Rechtbank Rotterdam 25-09-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14664

Essentie (gemaakt door AI)

Beschikking waarin de ondertoezichtstelling van een 17‑jarige wordt opgeheven, hoewel aan de wettelijke gronden voor een ots is voldaan. De kinderrechter acht de maatregel niet doelmatig omdat de GI de ots in het ‘handelingsperspectief’ heeft geplaatst, geen plan van aanpak opstelt in strijd met art. 4.1.3. Jeugdwet, en geen vaste jeugdbeschermer inzet. Capaciteitstekorten bij GI spelen mee. Verwijzing naar de taakstelling van art. 1:262 BW. Met opheffing vervalt de machtiging uithuisplaatsing; verblijf bij EEV loopt via bijzondere voorwaarden.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Ondertoezichtstelling opgeheven: GI niet van plan om volwaardige uitvoering te bieden
Rb heft OTS op, hoewel gronden nog bestaan. GI zet wegens capaciteitstekort geen vaste jeugdbeschermer in; geen plan van aanpak. Rb: OTS niet doelmatig. Raad niet gehoord wegens overbelasting. Jeugdreclassering blijft betrokken.

Datum publicatie27-10-2026
ZaaknummerC/10/724099 / JE RK 26-1516
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Opheffing ondertoezichtstelling (ots) ondanks dat wordt voldaan aan de vereisten voor een ots. Uitvoering ots zit in het 'handelingsperspectief'. Geen vaste jeugdbeschermer. Gecertificeerde instelling wijst op tekort aan jeugdbeschermers. Artikelen 4.1.3. Jeugdwet en 1:262 BW.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/724099 / JE RK 26-1516

Datum uitspraak: 25 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

De kinderrechter merkt als informant aan:

[stiefvader] ,

hierna te noemen: de stiefvader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 juli 2026, ontvangen op 29 juli 2026;

  • de aantekeningen van de zitting van 18 september 2026;

  • de briefrapportage van de GI van 24 september 2026, ontvangen op diezelfde datum 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij was een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] , aanwezig.

1.3.

De moeder en de stiefvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij juist zijn opgeroepen.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De GI heeft daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft bij EEV (voorheen Prokino).

2.3.

Bij beschikking van 27 maart 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 27 maart 2026 tot 27 maart 2027. Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 27 maart 2026 tot 27 september 2026.

3Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Bij het uitspreken van de ondertoezichtstelling was er nog weinig zicht op de situatie van [minderjarige] . Ook was toen nog geen passende woonplek voor [minderjarige] gevonden. Inmiddels is meer duidelijk geworden en verblijft [minderjarige] bij EEV. Het is de bedoeling dat [minderjarige] hier in ieder geval tot zijn achttiende blijft. Vanaf komende zondag gaat [minderjarige] naar een Kamertrainingscentrum binnen EEV. Dit laat zien dat [minderjarige] stappen zet, ook al houdt hij zich niet altijd aan de gemaakte afspraken. Hij mag namelijk het Fasehuis overslaan. [minderjarige] heeft nog steeds hulp nodig bij zijn problematiek. De jeugdreclasseerder kan deze hulp voldoende bieden. Daarnaast moet [minderjarige] zich houden aan de bijzondere voorwaarden die aan hem zijn opgelegd. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer heeft geen toegevoegde waarde meer. Een jeugdbeschermer zou juist voor extra belasting bij [minderjarige] zorgen.

4De beoordeling

4.1.

De GI heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in het zogeheten ‘handelingsperspectief’ geplaatst. Het gevolg hiervan is, aldus de GI, dat de GI geen plan van aanpak heeft gemaakt maar gewerkt heeft met een afsprakenoverzicht. De kinderrechter stelt vast dat de GI op grond van artikel 4.1.3. van de Jeugdwet (in beginsel binnen zes weken na de start van de ondertoezichtstelling) een plan van aanpak moet opstellen. De GI heeft dit bewust niet gedaan; de GI heeft aangegeven dat zij slechts beperkt invulling heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling. Sinds de start van de maatregel is geen sprake geweest van een vaste jeugdbeschermer en staat [minderjarige] op een monitoringslijst, ondanks het feit dat in de beschikking van 27 maart 2026 is vermeld dat regievoering in het gedwongen kader noodzakelijk is.

4.2.

Bij de afweging om een verzoek te doen tot vroegtijdige afsluiting van de ondertoezichtstelling heeft de GI meegewogen dat er voor [minderjarige] geen vaste jeugdbeschermer betrokken is, maar wel een jeugdreclasseerder. De GI is van mening dat de zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] niet passen bij het uitvoeren van een ondertoezichtstelling; deze maatregel is niet langer noodzakelijk en proportioneel, betoogt de GI.

4.3.

De GI attendeert nog op het tekort aan jeugdbeschermers onder alle gecertificeerde instellingen, waardoor het niet proportioneel is om voor [minderjarige] een jeugdreclasseerder én een jeugdbeschermer aan te wijzen.

4.4.

De huidige zorgen lijken volgens de GI voornamelijk gelegen in het individuele functioneren van [minderjarige] en zijn gedrag. De betrokken professionals geven aan dat de zorgen niet zozeer samenhangen met het systeem rondom [minderjarige] , maar met zijn persoonlijke problematiek en gedragskeuzes. De benodigde hulp richt zich voornamelijk op [minderjarige] zelf, waaronder behandeling gericht op zijn gedragsproblematiek.

4.5.

De GI is van mening dat het perspectief van [minderjarige] bij EEV ligt, en niet bij de moeder of de stiefvader. [minderjarige] krijgt bij EEV de begeleiding die hij nodig heeft, waardoor hij gestimuleerd wordt om te werken aan zelfstandigheid naar zijn volwassenheid toe. [minderjarige] houdt zich over het algemeen aan de afspraken die bij EEV gelden. Op diverse gebieden laat hij zeker ook groei zien. Hij heeft zijn VMBO-diploma gehaald.

4.6.

Volgens de GI wordt de voor [minderjarige] noodzakelijke hulp en ondersteuning binnen het kader van de jeugdreclassering voldoende geborgd. De jeugdreclasseringsmaatregel loopt nog door tot na [minderjarige] ’s meerderjarigheid, tot 2028. Daarnaast is [minderjarige] gebonden aan de bij zijn voorwaardelijke straf opgelegde bijzondere voorwaarden, aldus de GI, zoals het hebben van een vaste woonplek bij EEV. De GI is van mening dat een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing niet meer passend zijn bij de huidige situatie van [minderjarige] .

4.7.

Op grond van het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat er aan de gronden voor de ondertoezichtstelling wordt voldaan; er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en de (gezaghebbende) moeder is niet in staat deze bedreiging weg te nemen. De kinderrechter volgt de GI niet in haar stelling dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] niet voortkomt uit een tekortschietend opvoedingssysteem. In maart 2026 stond vast dat aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling (en uithuisplaatsing) werd voldaan. In de beschikking van 27 maart 2026 is vermeld dat de moeder en de stiefvader actief betrokken dienen te blijven in het leven van [minderjarige] .

4.8.

Inmiddels is gebleken dat de relatie tussen [minderjarige] en zijn moeder en stiefvader nog steeds zeer complex is. Hij kan niet bij een van hen wonen. Met zijn moeder heeft hij op dit moment amper contact; met zijn stiefvader (zonder gezag) heeft het contact zich enigszins hersteld. De moeder en de stiefvader achten zich niet in staat voor [minderjarige] te zorgen. Evenmin zijn zij in staat gebleken zijn gedrag te beteugelen en een passende woonplek voor hem te regelen. De relatie tussen een (stief)ouder en een kind, ook als het kind 17 jaar oud is, is belangrijk voor zijn verdere ontwikkeling. Het is de GI niet gelukt de moeder en de stiefvader actief te betrekken in het leven van [minderjarige] , ondanks dat dit als doel was gesteld bij het uitspreken van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter wijst in dit kader op de vereisten van artikel 1:262 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin is vermeld dat de inspanningen van de GI erop gericht zijn de ouders zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind te laten dragen. Indien – kort gezegd – het ontwikkelingsniveau van het kind daartoe aanleiding geeft, zijn de inspanningen van de GI mede gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van het kind. De GI bevordert de gezinsband tussen de ouders en het kind.

4.9.

Ondanks dat nog steeds aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] opheffen omdat deze niet doelmatig is. De GI heeft in het verzoekschrift en tijdens twee opvolgende zittingen duidelijk kenbaar gemaakt dat zij niet méér menskracht in de situatie van [minderjarige] zal inzetten dan zij tot nu toe heeft gedaan. Ook indien de ondertoezichtstelling niet zal worden opgeheven, zal er geen vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. En juist een vaste jeugdbeschermer zou zo belangrijk zijn om te onderzoeken hoe de band tussen [minderjarige] en zijn (stief)ouders verbeterd kan worden.

4.10.

De kinderrechter heeft nog overwogen de Raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) in zijn toetsende taak te horen. De kinderrechter heeft hiervan afgezien om het toch al overbelaste jeugdzorgsysteem niet verder te belasten; ook de Raad kampt met achterstanden. Daarnaast heeft de GI duidelijk aangegeven niet voornemens te zijn voor [minderjarige] een vaste jeugdbeschermer aan te stellen.

4.11.

De kinderrechter ziet in deze gang van zaken de zorgen van de rechtspraak bevestigd over de aanhoudende grote capaciteitstekorten in de jeugdketen, zoals inmiddels in meerdere jaarverslagen van de rechtspraak vermeld (o.a. in jaarverslag 2025, pagina 12).

4.12.

Op grond van vorenstaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling met ingang van 25 september 2026 opheffen.

4.13.

Met het opheffen van de ondertoezichtstelling vervalt ook de machtiging tot uithuisplaatsing. De plaatsing van [minderjarige] bij EEV wordt volgens de GI in het kader van de bijzondere voorwaarden geborgd.

4.14.

Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 1

4.15.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 25 september 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

1

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733