Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-10-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6751

Essentie (gemaakt door AI)

Vernietiging van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij vader. Het hof oordeelt dat de GI ouderonthechting door moeder onvoldoende onderbouwt; observaties zijn beperkt en alternatieve verklaringen voor het gedrag van het kind zijn niet onderzocht. Plaatsing bij vader en inperking van contact met moeder vergroten de onveiligheidsbeleving van het kind. Minder ingrijpende interventies (zoals NIKA en kindercoach) hadden eerst moeten worden ingezet. De eerdere co-ouderschapsregeling herleeft.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Uithuisplaatsing kind bij vader maakt situatie juist nóg zorgelijker
Kinderrechter heeft kind vanuit een situatie van co-ouderschap uit huis geplaatst bij vader, met beperkte zorgregeling voor moeder. Zorgen over kind zijn door plaatsing - kind wijst vader af - verder toegenomen. Co-ouderschap herleeft.

Datum publicatie27-10-2026
Zaaknummer200.373.295/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vernietiging uithuisplaatsing bij de andere gezaghebbende ouder. Onvoldoende onderbouwing van de door de GI gestelde ouderonthechting. De zorgen over het kind zijn door plaatsing bij de vader die hij afwijst verder toegenomen. De eerdere co-ouderschapsregeling herleeft.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.373.295/01 en 200.373.295/02

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 604742 en 604749)

beschikking van 20 oktober 2026

over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

advocaat: mr. E. Lucas in Lelystad,

en

de gecertificeerde instelling,

Samen Veilig Midden-Nederland,

die is gevestigd in Almere,

en

[verweerder] (de vader),

die woont in [woonplaats2] .

Als adviseur van het gerechtshof

de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad)
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.

1Samenvatting

De kinderrechter heeft [de minderjarige] vanuit een situatie van co-ouderschap uit huis geplaatst bij de vader en een voorlopige beperkte zorgregeling met de moeder vastgesteld. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2De feiten

2.1.

[de minderjarige] is het enige kind van de ouders. Hij is geboren [in] 2016. De moeder had lange tijd alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De ouders zijn omstreeks 2020 uit elkaar gegaan. Na de relatiebreuk is [de minderjarige] bij de moeder blijven wonen in de woning van de vader in [woonplaats2] , terwijl de vader elders verbleef. Op 12 augustus 2022 heeft zich in die woning tussen de ouders een incident voorgedaan waar de politie bij betrokken is geweest en waarvan een zorgmelding is gedaan bij Veilig Thuis. [de minderjarige] was op dat moment in de woning aanwezig.

2.2.

Tot eind 2023 regelden de ouders het contact tussen de vader en [de minderjarige] in onderling overleg. Er is altijd in meer of mindere mate contact tussen de vader en [de minderjarige] geweest. Eind 2023 is de vader een procedure gestart om (voor zover van belang) naast de moeder met het gezag over [de minderjarige] te worden belast en een zorgregeling vast te stellen.

Bij beschikking van 26 januari 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld waarbij [de minderjarige] – kort gezegd – om het weekend bij de vader is, onder de voorwaarden dat de vader geen drugs en alcohol gebruikt en dat hij [de minderjarige] niet alleen thuislaat. Op verzoek van de rechtbank heeft de Raad onderzoek gedaan naar een definitieve zorgregeling en daarvan op 5 juni 2024 een rapport uitgebracht. De Raad adviseerde de rechtbank destijds om onder begeleiding van de hulpverlening (ouderschapsbemiddeling, gezinsondersteuning en een kindercoach) indien mogelijk toe te werken naar een co-ouderschapsregeling, waarbij [de minderjarige] evenveel tijd bij de vader als de moeder is. De ouders hadden een kort geding nodig om de verdeling van de zomervakantie in 2024 te regelen.

2.3.

In de periode dat de ouders op de wachtlijst stonden voor de hulpverlening heeft de Raad vanwege nieuwe informatie en ontwikkelingen (escalerend gedrag van [de minderjarige] bij de vader thuis en meldingen bij Veilig Thuis van de huisarts, politie en oma moederszijde) ambtshalve een aanvullend beschermingsonderzoek gedaan en daarvan op 23 augustus 2024 verslag gedaan. Op 29 augustus 2024 is [de minderjarige] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld. De huidige termijn van de ondertoezichtstelling loopt tot 28 februari 2027.

2.4.

De ouders hebben op 11 december 2024 in het gezagsregister laten aantekenen dat zij samen het gezag hebben over [de minderjarige] .

2.5.

Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft het hof overeenkomstig het gezamenlijk verzoek van de ouders een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarbij [de minderjarige] per twee weken in een ritme van 5, 2, 2 en 5 dagen bij de moeder respectievelijk de vader verblijft en [de minderjarige] gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft.

2.6.

[de minderjarige] woont vanaf 13 mei 2026 bij de vader en is sindsdien om het weekend en de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder.

3De procedure bij de kinderrechter

3.1.

De GI heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 29 december 2025 verzocht [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen bij de vader. De GI heeft de kinderrechter op die datum ook verzocht de bij beschikking van het hof van 17 juni 2025 vastgestelde co-ouderschapsregeling te wijzigen in een weekendregeling voor de moeder.

3.2.

De kinderrechter heeft de verzoeken van de GI toegewezen. De kinderrechter heeft de GI gemachtigd om [de minderjarige] met ingang van 7 mei 2026 uit huis te plaatsen bij de vader tot 28 februari 2027. De kinderrechter heeft de zorgregeling gewijzigd en een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder verblijft.

3.3.

De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing en gewijzigde zorgregeling mogen worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld (de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

3.4.

Deze beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 7 mei 2026.

4De procedure bij het hof

4.1.

De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt. Ook wil zij dat de beslissing over de uithuisplaatsing tijdens het hoger beroep wordt geschorst.

4.2.

De GI wil dat de beslissingen in stand blijven.

4.3.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing, ontvangen op 6 augustus 2026

  • de brief van de Raad van 7 september 2026, waarin de Raad zich afmeldt voor de zitting

  • het verweerschrift van de GI

  • een e-mail van een medewerker van Jeugdstem, ingediend op 17 september 2026 met daarbij een brief van [de minderjarige]

  • de stukken van de moeder, ingediend op 17 en 18 september 2026.

4.4.

[de minderjarige] heeft op 21 september 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing en de gewijzigde zorgregeling.

4.5.

De zitting bij het hof was op 22 september 2026. Aanwezig waren:

  • de moeder met haar advocaat die pleitnotities heeft overgelegd

  • de vader

  • een vertegenwoordiger van de GI.

5Het oordeel van het hof

Schorsing

5.1.

Het hof doet bij deze beschikking, zo blijkt uit het navolgende, einduitspraak in de hoofdzaak. Daarom heeft de moeder geen belang meer bij een beslissing op haar verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 7 mei 2026. Het hof zal dat verzoek dan ook afwijzen.

Uithuisplaatsing

5.2.

De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. 1

5.3.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat plaatsing van

[de minderjarige] bij de vader noodzakelijk is voor zijn verzorging en opvoeding. Dat [de minderjarige]

ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, is voor het hof een vaststaand gegeven. Daarom

staat hij onder toezicht van de GI. Het hof is er echter niet van overtuigd dat de door de GI

gekozen ingrijpende maatregel van uithuisplaatsing bij de vader de enig juiste manier was en

is om de ontwikkeling van [de minderjarige] vlot te trekken. Het hof zal dat hierna verder toelichten.

De aanloop

5.4

De Raad constateerde in twee rapportages van juni en augustus 2024 dat de

ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] er (destijds) uit bestond dat hij in een

loyaliteitsconflict zat dat alleen maar erger werd. De Raad uitte zorgen over de

opvoedomgeving van [de minderjarige] bij zowel de moeder als de vader thuis. De Raad vond toen

dat de oorzaak van het heftige gedrag dat [de minderjarige] bij de vader liet zien (gooien met

spullen, vader uitschelden, krabben, 112 bellen) onderzocht moest worden, maar achtte het

aannemelijk dat [de minderjarige] klem zat tussen de ouders en het gevoel had dat hij de kant van de

moeder moest kiezen. Voor zover van belang stelde de Raad voor de ondertoezichtstelling

onder ander de volgende doelen:

- [de minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele opvoedsituatie waarin hij niet wordt belast met strijd of onduidelijkheid tussen de ouders en hij de ruimte en toestemming ervaart voor positief en onbelast contact met beide ouders;

- [de minderjarige] wordt niet blootgesteld aan geweld en voelt zich veilig en [de minderjarige] gebruikt zelf ook geen geweld.

5.5.

Onder regie van de GI is Praktijk [naam] in november 2024 gestart met de hulpverlening. De ouderschapsbemiddeling is niet van de grond gekomen vanwege gevoelens van onveiligheid bij de moeder in relatie tot de vader. Het traject van gezinsbegeleiding dat in beide thuissituaties zicht moest geven op de interactie tussen [de minderjarige] en de ouders is wel gestart. Volgens de gezinsbegeleiders kwam het traject bij de moeder echter onvoldoende van de grond. Praktijk [naam] ervoer de samenwerking met de moeder als lastig. De gezinsbegeleiding bij de vader liep wel goed en is nog altijd actief.

Uit de stukken blijkt dat de gezinsbegeleiders en gedragswetenschapper van Praktijk [naam] al vrij snel (tussenevaluatie 11 maart 2025) zorgen uitten over ouderonthechting 2 door de moeder, terwijl zij de interactie tussen [de minderjarige] en de moeder toen nog nauwelijks en tussen [de minderjarige] en de vader nog helemaal niet hadden kunnen observeren. [de minderjarige] verstopte zich bij de vader thuis voor de gezinsbegeleiders en wilde niet met ze praten. Desondanks zag Praktijk [naam] op dat moment geen belemmeringen voor uitbreiding van de zorgregeling naar een 50-50-verdeling. Na 11 maart 2025 zijn er geen observatiemomenten meer geweest bij de moeder. De gezinsbegeleiding beschreef in mei 2025 duidelijk signalen van ouderonthechting te zien. Zij constateerde dat de moeder [de minderjarige] niet de emotionele toestemming geeft om onbelast contact met de vader te kunnen hebben.

5.6.

De moeder is in juni 2025 naar [woonplaats1] verhuisd. Sindsdien kan Praktijk [naam] de moeder (en [de minderjarige] ) niet meer thuis bezoeken, omdat zij buiten hun werkgebied woont. Praktijk [naam] heeft de opdracht tot gezinsbegeleiding bij de moeder eind 2025 teruggegeven aan de GI, omdat voortzetting niet haalbaar en effectief was gebleken.

5.7.

Net als Praktijk [naam] ervaart de GI vanaf het begin van haar betrokkenheid een moeizame samenwerking met de moeder en een goede samenwerking met de vader. De GI is het eens met de bevindingen van Praktijk [naam] . In haar rapportage van 21 mei 2025 presenteert de GI het als een feit dat bij [de minderjarige] sprake is van een loyaliteitsconflict als gevolg van de ouderonthechting door de moeder. De GI verwachtte op dat moment een gedragsverandering van de moeder (in haar houding ten opzichte van de vader), zodat [de minderjarige] zich vrij zou kunnen voelen om onbelast contact met de vader en zijn familie te hebben. De GI kondigde toen al aan dat als de gewenste gedragsverandering bij de moeder niet zou komen een uithuisplaatsing op de loer lag. Omdat het gedrag van de moeder in de ogen van de GI niet genoeg veranderde is eind 2025 een verzoek tot uithuisplaatsing bij de vader gedaan. Hoewel de GI geen zorgen had over de feitelijke opvoedsituatie bij de moeder vond (en vindt) de GI deze maatregel noodzakelijk om het patroon van ouderonthechting te doorbreken. Het doel van de uithuisplaatsing is volgens de GI de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen, omdat ouderonthechting een vorm van emotionele mishandeling is.

5.8.

Na [de minderjarige] te hebben gesproken heeft de kinderrechter op 19 februari 2026 aangegeven, anders dan in een eerdere beschikking was overwogen, kindeigen problematiek bij [de minderjarige] te zien. Volgens de kinderrechter heeft [de minderjarige] traumagerichte hulpverlening nodig bij het verwerken van gebeurtenissen uit het verleden. Daarnaast achtte de kinderrechter het noodzakelijk dat er een kindercoach werd ingezet; niet ter vervanging van een eventuele behandeling, maar in aanvulling daarop. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling op 19 februari 2026 verlengd, maar de beslissing op het verzoek tot uithuisplaatsing aangehouden en de zaak vanwege de complexiteit verwezen naar de meervoudige kamer. Drie maanden later heeft de meervoudige kamer zich aangesloten bij de bevindingen van de GI en het verzoek tot uithuisplaatsing toegewezen.

Vaststellingen van het hof

5.9.

Het hof constateert dat de ouders een totaal andere visie hebben op wat er in het verleden is gebeurd tijdens hun relatie en ook op wat er nu gebeurt met [de minderjarige] als hij bij de vader thuis is.

5.10.

De moeder doet aanhoudend uitspraken over fysiek, verbaal, psychisch en financieel huiselijk geweld door de vader gedurende de relatie en ook in de jaren daarna. De moeder duidt dat als dwingende controle of intieme terreur. Zij maakt zich al jarenlang zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader. Desondanks heeft zij meegewerkt aan het tot stand komen van gezamenlijk gezag en een co-ouderschapsregeling waaraan tot de uithuisplaatsing feitelijk uitvoering is gegeven. De moeder heeft een moeizaam contact met de hulpverlening.

5.11.

De vader ontkent alle beschuldigingen van de zijde van de moeder. Hij zegt leuke tijden met de moeder te hebben gehad en altijd goed contact met [de minderjarige] te hebben (gehad). De vader merkt in zijn huidige contact met [de minderjarige] niet dat [de minderjarige] tegen anderen zulke heftige uitspraken over hem doet. De vader hoopt dat onderzocht kan worden waarom [de minderjarige] die dingen over hem zegt. De vader heeft goed contact met de hulpverlening.

5.12.

Het hof stelt vast dat zich in augustus 2022 een heftig incident heeft voorgedaan tussen de ouders. [de minderjarige] heeft zijn beleving daarvan aan verschillende professionals verteld, ook aan de voorzitter van het hof.

5.13.

[de minderjarige] is een jongen van inmiddels tien jaar die zich vanaf de eerste betrokkenheid van de Raad 2,5 jaar geleden structureel negatief uitlaat over de vader. Op

14 maart 2024 vertelde [de minderjarige] al aan de Raadsonderzoeker dat de vader gemeen is en hem mishandelt. Ook zei hij toen dat de vader de moeder bij de keel heeft gegrepen en haar bijna had vermoord. [de minderjarige] blijft verkondigen dat de vader niet goed voor hem zorgt en dat hij ongelukkig is bij de vader. Eerder heeft [de minderjarige] ook in gedrag veel weerstand laten zien tegen de vader. De Raad benadrukte ruim twee jaar geleden al het belang van spoedige individuele hulp voor [de minderjarige] . Het hof stelt vast dat pas in maart 2026 – kennelijk naar

aanleiding van genoemde tussenbeschikking van 19 februari 2026 – voor [de minderjarige] een

kindercoach (wederom van Praktijk [naam] ) is ingeschakeld met de volgende doelen:

- [de minderjarige] een veilige plek bieden;

- inzicht krijgen in [de minderjarige] gevoelens en gedachten;

- verwerken van ingrijpende ervaringen;

- vergroten van zijn gevoel van veiligheid.
In welke mate sprake is van kindeigen problematiek is tot nu toe onvoldoende duidelijk geworden.

5.14.

Het hof ziet een hele zorgelijke (gezins)dynamiek. Op grond van de theorie dat sprake is van ouderonthechting moet dat volgens de GI opgelost worden door het contact met de beïnvloedende moeder in te perken door [de minderjarige] uit de omgeving van de moeder te halen en uit huis te plaatsen bij de vader die hij afwijst. De GI baseert haar standpunt dat sprake is van ouderonthechting op eigen waarnemingen, expertise en ervaring in combinatie met de bevindingen van twee gezinsbegeleiders en een gedragswetenschapper van Praktijk [naam] . Het hof stelt echter vast dat de aanpak die volgens de GI nodig is om een patroon van ouderonthechting te doorbreken (internationaal) niet onomstreden is. Uit de informatie die door de hulpverlening is opgesteld, blijkt op geen enkele wijze van een kritische houding ten opzichte van de (theorie en) aanpak van ouderonthechting dan wel dat alternatieve verklaringen voor het gedrag van [de minderjarige] zijn onderzocht. Dit klemt temeer nu, bijvoorbeeld door Praktijk [naam] , zorgen over ouderonthechting zijn geuit op basis van eerdere aannames en niet op basis van (voldoende) eigen waarneming van de interactie tussen [de minderjarige] en zijn ouders.

De huidige situatie

5.15.

Na de uithuisplaatsing, die op 13 mei 2026 op voor [de minderjarige] uiterst onprettige wijze heeft plaatsgevonden, bestaat naar het oordeel van het hof nog steeds een hele zorgelijke, zo niet nog zorgelijker situatie. De bedreiging van [de minderjarige] in zijn (emotionele) ontwikkeling is allesbehalve minder geworden. Zowel in de brief die het hof via Jeugdstem van [de minderjarige] heeft ontvangen als in zijn gesprek met de voorzitter doet [de minderjarige] hele zorgelijke en vergaande uitspraken over de vader. Hij schrijft dat zijn leven als een hel voelt sinds hij bij de vader woont, hij bijna elke avond moet huilen in zijn bed, hij niet meer bij de vader wil wonen, hij bang is dat de vader hem gaat vermoorden en hij zijn leven bij de vader haat. [de minderjarige] vertelde de voorzitter dat hij heel bang is voor de vader, omdat hij vaak boos is en een keer heeft gezien dat de vader tijdens een ruzie de moeder aanviel en haar bij de nek vastpakte. [de minderjarige] geeft aan dolgraag weer bij de moeder te willen wonen en zegt zijn vader dan nooit meer te willen zien. Eerder (in de situatie dat sprake was van een 50-50-verdeling) wilde [de minderjarige] nog graag terug naar een weekendregeling met de vader. [de minderjarige] ervaart dat geen enkele volwassene naar hem luistert. Hij noemt daarbij expliciet de twee gezinsbegeleiders en kindercoach van Praktijk [naam] en de jeugdbeschermer. Ondanks deze forse uitspraken, angsten en wensen van [de minderjarige] overweegt de GI, zo kwam ter zitting naar voren, om zijn contact met de moeder nog verder in te perken.

Conclusie

5.16.

Het hof concludeert dat het niet kan vaststellen dat een uithuisplaatsing de oplossing is voor [de minderjarige] . De GI heeft te weinig onderbouwing gegeven om deze drastische maatregel, die bedoeld is om [de minderjarige] te beschermen, te kunnen rechtvaardigen.

De plaatsing van [de minderjarige] bij de vader en de inperking van het contact met de moeder lijken zijn gevoelens van onveiligheid alleen maar te hebben vergroot, wat strijdig is met de doelen van de ondertoezichtstelling. De GI heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de gekozen route past bij [de minderjarige] als persoon, gelet op zijn karakter, intelligentie en stevige wil. Ook zijn de (oorspronkelijke) hechtingsbanden van [de minderjarige] met de vader en de moeder nooit onderzocht, omdat de GI daar de noodzaak niet toe zag. Mede naar aanleiding van de eerste bevindingen van de kindercoach heeft de GI nu alsnog de keuze gemaakt om bij beide ouders de NIKA-interventie in te zetten. NIKA observeert de interactie en gehechtheidsrelatie tussen ouders en hun kinderen. NIKA onderzoekt of er verstorend oudergedrag aanwezig is en kan ouders handvatten geven om dat gedrag te verbeteren. In de gegeven situatie was het logischer geweest als de GI deze minder ingrijpende interventie samen met persoonlijke hulpverlening voor [de minderjarige] had ingezet voordat het tot de conclusie van ouderonthechting zou zijn gekomen. Het hof hoopt dat NIKA in combinatie met het traject bij de kindercoach nu meer zicht gaat geven op de onderlinge dynamieken en de zorgelijke uitspraken van [de minderjarige] en wel een oplossing gaat brengen in deze verdrietige zaak.

5.17.

Uit de stukken blijkt dat het logistiek lastig was om afspraken tussen de hulpverlening en de moeder te maken en deze ook na te komen. De meningen over de oorzaken daarvan lopen uiteen. Het hof heeft ter zitting gehoord dat de moeder tegenwoordig één dag per week werkt, zodat het hof ervan uitgaat dat de moeder nu alle ruimte heeft om mee te werken aan het NIKA-traject. De GI heeft op haar beurt toegezegd dat er binnen dit traject zeker ruimte is om afspraken te maken bij de moeder thuis in [woonplaats1] waarbij [de minderjarige] aanwezig kan zijn.

5.18.

Het hof stelt vast dat de jeugdbeschermer dit hele jaar nauwelijks contact met [de minderjarige] heeft kunnen krijgen. [de minderjarige] is bang voor haar. Hij wil haar niet zien of spreken. Als zij komt, sluit hij zich op in de wc of trekt hij zich terug op zijn kamer of de zolder. Tijdens een huisbezoek van de jeugdbeschermer heeft [de minderjarige] zelfs een keer in zijn broek geplast van de spanning. Ook de moeder ervaart angst voor de jeugdbeschermer. De moeder heeft met ondersteuning van Jeugdstem in november 2025 een klacht ingediend bij de GI en om een andere jeugdbeschermer gevraagd. Aan dat verzoek is geen gehoor gegeven. Bovendien lijkt de jeugdbeschermer zich ook sterk te hebben vastgelegd op het door haar ingenomen standpunt dat sprake is van ouderonthechting. Het hof vraagt zich daarom af of de huidige jeugdbeschermer (nog) voldoende in staat is om haar taak in deze complexe casus in haar eentje adequaat in te (blijven) vullen.

5.19.

Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van de rechtbank ongedaan zal worden gemaakt (worden vernietigd). Dit brengt mee dat de eerdere co-ouderschapsregeling herleeft.

6De beslissing

Het hof:

6.1.

wijst het verzoek tot schorsing van de moeder af;

6.2.

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

7 mei 2026;

6.3.

wijst de verzoeken van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader en tot het wijzigen van de bij beschikking van dit hof van 17 juni 2025 vastgelegde zorgregeling alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. van der Meulen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 20 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

2

Het proces waarin de voorheen gezonde hechtingsband tussen een kind en een ouder verzwakt, beschadigd raakt of volledig wordt verbroken na een (complexe) scheiding.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733