Hoge Raad 30-10-2026, ECLI:NL:HR:2026:1771

Essentie (gemaakt door AI)

Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Machtiging tot uithuisplaatsing. Perspectiefbesluit. Cassatie tegen bekrachtiging verlenging OTS en uithuisplaatsing, waarin moeder klaagt dat hof zonder nader onderzoek en in strijd met art. 8 EVRM het perspectiefbesluit onderschrijft. Hoge Raad verwerpt. Een uithuisplaatsing is tijdelijk en in beginsel gericht op hereniging, maar het belang van het kind kan zwaarder wegen en verlenging voor maximale duur rechtvaardigen. ‘Onderschrijven’ perspectiefbesluit bindt latere rechters niet.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

‘Onderschrijven’ perspectiefbesluit door rechter bindt latere rechters niet
Moeder stelt cassatieberoep in tegen verlenging OTS/MUHP. De klacht luidt dat het Hof zich meer had moeten richten op gezinshereniging. HR verwerpt en maakt opmerking over onderschrijven perspectiefbesluit: bindt latere rechters niet.

Datum publicatie30-10-2026
Zaaknummer25/04840
ProcedureCassatie
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2026:729; In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:2793
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Jeugdrecht. Machtiging tot uithuisplaatsing. Perspectiefbesluit.

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/04840

Datum 30 oktober 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de moeder,

advocaat: N.C. van Steijn,

tegen

1. WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

2. [pleegouder 1] en [pleegouder 2],

wonende op een geheim adres,

VERWEERDERS in cassatie,

hierna: de GI en de pleegouders,

niet verschenen.

1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/09/676294 / JE RK 24-2124 van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025;

b. de beschikking in de zaak 200.352.612/01 van het gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2025.

De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De GI en de pleegouders hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Uit de moeder is in oktober 2021 een kind geboren (hierna: de minderjarige).

(ii) De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

(iii) Op 3 november 2021 heeft de rechtbank Den Haag de minderjarige voorlopig onder toezicht van de GI gesteld en de GI een machtiging verleend om de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen.

(iv) De minderjarige verblijft sinds december 2021 bij de pleegouders.

(v) Op 31 januari 2024 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende dat het contact tussen de moeder en de minderjarige volledig wordt stopgezet.

(vi) De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 30 januari 2024 verlengd tot 3 februari 2025. Bij beschikking van 5 november 2024 is de machtiging om de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen eveneens verlengd tot 3 februari 2025.

2.2

In dit geding heeft de GI op grond van art. 1:260 BW verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar en op grond van art. 1:265c BW verzocht de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De rechtbank heeft de verzoeken toegewezen. 1 Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“6.2 (…) [De minderjarige] is vlak na zijn geboorte uit huis geplaatst, omdat er grote zorgen waren over de opvoedomgeving bij de moeder. De zorgen waren gelegen in de persoonlijke problematiek van de moeder, haar middelengebruik en de instabiele en conflictueuze relatie met de vader van [de minderjarige]. De moeder heeft de afgelopen jaren hard gewerkt aan haar eigen problematiek. Zij heeft de benodigde hulpverlening geaccepteerd en heeft inmiddels een stabiel leven voor zichzelf opgebouwd. (…) De rechtbank moet vaststellen dat ondanks de positieve ontwikkeling van de moeder het helaas niet is gelukt om een band op te bouwen tussen [de minderjarige] en de moeder. De omgang is in november 2023 stopgezet omdat er grote zorgen waren over het gedrag dat [de minderjarige] liet zien na de omgangsmomenten. Dat gedrag is niet alleen beschreven door de pleegmoeder maar dat blijkt ook uit de verslaglegging van Basic Trust. Er is toen besloten dat [de minderjarige] eerst moest starten met intensieve behandeling bij Basic Trust, waarna weer gekeken kon worden naar contactherstel met de moeder. De behandeling heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid, maar heeft juist alleen maar meer zorgelijk gedrag bij [de minderjarige] teweeg gebracht. De ontregeling is zo groot dat [de minderjarige] niet tot nauwelijks toekomt aan zijn ontwikkeling, wat een grote bedreiging voor hem vormt. [De minderjarige] heeft vanwege zijn belaste voorgeschiedenis en zijn ontregelde gedrag een bovengemiddelde behoefte aan duidelijkheid, stabiliteit en continuïteit. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk dat er duidelijkheid komt over het opvoedperspectief van [de minderjarige]. [De minderjarige] verblijft nu al geruime tijd – bijna zijn hele leven – bij de pleegouders. Hij is veilig gehecht aan de pleegouders en zij kunnen voorzien in zijn bovengemiddelde opvoedbehoeften. De huidige plaatsing lijkt dan ook passend te zijn voor [de minderjarige] en het is duidelijk dat hij daar langer mag blijven. De rechtbank vindt het – gegeven het welbevinden van [de minderjarige] en het feit dat er al heel lang geen contact meer mogelijk is geweest tussen [de minderjarige] en de moeder – op dit moment niet langer in het belang van [de minderjarige] dat wordt gewerkt aan een thuisplaatsing bij de moeder.

Ook als [de minderjarige] niet meer bij de moeder zal komen wonen, blijft zij zijn (echte) moeder. Zij zal daarom altijd een belangrijke rol spelen in het leven van [de minderjarige]. Het is echter niet in het belang van [de minderjarige] dat er langer onduidelijkheid is over waar hij zal opgroeien. Het standpunt van de moeder dat [de minderjarige] door zijn jonge leeftijd nog geen onduidelijkheid ervaart over zijn opvoedperspectief volgt de rechtbank niet. Juist bij jonge kinderen is de aanvaardbare termijn – de termijn waarin een kind onduidelijkheid kan ervaren over waar hij gaat opgroeien – korter en dient er sneller een beslissing te worden genomen over het opvoedperspectief. De aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is overschreden. De rechtbank kan de visie van de gecertificeerde instelling, dat niet meer aan terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder wordt gewerkt, dan ook onderschrijven. Gelet op dat oordeel zal de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de verzochte duur, te weten tot 3 februari 2026.”

2.3

Tegelijk met de hiervoor in 2.2 genoemde verzoeken van de GI heeft de rechtbank verzoeken van de moeder tot intrekking van de hiervoor in 2.1 onder (v) weergegeven schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2024, tot benoeming van een deskundige en tot vaststelling van een contactregeling behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van de verzoeken van de moeder aangehouden om de minderjarige, die extreme reacties vertoonde en daardoor stagneerde in zijn ontwikkeling, rust en ruimte te gunnen, zodat hij weer stabiel kan worden en vervolgens opnieuw kan starten met behandeling. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat contactherstel met de moeder altijd een doel moet blijven en dat het evident is dat daarin zo voortvarend mogelijk stappen gezet moeten worden. (rov. 6.4)

2.4

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de verzoeken van de GI bekrachtigd. 2 Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“5.2 Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. Alle partijen zijn het erover eens dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds de minderjarige uit huis is geplaatst. Ook heeft zij zich steeds op positieve wijze ingezet in het traject dat aanvankelijk is ingezet om te komen tot terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. Ondanks deze positieve ontwikkelingen is er sinds november 2023 geen contact tussen de moeder en de minderjarige omdat de minderjarige zeer sterk ontregeld raakt van dit contact. Het traject bij Basic Trust, gericht op het geven van therapie aan de minderjarige en het bewerkstellingen van contactherstel met de moeder, moest vanwege de zeer extreme ontregeling van de minderjarige eind 2024 zelfs vroegtijdig geheel worden beëindigd. De onderliggende reden voor de zware ontregeling van de minderjarige is tot op heden niet met zekerheid achterhaald. In het kader van het contactherstel met de moeder zal hier nog nader onderzoek naar worden gedaan, zoals in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure is bevolen. Door Basic Trust is geadviseerd om de minderjarige eerst tot rust te laten komen en de tijd te geven om weer terug te komen in zijn ‘kalme brein’. Dit is ook de visie van het expertiseteam, waar [de GI] deze zaak heeft ingebracht. Inmiddels heeft [de GI] een andere hulpverleningsinstantie (…) gevonden die de therapie voor de minderjarige opnieuw wil oppakken. [De GI] heeft ter zitting echter naar voren gebracht dat de minderjarige deze maand ook begint op de basisschool en daar moet wennen, zodat het daarom op dit moment te belastend voor hem is om met deze therapie te beginnen. Wanneer dit wel kan is op dit moment nog niet te zeggen. Van belang hiervoor is in ieder geval dat de minderjarige voldoende ‘rust in zijn hoofd’ heeft, gewend is op school en toe kan komen aan zijn eigen ontwikkeling. Het verloop en de mogelijke uitbreiding van het contact met de moeder is steeds afhankelijk van de draagkracht van de minderjarige.

Het hof heeft aldus geconstateerd dat er nog geen zicht op is op welke termijn de therapie kan starten en overweegt dat als dit nieuwe traject leidt tot contactherstel, dit met kleine stapjes zal moeten gaan. Het hof overweegt verder dat de minderjarige inmiddels bijna vier jaar is, uit huis is geplaatst toen hij een maand oud was, na twee maanden bij het huidige pleeggezin is geplaatst, daar goed is gehecht en er op dit moment nog geen zicht is op contactherstel, laat staan op een mogelijke terugplaatsing bij de moeder.

Gelet op dit alles is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken en dat het door [de GI] genomen perspectiefbesluit, dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien, dient te worden onderschreven.

Voor zover de moeder nog naar voren heeft gebracht dat de minderjarige op dit moment, vanwege zijn jonge leeftijd, geen last ervaart van de onduidelijkheid in zijn opvoedperspectief, zodat [de GI] het perspectiefbesluit te vroeg heeft genomen, overweegt het hof dat het desondanks in het belang van de minderjarige is dat er duidelijkheid en zekerheid komt over zijn opvoedsituatie. Ook voor de moeder en de pleegouders dient de onzekerheid over het perspectief van de minderjarige te eindigen. Onzekerheid bij hen kan bovendien ook leiden tot onrust bij de minderjarige.

Het hof begrijpt daarnaast dat het lange wachten voor de moeder enorm moeilijk is en dat zij zo snel mogelijk contactherstel wenst. Het hof begrijpt ook dat de moeder wenst dat de rechtbank een vinger aan de pols kan houden door het uitspreken van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur. Gelet op het voorgaande, en de nog resterende termijn van de verlenging van de uithuisplaatsing, ziet het hof hier echter onvoldoende redenen voor. Bovendien wordt in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure al een vinger aan de pols gehouden wat betreft het contactherstel tussen de moeder en de minderjarige.”

3Beoordeling van het middel

3.1

Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.2 dat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken en dat het door de GI genomen perspectiefbesluit, dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien, dient te worden onderschreven.

Onderdeel 1 klaagt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is in het licht van de uit art. 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de rechter en de autoriteiten om zich in te spannen voor het behoud van family life. Het hof had niet tot zijn oordeel mogen komen zonder nader onderzoek te (laten) doen naar de oorsprong van de reactie van de minderjarige.

Onderdeel 2 klaagt dat dit oordeel van het hof onjuist is omdat elke tijdelijke jeugdbeschermingsmaatregel in beginsel moet zijn gericht op gezinshereniging.

3.2.1

Een machtiging tot uithuisplaatsing is tijdelijk van aard. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder de uitspraak in de zaak Van Slooten/Nederland 3, volgt dat een tijdelijke kinderbeschermingsmaatregel verenigbaar moet zijn met het uiteindelijke doel van hereniging van ouder(s) en kind. Het belang van het kind om niet van gezin te veranderen kan echter zwaarder wegen dan het belang van de ouder(s) bij hereniging.

3.2.2

De beslissing over een machtiging tot uithuisplaatsing moet derhalve in beginsel verenigbaar zijn met het uiteindelijke doel om ouder(s) en kind te herenigen. Indien de rechter echter tot het oordeel komt dat het belang van het kind vergt dat het niet wordt teruggeplaatst bij de ouder(s) en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de ouder(s) bij terugplaatsing, zal een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de maximale duur veelal aangewezen zijn. De rechtspraak van het EHRM biedt ruimte voor een dergelijk rechterlijk oordeel.

3.2.3

Het hof heeft zich (in rov. 5.2) een oordeel gevormd over het antwoord op de vraag wat in de omstandigheden van dit geval in het belang van de minderjarige is. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1-3.2.2 is overwogen, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarop stuiten de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten af.

3.3.1

Opmerking verdient het volgende.

3.3.2

Bij de beslissing tot ondertoezichtstelling met een uithuisplaatsing is mede bepalend wat voor de minderjarige een aanvaardbare termijn is waarbinnen de ouder(s) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen. Gedurende de uithuisplaatsing van een minderjarige kan de gecertificeerde instelling tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van de minderjarige elders ligt. Dit standpunt van de gecertificeerde instelling wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. 4 Een perspectiefbesluit kan aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. 5

3.3.3

Indien de rechter in zijn uitspraak tot uitdrukking brengt dat hij het perspectiefbesluit ‘onderschrijft’ of ‘bekrachtigt’, heeft dit geen andere betekenis dan dat hij zich kan vinden in het standpunt van de gecertificeerde instelling over het (structurele) opgroeiperspectief, en daarmee rekening houdt bij zijn beslissing op het aan hem voorgelegde verzoek. Een dergelijk oordeel over het perspectiefbesluit is niet bindend voor de rechter die moet oordelen in een volgende kinderbeschermingszaak met betrekking tot dezelfde minderjarige, waaronder een verzoek tot beëindiging van het gezag over die minderjarige.

4Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 30 oktober 2026.

1

Rechtbank Den Haag 24 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2438.

2

Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2793.

3

EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18, ECLI:CE:ECHR:2025:0415JUD004564418 (Van Slooten/Nederland).

4

HR 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148, rov. 3.2.4-3.2.5.

5

HR 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148, rov. 3.6.2.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733