeld, zijnde de huwelijksgoederengemeenschap. De Nederlandse rechter heeft de verdeling gelast. [gedaagde] is, als enig erfgenaam van de man, gehouden om mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap, alvorens de omvang van de nalatenschap kan worden vastgesteld. De man en de vrouw hebben uitdrukkelijk gekozen voor de afwikkeling van de echtscheidingsprocedure in Nederland.

Subsidiair is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 9, sub c Rv, nu de zaak voor wat betreft de afwikkeling voldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer. Het is onaanvaardbaar om van [eiser] te verwachten dat zij dit geschil aan de Spaanse rechter moet voorleggen. Zij heeft daarvoor niet de financiële middelen. Verder dient de medewerking van [gedaagde] in Nederland te worden afgedwongen en zijn de verdelingsafspraken gemaakt naar Nederlands recht. Vanwege (onderlinge) verknochtheid van de vorderingen is de rechtbank bevoegd van alle vorderingen kennis te nemen.

[eiser] vordert uitsluitend de medewerking aan een reeds eerder overeengekomen en gelaste wijze van verdeling.

2.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst is aan de orde de vraag in hoeverre de Erfrechtverordening op het voorliggende geschil van toepassing is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat haar vorderingen grotendeels samenhangen met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van haarzelf en van de man en dat in beginsel het huwelijksvermogensrecht niet valt onder de werkingssfeer van de Erfrechtverordening. Een strikte scheiding tussen het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht is echter niet in alle gevallen te maken. De voorliggende zaak kent ook een duidelijke erfrechtelijke kant. [eiser] meent immers dat zij [gedaagde] kan aanspreken, omdat [gedaagde] enig erfgenaam is van de man. Volgens [eiser] zijn de verplichtingen vanuit het huwelijksvermogensrecht die de man nog jegens haar zou moeten nakomen, op grond van het Spaanse erfrecht op [gedaagde] overgegaan. In de preambule van de Erfrechtverordening (sub 9) is opgenomen dat het toepassingsgebied van de verordening alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon moet omvatten, namelijk elke vorm van overgang en overdracht van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden, ongeacht of het gaat om een onder een uiterste wilsbeschikking vrijwillige overgang en overdracht dan wel om overgang in het geval van erfopvolging bij versterf. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieronder de hier in de hoofdzaak voorliggende vraag in hoeverre [gedaagde] in erfrechtelijke zin is gehouden om de verplichtingen van de erflater (de man) na te komen. De omstandigheid dat het daarbij mede gaat om verplichtingen die voorvloeien uit het huwelijksvermogensrecht, maakt dat niet anders. Daarmee zal de bevoegde rechter die oordeelt over de erfrechtelijke vraagstukken rekening moeten houden. De rechtbank wijst hierbij op onderdeel 12 van de preambule van de Erfrechtverordening. Daarin is vermeld dat de verordening niet van toepassing dient te zijn op aangelegenheden die verband houden met huwelijksvermogensstelsels. De autoriteiten die overeenkomstig de verordening een bepaalde erfopvolging afhandelen, moeten echter wel, afhankelijk van de situatie, bij het vaststellen van de nalatenschap van de erflater en de onderscheiden erfdelen van de rechthebbenden rekening houden met de vereffening van het huwelijksvermogen of een daarmee te vergelijken vermogen van de erflater.

2.5.

Artikel 4 van de Erfrechtverordening wijst als bevoegde rechter aan, de gerechten van de lidstaat waar erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had. Vast staat dat erflater is overleden in Spanje, zodat in beginsel de Spaanse rechter in deze zaak de bevoegde rechter is. De rechtbank ziet geen gronden om van dat beginsel af te wijken. Het (subsidiaire) beroep van [eiser] op artikel 9 Rv kan haar niet baten. Als gevolg van de toepasselijkheid van de Erfrechtverordening, mist de bevoegdheidsregel uit artikel 9 Rv in deze zaak toepassing (vgl. artikel 1 Rv) .

De rechtbank zal zich daarom onbevoegd moeten verklaren.

2.6.

Gelet op de relatie tussen partijen en de aard van het geschil, zullen de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3De beslissing

De rechtbank,

in het incident:

3.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen;

3.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

3.3.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733