Essentie (gemaakt door AI)
Wrakingsbeslissing waarin het verzoek tot wraking van de kantonrechter in een bewindzaak wordt afgewezen. De wrakingskamer uit sterke twijfels of verzoekster zelf het verzoek heeft willen indienen, maar beoordeelt het toch inhoudelijk. Het gebruik van het woord ‘bemoeienis’ in een e-mail van de rechter over het doorgaan van een zitting betreft een processuele beslissing en duidt niet op vooringenomenheid. Ook de latere schriftelijke toelichting van de rechter biedt geen objectieve aanwijzing voor partijdigheid.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 27-10-2026 |
| Zaaknummer | C/10/726493 / HA RK 26-915 |
| Procedure | Wraking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familieprocesrecht; Wraking / verschoning; Meerderjarigenbescherming; Bewind |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Wrakingsbeslissing. Afwijzing verzoek. Sterke twijfels of verzoekster zelf het wrakingsverzoek heeft willen indienen. Daarnaast ontbreken zwaarwegende aanwijzingen voor (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. Het woord 'bemoeienis' in een e-mail van de rechter duidt niet op vooringenomenheid.Volledige uitspraak
Wrakingskamer
Zaak- en rekestnummer: C/10/726493/ HA RK 26-915
Beslissing van 16 oktober 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: [persoon A] ,
strekkende tot de wraking van
mr. J.C. Halk,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1De procedure
Op 15 september 2026 heeft verzoekster een wrakingsverzoek gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de bewindprocedure met nummer 12182718 BM VERZ 26-941. De wrakingskamer heeft toegang gekregen tot het dossier van die zaak.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
-
het schriftelijke wrakingsverzoek,
-
de reactie van de rechter,
-
de nadere reactie van verzoekster,
-
een e-mail van 1 oktober 2026 van [persoon A] (hierna: [persoon A] ) met een machtiging en drie video-opnamen van verzoekster.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2026 in een gesloten zitting. Verzoekster en de rechter zijn verschenen. Daarnaast was [persoon A] aanwezig, die door de wrakingskamer enkel voor deze wrakingszaak als gemachtigde van verzoekster is aangemerkt.
Ook waren de bewindvoerders en mentoren van verzoekster, [persoon B] en [persoon C] (hierna: de bewindvoerders), als toehoorders aanwezig.
2De bewindprocedure
Op 28 april 2026 heeft mr. A.A. Bhagwandin namens verzoekster een verzoek ingediend tot wijziging van de bewindvoerders. Ter zitting van 30 april 2026 is dit verzoek behandeld.
Bij beschikking van 13 mei 2026 heeft de rechter geoordeeld dat er geen reden was om een andere bewindvoerder of mentor te benoemen. Daarbij heeft de rechter aandacht besteed aan de onrust die was ontstaan door alle betrokkenheid van mensen om verzoekster heen (naast de bewindvoerders ging het om familieleden en buren/vrienden, waaronder [persoon A] en zijn echtgenote). De hierop betrekking hebbende overwegingen in de beschikking luiden – voor zover relevant – als volgt:
“2.11 Aan het begin van de zitting heeft [verzoekster] verklaard dat zij graag een goed contact heeft met iedereen. De scherpe sfeer die rondom deze vriendelijke dame is ontstaan is niet goed voor haar. De kantonrechter -en niet de buren of [persoon A] - controleert de bewindvoerders en de mentoren. Als er bedenkingen over de zorg voor [verzoekster] [zijn] kunnen belanghebbenden deze aan de kantonrechter voorleggen en dan worden deze serieus besproken.
De kantonrechter verwacht van (…) alle betrokkenen dat zij hun energie steken in hulp aan [verzoekster] . Voor de bewindvoerders en mentoren betekent dit dat zij hun taak blijven uitvoeren en [verzoekster] geen contacten met andere buren verbieden. (…)
De andere buren en [persoon A] moeten zich niet bemoeien met het bewind en het mentorschap en geen beschuldigingen uiten aan het adres van het echtpaar [naam] . Zij moeten volstaan met een gezellig contact met [verzoekster].”
Omdat de rechter wilde kijken hoe het over een halfjaar zou gaan, heeft zij de behandeling van de zaak aangehouden en een zitting bepaald op 5 november 2026. Daarbij heeft zij opgemerkt dat als in de tussentijd problemen zouden ontstaan, de belanghebbenden een brief aan haar mochten sturen en zij dan zou beoordelen of er eerder een zitting moest komen. Hoewel de buren/vrienden van verzoekster, waaronder [persoon A] , eigenlijk niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt, mochten ook zij van de rechter een brief aan haar sturen om te voorkomen dat er nieuwe ruzies rond verzoekster zouden ontstaan.
Bij brief van 14 juni 2026 hebben de bewindvoerders aan de rechter geschreven dat [persoon A] en zijn echtgenote zich bleven bemoeien met de medicatie van verzoekster. Ook hebben zij de rechter om advies gevraagd over onder andere een verzoek van de echtgenote van [persoon A] tot betaling van advocaatkosten van € 3.500,00.
De rechter heeft vervolgens een zitting bepaald op 1 oktober 2026.
Bij e-mail van 8 september 2026 heeft [persoon A] de rechter verzocht om de zitting van 1 oktober 2026 te laten vervallen en alle onderwerpen tijdens de zitting op 5 november 2026 te bespreken. Daarbij heeft hij opgemerkt dat mr. Bhagwandin wegens zwangerschapsverlof op 1 oktober 2026 niet aanwezig kon zijn. Verder heeft hij geschreven dat het onderwerp van de advocaatkosten voor [persoon A] en zijn echtgenote geen spoedeisend karakter heeft en dat de dagelijkse medicatieverstrekking inmiddels professioneel wordt verzorgd en daardoor geen discussiepunt meer vormt.
Bij e-mail van 11 september 2026 heeft de rechter aan [persoon A] laten weten:
“U verzoekt om de zitting van 1 oktober a.s. te laten vervallen, omdat er al een zitting is bepaald op 5 november a.s.
Dat verzoek wordt afgewezen.
Na de beschikking van 13 mei 2026 blijft de bemoeienis met het bewind van de buren doorgaan. Dat moet op korte termijn besproken worden. De huisarts zal via teams bij de zitting aanwezig zijn.”
3Het wrakingsverzoek
Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag. De gebruikte formulering in de e-mail van de rechter van 11 september 2026 roept, mede bezien tegen de feitelijke achtergrond van hetgeen eerder in de procedure heeft plaatsgevonden, ten minste de objectief gerechtvaardigde schijn op “dat reeds een negatieve beoordeling is gevormd” over een wezenlijk en nog te beoordelen onderdeel van haar zaak. De rechter heeft in die e-mail het woord “bemoeienis” gebruikt. Die kwalificatie is afkomstig van de bewindvoerders en door de rechter overgenomen. Omdat de dagelijkse medicatieverstrekking op het moment van schrijven van de e-mail al twee maanden professioneel werd verzorgd, is onduidelijk op welke gedragingen de rechter met het woord doelt. Verzoekster stelt nadrukkelijk dat niet de enkele afwijzing van het verzoek om de behandeling van 1 oktober 2026 te laten vervallen op zichzelf een grond voor wraking vormt. Voor haar is de combinatie van omstandigheden van betekenis: de afwijzing van het aanhoudingsverzoek wordt gemotiveerd met juist de betwiste kwalificatie “bemoeienis”, terwijl de afzonderlijke behandeling voor verzoekster concrete gevolgen kan hebben op een moment waarop haar gebruikelijke rechtsbijstand ontbreekt. Mr. Bhagwandin is immers wegens zwangerschapsverlof verhinderd op die datum. Daarbij komt de feitelijke achtergrond van de mondelinge behandeling van 30 april 2026. De gebeurtenissen op de zitting van 30 april 2026 worden niet als grond voor wraking aangevoerd, maar vormen de feitelijke context voor het wrakingsverzoek. Verzoekster heeft onvoldoende vertrouwen dat haar zaak door de rechter nog met de vereiste onbevangenheid wordt behandeld.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het wrakingsverzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.
4De beoordeling
De wrakingskamer stelt voorop dat zij sterke twijfels heeft of het verzoekster zelf is die dit wrakingsverzoek heeft willen indienen. Desgevraagd heeft verzoekster tijdens de mondelinge behandeling namelijk verklaard niet te weten wat de reden was van deze zitting. Die twijfels worden versterkt door de omstandigheid dat het verzoek om de zitting van 1 oktober 2026 te laten vervallen niet door haar (of mr. Bhagwandin), maar door [persoon A] is ingediend en dat ook de gewraakte reactie daarop van de rechter niet aan verzoekster maar aan [persoon A] is gezonden. Omdat de wrakingskamer niet met voldoende zekerheid kan vaststellen dat verzoekster dit wrakingsverzoek niet heeft willen indienen, zal zij het verzoek inhoudelijk beoordelen.
Een rechter kan alleen worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging partijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter tegenover haar een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar deze is niet doorslaggevend.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van zo’n zwaarwegende aanwijzing.
De e-mail van de rechter van 11 september 2026 betreft een processuele beslissing. De rechter heeft een grote vrijheid bij het nemen van dergelijke beslissingen en de beslissing om de zitting van 1 oktober 2026 te laten vervallen, vormt dan ook in beginsel geen grond voor wraking. Dit kan anders zijn als de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen. Hiervan is in deze zaak geen sprake.
Het woord “bemoeienis” als zodanig duidt taalkundig niet op een blijk van vooringenomenheid van de rechter nu het een neutrale betekenis heeft (anders dan bijvoorbeeld het woord “bemoeizucht”). Dit wordt niet anders tegen de achtergrond van het verloop van de bewindprocedure tot nu toe. In deze procedure was aan de orde dat veel personen rondom verzoekster betrokkenheid toonden bij verzoekster en de rechter wilde na haar beschikking blijven monitoren of de onrust die daardoor was ontstaan, weggenomen kon worden. Dat die onrust bleef bestaan, bleek uit de brief van de bewindvoerders van 14 juni 2026 en ook uit de e-mail van 8 september 2026 van [persoon A] . Dit alles heeft de rechter kortheidshalve met het woord “bemoeienis” proberen weer te geven in haar e-mail van 11 september 2026.
Een blijk van vooringenomenheid volgt evenmin uit de omstandigheid dat de rechter niet is meegegaan met (of ingegaan op) de argumenten van [persoon A] om de zitting van 1 oktober 2026 te laten vervallen, te weten dat de door de bewindvoerders aangevoerde bespreekpunten in zijn ogen niet urgent meer waren en dat mr. Bhagwandin niet bij de zitting op 1 oktober 2026 aanwezig kon zijn. Het betrof geen verzoek door of namens verzoekster gedaan; verzoekster zelf noch mr. Bhagwandin heeft om het vervallen van de zitting gevraagd.
Ook de verwijzing van verzoekster naar hetgeen door de rechter gezegd zou zijn tijdens de zitting op 30 april 2026, leidt niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien hoe de gestelde toen door de rechter gebruikte bewoordingen iets zeggen over de bedoeling van de rechter bij het gebruik van het woord bemoeienis in haar e-mail van 11 september 2026.
De (summiere) motivering van de afwijzing van het verzoek van [persoon A] tot het laten vervallen van de zitting van 1 oktober 2026, levert aldus geen objectieve aanwijzing op van vooringenomenheid van de rechter.
In de schriftelijke reactie van de rechter op de stelling van verzoekster dat ‘reeds een negatieve beoordeling is gevormd’ vermeldt de rechter dat dit standpunt opmerkelijk is, omdat in de tussenbeschikking van 13 mei 2026 al klip en klaar is beslist dat er geen nieuwe bewindvoerder zal worden benoemd, dat er geen verzoeken meer ter beslissing voorliggen en dat alleen een vervolgzitting is bepaald om te kijken hoe het gaat. In reactie hierop heeft verzoekster erop gewezen dat zij de beschikking niet heeft opgevat als een eindbeslissing op haar verzoek tot het aanstellen van een andere bewindvoerder. De schriftelijke reactie van de rechter werpt volgens verzoekster nader licht op de bij haar bestaande vrees dat de verdere behandeling niet meer met een werkelijke open beoordeling zal plaatsvinden.
Dit is een nieuwe wrakingsgrond die in beginsel buiten beschouwing moet blijven, omdat artikel 37 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Omdat deze nieuwe wrakingsgrond is opgekomen door de schriftelijke reactie van de rechter op het oorspronkelijke wrakingsverzoek, ziet de wrakingskamer ruimte om ook hierover inhoudelijk te oordelen. De wrakingskamer leest in de schriftelijke reactie van de rechter niets anders dan een verwijzing naar haar beschikking van 13 mei 2026. Niet valt in te zien hoe die verwijzing een objectieve aanwijzing voor vooringenomenheid oplevert voor het vervolg van de procedure. Een procedure waarin de rechter – op grond van haar toezichthoudende taak op de bewindvoering – wil monitoren hoe het met verzoekster gaat en of de instructies die zij in haar beschikking van 13 mei 2026 had gegeven met als doel de onrust rondom verzoekster te laten verdwijnen, door alle betrokkenen worden opgevolgd.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
5De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.F. Koekebakker, voorzitter, mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en mr. W.J. de Veld, rechters, in aanwezigheid van mr. E. Elenbaas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
