Rechtbank Amsterdam 31-03-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10669

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding toegewezen. Partijen leveren geen ouderschapsplan; rechtbank ontvangt hen toch en wijst aanhechting af. Hoofdverblijfplaats minderjarige bij moeder. Zorgregeling vastgesteld conform verzoek van moeder; dwangsom afgewezen. Man wordt huurder van de echtelijke huurwoning gelet op zijn zwaarder woonbelang. Kinderbijdrage vastgesteld conform ter zitting bereikte overeenstemming. Verzoek bruidsgave afgewezen, waarin is geoordeeld dat toewijzing rechtsgevolg zou geven aan een religieus huwelijk dat in Nederland niet rechtsgeldig is.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Later burgerlijk huwelijk redt eerdere bruidsgave niet
Religieus huwelijk is in Nederland vóór het burgerlijk huwelijk gesloten. Rb: dit is geen rechtsgeldig huwelijk en geeft geen aanspraak op de bruidsgave. Dat partijen later een burgerlijk huwelijk sloten, maakt dit niet anders.

Datum publicatie30-10-2026
ZaaknummerC/13/761378 / FA RK 24-8779
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek bruidsgave afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het toewijzen van het verzoek van de vrouw tot uitbetaling van de bruidsgave strijdig met de bedoeling van de wetgever omdat dat zou leiden tot het toekennen van rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/761378 / FA RK 24-8779

C/13/780614 / FA RK 25-9795

Beschikking van 31 maart 2026 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A. El Aqde,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.E. Sprenkeling.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 17 december 2024;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man;

- de akte uitlaten stand van zaken tevens inhoudende wijziging c.q. aanvullende nevenverzoeken bij echtscheiding van de vrouw van 23 februari 2026;

- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 25 februari 2026;

- het bericht met bijlage van de man van 3 maart 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen met hun advocaten alsmede voor ieder van partijen een tolk. Van de zijde van de man zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

1.3.

Gelet op de leeftijd van de minderjarige [minderjarige] is hij niet gehoord.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 13 november 2019 te [plaats] . Partijen hebben de Nederlandse en de Syrische nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] .

2.3.

Deze rechtbank heeft in het kader van voorlopige voorzieningen bij beschikking van 29 januari 2025 bepaald:

  • dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

  • dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;

  • dat de man € 25,- per maand zal betalen als kinderbijdrage;

  • dat voorlopig de volgende zorgregeling zal gelden:

o [minderjarige] verblijft bij de man vanaf dinsdag uit de kinderopvang tot donderdag naar de kinderopvang, waarbij de man het halen en brengen voor zijn rekening neemt.

3De beoordeling

Scheiding

3.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

3.3.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

3.4.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

3.5.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv) .

3.6.

Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Aangezien partijen voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding. Het verzoek tot het aanhechten van het ouderschapsplan wordt afgewezen, nu er geen ouderschapsplan door partijen is overgelegd.

3.7.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

Verblijfplaats

3.8.

De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen.

3.9.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

3.10.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

3.11.

Beide partijen verzoeken een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.

3.12.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de man kan instemmen met (de frequentie van) de door de vrouw verzochte regeling, met dien verstande dat hij verzoekt dat het omgangsweekend eindigt op zondagavond in plaats van op maandagochtend. De reden daarvoor is dat de minderjarige zeer vroeg zal moeten opstaan op maandagochtend om op tijd op school te komen en omdat er geen bus gaat van het station naar school. Door de vrouw is aangevoerd dat het omgangsweekend wel tot maandagochtend kan duren aangezien er wel een bus is van het station en de minderjarige ook als hij bij de vrouw verblijft vroeg moet opstaan.

3.14.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als onvoldoende weersproken toewijzen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen de verzochte regeling verzet. De door de man aangevoerde redenen om het omgangsweekend in te korten acht de rechtbank niet zodanig om daarin mee te gaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de minderjarige ook op andere doordeweekse dagen zeer vroeg op staat en door de vrouw uitdrukkelijk is betwist dat er geen bus zou rijden tussen het station en de school.

3.15.

De rechtbank zal de door de vrouw verzochte dwangsom afwijzen, nu gebleken is dat de man kan instemmen met de door de vrouw verzochte regeling. De rechtbank gaat er om die reden vanuit dat de man, in het belang van de minderjarige, de regeling consequent zal nakomen.

Woning

3.16.

Ieder van partijen verzoekt het huurrecht van de woning.

3.17.

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.

3.18.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

3.19.

Op grond van de wet zijn echtgenoten automatisch samen huurders van een woning, zolang die woning hun hoofdverblijf is. Als partijen daarvoor een verzoek doen, kan de rechter bij het uitspreken van de echtscheiding bepalen wie van de echtgenoten na de scheiding voortaan alleen de huurder zal zijn. Bij die beslissing moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij stelt de rechter ook vast op welke dag die beslissing ingaat. Op die dag eindigt de huur van de andere echtgenoot. De verhuurder is gebonden aan deze beslissing van de rechter, ook al is de verhuurder geen partij in deze procedure.

3.20.

Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om de huurder te mogen zijn. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de man op dit moment groter is dan het belang van de vrouw. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er voor hem geen alternatieve woonruimte beschikbaar is, noch bij familie noch op een ander adres. Zijn voltallige familie woont in Syrië in tegenstelling tot de familie van de vrouw. Daarom bepaalt de rechtbank dat de man voortaan de huurder van de woning is.

Kinderbijdrage

3.21.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 960,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de te wijzen echtscheidingsbeschikking bij vooruitbetaling te voldoen.

3.22.

De man voert verweer.

3.23.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

3.24.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

3.25.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de te betalen kinderbijdrage. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Bruidsgave

3.26.

De vrouw verzoekt de man te veroordelen aan de vrouw te betalen € 2.500,- alsmede zes gouden pond dan wel het equivalent daarvan in euro’s welk bedrag zonder ingebrekestelling direct opeisbaar zal zijn nadat de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.27.

De man voert verweer.

Kwalificatie

3.27.1.

De bruidsgave is een rechtsfiguur in het islamitische recht. Het gaat om een toezegging tot betaling van geld en/of goederen van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vanaf de dag van de huwelijkssluiting is de vrouw eigenaar en rechthebbende van de bruidsgave.

3.27.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is de bruidsgave niet met een ander (Nederlandse) rechtsfiguur te vergelijken. De bruidsgave naar islamitisch recht heeft een geheel eigen karakter en is niet gelijk te stellen met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. De rechtbank oordeelt, in lijn met andere rechtspraak, dat de bruidsgave een sui generis-karakter heeft (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:958 en ECLI:NL:GHARL:2013:9906).

Rechtsmacht

3.28.

Nu het verzoek met betrekking tot de bruidsgave nauw samenhangt met het verzoek tot echtscheiding, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 3 Rv in samenhang met artikel 827 Rv eveneens rechtsmacht toe daarvan kennis te nemen.

Toepasselijk recht

3.28.1.

Zoals reeds hiervoor overwogen vloeit de bruidsgave voort uit een rechtsverhouding sui generis, waarvoor geen conflictregels gelden. De vraag rijst bij welke verwijzingscategorie de vordering het beste aansluit, maar dat kan gelet op wat hierna wordt overwogen over de erkenning van het religieuze huwelijk en de gevolgen die dat heeft voor de verschuldigdheid van de bruidsgave, in het midden worden gelaten.

Inhoudelijk

3.28.2.

Niet in geschil tussen partijen is dat zij op 14 juli 2019 in Nederland een religieus (islamitisch) huwelijk met elkaar gesloten hebben. In de huwelijksakte van het religieuze huwelijk zijn partijen een bruidsgave overeengekomen. In geschil tussen partijen of die reeds is voldaan en of de bruidsgave thans nog kan worden opgeëist door de vrouw.

3.28.3.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ter zake de bruidsgave afwijzen en overweegt daartoe het volgende. Vast staat dat partijen voorafgaand aan het Nederlandse burgerlijk huwelijk op 13 november 2019, in Nederland een religieus (islamitisch) huwelijk met elkaar hebben gesloten op 14 juli 2019. Op grond van het bepaalde in artikel 10:30 BW kan een huwelijk in Nederland wat de vorm betreft slechts worden voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand met inachtneming van het Nederlandse recht, behoudens de bevoegdheid van buitenlandse diplomatieke en consulaire ambtenaren om, in overeenstemming met de voorschriften van het recht van de door hen vertegenwoordigde staat, aan de voltrekking van de huwelijken mede te werken indien geen van de partijen uitsluitend of mede de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van artikel 49 lid 1 Wetboek van Strafrecht is de bedienaar van de godsdienst, die voordat partijen hem hebben doen blijken dat hun hun huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken, enige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, zelfs strafrechtelijk te vervolgen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het religieuze huwelijk van partijen naar Nederlands recht geen rechtsgeldig huwelijk betreft. Onderhavige scheidingsprocedure ziet dan ook enkel op het burgerlijk huwelijk in Nederland van 13 november 2019.

3.28.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is het toewijzen van het verzoek van de vrouw tot uitbetaling van de bruidsgave strijdig met de bedoeling van de wetgever omdat dat zou leiden tot het toekennen van rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van de religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen en zelfs uitdrukkelijk verboden.

De bruidsgave vormt – zoals ook in de term al ligt besloten – een onlosmakelijk met het huwelijk verbonden verplichting: zonder geldig huwelijk kan er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn van een verplichting tot betaling van een bruidsgave (ECLI:NL:GHDHA:2025:1600). Dat nadien een burgerlijk huwelijk tussen partijen is gesloten, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op 13 november 2019;

4.2.

bepaalt dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

4.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

  • de minderjarige verblijft bij de man gedurende drie aaneengesloten weekenden, telkens van vrijdag na school om 14:15 uur, althans indien de minderjarige op vrijdag gebruik maakt van de buitenschoolse opvang uiterlijk om 18:30 uur, tot maandagochtend naar school, waarna aansluitend één weekend bij de vrouw geldt, waarna deze cyclus zich herhaalt;

  • de overdracht op vrijdag vindt plaats via school om 14:15 uur, althans via de buitenschoolse opvang uiterlijk om 18:30 uur, en de man brengt de minderjarige op maandagochtend op tijd naar school;

  • partijen zullen de schoolvakanties en overige door school vastgestelde vrije dagen bij helfte verdelen;

4.4.

bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

4.5.

bepaalt dat de man € 50,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve met betrekking tot de echtscheiding en het huurrecht;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.K. Soeters op 31 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733