Parket bij de Hoge Raad 23-10-2026, ECLI:NL:PHR:2026:1017

Essentie (gemaakt door AI)

A‑G concludeert in cassatie dat een getuige die levensgezel is van een procespartij in een voorlopig getuigenverhoor van vóór 1-1-2025 geen beroep toekomt op het familiale verschoningsrecht art. 165 lid 2 sub a Rv (oud). Het hof past terecht het oude bewijsrecht en het overgangsrecht toe en wijst anticiperende uitleg af omdat de uitbreiding naar levensgezellen per 1-1-2025 een breuk met oud recht vormt. Nemo tenetur-beroep moet per vraag worden beoordeeld; rechter kan vragen beletten art. 179 lid 2 Rv. Conclusie: ver

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Komt het familiaal verschoningsrecht ook toe aan de levensgezel van een procespartij?
A‑G concludeert dat een getuige die levensgezel is van een procespartij in een voorlopig getuigenverhoor van vóór 1 januari 2025 geen beroep toekomt op familiaal verschoningsrecht. Hof past het oude bewijs- en overgangsrecht terecht toe.

Datum publicatie29-10-2026
Zaaknummer26/00868
RechtsgebiedenCiviel recht; Burgerlijk procesrecht
TrefwoordenFamilieprocesrecht; Bewijsrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Procesrecht. Beroep op familiaal verschoningsrecht door levensgezel. Anticiperende lezing van art. 165 lid 2, onder a, Rv (oud)? Art. 179 lid 2 Rv.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00868

Zitting 23 oktober 2026

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[verzoekster] ,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. A.C. van Schaick

tegen

Kievhorst Real Estate B.V.,

hierna: Kievhorst,
advocaat: mr. R.R. Verkerk.

Door het hof zijn als belanghebbenden aangemerkt:

[belanghebbende 1] B.V.,

hierna: [belanghebbende 1] ;

[belanghebbende 2] B.V.,

hierna: [belanghebbende 2] ;

Fli Fin Holding B.V.,

hierna: Fli Fin;

Sandscape Holding B.V.,

hierna: Sandscape.

1Inleiding en samenvatting

1.1

In deze zaak heeft Kievhorst bij verzoekschrift van 5 juni 2024 de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Bij beschikking van 24 februari 2025 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen.

1.2

Daarna heeft de rechter-commissaris op 14 mei 2025 een getuigenverhoor gehouden. Tijdens dit verhoor heeft [verzoekster] een beroep gedaan op het familiale verschoningsrecht, zoals bedoeld in artikel 165 lid 2 sub a Rv, omdat zij de levensgezel is van [betrokkene 1] , die, evenals zijn persoonlijke holding Sandscape, procespartij in de bodemprocedure is. De rechter-commissaris heeft dit beroep op het familiale verschoningsrecht afgewezen.

1.3

[verzoekster] is van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de beslissing van de rechter-commissaris bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof is artikel 165 lid 2 sub a Rv zoals dat gold vóór 1 januari 2025 op [verzoekster] van toepassing. Een levensgezel behoorde toen nog niet tot de kring van verschoningsgerechtigden die een beroep toekomt op het familiale verschoningsrecht. Naar het oordeel van het hof ligt het daarnaast niet in de rede om artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend te lezen in die zin dat ook levensgezellen van partijen daarop een beroep kunnen doen.

1.4

[verzoekster] heeft tegen de beschikking van het hof cassatieberoep ingesteld. Het middel betoogt in de kern dat het hof artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend had moeten lezen in die zin dat ook levensgezellen een beroep kunnen doen op het familiale verschoningsrecht, zoals vanaf 1 januari 2025 het geval is. Mijns inziens kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof dat het niet in de rede ligt artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend te lezen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

1.5

Ik wijs overigens op de mogelijkheid dat de rechter tijdens het verhoor van [verzoekster] als getuige kan beletten dat aan een bepaalde, door een partij of haar raadsman aan [verzoekster] gestelde vraag gevolg wordt gegeven (art. 179 lid 2 Rv, dat onder oud en huidig recht gelijkluidend is).

2Feiten en procesverloop

Feiten 1

2.1

De aandelen in het kapitaal van Kievhorst werden tot 30 december 2022 gehouden door [belanghebbende 2] en Fli Fin. Kievhorst Properties B.V. 2 (hierna: Kievhorst Properties) heeft tussen 30 december 2022 en 22 december 2023 100% van de aandelen van Kievhorst gekocht en geleverd gekregen.

2.2

[verzoekster] was van 16 juli 2020 tot en met 30 december 2022 enig bestuurder van Kievhorst. Per 30 december 2022 is Sandscape, gelijktijdig met Kievits Management B.V., benoemd tot statutair bestuurder van Kievhorst. Vanaf 22 december 2023 is Sandscape geen bestuurder meer van Kievhorst en is Kievhorst Management B.V. alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder.

2.3

Fli Fin 3 is de persoonlijke holding van [verzoekster] en Sandscape 4 is de persoonlijke holding van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). [verzoekster] en [betrokkene 1] hebben een affectieve relatie en wonen samen met drie kinderen, waarvan twee van hen gezamenlijk.

2.4

Op 21 augustus 2024 heeft Kievhorst Properties met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, ten laste van Sandscape 5 voor een bedrag van € 2.189.000,- een aantal conservatoire derdenbeslagen doen leggen. 6

2.5

Bij dagvaardingsexploot van 3 september 2024 heeft Kievhorst Properties Sandscape, [belanghebbende 2] , Fli Fin, 7 en [betrokkene 1] gedagvaard om op 12 februari 2025 voor de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, te verschijnen. 8

2.6

Bij arrest in kort geding van 24 december 2024 9 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, de hiervoor onder 2.4 genoemde conservatoire derdenbeslagen opgeheven, omdat, samengevat, summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van Kievhorst Properties.

Procesverloop 10

2.7

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 5 juni 2024, hebben Kievhorst Properties B.V. en Kievhorst de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. 11

2.8

Aan dit verzoek hebben zij, samengevat, ten grondslag gelegd dat zij, nadat Kievhorst Properties 100% aandeelhouder van de aandelen in het kapitaal van Kievhorst is geworden, op onregelmatigheden zijn gestuit. Zij willen opheldering over de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de onregelmatigheden in de boekhouding van Kievhorst. Ook willen zij hun rechtspositie beter kunnen beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie een voorgenomen vordering op welke grondslag moet worden ingesteld. Zij willen in ieder geval zes getuigen horen, waaronder [verzoekster] . 12

2.9

[belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] , Fli Fin, 13 [verzoekster] en Sandscape 14 zijn door de rechtbank aangemerkt als belanghebbenden bij het verzoek. Fli Fin, [verzoekster] en Sandscape hebben verweer gevoerd. 15

2.10

De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig de advocaat van Kievhorst (mr. Aartsen), de advocaat van Fli Fin, [verzoekster] en Sandscape (mr. Horsting) en [betrokkene 1] . 16 Mr. Aartsen heeft spreekaantekeningen overgelegd.

2.11

Bij beschikking van 30 oktober 2024 17 heeft de rechtbank zich relatief onbevoegd verklaard en, op grond van artikel 270 Rv, de zaak verwezen naar de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. Vervolgens is bij beschikking van 31 oktober 2024 18 de zaak, op grond van het Zaakverdelingsreglement rechtbank Gelderland, verwezen naar team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem.

2.12

Op 3 februari 2025 heeft vervolgens opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de advocaat van Kievhorst (mr. Aartsen) en de advocaat van Fli Fin, 19 [verzoekster] en Sandscape 20 (mr. Horsting). Mr. Aartsen heeft spreekaantekeningen overgelegd.

2.13

Bij beschikking van 24 februari 2025 21 heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen.

2.14

Daarna heeft de rechter-commissaris op 14 mei 2025 een voorlopig getuigenverhoor gehouden. Daar zijn verschenen de advocaat van Kievhorst (mr. Aartsen), de advocaat van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] (mr. Veenstra) en de advocaat van Fli Fin, 22 [verzoekster] en Sandscape 23 (mr. Plas). Het proces-verbaal van dit voorlopig getuigenverhoor vermeldt dat vier getuigen zijn opgeroepen waarvan twee zijn verschenen: [betrokkene 2] en [verzoekster] . Blijkens het proces-verbaal heeft mr. Plas verklaard dat [betrokkene 1] de dag voor het getuigenverhoor is opgenomen in het ziekenhuis, dat hij inmiddels wel is ontslagen uit het ziekenhuis, maar nog niet in staat is dit getuigenverhoor bij te wonen. 24

2.15

[verzoekster] heeft zich, voordat een vraag is gesteld, beroepen op het familiale verschoningsrecht (art. 165 lid 2 sub a Rv) , omdat zij levensgezel is van [betrokkene 1] . Dit beroep wordt door de rechter-commissaris als volgt afgewezen: 25

“ [verzoekster] kan zich niet beroepen op het verschoningsrecht als levensgezel van [betrokkene 1] . Het nieuwe bewijsrecht geldt pas bij zaken die na 1 januari 2025 zijn aangebracht.”

2.16

Daarnaast heeft [verzoekster] zich, eveneens voordat een vraag is gesteld, beroepen op het verschoningsrecht op grond van het nemo tenetur-beginsel (art. 165 lid 3 Rv) .

2.17

Vervolgens heeft mr. Plas de rechter-commissaris gewraakt. De wrakingskamer van de rechtbank heeft dit verzoek tot wraking afgewezen bij beslissing van 2 juni 2025. 26

2.18

[verzoekster] is van de beslissing van de rechter-commissaris ten aanzien van haar beroep op het verschoningsrecht in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). [verzoekster] heeft daarbij verzocht de beslissing die blijkt uit het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 14 mei 2025 te vernietigen en opnieuw oordelend (i) het beroep op het familiale verschoningsrecht van [verzoekster] toe te staan en (ii) zoveel als mogelijk het beroep op het “nemo tenetur-verschoningsrecht” van [verzoekster] toe te staan, althans te bepalen dat [verzoekster] gerechtigd is zich per aan haar gestelde vraag te beroepen op het “nemo tenetur-verschoningsrecht”.

2.19

Kievhorst heeft verweer gevoerd.

2.20

De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 19 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen mr. Plas namens [verzoekster] en mr. Aartsen namens Kievhorst. Mr. Plas heeft spreekaantekeningen overgelegd.

2.21

Bij beschikking van 10 februari 2026 27 heeft het hof de bestreden beslissing van de rechter-commissaris bekrachtigd. Voor wat betreft het beroep op het familiale verschoningsrecht overweegt het hof als volgt:

“3.2 Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv kan een getuige zich verschonen van de verplichting getuigenis af te leggen als hij – kort gezegd – familie is van een in de procedure betrokken partij. Het nieuwe bewijsrecht heeft deze kring van verschoningsgerechtigden op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv uitgebreid met de (vroegere) levensgezel van een partij. [verzoekster] doet, als levensgezel van [betrokkene 1] , een beroep op dit nieuwe artikel 165 lid 2 sub a Rv. De vraag die beantwoord moet worden is of het nieuwe bewijsrecht in dit geval van toepassing is en [verzoekster] dus een beroep op het familiale verschoningsrecht toekomt. Het hof oordeelt van niet en licht dat als volgt toe.

3.3

Het verzoekschrift van Kievhorst c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is bij de rechtbank binnengekomen op 5 juni 2024, dus vóór 1 januari 2025. Op die verzoekschriftprocedure is dus het oude bewijsrecht van toepassing. Het horen van de getuigen in het kader van de toewijzende beschikking op het verzoek voorlopig getuigenverhoor moet worden gezien als een “verdere behandeling van een zaak” in de zin van artikel XIIA van de Wet VMB [waarbij VMB staat voor vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht; A-G]. Het betreft immers geen nieuwe procedure, maar slechts de uitvoering van hetgeen is beslist in de beschikking. Daarmee valt ook het beroep op het verschoningsrecht dat [verzoekster] heeft gedaan tijdens het getuigenverhoor onder het oude bewijsrecht. [verzoekster] heeft dat beroep gedaan in het kader van het getuigenverhoor en na de beslissing op het verschoningsrecht van [verzoekster] zal de uitvoering van het getuigenverhoor weer worden voortgezet door de rechter-commissaris van de rechtbank Gelderland. Dat [verzoekster] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris, maakt dit niet anders.

3.4

Het hof volgt [verzoekster] ook niet in haar standpunt dat het nieuwe bewijsrecht wel (alleen) zou gelden voor getuigen. Het hof ziet geen aanleiding om te oordelen dat getuigen in een procedure ten aanzien van het bewijsrecht een andere positie zouden (moeten) hebben dan de procespartijen. Het zou ook tot onwenselijke situaties leiden als voor betrokkenen in één procedure verschillende regels van bewijsrecht zouden gelden. Daarnaast ligt niet in de rede om het oude artikel 165 lid 2 sub a Rv anticiperend te lezen in die zin dat ook levensgezellen van partijen daar een beroep op kunnen doen. De wetgever heeft juist deze wijziging in het bewijsrecht opgenomen omdat levensgezellen deze bescherming onder het oude recht niet toekwam en hij het vanwege maatschappelijke ontwikkelingen nodig achtte dat te veranderen. Het belang van ongehuwd samenwonenden is daarmee verdisconteerd in de wetswijziging. Daarbij heeft de wetgever een regeling opgenomen om te bepalen wanneer nog het oude en wanneer het nieuwe bewijsrecht geldt. Inherent aan een wetswijziging en een dergelijke overgangsregeling is dat er situaties zijn waarin het oude recht nog geldt. Dat op zichzelf is onvoldoende om af te wijken van hetgeen de wet voorschrijft.

3.5

Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat het oude bewijsrecht op de onderhavige procedure van toepassing is en [verzoekster] als levensgezel van [betrokkene 1] dus geen beroep toekomt op het familiale verschoningsrecht van artikel 165 lid 2 sub a Rv. ”

2.22

Voor wat betreft het beroep op het “nemo tenetur-verschoningsrecht” overweegt het hof, samengevat, dat het beroep van [verzoekster] hierop per specifieke vraag zal moeten worden beoordeeld. Deze beoordeling heeft de rechter-commissaris nog niet kunnen doen, omdat er nog geen vragen aan [verzoekster] zijn gesteld (r.o. 3.9). Het hoger beroep slaagt dus niet.

2.23

[verzoekster] heeft tijdig 28 cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 10 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Kievhorst heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatieberoep beperkt zich tot de verwerping door het hof van het standpunt van [verzoekster] dat zij vanwege haar hoedanigheid van levensgezel van [betrokkene 1] het recht heeft om zich te verschonen van haar plicht om te getuigen. 29 Daarbij wordt in het middel de beslissing van het hof dat voornoemd standpunt moet worden beoordeeld op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv zoals dat gold vóór 1 januari 2025 (hierna: art. 165 lid 2 sub a Rv (oud)) tot uitgangspunt genomen. 30 Het middel betoogt in de kern dat het hof voornoemd artikel anticiperend had moeten lezen in die zin dat ook levensgezellen een beroep kunnen doen op het familiale verschoningsrecht, zoals vanaf 1 januari 2025 het geval is.

3.2

Bij de bespreking van de klachten, stel ik het volgende voorop.

Het familiale verschoningsrecht 31

3.3

Op grond van artikel 165 lid 1 Rv is een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht getuigenis af te leggen. Deze verplichting, die, zo overweegt de Hoge Raad, berust op het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt ten dienste van een goede rechtsbedeling, houdt in dat de opgeroepen getuige ter terechtzitting dient te verschijnen en daar een verklaring dient af te leggen. Het grote belang van de waarheidsvinding brengt mee dat slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op deze verplichting, aldus de Hoge Raad. 32

3.4

Artikel 165 lid 2 sub a Rv geeft een uitzondering, zoals hiervoor bedoeld, voor hen die zich op een familiaal verschoningsrecht kunnen beroepen. Tot 1 januari 2025 kwam dit verschoningsrecht toe aan (i) de (vroegere) echtgenoot van een partij, dan wel (ii) de (vroegere) geregistreerde partner van een partij, (iii) de bloed- of aanverwanten van een partij, tot de tweede graad ingesloten, of (iv) de bloed- of aanverwanten van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten. Sinds 1 januari 2025, met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, komt het familiale verschoningsrecht ook toe aan (v) de (vroegere) levensgezel van een partij, en (vi) de bloed- of aanverwanten van de levensgezel van een partij, tot de tweede graad ingesloten (zie nader hierover onder 3.6 e.v.). 33

3.5

De ratio van het familiale verschoningsrecht is het voorkomen van gewetensnood bij de getuige, aldus verwoord in de wetsgeschiedenis: 34

“(…) besparing van een gewetensconflict aan deze personen wanneer het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring als getuige in het nadeel zou zijn van de procespartij tot wie men in nauwe familierelatie staat (…)”.

De uitbreiding van het familiale verschoningsrecht per 1 januari 2025

3.6

Zoals hiervoor al is opgemerkt, is het familiale verschoningsrecht per 1 januari 2025 uitgebreid tot (vroegere) levensgezellen. In de memorie van toelichting valt te lezen dat het, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen waarin ongehuwd samenwonen veelvuldig voorkomt, past bij de modernisering van het bewijsrecht om het verschoningsrecht op gelijke voet als echtgenoten en geregistreerde partners aan levenspartners toe te kennen. 35

3.7

In artikel 165 lid 2 sub a Rv is geen omschrijving van de term levensgezel opgenomen. In de memorie van toelichting wordt de term als volgt omschreven: 36

“Bij de beoordeling of sprake is van een levensgezel is relevant i) of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, ii) de duur van de gemeenschappelijke huishouding, iii) of er een relatie van affectieve aard is en met name iv) of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Het enkele bestaan van een gemeenschappelijke huishouding brengt nog niet mee dat sprake is van levensgezellen, hetzelfde geldt voor het enkele bestaan van een affectieve relatie. Doorslaggevend is dat er een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid is. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten en geregistreerd partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrok kenen met elkaar samenwonen. Het begrip «levensgezel» hoeft dus niet samen te vallen met louter ongehuwd samenwonenden. Of iemand een levensgezel is en zich op die grond op het verschoningsrecht kan beroepen, zal in het concrete geval steeds door de rechter moeten worden beoordeeld. Daartoe zal degene die zich als levensgezel op het verschoningsrecht beroept, gegevens en omstandigheden moeten aanvoeren waaruit de hierboven genoemde aspecten blijken.”

Uitbreiding van het familiale verschoningsrecht in het strafrecht is aanstaande

3.8

De uitbreiding van de kring van personen die een beroep kunnen doen op het familiale verschoningsrecht sluit aan bij de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van het huidige strafprocesrecht komt een levensgezel geen beroep toe op het familiale verschoningsrecht (zie art. 217 Sv). Onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering gaat dat veranderen: (ex-)levensgezellen krijgen eveneens de mogelijkheid zich op het verschoningsrecht te beroepen. 37 Ook hier zijn de maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van andere samenlevingsvormen dan het huwelijk en het geregistreerd partnerschap de drijfveer tot het uitbreiden van het familiale verschoningsrecht. 38

3.9

Overigens heeft de strafkamer van de Hoge Raad in 2005 al eens moeten oordelen over het beroep van een getuige, als levensgezel van de verdachte, op het strafrechtelijke familiale verschoningsrecht. 39 Het cassatieberoep van de getuige strandde op de tekst van artikel 217 Sv. Over het verband met het recht op <i role="italic">family life</i> (art. 8 EVRM) en de eventuele discriminatie in verband met de uitoefening van dit recht (art. 14 EVRM) overwoog de Hoge Raad (onderstreping van mij):

“4.7. Het verschoningsrecht als bedoeld in art. 217, aanhef en onder 3°, Sv strekt tot bescherming van het tussen de in dat voorschrift bedoelde partners bestaande “family life” in de zin van art. 8 EVRM. Door dit recht wel aan gehuwde en geregistreerde partners, maar niet aan andere partners toe te kennen, ook niet ingeval die partners, zoals de betrokkene en haar partner, duurzaam samenleven, maakt de wet onderscheid tussen de hier bedoelde verschillende vormen van samenleven. Zo al kan worden gesproken van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, bestaat voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de toekenning van een verschoningsrecht aan gehuwde en geregistreerde partners een uitzondering is op de wettelijke plicht om getuigenis af te leggen en deze het belang van de waarheidsvinding doet wijken voor de belangen van de bedoelde relaties, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend.”

3.10

De desbetreffende getuige heeft de zaak daarna voorgelegd aan het EHRM. In 2012 oordeelde het EHRM dat er geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM. 40 Het EHRM overwoog in dit verband, onder andere, dat Nederland gekozen heeft voor een wettelijk verschoningsrecht voor bepaalde categorieën van getuigen in een “clear and workable manner”:

“65. (…) by delimiting specific categories of persons including, among others, the spouse and any former spouse of the suspect and any person who is, or has been, in a registered partnership with the suspect. Such witnesses are relieved of the moral dilemma of having to choose between giving truthful evidence and thereby, possibly, jeopardising their relationship with the suspect or giving unreliable evidence, or even perjuring themselves, in order to protect that relationship.”

3.11

Het EHRM overwoog ook dat staten gerechtigd zijn om zelf de categorieën verschoningsgerechtigden vast te stellen:

“69. (…) The States are entitled to set boundaries to the scope of testimonial privilege and to draw the line at marriage or registered partnerships.”

3.12

Het EHRM voegde daar nog aan toe dat aan het bovenstaande niet afdoet dat op andere terreinen, zoals het socialezekerheidsrecht, samenlevingsvormen anders dan huwelijk op dezelfde wijze als huwelijk worden behandeld. Aan deze gelijke behandeling liggen andere overwegingen ten grondslag en hebben, bovendien, niets van doen met “the important public interest in the prosecution of serious crime”.

Anticiperende interpretatie

3.13

Zoals hiervoor onder 3.1 al is benoemd, bepleit het middel in de kern dat het hof artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend had moeten uitleggen in die zin dat ook levensgezellen een beroep kunnen doen op het familiale verschoningsrecht, net zoals dat per 1 januari 2025 op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv (nieuw) kan.

3.14

Artikel 4 Wet Algemene Bepalingen bepaalt dat de wet alleen verbindt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Er bestaat geen wettelijk kader voor de vraag wanneer en hoe een wetsbepaling anticiperend op komend recht kan worden uitgelegd.

3.15

In de rechtspraak van de Hoge Raad komt de kwestie van anticiperende interpretatie voor. Er zijn op uiteenlopende rechtsgebieden voorbeelden te vinden waarin de Hoge Raad wel of niet heeft geanticipeerd. 41 Anticipatie is het meest aan de orde geweest rondom de inwerkingtreding van het NBW. Dit heeft niet alleen te maken gehad met de omvang van het NBW-wetgevingstraject, maar ook het feit dat het NBW zo’n veertig jaar in de lucht heeft gehangen. 42 Een vastomlijnd kader waarmee kan worden beoordeeld of geanticipeerd kan worden, is door de Hoge Raad echter nooit gegeven. Van Buchem-Spapens heeft in dit verband opgemerkt dat erkend dient te worden dat het aantal gevallen waarin de Hoge Raad zelf expliciet gezichtspunten aanreikt die voor anticipatie van belang zijn, tamelijk gering is. 43

3.16

In haar conclusie van 19 januari 2001 heeft voormalig A-G Wesseling-van Gent op basis van jurisprudentie en literatuur geconcludeerd dat globaal voor anticipatie de volgende regels kunnen worden gesteld: 44

(i) anticipatie is mogelijk wanneer het nieuwe recht aansluit bij de opvattingen zoals die zich onder het oude recht in rechtspraak, literatuur en maatschappij hebben ontwikkeld;

(ii) voor anticipatie is in beginsel ruimte wanneer het geldende recht een lacune bevat die door het nieuwe recht wordt opgevuld;

(iii) bij nieuwe bepalingen die een breuk met het geldende recht betekenen, dient anticipatie met grote terughoudendheid te worden toegepast; 45 en

(iv) een bepaling leent zicht niet voor anticipatie wanneer de nieuwe oplossing niet past in het systeem van het geldende recht.

3.17

Meer recent heeft voormalig A-G Lückers, in haar conclusie van 2 oktober 2020, over anticipatie en de taak van de rechter het volgende opgemerkt: 46

“2.13 In art. 4 Wet Algemene Bepalingen is de regel neergelegd dat de wet alleen verbindt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Ook voor de rechter betekent dit dat hij in het concrete geval de huidige (toepasselijke) op dat moment geldende wet toepast, niet de toekomstige. Dit betekent niet dat op voorhand elke anticipatie op toekomstig recht door de rechter niet mogelijk is. Het uitgangspunt in het civiele recht is dat anticipatie niet mogelijk is indien dit wezenlijk leidt tot het aanvaarden van een regel die in strijd is of moeilijk verenigbaar is met het geldende recht. Anticipatie is dan ook wel mogelijk wanneer het geldende recht een leemte bevat, of nauw verwant daaraan, in het geval dat het geldende recht op een bepaald onderdeel wezenlijk onduidelijk is. Het is dan de taak van de rechter om de leemte op te vullen of een nieuwe regel te formuleren. Wanneer het komend recht voorziet in een regel voor het voorliggende geval, valt er veel voor te zeggen dat de rechter zich bij zijn uitleg en toepassing van het recht daarop oriënteert. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is de status van het komende recht. Zo is bij een conceptwetsvoorstel minder draagvlak verkregen tijdens de parlementaire behandeling dan bij een door de Tweede Kamer aanvaard wetsvoorstel. Ook kan het nieuwe recht aanleiding zijn om bepaalde lijnen in de rechtspraak aan te scherpen of af te zwakken, zodat de overgang naar het nieuwe recht versoepeld kan worden. Continuïteit is dan ook een belangrijk argument voor anticipatie. In het algemeen kan worden gezegd dat naarmate het toekomstige recht meer afwijkt van het huidige, de rechter terughoudender dient te zijn met anticipatie op het toekomstige recht. Indien de nieuwe regel wezenlijk anders is dan de huidige regel, is de rechtspraktijk – vanuit het oogpunt van rechtszekerheid – het meest gediend met een eenduidig, door de wet bepaald omslagmoment. (…)”

Artikel 179 lid 2 Rv (gelijkluidend onder oud en huidig recht)

3.18

In zijn uitspraak van 10 april 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan de mediator geen functioneel verschoningsrecht toekomt, waarbij de volgende bezwaren tegen een verschoningsrecht van mediators vooralsnog de doorslag gaven: 47

“3.6.2.2 Mediation is echter een ruim en niet steeds duidelijk afgebakend begrip en vindt plaats in verschillende vormen en onder verschillende voorwaarden, terwijl de groep van mediators weinig vastomlijnd is, waarbij naast mediators die op grond van het voldoen aan bepaalde opleidings- en ander kwaliteitseisen door een mediationorganisatie als zodanig zijn gecertificeerd, ook “ad hoc” mediators voorkomen voor wie geen kwaliteitswaarborgen gelden. Erkenning van een verschoningsrecht van mediators in het algemeen zou meebrengen dat de kring van verschoningsgerechtigden aanzienlijk zou worden uitgebreid zonder voldoende waarborgen voor de kwaliteit van de mediators, hetgeen zich niet verdraagt met het uitzonderingskarakter van het verschoningsrecht, en dat bij een met het oog daarop noodzakelijke beperking van die groep regelmatig geschillen zouden ontstaan omtrent de daarbij te hanteren criteria en de wijze waarop die zouden moeten worden toegepast, met alle nadelige gevolgen van dien voor de voortgang van procedures.”

3.19

Daarop liet de Hoge Raad onder verwijzing naar artikel 179 lid 2 Rv evenwel volgen:

“3.6.3 Het voorgaande staat niet eraan in de weg dat de rechter tijdens het verhoor van een als getuige opgeroepen mediator op de voet van art. 179 lid 2 Rv. belet dat aan een bepaalde, door een partij of haar raadsman aan de mediator gestelde vraag gevolg wordt gegeven. De rechter zal, indien de mediator met een beroep op zijn geheimhoudingsplicht verzoekt een bepaalde vraag onbeantwoord te mogen laten, zijn beslissing dienaangaande moeten baseren op een afweging van het zwaarwegende maatschappelijke belang bij de waarheidsvinding in rechte en het belang dat wordt of de belangen die worden gediend met de geheimhoudingsplicht waarop de mediator zich beroept.”

Bespreking van de klachten

3.20

Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.

Het middel klaagt, onder het kopje “Klacht”, dat het hof in r.o. 3.2-3.5 (zie onder 2.21 hiervoor) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat de desbetreffende overwegingen onbegrijpelijk zijn gemotiveerd. Het hof had, met toepassing van artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) het beroep van [verzoekster] op het familiale verschoningsrecht moeten honoreren, aldus het middel. Naar ik begrijp, wordt deze algemene klacht in het vervolg van het middel nader uitgewerkt in meer specifieke klachten onder 1, 2 en 9 van de procesinleiding. De procesinleiding bevat, als ik het goed zie, onder 3 tot en met 8, geen klachten maar alleen een toelichting op de klachten.

3.21

Ten eerste wordt geklaagd (zie procesinleiding onder 1) dat de overweging aan het slot van r.o. 3.2 onjuist is, althans onvolledig en onbegrijpelijk. Het hof overweegt daar dat “in deze zaak de vraag beantwoord moet worden of het nieuwe bewijsrecht van toepassing is”. Dit is onjuist althans onvolledig en onbegrijpelijk, omdat [verzoekster] , samengevat, niet alleen heeft gesteld (primair) dat op haar artikel 165 lid 2 sub a Rv (nieuw) van toepassing is, maar ook (subsidiair) dat artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend moet worden uitgelegd. Als het hof heeft bedoeld te overwegen dat het slechts de vraag hoeft te beantwoorden of artikel 165 lid 2 sub a Rv (nieuw) op [verzoekster] van toepassing is, dan is dat onbegrijpelijk, aldus het middel. Daarbij wordt opgemerkt dat r.o. 3.4 van de bestreden beschikking er overigens niet op wijst dat het hof aldus heeft bedoeld te overwegen.

3.22

De klacht faalt. Het hof heeft met het slot van r.o. 3.2 geenszins bedoeld dat het slechts de vraag hoeft te beantwoorden of artikel 165 lid 2 sub a Rv (nieuw) van toepassing is. Met deze overweging respondeert het hof op de primaire stelling van [verzoekster] dat op haar als getuige het nieuwe bewijsrecht van toepassing moet zijn. Bovendien diende het hof in het kader van een eventuele anticiperende interpretatie van oud recht eerst vast te stellen dat het nieuwe recht (nog) niet van toepassing is. Ook uit r.o. 3.4 van de beschikking, waarin het hof de anticiperende lezing van artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) afwijst, blijkt – zoals het middel terecht opmerkt – dat het hof niet van oordeel is dat het slechts hoefde te beoordelen of artikel 165 lid 2 sub a Rv (nieuw) van toepassing is.

3.23

Ten tweede wordt geklaagd (zie procesinleiding onder 2 en 9) dat het oordeel van het hof in r.o. 3.4 dat het niet in de rede ligt om artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend te lezen in die zin dat ook levensgezellen van partijen daar een beroep op kunnen doen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof genoemde omstandigheid dat levensgezellen de bescherming onder het oude recht niet toekwam en de wetgever het vanwege maatschappelijke ontwikkelingen nodig achtte dat te veranderen, kan niet redengevend zijn voor het afwijzen van de anticiperende lezing, aldus het middel. Ook het bestaan van overgangsrecht, in dit geval artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, kan vanwege de algemene strekking ervan geen beslissende betekenis hebben voor de vraag of de bepaling zich leent voor anticiperende interpretatie, aldus het middel.

3.24

Ook deze klacht slaagt niet. Artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) kende een duidelijk afgebakende groep verschoningsgerechtigden (zie onder 3.4 hiervoor). Levensgezellen behoren zonder enige twijfel niet tot die afgebakende groep. Er was dus geen sprake van een lacune of leemte in artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud). Door de uitbreiding van het familiale verschoningsrecht per 1 januari 2025 met (voormalige) levensgezellen vormt artikel 165 lid 2 sub a Rv (nieuw) dan ook een breuk met het tot 1 januari 2025 geldende recht. In dergelijke situaties moet anticipatie met grote terughoudendheid worden toegepast (zie onder 3.16 hiervoor). Of, in de woorden van voormalig A-G Lückers (zie onder 3.17 hiervoor), indien de nieuwe regel wezenlijk anders is dan de huidige regel, is de rechtspraktijk – vanuit het oogpunt van rechtszekerheid – het meest gediend met een eenduidig door de wet bepaald omslagmoment. Gelet op het voorgaande, getuigt het oordeel van het hof dat het niet in de rede ligt artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend te lezen, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat door de wetgever gehoor is gegeven aan de maatschappelijke ontwikkeling ten aanzien van andere samenlevingsvormen maakt het voorgaande niet anders. Tussen het oude en het nieuwe recht bestaat immers een breuk.

3.25

Ten derde wordt geklaagd (zie eveneens procesinleiding onder 2), dat het uit de aard der zaak onjuist en innerlijk tegenstrijdig is als uit het inleidende woord “daarnaast” in r.o. 3.4 moet worden afgeleid dat tegen anticipatie (ook) de voorafgaande overweging – dat het tot onwenselijke situaties zou leiden als voor betrokkenen in één procedure verschillende (te weten: oude en toekomstige) regels van bewijsrecht zouden gelden – pleit. In geval van anticiperende interpretatie gelden immers juist niet verschillende regels van bewijsrecht, aldus het middel.

3.26

Deze klacht faalt, omdat het berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking en dus feitelijke grondslag mist. Het woord “daarnaast” slaat niet op de daaraan voorafgaande overweging. Het woord “daarnaast” is gebruikt om aan te duiden dat het hof met het vervolg van de overweging ook de subsidiaire stelling van [verzoekster] , dat artikel 165 lid 2 sub a Rv (oud) anticiperend moet worden gelezen, verwerpt.

3.27

Ten vierde bevat de procesinleiding een voortbouwklacht (zie procesinleiding onder 9) gericht tegen r.o. 3.5. Deze klacht faalt in het voetspoor van de andere klachten.

3.28

De slotsom is dat het middel faalt.

3.29

Gelet hierop behoeft de gevraagde veroordeling van Kievkorst in de kosten van het hoger beroep en tot terugbetaling van € 3.255,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling, geen bespreking (procesinleiding, onder 10).

3.30

Dat [verzoekster] geen beroep op het familiale verschoningsrecht toekomt, staat overigens niet eraan in de weg dat de rechter tijdens het verhoor van [verzoekster] als getuige belet dat aan een bepaalde, door een partij of haar raadsman aan [verzoekster] gestelde vraag gevolg wordt gegeven (art. 179 lid 2 Rv, dat onder oud en huidig recht gelijkluidend is). De rechter zal, indien [verzoekster] , met een beroep op bescherming van het tussen partners bestaande family life in de zin van art. 8 EVRM, verzoekt een bepaalde vraag onbeantwoord te mogen laten, zijn beslissing dienaangaande moeten baseren op een afweging van het zwaarwegende maatschappelijke belang bij de waarheidsvinding in rechte en het belang dat wordt of de belangen die worden gediend met de bescherming van het tussen partners bestaande family life, zoals het voorkomen van gewetensnood. 48

4Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

De feiten zijn ontleend aan r.o. 2.2-2.4 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:732, tenzij anders vermeld.

2

Kievhorst Properties B.V. is als verdwijnende vennootschap op 22 oktober 2024 gefuseerd met Kievhorst als verkrijgende vennootschap, zie o.a. verweerschrift in hoger beroep, randnr. 3.

3

Tijdens de procedure is de statutaire naam van de vennootschap gewijzigd van Felindy Beheer B.V. naar Fli Fin Holding B.V., zie voetnoot 3 verweerschrift in cassatie van Kievhorst. In deze conclusie wordt uitsluitend de afkorting Fli Fin gebruikt.

4

Tijdens de procedure is de statutaire naam van de vennootschap gewijzigd van [A] B.V. naar Sandscape Holding B.V., zie voetnoot 2 verweerschrift in cassatie van Kievhorst. In deze conclusie wordt uitsluitend de afkorting Sandscape gebruikt.

5

Toen nog [A] B.V. geheten, zie voetnoot 4 hiervoor.

6

Zie r.o. 2.2 van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3061.

7

Toen nog Felindy Beheer B.V. geheten, zie voetnoot 3 hiervoor.

8

Zie r.o. 2.3 van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3061. Het exploot is overgelegd als productie 2 bij het verweerschrift tegen het verzoek tot het houden van een voorlopige getuigenverhoor (zie A-dossier, onder 2).

9

ECLI:NL:GHARL:2024:7919. Zie ook A-dossier, onder 6.

10

Het procesverloop is opgenomen voor zover in cassatie van belang. Zie voor het volledige procesverloop de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 30 oktober 2024, zaaknummer: C/16/576175 / HL RK 24-41 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), r.o. 1.1-1.2; de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 31 oktober 2024, C/05/443091 / HZ RK 24/85 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl); de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3061, r.o. 1.1-1.2; en de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:732, r.o. 1.1-1.2.

11

Het A- en B-dossier lopen qua stukken uiteen in die zin dat het A-dossier ook de stukken bevat vanaf het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van 5 juni 2024, terwijl het eerste stuk in het B-dossier het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 14 mei 2025 is. Het B-dossier bevat bovendien de uitspraak van de wrakingskamer van 2 juni 2025.

12

Zie r.o. 3.1-3.3 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 30 oktober 2024, zaaknummer: C/16/576175 / HL RK 24-41 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

13

Toen nog Felindy Beheer B.V. geheten, zie voetnoot 3 hiervoor.

14

Toen nog [A] B.V. geheten, zie voetnoot 4 hiervoor.

15

Zie r.o. 3.4 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 30 oktober 2024, zaaknummer: C/16/576175 / HL RK 24-41 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

16

Aldus r.o. 1.1 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 30 oktober 2024, zaaknummer: C/16/576175 / HL RK 24-41 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

17

Zaaknummer: C/16/576175 / HL RK 24-41, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

18

Zaaknummer: C/05/443091 / HZ RK 24/85, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

19

Toen nog Felindy Beheer B.V. geheten, zie voetnoot 3 hiervoor.

20

Toen nog [A] B.V. geheten, zie voetnoot 4 hiervoor.

21

ECLI:NL:RBGEL:2025:3061.

22

Toen nog Felindy Beheer B.V. geheten, zie voetnoot 3 hiervoor.

23

Toen nog [A] B.V. geheten, zie voetnoot 4 hiervoor.

24

Zie het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 14 mei 2025, p. 2, derde tekstblok.

25

Zie het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 14 mei 2025, p. 5, een-na-laatste tekstblok.

26

ECLI:NL:RBGEL:2025:4896.

28

De procesinleiding is op 13 maart 2026 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.

29

Zie procesinleiding, p. 2, onder “Inleiding”.

30

Zie procesinleiding, onder 1.

31

Deze paragraaf is deels gebaseerd op de conclusie van A-G De Bock van 13 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:669, onder 5.1-5.5 met bijbehorend notenapparaat.

32

HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273, NJ 2005/454, m.nt. W.D.H. Asser, r.o. 3.3 met verwijzing naar HR 7 juni 2002, NJ 2002/394.

33

Zie Stb. 2024, 62, p. 3-4. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een uitzondering op het familiale verschoningsrecht bestaat indien de partij in hoedanigheid optreedt (slotzin art. 165 lid 2 sub a Rv) . Daarmee wordt bedoeld dat een partij (in de hoofdprocedure) niet de materiële, maar slechts de formele procespartij is, zie Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 233. Zie verder Asser Procesrecht/Asser 3 2023/133; F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken, Deventer: Kluwer 2004, p. 84-89.

34

Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 238 (Nota EV TK 1986). Zie ook HR 8 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2651, NJ 1998/606, r.o. 3.4.

35

Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 39 (MvT). De Raad voor de rechtspraak had eerder in de consultatie van het wetsvoorstel geadviseerd het familiale verschoningsrecht te verruimen tot ongehuwd samenwonende partners. Dit advies is als bijlage van de memorie van toelichting te raadplegen.

36

Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 40 (MvT).

37

Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 39 (MvT). Het wetsvoorstel tot modernisering van het Wetboek van Strafvordering is op 24 februari 2026 aangenomen door de Eerste Kamer. De inwerkingtreding is voorzien op 1 april 2029, zie Kamerstukken II 2023/24, 29279, nr. 847.

38

Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 253 (MvT).

39

HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2748, NJ 2005/531, m.nt. J.E. de Boer.

40

EHRM 3 april 2012, 42857/05, ECLI:CE:ECHR:2012:0403JUD004285705 (Van der Heijden/Nederland). Zie kritisch over deze uitspraak W. Schrama, ‘Het EHRM slaat geen nieuwe piketpaaltjes in het relatierecht; Geen schending artikel 8 EVRM door beperking van het verschoningsrecht tot formele relaties’, Ars Aequi 2013/0281.

41

Zie bijv. op het gebied van procesrecht de voorbeelden genoemd in de conclusie van voormalig A-G Wesseling-van Gent van 19 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1057, onder 2.13. Zie voor voorbeelden uit het (N)BW de voorbeelden genoemd in zowel het middel (randnr. 8) als het verweerschrift (randnr. 10). Zie voor een recent voorbeeld van het afwijzen van anticiperende interpretatie in het kader van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2024:4634, 12 juli 2024, r.o. 2.3.

42

Aldus A.M.J. van Buchem-Spapens, Anticipatie (Mon. Nieuw BW A-23), Deventer: Kluwer 1986, p. 9.

43

Van Buchem-Spapens 1986, t.a.p., p. 41.

44

Conclusie van voormalig A-G Wesseling-van Gent 19 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1057, onder 2.15. In voetnoot 11 van haar conclusie verwijst zij daarbij naar Asser-Vranken, Algemeen Deel, 1995, nr. 155 e.v.; A.M.J. van Buchem-Spapens, Anticipatie, Mon. NBW A-23, nr. 22 en 23; en voormalig A-G Asser in zijn conclusie vóór HR 4 oktober 1996, NJ 1998/44.

45

Vgl. ook de conclusie van voormalig A-G Wesseling-van Gent 22 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX9705; conclusie voormalig A-G Bakels 11 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9258, onder 2.3.

46

Conclusie van voormalig A-G Lückers 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:931.

47

ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471, m.nt. C.J.M. Klaassen, TRA 2009, 69, m.nt. D.J. Buijs, JBPr 2009/37, m.nt. J.F. Fleming, JPF 2009/168, m.nt. F.A.W. Bannier.

48

Vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471, m.nt. C.J.M. Klaassen, TRA 2009, 69, m.nt. D.J. Buijs, JBPr 2009/37, m.nt. J.F. Fleming, JPF 2009/168, m.nt. F.A.W. Bannier, r.o. 3.6.3. Zie hiervoor onder 3.19.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733