Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep waarin, met toepassing van art. 1:253q BW en art. 1:253r BW, de schorsing van het gezag van moeder en de benoeming van grootouders (vz) tot voogd worden vernietigd. Niet gebleken dat moeder (ook niet tijdelijk) in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; verblijfplaats moeder is bekend. Moeder wordt weer met het gezag belast per een maand na uitspraak. Schorsing van het gezag van vader blijft in stand, zodat moeder vervolgens alleen het gezag uitoefent. Verzoeken grootouders (vz) afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 27-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.367.614/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
art. 1:253q BW en art. 1:253r BW. Vernietiging bestreden beschikking. Niet gebleken dat de moeder in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.614/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 590798)
beschikking van 20 oktober 2026
inzake
[verzoekster] (de moeder),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.S. Bissumbhar te Almere,
en
1 [verweerster] (oma vaderszijde),
2. [verweerder] (opa vaderszijde),
hierna gezamenlijk te noemen: de grootouders (vz),
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaat: mr. A. Kotan te Amsterdam.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende] (de vader),
wonende te [woonplaats2] .
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI),
locatie Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Overijssel, locatie Lelystad.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 8 oktober 2025 en 29 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 29 januari 2026 zal hierna ook worden aangeduid als de bestreden beschikking.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 9 april 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 1 mei 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 10 september 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de grootouders (vz) van 16 september 2026 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 23 september 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de grootouders (vz), bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers namens de GI;
- ( via een beeldbelverbinding) een vertegenwoordiger namens de raad.
Aan een begeleider van de moeder, werkzaam bij Kwintes, is bijzondere toegang verleend om als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
De vader is aanwezig geweest bij de opening van de mondelinge behandeling en heeft daarna op eigen verzoek de zittingszaal verlaten.
Mr. Kotan heeft mede het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.
3De feiten
De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
[de minderjarige] , geboren [in] 2024.
De moeder en de vader hadden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont – op verzoek van de moeder en de vader – vanaf enkele dagen na haar geboorte bij de grootouders (vz). De moeder woont sinds medio 2026 (weer) bij haar eigen ouders (grootouders moederszijde (mz)).
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 6 maart. 2025, hebben de grootouders (vz) op grond van artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om het gezag van de moeder en de vader over [de minderjarige] te beëindigen en primair de grootouders (vz) te belasten met het gezag over [de minderjarige] en subsidiair alleen de grootmoeder (vz).
De advocaat van de grootouders (vz) heeft op 5 september 2025 referteverklaringen van de vader en de moeder ingediend.
Naar aanleiding van de zitting bij de rechtbank op 24 september 2025 is voornoemd verzoek in die zin gewijzigd dat de grootouders (vz) op grond van artikel 1:292 BW (testamentaire voogdij) verzoeken om hen te benoemen tot voogd over [de minderjarige] .
Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank de raad verzocht om te onderzoeken welke beslissing over het gezag/de voogdij het meest in het belang van [de minderjarige] is en de rechtbank daarover te adviseren. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van de grootouders (vz) aangehouden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door de raad.
De rechtbank heeft op 11 december 2025 de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Tijdens deze zitting heeft de raad de rechtbank verzocht om [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
De raad heeft in zijn rapport van 31 december 2025 verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Daarnaast heeft de raad verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] binnen een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin / netwerkpleeggezin) voor de duur van een half jaar. Verder heeft de raad de rechtbank geadviseerd om het verzoek van de grootouders (vz) om hen te belasten met het gezag / de voogdij over [de minderjarige] af te wijzen, omdat in ieder geval de moeder vooralsnog in staat is om het gezag uit te voeren.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 29 januari 2026 heeft de rechtbank de rechtsgronden aangevuld en op grond van artikel 1:253q, vierde lid, BW en artikel 1:253r BW:
- het gezag van de moeder en de vader over [de minderjarige] geschorst;
- bepaald dat de grootouders (vz) worden belast met de voogdij over [de minderjarige] ;
- bepaald dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet betalen;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
Bij beschikking van 12 februari 2026 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 12 februari 2027. Omdat het gezag van de ouders inmiddels geschorst was en de grootouders (vz) tijdelijk het gezag hebben, was een machtiging tot uithuisplaatsing niet meer nodig.
De moeder heeft omgang met [de minderjarige] . Oorspronkelijk was de omgang een half uur per week. Sinds kort voor de mondelinge behandeling bij het hof verblijft [de minderjarige] twee keer per week gedurende een dag bij de moeder (in het huis van de grootouders (mz)), waarvan één keer inclusief een overnachting.
De vader heeft sinds juli 2025, met uitzondering van een korte periode medio 2026, geen contact meer gehad met [de minderjarige] .
4De omvang van het geschil
De moeder komt met drie grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de grootouders (vz) af te wijzen en de moeder alleen te belasten met het gezag.
De grootouders (vz) voeren verweer en verzoeken het hof de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een beslissing te nemen die het hof in het belang van [de minderjarige] juist acht. Verder verzoeken de grootouders (vz) om de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, voor zover rechtens mogelijk.
5. De motivering van de beslissing
Nagekomen stukken
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder bezwaar gemaakt tegen de namens de grootouders (vz) bij journaalbericht van 16 september 2026 ingediende stukken.
Het hof heeft op de zitting aangegeven de inhoud van deze stukken wel mee te nemen bij zijn beoordeling, maar uitsluitend voor zover er tijdens de mondelinge behandeling een beroep op is gedaan. De advocaat van de grootouders (vz) heeft dit slechts in beperkte mate gedaan en (de advocaat van) de moeder heeft hierop kunnen reageren.
Wettelijke grondslag
Het verzoek van de grootouders (vz) was eerst gebaseerd op artikel 1:251a BW. Naar aanleiding van de eerste zitting bij de rechtbank op 24 september 2025 hebben de grootouders (vz) de grondslag van hun verzoek gewijzigd en het gebaseerd op artikel 1:292 BW. Dat wetsartikel gaat over testamentaire voogdij en is hier niet van toepassing. De rechtbank heeft de rechtsgronden aangevuld en het verzoek vervolgens behandeld als een verzoek op grond van artikel l:253q, vierde lid, BW en getoetst aan artikel l:253r BW.
Uit artikel l:253q, tweede lid en vierde lid, BW volgt dat de rechtbank op verzoek van (onder meer) de raad of een bloed- of aanverwant van de minderjarige een voogd benoemt wanneer de ouders die het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe onbevoegd zijn op een van de gronden genoemd in artikel 1:246 BW.
In artikel 1:253r, eerste lid, van het BW wordt het hiervoor genoemde artikel l:253q BW van overeenkomstige toepassing verklaard, indien:
a. de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen; of
b. het bestaan of de verblijfplaats van de ouders of van één van hen die het gezag uitoefenen, onbekend is.
Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat het gezag geschorst is totdat de rechter de ouder (op zijn verzoek) weer met het gezag belast. Het hof merkt volledigheidshalve op dat de grootouders (vz) op grond van de bestreden beschikking slechts tijdelijk het gezag hebben.
Inhoudelijke beoordeling
Het hof stelt tegen de achtergrond van de door betrokkenen in deze zaak naar voren gebrachte argumenten over en weer voorop dat het in deze procedure niet gaat om de vraag bij wie [de minderjarige] zal gaan opgroeien. Het hof wenst daarover wel op te merken dat de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat naar de mening van de raad de opvoedvaardigheden van de moeder nog onvoldoende onderzocht zijn en dat er aandacht moet zijn voor de termijn waarbinnen duidelijkheid dient te komen over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] (de aanvaardbare termijn). Het hof heeft zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, mede gelet op de omstandigheid dat ze de afgelopen jaren regelmatig keuzes heeft gemaakt die tot problemen hebben geleid. Ook vrij recent is dit gebeurd door het in elk geval tijdelijk hervatten van de relatie met de vader. Het hof deelt dan ook de visie van de raad dat het wellicht aangewezen is om op korte termijn tijdens de ondertoezichtstelling een ouderschapsonderzoek te laten verrichten bij de moeder.
In deze procedure gaat het uitsluitend om de vraag of het gezag van de moeder voorlopig moe(s)t worden geschorst. Gelet op het bepaalde in artikel 1:253r BW (zie hiervoor onder r.o. 5.4) kan het gezag alleen worden geschorst als de ouder die het gezag uitoefent al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, of als het bestaan of de verblijfplaats van (één van) de ouders die het gezag uitoefenen, onbekend is. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat aan geen van beide gronden is voldaan.
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de moeder al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert of heeft verkeerd om het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Bij onmogelijkheid het gezag uit te oefenen moet, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, gedacht worden aan situaties waarin de ouder volstrekt niet bij machte is om voor het kind te zorgen. Het hof is van oordeel dat daarvan in deze zaak geen sprake was en is.
De moeder en de vader hebben voor de geboorte van [de minderjarige] er samen voor gekozen dat [de minderjarige] na haar geboorte bij de grootouders (vz) zou verblijven. De moeder heeft hierover verklaard dat zij en de vader tijdens de relatie namelijk veel ruzie met elkaar hadden. Zij wilden [de minderjarige] niet daaraan blootstellen. Dat de moeder de feitelijke verzorging van [de minderjarige] niet zelf uitvoerde, betekent niet dat zij geen gezagsbeslissingen kon nemen. Zij was (en is nog altijd) in staat om gezagskwesties te bespreken. Dat de moeder vaak onbereikbaar was, zoals de grootouders (vz) stellen, is onvoldoende onderbouwd.
Weliswaar kampt de moeder met persoonlijke problematiek, maar het hof is niet gebleken dat deze problematiek dusdanig ernstig is, dat hieruit geconcludeerd kan worden dat zij niet in staat is het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen en/of in ieder geval in enige mate voor haar te zorgen. Dat blijkt ook uit het feit dat [de minderjarige] inmiddels twee dagen per week bij de moeder verblijft (bij de grootouders (mz) thuis). Onlangs heeft er een incident plaatsgevonden tijdens de omgang. Los van de vraag wat er precies is gebeurd – de moeder en de grootouders (vz) verschillen hierover van mening – acht het hof dit enkele incident onvoldoende om te concluderen dat de moeder volstrekt niet bij machte is om voor [de minderjarige] te zorgen in genoemde zin. Dit geldt ook voor de door de grootouders (vz) aangevoerde gebeurtenis dat de moeder de grootmoeder (vz) zou hebben bedreigd tijdens een overleg met professionele hulpverleners.
Vast staat dat de verhouding tussen de grootouders (vz) en de moeder ernstig verstoord is. Volgens de grootouders (vz) lukt het mede daardoor niet om praktische zaken voor [de minderjarige] te regelen, zoals een zorgverzekering, omdat de moeder daarvoor geen toestemming zou geven. Het hof begrijpt dat de verstoorde verstandhouding voor problemen kan zorgen bij het regelen van gezagskwesties voor [de minderjarige] . Maar ook deze omstandigheid rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat de moeder volstrekt niet bij machte is het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Het hof vindt de huidige conflictsituatie tussen de grootouders (vz) en de moeder wel uitermate zorgelijk en niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof acht het daarom belangrijk dat de grootouders (vz) en de moeder een hulpverleningstraject gaan volgen waarbij zij onder begeleiding van een professionele, neutrale hulpverlener hun onderlinge communicatie leren te verbeteren. Dit is namelijk in het belang van [de minderjarige] in elk geval nodig, los van de vraag waar zij gaat opgroeien of wie het gezag over haar heeft. [de minderjarige] is de eerste twee jaar van haar leven opgegroeid bij de grootouders (vz). De grootouders (vz) zijn dus belangrijke hechtingsfiguren voor [de minderjarige] . Zij moet dus ook met hen contact kunnen blijven houden, ook als zij op termijn mogelijk weer bij de moeder zou gaan wonen. Het hof gaat ervan uit dat de GI hiervoor aandacht zal hebben bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
Er is dus niet voldaan aan de in artikel 1:253r, eerste lid, sub a, BW genoemde grond. Verder is tussen partijen is niet in geschil dat de verblijfplaats van de moeder bekend is (artikel 1:253r, eerste lid, sub b, BW) . Die omstandigheid vormt dus evenmin een reden om het gezag van de moeder te schorsen. Het hof kan de schorsing voor het verleden niet ongedaan maken, maar zal op verzoek van de moeder een einde aan de schorsing maken zodat de moeder over een maand na heden weer het gezag over [de minderjarige] heeft.
Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen voor zover daarbij het gezag van de moeder over [de minderjarige] is geschorst. Bij de bestreden beschikking is ook het gezag van de vader geschorst. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld. De schorsing van het gezag van de vader blijft dus in stand. Dit heeft tot gevolg dat sprake is van een situatie waarin de moeder op grond van artikel 1:253q, eerste lid, BW alleen het gezag uitoefent. De benoeming van een voogd is dan niet aan de orde, zodat het hof ook deze benoeming zal vernietigen.
Omdat de rechtbank had bepaald dat de beschikking direct geldig was (uitvoerbaar bij voorraad had verklaard), zal het hof de moeder opnieuw (moeten) belasten met het gezag. Het hof zal dat echter niet per direct laten ingaan maar met ingang van een maand na de datum van deze beschikking. De GI heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij van mening is dat [de minderjarige] in elk geval de eerstkomende tijd nog bij de grootouders (vz) moet blijven wonen. Hiervoor zal een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing nodig zijn, gelet op de beslissing van het hof dat de moeder weer het gezag zal krijgen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de GI, zoals aangegeven op de zitting, zo spoedig mogelijk na deze beschikking een verzoek bij de kinderrechter zal indienen tot het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de grootouders (vz).
Proceskosten
De grootouders (vz) hebben verzocht de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, voor zover rechtens mogelijk. Zij hebben dit verzoek niet verder onderbouwd. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en zal omdat het hier om een familierechtzaak gaat de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 29 januari 2026, voor zover daarbij het gezag van de moeder over [de minderjarige] is geschorst en de grootouders (vz) zijn belast met de voogdij over [de minderjarige] , en in zoverre opnieuw beschikkende:
belast met ingang van 20 november 2026 de moeder weer met het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2024;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, voor aantekening van deze beslissing in het Centraal Gezagsregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.A.F. Veenstra en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 20 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
