Essentie (gemaakt door AI)
Regresrecht, rechtsverwerking art. 6:2 lid 2 BW. Ex-echtgenoten zijn hoofdelijk schuldenaar voor een consumptief krediet dat bij echtscheiding aan man is toegedeeld. Vrouw betaalt sinds 2008 aan (thans) IB Krediet en vordert regres op man. Man beroept zich op rechtsverwerking wegens langdurig stilzitten en onredelijke verzwaring. Hof past terughoudende maatstaf toe: enkel tijdsverloop en onwetendheid over regresrecht zijn onvoldoende. Geen gerechtvaardigd vertrouwen of benadeling. Bekrachtiging vonnis, kosten gecompenseerd.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 27-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.363.924 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Regresrecht, rechtsverwerking (artikel 6:2 lid 2 BW) . Man heeft na echtscheiding een schuldhulpverleningstraject doorlopen dat in 2010 positief is geëindigd. Vanaf 2008 is de schuldeiser de vordering gaan verhalen op de vrouw. Na zestien jaar klopt de vrouw aan bij de man om haar betalingen op hem te verhalen.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.924
zaaknummer rechtbank Gelderland 454463
arrest van 20 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in Barneveld
advocaat: mr. W. Vahl
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in Culemborg
advocaat: mr. J. van Berk
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 17 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep
-
de memorie van grieven
-
de memorie van antwoord
-
het stuk van [appellant] ingekomen 18 september 2026
Op 17 september 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Aanwezig waren [appellant] en [geïntimeerde] met hun advocaten.
2De kern van de zaak
[geïntimeerde] en [appellant] zijn met elkaar gehuwd geweest. Tijdens hun huwelijk hebben zij op 15 maart 2001 een overeenkomst van geldlening gesloten met Finata Bank N.V. (hierna: Finata Bank) voor een bedrag van NLG 72.000,00. Zij zijn ieder de overeenkomst als hoofdelijk schuldenaar aangegaan. Op 9 mei 2001 hebben [geïntimeerde] en [appellant] een vervolgovereenkomst van geldlening gesloten met Finata Bank. Met deze laatste overeenkomst is het krediet verhoogd naar een bedrag van NLG 85.000,00.
Bij beschikking van de rechtbank van 28 oktober 2004 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. [appellant] heeft een referteverklaring overgelegd en is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De schuld bij Finata Bank is in de echtscheidingsbeschikking aan [appellant] toegedeeld. Het saldo van de schuld bedroeg op 10 juni 2004 € 39.244,43.
[appellant] heeft een minnelijk schuldsaneringstraject doorlopen dat op 1 juni 2010 positief is geëindigd. Hij heeft in dit traject in ieder geval de volgende betalingen aan Finata Bank verricht: op 15 juli 2008 € 5.659,28, op 19 augustus 2009 € 3.854,33 en op 13 juli 2010 € 4.254,68.
Finata Bank heeft op enig moment [geïntimeerde] bericht dat zij moest gaan afbetalen op de schuld. Vanaf 2008 is zij gaan afbetalen.
Finata Bank N.V. was een dochtermaatschappij van lnterBank N.V (hierna InterBank) en is op 26 april 2018 met lnterBank N.V. gefuseerd. lnterBank is hierdoor nu de schuldeiser.
De advocaat van [geïntimeerde] heeft op 24 mei 2024 en 28 juni 2024 een aangetekende brief naar [appellant] gestuurd waarin wordt meegedeeld dat [geïntimeerde] verhaal wil halen op het vermogen [appellant] voor hetgeen zij aan rente en aflossingen (€ 20.490,00) en deurwaarderskosten (€ 1.185,68) heeft betaald. De brief van 28 juni 2024 is bij deurwaardersexploot van 26 juli 2024 aan [appellant] betekend.
InterBank is bij notariële akte van 29 november 2024 omgezet in IB Krediet B.V. (hierna IB Krediet).
[geïntimeerde] heeft vervolgens [appellant] gedagvaard om te verschijnen bij de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. Zij vordert [appellant] te veroordelen:
- tot betaling van een bedrag van € 21.990,00 binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis;
- primair: tot het doen laten ontslaan van [geïntimeerde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid binnen 14 dagen na het te wijzen vonnis,
subsidiair: om telkens binnen 14 dagen te betalen een bedrag ter zake nieuwe regresvorderingen,
met betaling van een dwangsom als hieraan niet is voldaan;
-
tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.185,68;
-
tot betaling van de kosten van het exploot van 26 juli 2024 van € 184,38;
-
tot betaling van de proceskosten;
-
tot betaling van de wettelijke rente vanaf 26 juli 2024 over een bedrag van € 20.490,00;
-
tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dagvaarding over een bedrag van € 1.500,00;
-
tot betaling van de nakosten.
De kantonrechter heeft 26 februari 2025 een tussenvonnis gegeven waarin is bepaald dat er een mondelinge behandeling moet worden gehouden. De kantonrechter heeft de zaak daarna bij vonnis van 9 juli 2025 verwezen naar de rechtbank (een kamer voor andere zaken dan kantonzaken), zittingsplaats Arnhem, omdat de kantonrechter vanwege de hoogte van de vordering in totaliteit niet bevoegd is.
De rechtbank heeft op 9 juli 2025 een (eind)vonnis gegeven en [appellant] veroordeeld:
- tot betaling van een bedrag van € 11.100,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 26 juli 2024 tot de dag van de volledige betaling;
- tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 10 december 2024 tot de dag van de volledige betaling;
- tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag gelijk aan iedere regresvordering die [geïntimeerde] op [appellant] zal verkrijgen vanwege een door haar verrichte betaling aan IB Krediet voor het krediet met contractnummer [contractnummer] , telkens binnen 14 dagen nadat [geïntimeerde] betaling door [appellant] opeist onder overlegging aan hem van een betaalbewijs;
met compensatie van de proceskosten tussen partijen.
[appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank en komt daarom in hoger beroep. Hij stelt dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van [geïntimeerde] en dat hij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van de door [geïntimeerde] gedane betalingen en de door haar nog te verrichten betalingen op de schuld bij IB Krediet.
[appellant] vordert in deze procedure het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen.
[geïntimeerde] voert verweer tegen het verzoek van [appellant] en betwist dat sprake is van rechtsverwerking. [geïntimeerde] verzoekt het hof de vordering van [appellant] af te wijzen en [appellant] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3De beslissing en toelichting op de beslissing van het hof
Het hof zal beslissen dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen en licht dat hierna toe.
[appellant] baseert zijn vordering in hoger beroep op de stelling dat sprake is van rechtsverwerking.
Op grond van artikel 6:2 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan sprake zijn van rechtsverwerking als de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.
Op grond van vaste jurisprudentie moet de rechter bij de toepassing van dit wetsartikel terughoudend zijn. Alleen tijdsverloop levert geen toereikende grond op. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt
1.
Het hof neemt de motivering van de rechtbank die handelt over de vraag of sprake is van rechtsverwerking na eigen onderzoek over en voegt daaraan nog het volgende toe.
[appellant] heeft in hoger beroep benadrukt dat volgens hem sprake is van een situatie dat [geïntimeerde] zijn positie onredelijk heeft verzwaard.
[appellant] dacht dat er na het voldoen van de betalingsregeling met de schuldeiser in het kader van zijn schuldhulpverleningstraject geen sprake meer was van een schuld waarvoor hij kon worden aangesproken Hij heeft dit schuldhulpverleningstraject destijds namelijk afgesloten met een schone lei, waardoor schuldeisers hem niet meer kunnen aanspreken voor nog bestaande schulden. Hij wist niet dat [geïntimeerde] door de schuldeiser op grond van haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld nog kon worden aangesproken om de schuld die aan hem bij de echtscheiding was toegedeeld te betalen. [geïntimeerde] was destijds op de hoogte van het feit dat hij een schuldhulpverleningstraject heeft doorlopen. Dit blijkt uit de door hem overgelegde alimentatiebeschikking waarin de kinderalimentatie die hij moest betalen voor de kinderen van partijen voor de duur van het schuldhulpverleningstraject op nihil is gesteld. Na het traject is hij weer kinderalimentatie gaan betalen.
Indien [geïntimeerde] hem op de hoogte zou hebben gesteld van het feit dat IB Krediet de totale schuld op haar is gaan verhalen dan had hij kunnen proberen om hiervoor ook een regeling te treffen. Nu [geïntimeerde] vanaf 2008 steeds een zeer gering bedrag heeft afbetaald en hem daarover al die jaren niet op de hoogte heeft gebracht, is de schuld steeds groter geworden. Het saldo van de schuld en de rente is nu zo hoog dat beide partijen niet in staat zijn om dit ooit nog te kunnen afbetalen. [appellant] stelt dat het voor hem ook niet mogelijk is om hiervoor weer een schuldsaneringstraject aan te gaan. Deze schuld is in het vorige traject immers al afgehandeld. [geïntimeerde] heeft na het vonnis van de rechtbank direct loonbeslag bij hem gelegd. Indien [geïntimeerde] een schuldsaneringsregeling aangaat dan kan wat [geïntimeerde] in het kader van een regeling moet aflossen op de schuld ook weer op hem worden verhaald. Hij heeft zelf geen ingang om in overleg te kunnen treden met IB Krediet. De situatie is door toedoen van [geïntimeerde] onbeheersbaar geworden, aldus [appellant] .
[geïntimeerde] betwist dat zij de positie van [appellant] onredelijk heeft verzwaard. Zij stelt dat zij destijds leefde onder zware financiële omstandigheden. Zij was alleen verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van de kinderen en de kinderen hadden na de echtscheiding van partijen professionele hulp nodig. Financieel had zij het niet breed en gedurende de periode dat [appellant] het schuldhulpverleningstraject doorliep heeft zij geen kinderalimentatie van hem ontvangen. Zij zag gedurende een lange periode geen mogelijkheden om haar energie op de afbetaling van de schuld te richten. De deurwaarder inde bedragen die voor haar nog net te dragen waren. Zij heeft zich al die jaren maar net staande kunnen houden. De inhoud van de beschikking over de tijdelijke nihilstelling van kinderalimentatie kan zij zich niet meer herinneren. [appellant] heeft haar nooit laten weten dat hij het schuldsaneringstraject succesvol had doorlopen. Pas toen de kinderen ouder werden en er meer rust in haar situatie kwam, is zij de afbetaling op de schuld bij IB krediet gaan oppakken.
Zij heeft de gerechtsdeurwaarder sindsdien meerdere keren om stukken gevraagd waaruit het verloop van de schuld bij IB Krediet blijkt, maar hieraan werd geen gehoor gegeven. Op 20 november 2019 heeft zij [appellant] nog een keer gesproken en toen heeft zij meegedeeld dat zij nog steeds moest afbetalen op schuld bij IB Krediet die aan [appellant] in het kader van de echtscheiding was toegedeeld. [appellant] gaf daarop aan dat hij dan stukken daarvan wilde zien, maar die kreeg zij dus niet in handen.
Pas toen [geïntimeerde] zich tot haar advocaat wendde kwam zij er achter dat zij een regresvordering op [appellant] heeft voor de betalingen die zij gedaan heeft op de schuld bij IB Krediet. Zij betaalt nog steeds iedere maand een bedrag van € 250,00 aan IB Krediet. Beide partijen waren zich er niet van bewust hoe de situatie juridisch in elkaar stak.
[appellant] verwijt haar ten onrechte dat zij nu nog steeds niet in overleg is getreden met IB Krediet, [appellant] heeft dat zelf ook niet gedaan. Zodra er in deze procedure een einduitspraak is, zal [geïntimeerde] in gesprek te gaan met IB Krediet. Op dit moment is dat nog niet zinvol.
Ter zitting heeft [geïntimeerde] ten slotte nog toegelicht dat het totale saldo nu € 73.022,61 bedraagt. De hoofdsom is € 46.228,09, de rente € 48.894,52 en een bedrag van € 22.100,00 is voldaan.
Dat, zoals [appellant] stelt en toelicht zijn situatie door toedoen van [geïntimeerde] onredelijk is verzwaard, is in dit geval geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [geïntimeerde] haar aanspraak niet meer geldend zal maken.
[appellant] geeft aan dat hij zich er niet bewust van was dat [geïntimeerde] kon worden aangesproken op de schuld. Het hof heeft ter zitting van partijen echter ook vernomen dat [appellant] na de echtscheiding en voordat het schuldsaneringstraject werd doorlopen de betalingen op de schuld bij IB Krediet voldeed aan [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] de betalingen aan IB Krediet uitvoerde. Deze gang van zaken had wel een aanwijzing voor [appellant] kunnen vormen om te informeren of de regeling met destijds Finata Bank slechts betrekking had op zijn positie en hoe het zat met de positie van [geïntimeerde] . [appellant] stelt dat hij dacht dat door de regeling met Finata Bank de hele schuld en hoofdelijke aansprakelijkheid van partijen was afgehandeld, maar [geïntimeerde] is nooit op enige wijze in het schuldhulpverleningstraject van [appellant] betrokken. Dit was dus een ongefundeerde aanname van [appellant] . Het komt voor rekening en risico van [appellant] dat hij niet nader heeft onderzocht dan wel zich niet realiseerde dat [geïntimeerde] hoofdelijk aansprakelijk bleef en dat Finatabank [geïntimeerde] voor deze schuld kon (blijven) aanspreken
Verder is gebleken dat [geïntimeerde] zich niet bewust was van haar regresrecht op [appellant] voor de betalingen die zij aan IB Krediet voldeed. Dat de schuld steeds verder opliep en [appellant] daar via regresvorderingen ook op moet afbetalen was [geïntimeerde] niet bekend. Gebleken is dat [appellant] zelf ook niet van dit regresrecht op de hoogte was.
Net als de rechtbank stelt het hof vast dat het beter was geweest dat [geïntimeerde] haar situatie eerder bekend had gemaakt bij [appellant] , zodat partijen samen een allesomvattende regeling hadden kunnen treffen, maar dit is nu eenmaal niet gebeurd.
Het hoger beroep van [appellant] ten aanzien van het oordeel over de rechtsverwerking slaagt dus niet. [appellant] heeft geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de overige punten – zoals de verjaring – in het vonnis van 17 september 2025. Dit vonnis van de rechtbank zal daarom door het hof worden bekrachtigd.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 september 2026 voor zover [appellant] daartegen in hoger beroep is gekomen;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en S. Kuijpers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
(vgl. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574)
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
