Rechtbank Amsterdam 14-10-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10112

Essentie (gemaakt door AI)

Tussenvonnis, ex‑samenlevers. Woning met gunstige hypotheekrente eerder aan man toegedeeld en geleverd ter uitvoering van kortgedingvonnis, terwijl in bodemprocedure is beslist dat verkoop aan een derde moet volgen. Vraag of vrouw rentecompensatie krijgt nu splitsing van het hypotheekcontract niet meer kan. Rechtbank oordeelt dat de man onrechtmatig tenuitvoerlegt en dat de vrouw recht heeft op vergoeding van rentenadeel op basis van art. 6:162 BW. Voornemen tot benoeming deskundige en uitgangspunten vastgesteld. Geen terugkomen op bindende eindbeslissingen. T

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Man moet hypotheekrentenadeel vrouw vergoeden: onrechtmatig gehandeld
Woning met gunstige hypotheekrente was aan man toegedeeld en geleverd ter uitvoering van kortgedingvonnis, terwijl in bodemprocedure is beslist dat deze aan derde moet verkocht. Vrouw had recht op splitsing. Man moet nu compenseren.

Datum publicatie29-10-2026
ZaaknummerC/13/769525 / HA ZA 25-1070
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Eigen woning
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Tussenvonnis, ex-samenlevers. Woning met gunstige hypotheekrente toebedeeld en geleverd aan de man ter uitvoering van een kortgedingvonnis, maar in deze bodemprocedure geoordeeld dat de woning alsnog aan een derde moet worden verkocht. Vraag of de vrouw recht heeft op rentecompensatie nu het hypotheekcontract niet meer kan worden gesplitst. De vrouw heeft recht op vergoeding van rentenadeel vanwege de onrechtmatige tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis door de man. Voornemen tot benoeming deskundige en uitgangspunten voor berekening rentenadeel. Geen grond om terug te komen op bindende eindbeslissingen. Tussentijds hoger beroep opengesteld. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2026:3875

Volledige uitspraak


RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/769525 / HA ZA 25-1070

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Gunter,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.P. Barth.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 april 2026, en de daarin genoemde stukken,

- de rolbeslissing van 10 juni 2026, en de daarin genoemde stukken,

- de op 22 juli 2026 binnengekomen akte van de man, met producties,

- de op 22 juli 2026 binnengekomen akte van de vrouw, met producties,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2Dit vonnis in het kort

2.1.

Partijen zijn ex-samenlevers en bezaten samen een woning. In kort geding is de woning toegedeeld aan de man, inclusief het gunstige hypotheekcontract. In deze bodemprocedure heeft de rechtbank in haar tussenvonnis 1 beslist dat de woning alsnog aan een derde moet worden verkocht. Aangezien de man de gunstige hypotheek volledig heeft meegenomen en deze achteraf niet meer kan worden gesplist, resteert de vraag of de vrouw recht heeft op rentecompensatie. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is, omdat de man onrechtmatig heeft gehandeld door de tenuitvoerlegging. Een deskundige zal de hoogte van de rentecompensatie moeten vaststellen aan de hand van de in dit vonnis geformuleerde uitgangspunten. De man verzoekt de rechtbank ook om terug te komen op enkele van haar bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis, maar daartoe bestaat geen grond. Wel wordt tussentijds hoger beroep opengesteld.

3Aanvullende feiten

3.1.

In aanvulling op de feiten in het tussenvonnis van 8 april 2026 (hierna: het tussenvonnis) stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

3.2.

Op 25 juli 2024 heeft de advocaat van de man over tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis - voor zover relevant - het volgende geschreven aan de advocaat van de vrouw:

“De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een hoger beroep heeft geen schorsende werking. Cliënt zal dan ook uitvoering geven aan het vonnis.”

3.3.

Op 4 december 2024 heeft de notaris onder meer het volgende geschreven aan de man:

"Het door u meegezonden arrest van 27 november jl. ziet -kennelijk- slechts op de ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover het hoger beroep gericht was tegen een gedeelte van de eerdere uitspraak (...) Ik had eerder begrepen dat er sprake zou zijn van een algehele niet-ontvankelijkheid, waarmee de eerdere uitspraak definitief zou worden.

Daarbij komt dat er een opschortende voorwaarde is – ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van mevrouw [gedaagde] – waar naar de letter van de uitspraak niet aan wordt voldaan. De mij toegezonden hypotheekstukken zien op het aflossen van de huidige lening, tegen het afsluiten van een nieuwe lening. Hoewel dat materieel wellicht op hetzelfde neerkomt, kan ik niet overzien of dit fiscaal dezelfde consequenties heeft. Ook vraag ik mij af of er geen sprake is van een zekere onomkeerbaarheid, wat het passeren van de akte in de weg zou kunnen staan nu deze zaak nog onder de rechter is.

Om die reden zie ik graag een advies van een fiscalist en/of hypotheekadviseur waar in heldere bewoordingen uit blijkt dat er geen andere consequenties zijn aan het op de nu voorgestelde wijze omzetten van de hypotheek vergeleken met een ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Hoe dan ook zal ik mij bij het passeren van de akte op basis van de uitspraak, aan die eerdere uitspraak moeten houden.

Samenvattend ontvang ik dus graag van u dit advies. Indien daaruit blijkt dat er geen andere consequenties verbonden zijn aan het aflossen en opnieuw sluiten van de lening dan aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, zou de akte kunnen worden gepasseerd zodra in de Hof-uitspraak niet anders wordt geoordeeld dan de uitspraak in eerste instantie en daar geen rechtsmiddelen meer tegen open staan.”

3.4.

Op 18 december 2024 heeft de advocaat van de vrouw onder meer het volgende geschreven aan de advocaat van de man:

“Indien uw cliënt niet kiest om af te rekenen conform het voorgaande voorstel en daar niet over in gesprek wil zal cliënte zich wederom moeten beraden op de vervolgstappen. Dat kan zijn voortzetting van het hoger beroep, of het starten van een bodemprocedure.”

3.5.

In een e-mail van 27 december 2024 heeft de advocaat van de man voor zover relevant het volgende geschreven aan de advocaat van de vrouw:

“U cliënte is uitsluitend nog mede-eigenaar van de woning omdat zij heeft geweigerd de tussen partijen in augustus 2023 gemaakte afspraak over de verdeling van de woning na te komen en omdat zij thans weigert om uitvoering te geven aan het vonnis van 16 juli 2024, zelfs nu vaststaat dat die beslissing onherroepelijk is en in rechte niet meer kan worden aangetast.”

3.6.

In een e-mail van 31 december 2024 heeft de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man te kennen gegeven dat de vrouw zal meewerken aan de levering onder het kortgedingvonnis en de daarin aangegeven voorwaarden. Verder staat in de e-mail het volgende:

“Namens cliënte stel ik uw cliënt hierbij formeel een termijn om (i) binnen tien dagen na heden schriftelijk te bevestigen dat uw cliënt bereid en in staat is het appartement af te nemen conform het vonnis in kort geding en (ii) uiterlijk op 31 maart 2025 de notariële levering incl ontslag uit hoofdelijkheid te hebben voltooid.

Cliënte blijft overigens bereid om zelf het appartement over te nemen tegen de eerder door haar genoemde voorwaarden, zijnde een prijs van € 1,6 miljoen en toedeling van het hypotheekdeel aan uw cliënt, zoals verwoord in diverse correspondentie (…).

Cliënte behoudt alle rechten voor in een eventuele bodemprocedure (…).”

3.7.

Daarna hebben (de advocaten van) partijen en de notaris gecorrespondeerd over de inhoud van de akte van verdeling. De advocaat van de vrouw heeft in dat kader op 10 februari 2025 onder meer het volgende geschreven aan de notaris (met de advocaat van de man in de CC):

“In antwoord op onderstaande email, zend ik u bijgaand mijn commentaar op de concept akte. Mijn belangrijkste opmerking is verduidelijking in de verwijzingen naar het vonnis als basis voor de huidige rechtshandeling, dat werd gewezen in kort geding. In het verlengde daarvan, behoren beide partijen niet hun rechten in een bodemprocedure op te geven (257 Rv). (…)”

3.8.

Op 21 maart 2025 heeft de vrouw een volmacht ondertekend tot overdracht van haar aandeel in de woning aan de man. In de volmacht staat onder meer het volgende:

“(…) de volmacht wordt verleend aan [medewerker en/of notaris van het notariskantoor] speciaal om voor en namens Volmachtgever mede te werken aan een akte van verdeling ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank te Amsterdam met kenmerk C/13/751420/KG ZA 24-447 (…)”

3.9.

In een e-mail van 29 april 2025 heeft de advocaat van de man het volgende geschreven aan de advocaat van de vrouw:

“Uw cliënte onthoudt al maanden op oneigenlijke gronden haar medewerking aan de overdracht van de woning aan cliënt en heeft daarmee reeds 9 maanden geen boodschap aan het vonnis van de rechter. (…) Ik verzoek u vriendelijk om de notaris (…) voor morgen 11.00 uur te bevestigen dat uw cliënte alsnog haar medewerking verleent aan de overdracht van de woning aan cliënt (…).

Mocht uw cliënte daartoe niet bereid zijn dan ontvang ik graag uiterlijk morgen om 13.00 uur uw verhinderdata aangezien cliënt in dat geval geen andere keuze dan heeft om in een kort geding procedure de medewerking van uw cliënte (en een in de plaats stelling) te vorderen aan de overdracht van de woning aan cliënt conform de door de notaris toegezonden akte van verdeling. Tevens zal uw cliënte aansprakelijk worden gesteld voor de (notaris-)kosten en schade die gemoeid zijn bij verdere uitstel van de overdracht (...) van de woning.

3.10.

In de akte ‘verdeling/levering’, die op 30 april 2025 is gepasseerd, staat voor zover relevant het volgende:

“(…) Comparanten, handelend als gemeld, verklaarden, met dien verstande dat waar in deze akte verklaringen van [gedaagde] zijn opgenomen, deze dus zo moeten worden gelezen dat zij niet feitelijk door [gedaagde] zijn gedaan, maar dat deze aan haar moeten worden toegerekend op grond van het voormelde vonnis.

CONSIDERANS

- (…)

- dat blijkens vonnis in kort geding d.d. negentien juli tweeduizend vierentwintig, van de rechtbank Amsterdam met kenmerk C/13/751420/KG ZA 24-447, waarvan een kopie aan deze akte wordt gehecht, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, de woning dient te worden toegedeeld aan [eiser] ;

- dat de (opschortende) voorwaarden waaronder de woning wordt toegedeeld aan [eiser] zijn vastgesteld bij voormeld vonnis; en

- dat partijen bij deze akte overgaan tot verdeling van de registergoederen in dier voege dat deze registergoederen worden toebedeeld aan [eiser] ter uitvoering van dat vonnis.”

3.11.

De nieuwe partner van de vrouw heeft in de periode maart - mei 2024 de woning die hij met zijn voormalige partner bezat na hun scheiding overgenomen. Het Kadaster vermeldt daarover dat: “verdeling van gemeenschap op 31 mei 2024 is ingeschreven”.

3.12.

De vrouw heeft op 14 augustus 2026 een nieuwe woning gekocht met haar partner, waarvan zij gezamenlijk eigenaar zijn.

4Het geschil

4.1.

De man vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

I. terugkomt op de bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis van 8 april 2026, voor zover die betrekking hebben op:

a. de betekenis en rechtsgevolgen van de notariële akte van 30 april 2025;

b. de ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen met betrekking tot de woning en het gestelde verlies van de gestelde waarde van het hypotheekrentecontract in het licht van de notariële akte van 30 april 2025 en de wijze van totstandkoming van die akte;

c. de toepasselijkheid van de samenlevingsovereenkomst en de uitleg van artikel 9d van die samenlevingsovereenkomst in het licht van de akte van 30 april 2025 en de wijze waarop die akte tot stand is gekomen;

d. het oordeel dat de woning aan een derde moet worden verkocht;

e. het oordeel dat de rentevergoedingsvordering van de vrouw nog aan de orde kan zijn;

subsidiair

II. bepaalt dat, voordat eindvonnis wordt gewezen, tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld tegen dit vonnis en het tussenvonnis van 8 april 2026, voor zover dit betrekking heeft op:

i. de betekenis en rechtsgevolgen van de notariële akte van 30 april 2025;

ii. de ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen met betrekking tot de woning en het gestelde verlies van de gestelde waarde van het hypotheekrentecontract in het licht van de notariële akte van 30 april 2025 en de wijze van totstandkoming van die akte;

iii. de toepasselijkheid van de samenlevingsovereenkomst en de uitleg van artikel 9d van die samenlevingsovereenkomst in het licht van de akte van 30 april 2025 en de wijze waarop die akte tot stand is gekomen;

iv. het oordeel dat de woning aan een derde moet worden verkocht;

v. het oordeel dat de rentevergoedingsvordering van de vrouw nog aan de orde kan zijn;

meer subsidiair

de vordering van de vrouw tot vaststelling van een schadevergoeding wegens gestelde renteschade afwijst.

4.2.

De vrouw verzoekt de benoeming van een deskundige voor het berekenen van het rentenadeel en verzoekt de rechtbank de uitgangspunten vast te stellen aan de hand waarvan die berekening moet worden gemaakt. Voor het overige handhaaft de vrouw haar stellingen en vorderingen in reconventie.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De verdere beoordeling

inleiding

5.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de woning aan een derde verkocht moet worden. De rechtbank kon toen nog geen oordeel geven over de door de vrouw gevorderde rentecompensatie, omdat onbekend was of het hypotheekcontract alsnog gesplitst kon worden. Na navraag van de vrouw bij Rabobank blijkt dit niet mogelijk te zijn, zodat de rechtbank toekomt aan de vraag of de vrouw recht heeft op rentecompensatie, en zo ja, hoe veel. De man heeft de rechtbank tijdens de tweede mondelinge behandeling in deze zaak primair verzocht om terug te komen op enkele bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis. De rechtbank zal dit verzoek eerst bespreken alvorens in te gaan op de rentecompensatie.

geen grond om terug te komen op bindende eindbeslissingen

5.2.

De man stelt dat de eindbeslissingen dat i) de woning moet worden verkocht aan een derde en ii) dat de vrouw mogelijk aanspraak heeft op een rentecompensatie, berusten op een onjuiste feitelijke grondslag. De beslissingen berusten op de veronderstelling dat het kortgedingvonnis de titel vormde voor de levering van de woning en het hypotheekcontract. De man stelt dat partijen vóór de notariële levering vrijwillig een nadere overeenkomst hebben gesloten over de toedeling van de woning aan de man en de financiële gevolgen daarvan. Deze overeenkomst van verdeling in de zin van artikel 3:182 BW vormde dan ook de titel voor de levering op 30 april 2025. De vrouw kan daarom niet alsnog verdeling van de woning of vergoeding van gesteld rentenadeel vorderen, aldus steeds de man.

5.3.

Volgens de vrouw is er geen reden om terug te komen van bindende eindbeslissingen. De drempel daarvoor is volgens haar niet gehaald, omdat er geen sprake is van nieuwe feitelijke informatie. Verder schaart zij zich op dit punt achter het tussenvonnis.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak (dictum) vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, met inachtneming van hoor en wederhoor, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. 2

5.5.

Van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is geen sprake. Op zichzelf voert de man terecht aan dat het kortgedingvonnis zelf niet de titel van de overdracht vormde. Feitelijk is het kortgedingvonnis namelijk niet ten uitvoer gelegd middels de (in dat vonnis) gegeven mogelijkheid tot indeplaatsstelling in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW. De verdelingsakte van 30 april 2025 was evenmin de titel voor de overdracht: dat was slechts de voor overdracht vereiste leveringshandeling. De titel voor de overdracht was daarentegen (artikel 9 van) de samenlevingsovereenkomst zoals vastgesteld en uitgelegd in het kortgedingvonnis, een uitleg die de bodemrechter in het tussenvonnis niet heeft gevolgd. Van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag op dit punt is dus geen sprake.

geen nadere overeenkomst maar uitvoering van het kortgedingvonnis

5.6.

Anders dan de man betoogt, hebben partijen geen ‘overeenkomst tot verdeling’ gesloten voorafgaand aan de notariële levering van 30 april 2025. Uit de tekst van de volmacht (zie onder 3.8), de akte (zie onder 3.10) en de voorafgaande correspondentie (zie onder 3.7) blijkt dat de vrouw slechts uitvoering heeft gegeven aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde kortgedingvonnis. Dat de akte van verdeling ook de financiële gevolgen van die toedeling regelt – zoals de overnamesom, vergoeding van de overwaarde en overname van het hypotheekcontract – maakt dat niet anders. Die zaken waren namelijk al vastgesteld in het kortgedingvonnis.

5.7.

Verder doet ook niet ter zake dat de financiering uiteindelijk op een andere manier is vormgegeven dan in het kortgedingvonnis is bepaald. De man heeft zelf toegelicht dat de reden hiervoor was dat de Rabobank kennelijk niet bereid was om – zoals voorzien in het kortgedingvonnis – de gezamenlijke hypotheek voort te laten zetten door de man met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarom hebben partijen in overleg gekozen voor de aflossing van de gezamenlijke hypotheek met een nieuwe hypothecaire lening van de man (met behoud van de lage rente). De vrouw heeft terecht aangevoerd dat deze alternatieve route materieel op hetzelfde neerkwam als de voorwaarden in het kortgedingvonnis. Die andere financieringswijze maakt dan ook niet dat er sprake is van een nadere overeenkomst in plaats van uitvoering van het kortgedingvonnis. Ook op dit punt is dus geen sprake van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

geen gerechtvaardigd vertrouwen

5.8.

De man voert aan dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw geen aanspraak meer zou maken op verdeling van de woning of vergoeding van het gestelde rentenadeel. Zij heeft immers eerst op 18 december 2024 (onder 3.4) geschreven dat ze zich zou beraden op vervolgstappen zoals een bodemprocedure, en heeft vervolgens in haar mail van 31 december 2024 (onder 3.6) zelf aangedrongen op toedeling van de woning aan de man, waaraan ze zelfs een termijn verbond. Bovendien wist zij dat hierna het hypotheekcontract niet meer zou kunnen worden gesplitst, aldus de man.

5.9.

De vrouw betwist dat zij ‘vrijwillig’ heeft meegewerkt aan de levering/verdeling en dat de man daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Er was een uitvoerbaar bij voorraad verklaard kortgedingvonnis, waartegen het hoger beroep niet geslaagd was. Uit e-mailcorrespondentie blijkt dat de man uitvoering wilde, dat hij heeft gezegd dat als de vrouw dit bleef weigeren hij opnieuw een kort geding zou starten (zie onder 3.9), waarna zij uiteindelijk heeft meegewerkt aan de uitvoering van het vonnis. Verder heeft de vrouw steeds een voorbehoud van haar rechten in de bodemprocedure gemaakt, aldus steeds de vrouw.

5.10.

De man mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de vrouw geen aanspraak meer zou maken op verdeling van de woning of vergoeding van het gestelde rentenadeel. De wil van de vrouw om mee te werken aan de levering werd immers bepaald door het kortgedingvonnis en de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep daartegen. Nu dat vonnis door het andersluidende tussenvonnis van 8 april 2026 achteraf zijn rechtskracht dreigt te verliezen, kan er niet vanuit worden gegaan dat zij – ook zonder dat kortgedingvonnis – daadwerkelijk de wil had om de woning inclusief hypotheekcontract toe te delen aan de man. Dat was ook kenbaar aan de man: in de akte van verdeling staat in heldere bewoordingen dat de toedeling geschiedt ter uitvoering van het kortgedingvonnis en dat haar verklaringen aan haar moeten worden toegerekend op grond van dat kortgedingvonnis.

5.11.

De vrouw heeft verder voldoende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij niet vrijwillig de akte van verdeling is aangegaan. Uit de e-mails van 25 juli 2024, 27 december 2024 en 29 april 2025 (onder 3.2, 3.5 en 3.9) volgt namelijk dat de man (i) de vrouw meermaals heeft aangesproken op het niet voldoen aan het kortgedingvonnis, (ii) de vrouw heeft voorgehouden dat dit vonnis niet meer in rechte kon worden aangetast en (iii) een zekere druk heeft uitgeoefend op de vrouw om mee te werken aan de levering. Ook staat in de e-mail van 31 december 2024 dat de vrouw nog steeds bereid blijft om de woning zelf over te nemen. Tot slot heeft de vrouw in haar e-mails van 31 december 2024 en 10 februari 2025 (zie 3.6 en 3.7) een uitdrukkelijk voorbehoud van haar rechten in een eventuele bodemprocedure gemaakt. Gezien deze omstandigheden mocht de man er dan ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de toedeling van de woning inclusief het hypotheekcontract aan de man overeenkwam met haar eigen wil en zij daar later geen aanspraak meer op zou maken. De man legt dezelfde stellingen ten grondslag aan zijn beroep op rechtsverwerking en strijd met de redelijkheid en billijkheid, zodat deze beroepen ook niet slagen.

5.12.

De man voert tot slot nog aan dat uit de e-mail van de notaris van 4 december 2024 aan de man (onder 3.3) blijkt dat de notaris het kortgedingvonnis niet zelfstandig ten uitvoer wilde leggen via een indeplaatsstelling en dat ook daar de wil van de vrouw tot overdracht van de woning met het hypotheekcontract uit blijkt. De man kon dus geen druk uitoefenen op de vrouw om mee te werken met het vonnis omdat de notaris daartoe niet bereid was, en was afhankelijk van haar vrijwillige medewerking. De vrouw wist dat, want zij heeft op 18 december 2024 (onder 3.4) geschreven een bodemprocedure te overwegen, aldus de man. De vrouw betwist dat zij destijds wist dat de notaris het vonnis niet ten uitvoer wilde leggen en zij dus kennelijk ook de optie had om niet mee te werken aan de akte van verdeling.

5.13.

Voorop staat dat de e-mail van de notaris van 4 december 2024 (zie onder 3.3) niet aan (de advocaat van) de vrouw is toegezonden. Of de vrouw van het standpunt van de notaris op de hoogte was kan overigens in het midden blijven en de rechtbank gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de man ter zake. Uit de e-mail van de notaris blijkt namelijk niet dat de notaris pertinent weigerde het kortgedingvonnis ten uitvoer te leggen. Hij wenste slechts aanvullend advies over de alternatieve financieringswijze (zoals bedoeld in 5.7), waarna hij bereid was de akte te passeren zodra het hof de vrouw definitief niet-ontvankelijk had verklaard en daar geen rechtsmiddelen meer tegen openstonden. Hoewel de notaris het kortgedingvonnis dus op dat moment niet wilde uitvoeren, blijkt uit die e-mail niet dat het kortgedingvonnis ‘onuitvoerbaar’ was en de vrouw dus hoe dan ook vrijwillig moest meewerken.

tussenconclusie

5.14.

Uit het voorgaande volgt niet dat de rechtbank op onjuiste feitelijke gronden heeft geoordeeld dat i) de woning moet worden verkocht aan een derde en ii) de vordering tot rentecompensatie (dus) nog aan de orde is. Hierna zal de rechtbank ingaan op de vraag of de vrouw recht heeft op rentecompensatie.

rentecompensatie

de man heeft onrechtmatig gehandeld

5.15.

De vrouw vordert vergoeding voor rentenadeel, kort gezegd omdat de man de gunstige hypotheekrentevoorwaarden volledig toebedeeld heeft gekregen ten koste van de vrouw en dit niet meer ongedaan kan worden gemaakt. In dat kader beroept zij zich op de grondslag onrechtmatige daad. De man is volgens haar ook tekortgeschoten in de verplichting om mee te werken aan de verkoop van de woning en splitsing van het hypotheekcontract. Verder beroept zij zich op ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. De man betwist dat is voldaan aan de vereisten voor onrechtmatige daad, wanprestatie, ongerechtvaardigde verrijking of de redelijkheid en billijkheid.

5.16.

Hiervoor is geoordeeld dat de vrouw heeft gehandeld ter uitvoering van het kortgedingvonnis. De man miskent dat tenuitvoerlegging van of op basis van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard kortgedingvonnis altijd voor zijn rekening en risico komt, omdat een kortgedingvonnis op grond van artikel 257 Rv geen gezag van gewijsde kan krijgen, slechts kracht van gewijsde nadat er geen hoger beroepsmogelijkheden meer zijn. Elke in kort geding gegeven beslissing heeft een voorlopig karakter in die zin dat zij in een bodemprocedure opnieuw getoetst en beslist kan worden. 3 Door de andersluidende beslissing in deze bodemzaak vervalt het oordeel in kort geding (zie ook het tussenvonnis in rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5) op het moment van het wijzen van dit bodemvonnis. Dat moment ligt op de dag dat het andersluidende oordeel in het dictum is vervat. 4 De partij die haar wederpartij tot nakoming van het kortgedingvonnis heeft gedwongen - zoals hiervoor geoordeeld -, blijkt dan achteraf onrechtmatig te hebben gehandeld en kan daarom schadeplichtig zijn. 5 Het gaat dan om aansprakelijkheid voor de schade die voor de vrouw is ontstaan door het door de man doen naleven van de verplichting uit het vonnis tot overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan hem.

5.17.

Deze onrechtmatigheid dient te worden beoordeeld onder toepassing van artikel 6:162 BW. Alleen de schade die in causaal verband staat met die onrechtmatige tenuitvoerlegging komt onder dat artikel in aanmerking voor vergoeding.

5.18.

Daarmee ligt de vraag voor of de schade die de vrouw vordert in causaal verband staat met de tenuitvoerlegging. De man heeft de gunstige hypotheekrentevoorwaarden volledig toebedeeld gekregen ten koste van de vrouw en vast staat dat dit niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

5.19.

De rechtbank volgt de vrouw in haar betoog dat zij schade leidt doordat de man 100% van de gunstige hypotheekrentevoorwaarden heeft verkregen, dat dit nu niet meer kan worden teruggedraaid en dat de vrouw (daardoor) het recht op haar helft van deze gunstige voorwaarden is verloren. Daarbij acht de rechtbank relevant dat (i) de mogelijkheid bestond dat de Rabobank het hypotheekcontract zou splitsen en partijen de gunstige hypotheekvoorwaarden mee zou laten nemen naar een nieuwe financiering en (ii) dat de vrouw dit ‘rentevoordeel’ ook daadwerkelijk kon en wilde benutten nu zij voornemens was een andere woning te kopen (dan wel de gemeenschappelijk woning over te nemen) en hiertoe financieel in staat was. Punt (i) is niet in geschil tussen partijen, punt (ii) zal de rechtbank hieronder bespreken.

aannemelijk dat de vrouw rentevoordeel had gebruikt

5.20.

Volgens de man is van schadeplichtigheid geen sprake, omdat niet aannemelijk is dat de vrouw het hypotheekcontract had kunnen voortzetten. Om gebruik te kunnen maken van de verhuisregeling, had de vrouw binnen drie maanden na overdracht van de oude woning een nieuwe woning gekocht en geleverd moeten krijgen. Dat scenario is niet aannemelijk gezien de krappe Amsterdamse woningmarkt destijds, de doorlooptijd tussen verkoop/aankoop en levering en het feit dat haar nieuwe partner zijn woning ook op het juiste moment had moeten verkopen, aldus steeds de man. De vrouw betwist dit.

5.21.

De rechtbank acht het wel aannemelijk dat de vrouw haar deel van het hypotheekcontract had kunnen voortzetten. De vrouw heeft aan de hand van e-mails over bezichtigingen tussen maart en juli 2024 voldoende gesteld en onderbouwd dat zij voorafgaand aan het kortgedingvonnis op zoek was om (al dan niet met haar partner) een vervangende woning te kopen. Dat haar partner in de periode maart - mei 2024 zelf zijn voormalige echtelijke woning had overgenomen en de vrouw daar in april 2024 bij in is getrokken, maakt dat niet anders. De vrouw heeft namelijk verklaard en met e-mails aangetoond dat zij desondanks nog steeds een andere woning wilde kopen, samen met haar partner of alleen. De moeilijke woningmarkt had een dergelijke aankoop niet tegengehouden. Het financieel belang van het voortzetten van de hypotheekvoorwaarden was namelijk dermate groot, dat de vrouw zo nodig haar koopbeleid had kunnen bijstellen. Ook was de periode van drie maanden na verkoop afhankelijk van het moment van verkoop, dat nog in de toekomst zou liggen en dus nader te bepalen was. Tot slot heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij (met haar helft van het hypotheekcontract) daadwerkelijk in staat was om een nieuwe woning te financieren, zoals ook reeds overwogen in het tussenvonnis. Ook dit aspect van het causaal verband is hiermee bevestigd.

niet aannemelijk dat de man zijn rentevoordeel zal verliezen

5.22.

De man voert verder aan dat hij niet schadeplichtig zal zijn ten opzichte van de vrouw als de woning aan een derde wordt verkocht, omdat hij dan ook het hypotheekcontract zal verliezen. Om dezelfde redenen als genoemd onder 5.20 is het niet realistisch dat hij binnen drie maanden na de levering aan een derde een passende woning kan kopen en geleverd kan krijgen, aldus de man.

5.23.

De rechtbank volgt de man niet op dit punt, omdat de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis al leidt tot de schadeplichtigheid. Bovendien ligt een en ander ook in de risicosfeer van de man, zoals hiervoor onder 5.16 overwogen.

tussenconclusie: de vrouw heeft recht op schadevergoeding

5.24.

Nu sprake is van onrechtmatig handelen, rust op de man een verbintenis tot schadevergoeding. De rechtbank acht het redelijk dat die schade wordt berekend op het rentenadeel van de vrouw. Doordat de man door de tenuitvoerlegging de volledige hypotheekvoorwaarden heeft verkregen op basis van een kortgedingvonnis, is de vrouw namelijk de kans ontnomen om met haar helft van die voorwaarden een nieuwe woning te kopen, waardoor zij rentenadeel (schade) heeft geleden. De vordering tot vergoeding van haar rentenadeel wordt dan ook toegewezen. Gezien dit oordeel komt de rechtbank niet meer toe aan de bespreking van de andere door de vrouw aangevoerde grondslagen voor schadevergoeding.

5.25.

De rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen om het rentenadeel van de vrouw te berekenen. Omdat partijen het niet eens zijn over de uitgangspunten aan de hand waarvan die vergoeding moet worden berekend, zal de rechtbank die eerst vaststellen.

uitgangspunten voor de berekening van het rentenadeel

periode van rentenadeel

5.26.

In het tussenvonnis is beslist dat de vrouw vanaf 1 september 2023 tot aan de verkoop van de woning aan een derde, bij moet dragen aan de eigenaarslasten van de woning. Dat komt feitelijk neer op haar helft van de maandelijkse hypotheekaflossingen, aangezien de overige eigenaarslasten (zoals de hypotheekrente), worden weggestreept tegenover de door de man te betalen gebruiksvergoeding over die periode. De juridische fictie waar vanuit moet worden gegaan, is dus dat de woning en het hypotheekcontract nog altijd gezamenlijk zijn, totdat de woning aan een derde verkocht wordt en de opbrengst wordt verdeeld. In deze fictie leidt de vrouw pas ná de verkoop aan een derde rentenadeel, omdat partijen tot dat moment beiden het voordeel van de gunstige hypotheekrente genieten en de opbrengst genieten. Het rentenadeel moet daarom berekend worden vanaf de verkoop van de woning aan een derde tot aan het eind van de rentevaste periode, dus 2041. De vrouw stelt dat er ook nog nadeel en daarmee schade is na 2041, omdat zij in het begin minder kan aflossen op de hypotheek dan dat zij bij het gunstige rentepercentage had gedaan. Dit veronderstelde ‘na-ijleffect’ na de rentevaste periode acht de rechtbank echter te onzeker om verantwoord in te (laten) schatten, ook door een deskundige. Voor de periode na 2041 hoeft dus geen rentenadeel te worden berekend.

vergelijkingsmaatstaf

5.27.

De basis van de berekening van het rentenadeel is een vergelijking tussen de situatie waarin het hypotheekcontract was gesplitst en de huidige financieringsmogelijkheid. Dat betekent dat (het gewogen gemiddelde van) de hypotheekrente van het oude gezamenlijke hypotheekcontract moet worden vergeleken met de hypotheekrente wanneer de vrouw haar helft van de gezamenlijke lening opnieuw zou moeten financieren bij de Rabobank vanaf de peildatum. De peildatum voor de hoogte van de rente waarmee moet worden vergeleken is dit vonnis, omdat daarmee de onrechtmatigheid van het handelen van de man is vastgesteld. De man heeft terecht aangevoerd dat de vrouw in de huidige hypotheekmarkt de rente waarschijnlijk niet voor 20 jaar vast zou zetten. Daarom zal de rechtbank voor de vergelijking vooralsnog uitgaan van de hypotheekrente van de Rabobank bij een rentevaste periode van 10 jaar. Indien gewenst, mogen partijen een tweede berekening hiervan vragen aan de deskundige op basis van een andere rentevaste termijn. Het nadeel moet op basis van de helft van de geleende bedragen berekend worden, aangezien de vrouw bij splitsing de helft van de lening tegen de gunstige voorwaarden mee had kunnen nemen. Ook moet worden gerekend met nettobedragen, dus na aftrek voor de inkomstenbelasting van de hypotheekrente aan de zijde van de vrouw. Het aldus berekende rentenadeel wordt alleen berekend over de periode vanaf verkoop tot aan 2041 (het einde van de oorspronkelijke rentevaste periode)

periodieke bedragen en contante waarde

5.28.

Aangezien de vrouw pas rentenadeel lijdt in de toekomst (zie 5.26), is sprake van de begroting van nog niet ingetreden schade. Artikel 6:105 BW geeft de rechter in dat geval de mogelijkheid om te kiezen tussen veroordeling tot betaling van een periodiek uit te keren bedrag, of één bedrag ineens (de contante waarde). De rechtbank geeft de voorkeur aan een periodieke schadevergoeding: de schade wordt namelijk ook periodiek (maandelijks) geleden en het totaalbedrag zou een aanzienlijk bedrag kunnen zijn om ineens te betalen. Ook kunnen zich tot 2041 allerlei omstandigheden voordoen die tot een wijziging of stopzetting van de periodieke uitkeringen zouden kunnen leiden. Hoewel de rechtbank partijen vooralsnog in vooruitzicht stelt dat zij een periodiek uit te keren bedrag zal vaststellen, zal de rechtbank de deskundige vragen om ook de contante waarde te berekenen. Nadat de deskundige heeft gerapporteerd, mogen partijen bij eensluidend bericht aan de rechtbank laten weten als zij liever veroordeling tot betaling van de contante waarde wensen.

geen rente

5.29.

Over een uit te keren schadevergoeding (zowel periodiek als contante waarde) hoeft de man geen wettelijke rente te betalen. Er is namelijk geen sprake van vertragingsschade, want de schade ligt in de toekomst en wordt dan vergoed.

overige punten

5.30.

Ter zitting heeft de man aangevoerd hij een groot gedeelte van de hypotheekaflossingen heeft voorgeschoten, zodat de vrouw geld bespaard heeft waarmee zij heeft kunnen beleggen, en hij niet. Eveneens ter zitting heeft de vrouw opgeworpen dat zij afgelopen jaren feitelijk niet in de woning heeft gewoond en dus ook al die tijd geen gebruik kon maken van hypotheekrenteaftrek. De rechtbank gaat voorbij aan beide punten, omdat deze buiten de onder 5.26 afgebakende periode van rentenadeel vallen en partijen er verder geen vorderingen aan verbonden hebben.

benoeming deskundige

5.31.

Voordat de rechtbank een onderzoek door een deskundige instelt, krijgen partijen de gelegenheid zich uit te laten over:

- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);

- de persoon van de te benoemen deskundige(n);

- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

5.32.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van financiën en hypotheken, en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:

    Welk bedrag aan netto rentelasten moet de vrouw maandelijks extra betalen wanneer voortzetting van het gezamenlijke hypotheekcontract wordt vergeleken met een nieuwe financiering? Daarbij kunt u uitgaan van de onder 5.26-5.30 beschreven uitgangspunten.

    Wat is de contante waarde van het rentenadeel op de peildatum en kunt u daarbij toelichten welke keuzes u bij deze berekening heeft gemaakt?

    Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?

5.33.

Aangezien partijen in het tussenvonnis in het vooruitzicht is gesteld dat de proceskosten gecompenseerd zullen worden, ziet de rechtbank aanleiding om het voorschot op de kosten van de te benoemen deskundige(n) gelijkelijk over partijen te verdelen. Dat betekent dat partijen dan ieder de helft van dit voorschot moeten betalen. In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.

5.34.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.

5.35.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.

5.36.

Wel wordt reeds nu de subsidiaire vordering in reconventie toegewezen zoals bepaald in het tussenvonnis in rechtsoverweging 5.17. Op de vordering tot het opleggen van een dwangsom en de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van deze veroordeling wordt nu nog niet beslist omdat – zoals hierna blijkt – het verzoek tot het openstellen van hoger beroep zal worden toegewezen.

de rechtbank stelt tussentijds hoger beroep open

5.37.

Nu de primaire verzoek van de man om terug te komen van bindende eindbeslissingen wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan zijn subsidiaire vordering. Hij verzoekt de rechtbank om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 8 april 2026 en het onderhavige tussenvonnis, voor zover dit betrekking heeft op de in 4.1 onder i. t/m v. genoemde punten.

5.38.

De rechtbank wijst het verzoek toe. De verkoop van de woning aan een derde kan onomkeerbare gevolgen hebben en het afwachten van een deskundigenbericht kan gezien de (mogelijk) lange duur daarvan bezwaarlijk zijn. Daarom zal de rechtbank hoger beroep tegen dit tussenvonnis openstellen. Dat brengt ingevolge artikel 337 Rv lid 2 mee dat ook tegen de eerdere tussenvonnissen tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. 6

5.39.

Voor het verdere verloop van deze procedure is van belang te weten of een van partijen inderdaad hoger beroep aantekent. Partijen mogen hun voornemen daartoe bij akte kenbaar maken.

5.40.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6De beslissing

De rechtbank

in reconventie:

6.1.

bepaalt dat de man dient mee te werken aan verkoop van de woning (met parkeerplaatsen en berging),

6.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 november 2026 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen en over het al of niet instellen van hoger beroep,

6.3.

bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,

in conventie en reconventie:

6.4.

staat tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis toe,

6.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

1

Rb. Amsterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3875.

2

HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800 en HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224.

3

HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3416, NJ 2004/80 (The Storms Factory/Niessen).

4

HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2549, NJ 2002/6.

5

HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0992, NJ 1990/434 (Kempkes/Samson).

6

Zie ook HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, r.o. 3.2.4.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733