Essentie (gemaakt door AI)
Verzoek tot vaststellen zorgregeling toegewezen, verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing afgewezen. Kinderrechter stelt tweewekelijkse, begeleide omgang op vrijdagmiddag vast in het belang van rust en duidelijkheid gezien loyaliteitsconflict en druk van moeder. Schriftelijke aanwijzing voldoet niet aan rechtszekerheidsbeginsel en blijkt deels niet nodig; GI specificeert verwachtingen onvoldoende en biedt onvoldoende ondersteuning. Door GI aangekondigde beperking van contact is geen bij wet toegelaten dwangmiddel als bedoeld in art. 1:263 BW.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 29-10-2026 |
| Zaaknummer | C/05/471332 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Zutphen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoek tot vaststellen zorgregeling toegewezen, verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing afgewezen. Door GI opgelegde sanctie van beperking van contact is geen bij wet toegelaten dwangmiddel als bedoeld in art. 1:263 BWVolledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/471332 / ZJ RK 26-713 (zorgregeling)
C/05/471335 / ZJ RK 26/714 (schriftelijke aanwijzing)
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en over een schriftelijke aanwijzing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden, gevestigd in Arnhem,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[de stiefmoeder] ,
hierna te noemen de stiefmoeder,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt in de zaak C/05/471332 / ZJ RK 26-713 het volgende stuk mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2026.
In de zaak C/05/471335 / ZJ RK 26/714 neemt de kinderrechter het volgende stuk mee in de boordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2026. Beide zaken zijn tijdens deze zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader en de stiefmoeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend aan [persoon] , de partner van de moeder, aanwezig als toehoorder.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd over de zorgregeling. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
2De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de vader en de stiefmoeder.
Er is nog geen omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 december 2026.
Op 1 april 2026 heeft de GI de moeder de volgende schriftelijke aanwijzing gegeven:
‘- Mee werkt aan de gesprekken met de jeugdbeschermer en verschijnt op de geplande afspraken;
- Op een voor [minderjarige] passende wijze met hem communiceert en hem niet belast met volwassenproblematiek en/of relatieconflicten’
3Het verzoek
De GI verzoekt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] : één keer in de twee weken op vrijdagmiddag. [minderjarige] wordt door de omgangsbegeleider van [organisatie] rond 14:30 uur opgehaald. Vervolgens gaan ze vanuit [woonplaats] naar [woonplaats] , waar de moeder woont. De omgang is daar tot 17:00 uur. Dan wordt [minderjarige] door de omgangsbegeleider weer thuis bij de vader gebracht. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Daarnaast verzoekt de GI de schriftelijke aanwijzing die zij aan de moeder heeft gegeven op 1 april 2026 te bekrachtigen.
4De standpunten
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de GI. Zij vindt dat [minderjarige] meer vrijheid moet hebben in wanneer hij bij de moeder langsgaat, omdat dit past bij zijn leeftijd. Ook is er volgens de moeder niets mis met het contact dat zij heeft met [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten en via de telefoon.
De vader heeft geen standpunt ingenomen over de schriftelijke aanwijzing. Hij is het wel eens met het verzoek over de zorgregeling. Volgens de vader is het goed voor [minderjarige] dat het heel duidelijk is wanneer hij zijn moeder ziet, zodat [minderjarige] weet waar hij aan toe is.
5De beoordeling
De kinderrechter zal het verzoek van de GI over de zorgregeling toewijzen en het verzoek over de schriftelijke aanwijzing afwijzen. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt.
De schriftelijke aanwijzing
Op grond van artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouders niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan zoals bedoeld in artikel 4.1.3 eerste lid van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid dienen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op te volgen. Volgens het derde lid kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de beoordeling van het verzoek dient de kinderrechter te beoordelen of het besluit van de GI volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Dit betekent dat het besluit zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen, dat het voldoende is gemotiveerd en dat het voldoende helder is welke verplichtingen hieruit voortvloeien. Bij de beoordeling kijkt de kinderrechter naar de omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing. De schriftelijke aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen en in het belang van de minderjarige worden geacht. De kinderrechter kan de aanwijzing alleen marginaal toetsen.
De kinderrechter overweegt als volgt. De GI kan enkel bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing verzoeken als blijkt dat de ouder deze niet nakomt. Voor het eerste gedeelte van de aanwijzing, namelijk het meewerken aan afspraken, is in dit geval hier geen sprake van. De moeder werkt sinds de schriftelijke aanwijzing namelijk mee aan de gesprekken die de GI plant. Voor dit gedeelte is daarom geen bekrachtiging nodig. Met betrekking tot de schriftelijke aanwijzing over ’passende communicatie en [minderjarige] niet belasten met volwassenproblematiek en/of relatieconflicten’ is de kinderrechter van oordeel dat de GI onvoldoende concreet heeft gemaakt wat er van de moeder wordt verwacht. Hiermee voldoet de aanwijzing niet aan het rechtszekerheidsbeginsel. De aanwijzing om ‘op een voor [minderjarige] passende wijze’ met hem te communiceren is naar het oordeel van de kinderrechter te ruim geformuleerd. Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat de GI hierover wel gesprekken heeft gevoerd met de moeder, maar niet dat zij haar voldoende heeft voorzien van begeleiding en ondersteuning om te begrijpen wat ‘op een passende manier communiceren’ precies inhoudt. Het is nodig dat de moeder inziet welke schadelijke gevolgen haar communicatie met [minderjarige] voor hem kunnen hebben en dat zij weet welke manier van communiceren wel passend is. Pas als de moeder dit voldoende inziet is er een grotere kans op verandering. De GI stelt dat zij heeft geprobeerd de moeder hiervoor psycho-educatie aan te bieden, maar volgens de moeder is deze hulp enkel gericht geweest op de band tussen haar en de zus van [minderjarige] . De kinderrechter volgt hierin het standpunt van de moeder. Haar is niet gebleken van gespecificeerde hulp en ondersteuning bij het verbeteren van de communicatie van de moeder met [minderjarige] . De GI heeft ter zitting vertelt dat zij heeft uitgelegd dat de moeder dit niet moet doen en verwacht dat de moeder dan zelf begrijpt welke communicatie passend is. De kinderrechter vindt dat niet voldoende. Daarbij komt dat de kinderrechter grote vraagtekens zet bij de rechtmatigheid van de sanctie die de GI in haar schriftelijke aanwijzing heeft gezet op het niet naleven daarvan. De GI dreigt hierin met een beperking van het contact tussen de moeder en [minderjarige] , terwijl een wettelijke basis hiervan ontbreekt. Aangezien [minderjarige] niet uit huis is geplaatst, zijn de enige bij wet toe toegelaten dwangmiddelen een dwangsom of lijfsdwang en deze kunnen alleen worden opgelegd door de kinderrechter op verzoek van de GI. Een beperking van het contact door de GI als sanctie is niet een bevoegdheid die de GI in dit geval heeft. Gelet op al deze omstandigheden ziet de kinderrechter onvoldoende aanleiding om de schriftelijke aanwijzing van de GI te bekrachtigen. Zij spoort de GI aan om de moeder alsnog passende hulpverlening te bieden om beter te leren omgaan met de communicatie met [minderjarige] . Als laatste merkt de kinderrechter op dat zij het in het belang van [minderjarige] zou vinden als de GI zich buigt over de vraag of het passend is dat de vader de communicatie tussen de moeder en [minderjarige] monitort. De kinderrechter vraagt zich af of deze werkwijze, die duidelijk spanning oproept bij de moeder, [minderjarige] en de vader, het meest in het belang is van [minderjarige] .
De zorgregeling
Op grond van artikel 1:265g BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een zorgregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter stelt de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast, zoals deze door de GI is verzocht. De moeder stelt dat het beter is voor [minderjarige] als hij zelf kan kiezen hoe en wanneer hij contact heeft met de moeder. De kinderrechter volgt dit standpunt van de moeder niet. Hoewel het in veel gevallen passend kan zijn bij de leeftijd van een kind als [minderjarige] om flexibiliteit te ervaren in een zorgregeling, vindt de kinderrechter dat in dit specifieke geval niet in zijn belang. Het is de kinderrechter duidelijk geworden dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt tussen zijn moeder aan de ene kant en zijn vader en stiefmoeder aan de andere kant. Daarbij komt dat de moeder regelmatig druk uitoefent op [minderjarige] om ook buiten de regeling om bij haar langs te komen. De kinderrechter hoopt voor [minderjarige] dat het in de toekomst zo zal zijn dat hij zich vrijer kan bewegen tussen zijn ouders, maar daarvoor is het nu nog te vroeg. Voor nu is het naar het oordeel van de kinderrechter belangrijk dat [minderjarige] rust mag ervaren in het contact met de moeder. Dat kan worden bewerkstelligd door een duidelijke zorgregeling waarbij het voor iedereen duidelijk is wanneer [minderjarige] bij de moeder is en wanneer niet. Een uitbreiding van de zorg is daarbij nog niet aan de orde. De omgangsbegeleider rapporteert op dit moment onder andere over onvoldoende diepgang in het contact tussen [minderjarige] en de moeder en over een beperkt vermogen van de moeder om [minderjarige] te ondersteunen in het omgaan met emoties en spanningen. Hoewel het voor de kinderrechter zichtbaar was dat de moeder veel verdriet van de situatie heeft, is het nog nodig dat zij hier beter mee om leert gaan en dat zij hiervoor waar nodig hulpverlening accepteert. De omgangsbegeleider schat in dat een uitbreiding van de omgang op dit moment niet tot verbetering van deze punten leidt. Als dit in de toekomst verandert, kan de zorgregeling daarop alsnog worden aangepast.
De kinderrechter merkt tot slot op dat het belangrijk is dat de GI contact zoekt met de begeleider van de contactmomenten en erop toeziet dat deze de afspraken nakomt met betrekking tot de informatievoorziening aan de moeder. Het is immers voor [minderjarige] en voor de invulling van de contactmomenten met de moeder belangrijk dat de moeder op de hoogte is van hoe het met hem gaat en hoe de contactmomenten verlopen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige] en de moeder:
één keer in de twee weken op vrijdagmiddag. [minderjarige] wordt door de omgangsbegeleider van [organisatie] (of een vergelijkbare instantie) rond 14:30 uur opgehaald. Vervolgens gaan ze vanuit [woonplaats] naar [woonplaats] , waar de moeder woont. De omgang is daar tot 17:00 uur. Dan wordt [minderjarige] door de omgangsbegeleider weer thuis bij de vader gebracht;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026 door mr. W.E. van Spanje, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Oostland als griffier. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
