Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-10-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6570

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding in hoger beroep over verkoop voormalige echtelijke woning. Man vordert medewerking van vrouw en een dwangsom. Hof vernietigt het vonnis in reconventie en wijst de vorderingen van man af wegens gebrek aan belang: de echtscheidingsbeschikking bevat al een machtiging en vervangende verklaring waarmee man de verkoop en levering zelfstandig kan realiseren, ook bij weigering van vrouw (art. 3:300 BW; verwijzing naar art. 3:174 BW). Proceskosten worden gecompenseerd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Man eist medewerking aan woningverkoop - maar in echtscheidingsbeschikking staat machtiging
Kort geding in hoger beroep over verkoop voormalige echtelijke woning. Man eist medewerking met dwangsom. Hof vernietigt vonnis wegens gebrek aan belang: de echtscheidingsbeschikking bevat een machtiging (art. 3:300/3:174 BW).

Datum publicatie27-10-2026
Zaaknummer200.366.381
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2026:644 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Vordering in kort geding over de verkoop van de echtelijke woning. Geen belang omdat de man met de beslissingen in de echtscheidingsbeschikking alle benodigde juridische mogelijkheden heeft om tot een daadwerkelijke verkoop en levering te komen, ook als de vrouw niet meewerkt.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.366.381

zaaknummer rechtbank Overijssel 343131

arrest in kort geding van 13 oktober 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink.

1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Voor het verloop van het geding tot 26 mei 2026 verwijst het hof naar zijn arrest (in het incident) van die datum. In dit arrest heeft het hof de incidentele vordering van [appellante] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis van 10 februari 2026 afgewezen. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt.

1.2.

De man heeft het hof op 26 mei 2026 verzocht een mondelinge behandeling te bepalen in de hoofdzaak.

1.3.

Partijen hebben de volgende stukken overgelegd:

- de memorie van antwoord van de man;

- de stukken van de man van 9 september 2026;

- de stukken van de vrouw van 9 september 2026;

- de stukken van de man van 10 september 2026;

- de stukken van de man van 15 september 2026;

- de stukken van de vrouw van 15 september 2026.

1.4.

Op 17 september 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Aanwezig waren de vrouw en de man bijgestaan door hun advocaten. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2De kern van de zaak

2.1.

In de echtscheidingsbeschikking van 24 juli 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de voormalige echtelijke woning van partijen moet worden verkocht. De vrouw heeft een kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank waarin zij een verkoopverbod van de voormalige echtelijke woning vordert. De man heeft verweer gevoerd en vorderingen in reconventie ingesteld. De man vordert onder meer de vrouw te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning en daarbij een dwangsom aan de vrouw op te leggen als zij niet meewerkt.

2.2.

Bij kort gedingvonnis van 10 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank in het kader van de beoordeling van de vordering over de voormalige echtelijke woning de vrouw veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis volledige medewerking te verlenen aan de verplichtingen die voor haar voortvloeien uit het citaat uit de echtscheidingsbeschikking, opgenomen in rechtsoverweging 2.3 van het vonnis en hierna in 3.3. van dit arrest. Het citaat betreft de bepaling in de echtscheidingsbeschikking over de wijze waarop de voormalige echtelijke woning door partijen moet worden verkocht. De vrouw is in het kort geding veroordeeld om een dwangsom van € 250 te betalen aan de man voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan deze hoofdveroordeling voldoet (tot een maximum van € 25.000).

2.3.

De vrouw stelt in haar conclusie van antwoord dat de man gelet op de omstandigheden van het geval misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid door onmiddellijke uitvoering te verlangen van het vonnis in kort geding van 10 februari 2026, omdat de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen nog niet definitief is vastgesteld. Indien het vonnis wordt geëxecuteerd vindt een onomkeerbare vermogensverschuiving plaats. De verdeling van de verschillende vermogensbestanddelen vormen samen één geheel. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat het haar vooral gaat om de dwangsomveroordeling en de wijze waarop partijen hun verplichtingen hebben nageleefd.

De vrouw vordert in deze procedure de vorderingen van de man in kort geding bij de rechtbank over de verkoop van de echtelijke woning te [woonplaats] alsnog af te wijzen en hem in de proceskosten van deze procedure bij de rechtbank en het hof te veroordelen.

2.4.

De man voert verweer. Hij stelt dat de beslissing van de voorzieningenrechter volledig is afgestemd op de beslissing in de bodemprocedure. De enige toevoeging is de opgelegde dwangsom. De vrouw heeft voldoende kansen gehad om de voormalige echtelijke woning over te nemen en zij werkt onvoldoende mee aan de verkoop van de woning.

2.5.

Het hof laat het vonnis in reconventie over de verkoop van de voormalige echtelijke woning van de voorzieningenrechter niet in stand en licht dat hierna toe.

3De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.

Partijen hebben ter zitting bevestigd dat in deze procedure alleen het geschil over de verkoop van de echtelijke woning en de daaraan verbonden dwangsom ter beoordeling voorligt. De stellingen en stukken van partijen die betrekking hebben op andere onderwerpen die partijen nog verdeeld houden, zal het hof daarom niet verder bespreken.

3.2.

Het hof is van oordeel dat de man geen belang heeft bij zijn vordering om de vrouw te veroordelen medewerking te verlenen aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning en de vrouw daarbij een dwangsom op te leggen indien zij niet aan deze veroordeling voldoet.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis in kort geding de bepaling onder 8.9.1. uit de echtscheidingsbeschikking van 24 juli 2024 over de wijze van verkoop van de voormalige echtelijke woning opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt:

“bepaalt dat de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] wordt

verkocht, waarbij het volgende heeft te gelden:

  • binnen twee weken na deze beschikking wordt door partijen gezamenlijk aan Weusthof Makelaardij te [woonplaats] , opdracht gegeven tot verkoop van de woning;

  • partijen bepalen in overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning;

  • indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs die hem/haar goeddunkt;

  • partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen. De makelaar heeft dan het laatste woord en neemt een voor partijen bindende beslissing;

  • beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken, waaronder in het bijzonder de toelating in de woning voor bezichtiging van potentiële kopers, het ondertekenen van de aan de orde zijnde koopovereenkomst en aan de notariële levering van de woning;

  • machtigt de man, voor zover de vrouw haar medewerking aan een van vorenstaande verplichtingen weigert, de woning aan de [adres] te [woonplaats] in verkoop te geven en alles te doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is voor deze verkoop, met inachtneming van de door de makelaar geadviseerde verkoopprijs met als uitgangspunt een verkoop binnen drie maanden en bepaalt daarbij dat deze beschikking in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw;

  • bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , na aftrek van de hypothecaire schuld en verkoopkosten, bij helfte wordt verdeeld;”

3.4.

De man stelt dat de vrouw tot nu toe onvoldoende medewerking heeft verleend aan de stappen die moeten worden gezet om te komen tot verkoop van de voormalige echtelijke woning. Het hof stelt vast dat voormelde beslissingen in de echtscheidingsbeschikking de man in een dergelijke situatie voldoende mogelijkheden geeft om de vrouw te passeren en zelf te handelen. Het gehele verkooptraject - van de werkzaamheden die de makelaar moet verrichten en eventuele bezichtigingen tot de werkzaamheden die de notaris moet uitvoeren - kan worden uitgevoerd door de man zonder medewerking van de vrouw. De man heeft een machtiging gehad (naar het hof begrijpt in de zin van artikel 3:174 BW) om zelf de woning te verkopen en te leveren. De echtscheidingsrechter heeft verder beslist dat de echtscheidingsbeschikking in de plaats komt van de voor eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw 1. Met de beslissingen onder 8.9.1. in de echtscheidingsbeschikking heeft de man alle benodigde juridische mogelijkheden om tot een daadwerkelijke verkoop en levering te komen, ook als de vrouw niet meewerkt. Dat een makelaar, zoals de man nog naar voren heeft gebracht, een verkoopopdracht op die manier niet graag uitvoert, maakt dit niet anders. De man kan nu al de beslissingen van de rechtbank zonder de medewerking van de vrouw ten uitvoer leggen (reële executie). Daarom is een dwangsom voor de vrouw niet nodig.

3.5

De man heeft op de zitting nog toegelicht dat de vrouw het huis niet fotoklaar had gemaakt voor de makelaar, maar er zijn wel foto’s gemaakt. Ook zouden er reparaties aan de woning moeten worden verricht. De vrouw stelt dat zij hiervoor geen financiële middelen heeft.

Mogelijk leidt de situatie tussen partijen ertoe dat niet de maximale verkoopprijs kan worden gerealiseerd, maar dit komt naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van beide partijen. De situatie tussen partijen is een gevolg van de slechte verstandhouding tussen hen. Zo nodig kan de man ook een andere verkoopmethode kiezen.

3.6.

Het gebrek aan belang van de man bij zijn vordering over de voormalige echtelijke woning, maakt dat het hof van oordeel is dat de vordering in reconventie van de man in eerste aanleg alsnog moet worden afgewezen.

Het hof komt daarom niet toe aan een nadere bespreking van de grieven van de vrouw.

3.7.

Vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen) is het hof van oordeel dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten). In hetgeen partijen hebben aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen.

4De beslissing

Het hof:

4.1.

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 10 februari 2026 wat betreft de beslissingen in reconventie, en beslist als volgt:

4.2.

wijst de vorderingen van de man in reconventie om de vrouw te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning in [woonplaats] en daaraan een dwangsom voor de vrouw te verbinden alsnog af;

4.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Feunekes en S. Kuijpers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

1

Artikel 3:300 lid 1 en 2 BW



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733