Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht, waarin voor recht is verklaard dat het testament van erflaatster van 19-11-2021 nietig is wegens wilsonbekwaamheid door dementie. Het bewijs daarvan is geleverd met medisch dossier en deskundigenrapport, gesteund door getuigenverklaringen. De nalatenschap moet worden afgewikkeld conform het testament van 20-12-2019. De eisvermeerdering van gedaagde over nietigheid 2019 blijft buiten beschouwing wegens strijd met goede procesorde. Gedaagde moet stukken over saldo bij overlijden en erfbelasting aan eiseres verstrekken. Beslagen op de nalatenschap zijn opgeNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 26-10-2026 |
| Zaaknummer | C/16/576075 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Vernietiging en nietigheid testament; Wilsonbekwaamheid erflater |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht, de rechtbank verklaart voor recht dat het testament van erflaatster nietig is en dat haar nalatenschap moet worden afgewikkeld conform haar eerdere testament. Het bewijs voor de stelling dat zij bij het maken van haar (laatste) testament leed aan dementie en daardoor niet in staat was tot een redelijke waardering van de daarbij betrokken belangen is namelijk geleverdVolledige uitspraak
Afdeling Toezicht, Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/576075 / BE ZA 24-34
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [plaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. G. de Gelder,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. de Vries.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 juli 2025;
- de akte uitlating van [eiseres] ;
- de akte van [eiseres] met productie 22;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 29 januari 2026;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor voor tegenbewijs van 23 april 2026;
- de conclusie na enquête en deskundigenbericht van [eiseres] met (nog een keer) productie 22 en productie 23;
- de conclusie na enquête en deskundigenbericht, tevens (voorwaardelijke) vermeerdering van eis van [gedaagde] ;
- de akte uitlating (voorwaardelijke) vermeerdering van eis van [eiseres] .
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2De verdere beoordeling
in conventie en reconventie
De kern van de zaak
Deze zaak gaat over de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] (erflaatster). Zij is de moeder van [eiseres] en de grootmoeder van [gedaagde] . [eiseres] en [gedaagde] zijn moeder en zoon. Erflaatster is op [datum van overlijden 1] 2022 overleden. Sinds maart 2021verbleef zij op een gesloten afdeling van een woonzorgcentrum ( [zorginstelling] genaamd). Op grond van haar laatste testament van 19 november 2021 is [gedaagde] haar erfgenaam en executeur. [eiseres] is dus onterfd, net als haar broer. Volgens [eiseres] is dit testament nietig, omdat erflaatster tijdens het opmaken van het testament leed aan dementie en daardoor niet meer in staat was tot een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen. [eiseres] vindt dat daarom moet worden uitgegaan van het voorlaatste testament van erflaatster van 20 december 2019. Hierin zijn [gedaagde] en zij samen tot erfgenaam en executeur benoemd. [eiseres] vordert hierover verklaringen voor recht. [gedaagde] betwist dat erflaatster dement was, en dus ook dat zij daardoor niet meer in staat was tot een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen. Volgens hem moeten de vorderingen daarom worden afgewezen. In reconventie vordert hij opheffing van de beslagen die [eiseres] heeft gelegd.
Het tussenvonnis en de bewijsopdracht
In het tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat erflaatster in november 2021 leed aan dementie. In het vonnis is uitgelegd dat dit kan worden afgeleid uit de tekst van een CIZ-indicatie van 18 december 2020 en de tekst van een CIZ-besluit van 23 april 2021. Beide teksten zijn in het vonnis weergegeven. De rechtbank heeft erop gewezen dat ook uit een verklaring van een specialist ouderengeneeskunde van 9 februari 2021 kan worden afgeleid dat erflaatster in november 2021 leed aan dementie. In het tussenvonnis is daarnaast vastgesteld dat de bij het testament betrokken notaris niet wist dat erflaatster aan dementie leed en was opgenomen op een gesloten afdeling van een woonzorgcentrum, dat de notaris het stappenplan wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (om die reden) niet heeft gevolgd en dat de notaris (dus) ook geen arts heeft geraadpleegd.
Dat iemand aan dementie lijdt, brengt echter nog niet mee dat diegene zijn of haar wil niet kan bepalen. In het vonnis is [eiseres] daarom opgedragen te bewijzen dat erflaatster op 19 november 2021 vanwege haar geestelijke stoornis (de dementie) bij het maken van het testament niet in staat was tot een redelijke waardering van alle daarbij betrokken belangen.
[eiseres] heeft het bewijs geleverd
[eiseres] is in de bewijslevering geslaagd. Zij heeft allereerst een rapport overgelegd van de heer [A.] . [A.] is arts en gespecialiseerd in het verstrekken van medische verklaringen over wilsbekwaamheid. Hij heeft kennisgenomen van het medische dossier dat het woonzorgcentrum over erflaatster heeft samengesteld vanaf het moment van haar opname begin november 2020 tot 31 december 2021. Dit dossier telde volgens hem 235 bladzijden, was compleet, bevatte duidelijke bevindingen en geen tegenstrijdigheden. De conclusie van [A.] over het dossier van erflaatster luidt als volgt:
“ Tot slot: over het algemeen is het medisch dossier van een overledene op zichzelf vaak ontoereikend om achteraf een antwoord te kunnen geven op de vraag of iemand ten tijde van een bepaalde beslissing in zijn leven dienaangaande wilsbekwaam was of niet. Als voormalig verpleeghuisarts (specialist ouderengeneeskunde) én forensisch geneeskundige, met ruime ervaring in indicatiestelling, medische advisering en al vele jaren specifiek de beoordeling van wilsbekwaamheid inzake notariële akten, acht ik bovengenoemde vastgelegde medische informatie echter zodanig duidelijk, adequaat en relevant, dat naar mijn overtuiging in de situatie van mevrouw [erflaatster] wel conclusies te trekken zijn.
Concluderend,
Gelet op het gediagnosticeerde en beschreven vorderende ziektebeeld (dementie, type Alzheimer met frontale kenmerken) en de aangegeven beperkingen - die zoals bovenstaand blijken uit het medisch dossier van mevrouw - is objectief medisch gezien niet voor te stellen dat mevrouw vanaf 2020 nog in staat is haar financiële en persoonlijke belangen geheel zelfstandig te behartigen. Dan is de diagnose dementie immers officieel gesteld en verkeert zij in een kwetsbare afhankelijke situatie.
Blijkens de opname in november 2020 naar aanleiding van een val met een breuk van de rechter enkel wordt duidelijk dat de dementie niet meer ‘beginnend’ is, maar gevorderd.
Niet voor niets wordt geadviseerd tot voortgezet verblijf in een psychogeriatrische instelling. Dat is niet zozeer vanwege de ziekte en zorgen over mijnheer, al wordt op zijn dringend verzoek nog geprobeerd of mevrouw naar huis kan, maar mevrouw is dan niet leerbaar, valgevaarlijk, niet instrueerbaar, is wisselend verward, opgewekt of geagiteerd, heeft geen ziektebesef, laat staan ziekteinzicht.
Mevrouw heeft dan al cognitieve defecten op meerdere terreinen, zowel in het geheugen (korte en lange termijn) maar ook in de oriëntatie in tijd, plaats en persoon. Haar denken is niet coherent. Ze is spraakzaam en verbaal sterk, waarmee ze fadegedrag [rechtbank: bedoeld zal zijn façadegedrag] vertoont.
Het is objectief medisch gezien ondenkbaar – in dit stadium van haar dementie - dat mevrouw in november 2021 bezig is met haar testament of een initiatief zou nemen haar testament te willen wijzigen. Zou ze wél spreken over haar testament, of zorgen hebben over haar nalatenschap, dan zou dat - op grond van mijn ervaring - zeker in de rapportages zijn opgemerkt. Soms zijn mensen in hun verwardheid bijvoorbeeld dwangmatig bezig met geld; daar is in de situatie van mevrouw [erflaatster] geen sprake van.
[…]
De mate van cognitieve beperkingen op verschillende gebieden was niet ‘beginnend’ maar duidelijk bestaand, met zekerheid in elk geval vanaf november 2020 en toenemend in 2021. In november 2021 is mevrouw vaker ernstiger verward, is zij gevorderd dement en vindt ze rust bij een dementie-pop.
Naar mijn stellige overtuiging was mevrouw in november 2021 gevorderd dement, met ernstige cognitieve stoornissen op meerdere terreinen: geheugen korte en lange termijn, oriëntatie in tijd, plaats en persoon, haar denken was niet coherent, mevrouw was snel overprikkeld en vertoonde soms ongepast gedrag, was zorg-afwerend, maar ook makkelijk af te leiden. Zij was naar mijn stellige overtuiging wilsonbekwaam voor het opmaken van haar nieuwe testament in november 2021.
Ook als mevrouw desgevraagd een bepaalde wil zou hebben geuit (al dan niet plausibel), acht ik die onder invloed van haar geestelijke stoornis gedaan en niet wilsbekwaam. Niet in staat tot een redelijke waardering van alle daarbij betrokken belangen.
[…]”
[gedaagde] heeft opgemerkt dat [A.] geen onafhankelijke deskundige is, omdat hij is ingeschakeld door [eiseres] . Ook heeft hij erop gewezen dat uit het rapport blijkt dat [A.] heeft kennisgenomen van het procesdossier. Dat uit het rapport ook blijkt dat het oordeel van [A.] hierdoor is gekleurd, stelt [gedaagde] echter niet. Zoals hiervoor is vermeld, heeft [A.] zich gebaseerd op het medisch dossier dat het woonzorgcentrum hem heeft verstrekt. Uit het rapport kan niet worden afgeleid dat hij zich heeft laten leiden door het feit dat [eiseres] hem voor dit onderzoek heeft benaderd of dat hij de inhoud van het procesdossier bij zijn beoordeling over de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft betrokken. Wel maakt [A.] een opmerking over het handelen van de notaris (iets waar het tussenvonnis informatie over bevat en het medisch dossier naar de rechtbank aanneemt niet). De notaris had volgens hem over de wilsbekwaamheid getwijfeld als hij erflaatster alleen zou hebben gesproken. Deze constatering is gegrond op zijn eigen conclusie over de wilsbekwaamheid. Ook wijst [A.] op een verklaring van de behandelend arts van erflaatster, waar het tussenvonnis ook iets over vermeldt. [A.] merkt echter slechts op dat de inhoud van deze verklaring overeenkomt met zijn eigen bevindingen. Hieruit blijkt niet dat [A.] door de inhoud van het procesdossier is beïnvloed. Overigens is het belangrijk dat een deskundige weet waar het geschil tussen partijen over gaat. Het is daarom gebruikelijk dat hij of zij kennisneemt van (de relevante delen van) het procesdossier.
De rechtbank hecht grote waarde aan de inhoud van het rapport. Het bevat geen tegenstrijdigheden en roept geen vragen op. [gedaagde] heeft ook geen inhoudelijke bezwaren tegen het rapport geuit. Na afloop van het getuigenverhoor van 29 januari 2026 heeft de rechtbank met partijen gesproken over een onderzoek dat een door [gedaagde] te benaderen deskundige zou kunnen verrichten. Namens [eiseres] is toen toegezegd dat [A.] zou worden gevraagd om de stukken die hij (nog) ter beschikking had met deze andere deskundige te delen. Na het getuigenverhoor op 23 april 2026 heeft (de advocaat van) [gedaagde] verklaard dat er over dit deskundigenonderzoek nog “overleg” werd gevoerd. Besproken is dat de uitkomsten van een onderzoek, indien dit zou plaatsvinden, in zijn conclusie na enquête zouden worden verwerkt. [gedaagde] is hierop in zijn conclusie na enquête echter niet teruggekomen. Kennelijk heeft hij hiervan afgezien. Er is dus geen ander rapport over de wilsbekwaamheid van erflaatster dan dat van [A.] .
Niet alleen roept het rapport van [A.] geen vragen op, de inhoud daarvan is ook in lijn met dat wat [eiseres] en haar echtgenoot tijdens de getuigenverhoren hebben verklaard. Laatstgenoemde heeft namelijk verklaard:
“Volgens mij wist ze niet waar ze was. […] de ene keer was ze helderder dan de andere keer. Het was wisselend. Het was een klein wereldje waar ze in leefde. Ze was daar [in het woonzorgcentrum, toevoeging rechtbank] ook verliefd op een meneer. De ene keer was ze heel aardig tegen hem, de andere keer moest hij weg.
[…]
Je kon geen echt gesprek meer met haar hebben. Ik zette, zoals ik zei, liedjes op en we deden wel eens een spelletje. We gingen nooit naar buiten. Lopen ging ook niet echt, ze liep op sloffen. Ze liep wel eens op de gang en dan liet ze alles lopen met haar broek op half 7. Op uw vraag wanneer dit is geweest, dat is een stuk voor haar overlijden geweest, ik denk in mei/juni 2021.
Op uw vraag of ze heldere momenten had, antwoord ik dat ik dat niet kan zeggen, niet helder. Je kon geen normale conversatie met haar houden over een bepaald onderwerp. Hier voeg ik aan toe dat je geen respons kreeg in een gesprek dat je met haar voerde.”
[eiseres] zelf heeft verklaard:
“Toen mijn moeder nog thuis woonde zag ik haar zeker een paar keer per week. Ik liep dan even binnen. Mijn vader was in die periode ziek, mijn moeder ging dan niet mee naar het ziekenhuis. Ze snapte niet waar het over ging. Dan bleef ze thuis en paste er iemand op haar.
[…]
Als ik mijn moeder bezocht in [zorginstelling] had ze een doffe blik in haar ogen. Het ene moment was ze gezelliger dan het andere, ze was vaak boos. Ze wist ook niet wie ik was. Ik ben ervan overtuigd dat ze mij niet herkende. Op uw vraag hoe ik dat merkte, antwoord ik dat zij tegen mij zei “Doe de groeten aan je vader en moeder”. Dan weet je dus niet meer wie ik ben. Dat gebeurde niet één keer, maar meerdere keren. Ik heb het ook gemerkt aan het feit dat ze een pop had en dat ze tegen mij zei: “Zachtjes, [gedaagde] slaapt”. Dan moest ik stil zijn. Ze heeft vroeger veel voor [gedaagde] , toevoeging rechtbank] gezorgd. […]
De gesprekken die ik met haar voerde gingen over koetjes en kalfjes: het weer; of ze bezoek had gehad; wat ze gedaan had. Je kon geen écht gesprek met haar voeren. Er kwam vaak geen antwoord op vragen. Ze had een doffe blik in haar ogen en ze zat voor zich uit te staren. Je zag haar echt afglijden. Ze stelde nooit een vraag aan mij. Als ik zei ik ga naar huis en eten koken, dan zei ze: “ [B.] kookt toch?” Dat is mijn overleden man.
[…]
U vraagt of ik herken wat mijn echtgenoot net over het incident in de gang vertelde en dat is zo. Dat heeft zich meerdere keren voorgedaan en daar was ik bij. Zij smeerde zich ook helemaal in met ontlasting, vreselijk.”
De verklaringen van de twee andere getuigen, die zijn gehoord tijdens het getuigenverhoor voor tegenbewijs, doen aan het rapport en de verklaringen van [eiseres] en haar echtgenoot geen afbreuk. Mevrouw [C.] , naar eigen zeggen zorgmedewerker (volgens [eiseres] interieurverzorgster), heeft verklaard:
“In juni 2020 ben ik benaderd door de huisarts met de vraag of ik meneer en mevrouw [erflaatster] wilde ondersteunen met huishoudelijke werkzaamheden. De huisarts vertelde mij dat meneer [D.] ziek was en mevrouw [erflaatster] cognitief achteruitging. Vanaf juni 2020 kwam ik daar één keer per week. […] Ik kon toen nog goede gesprekken met haar voeren, maar ik merkte wel dat ze na verloop van tijd achteruitging. Ze was soms in zichzelf gekeerd en het was dan moeilijk om een gesprek met haar te voeren en ze nam dan ook niet deel aan gesprekken van anderen. Op andere momenten kon ze weer heel scherp zijn en kon je wel een gesprek met haar voeren. Ze had dus heldere en minder heldere momenten. Ik heb niet echt ervaren dat ze verward was.
[…]
Ik heb haar in [zorginstelling] nooit bezocht. Maar ik zag haar nog wel, omdat meneer [D.] haar bijna dagelijks uit [zorginstelling] ophaalde. Dat was zo tot zijn overlijden in [maand] 2021. […] Ook in die periode had ze heldere momenten maar ook minder heldere momenten. Ze was dan erg in zichzelf gekeerd en stil op de achtergrond aanwezig. Dat ze toen verward was, heb ik niet ervaren. Ik voerde soms nog wel een gesprek met haar, bijvoorbeeld over hoe het met haar ging, of ze nog iets leuks had gedaan en over iets uit het nieuws. […] Op uw vraag of zij mij altijd herkende, antwoord ik dat er op het laatst momenten waren dat zij mij niet herkende. Met op het laatst bedoel ik de periode vlak voor het overlijden van haar man. Daarna heb ik haar niet meer gezien. Op de momenten dat zij mij niet herkende, had ze een bepaalde blik in haar ogen. Zo van: wie ben jij? Dan zei ik: “goedemorgen [erflaatster] , weet ik wie ik ben? Ik kom bij je schoonmaken”. Dan keek ze maar kwam er verder geen reactie. Plotseling kon ze dan wel weer een helder moment hebben. Dan vroeg ze bijvoorbeeld: “ [C.] ga zitten, wil je koffie?’. Heldere en niet heldere momenten konden zich binnen het uur afwisselen.”
Weliswaar heeft [C.] verklaard dat erflaatster heldere momenten had, maar zij heeft ook verklaard dat er op het laatst (vlak voordat de echtgenoot van erflaatster op [datum van overlijden 2] 2021 overleed) momenten waren dat erflaatster haar niet meer herkende. Dat was in de periode dat zij haar testament wijzigde, want dat gebeurde zoals vermeld op 19 november 2021.
Ook [gedaagde] heeft verklaard dat erflaatster heldere momenten had. Maar hij heeft ook gezegd dat zij ook minder heldere momenten had en dat zij erg achteruitging:
“In november 2021 ging het wisselend met mijn oma. Het ene moment was ze helder, maar de volgende dag weer niet. In mijn ogen had ze meer heldere momenten dan ze dat ze de weg kwijt was. Ongeveer 75% van de tijd was ze helder. Op heldere momenten hadden we het over koetjes en kalfjes, zo van: “Hoe was je dag? Wat heb je gedaan? Ben je naar de markt geweest?”. Dat vroeg ik dan aan haar en zij kon daar goed op antwoorden. Zij woonde in [zorginstelling] . Maar in die periode leefde mijn opa nog en zag ik mijn oma altijd bij hen thuis, want opa had haar dan opgehaald. Dat was vier keer in de week. […] Tijdens de mindere momenten zat mijn oma doelloos in een stoel. Dan had ik een gesprek met opa en daar mengde ze zich dan niet in. Ze las dan bijvoorbeeld een boekje aan tafel en hield zich afzijdig. Ik probeerde dan niet echt een gesprek met haar te voeren. Ik vroeg haar dan wel “Hoe was uw dag?”, maar als er dan geen reactie kwam ging ik niet pushen. Ik had feilloos in de gaten dat oma doorhad dat ze heel erg achteruitging.”
De conclusie die [gedaagde] uit zijn eigen verklaring en die van [C.] trekt, is niet juist. Volgens [gedaagde] blijkt uit deze verklaringen dat erflaatster op heldere momenten in staat moet zijn geweest tot een redelijke waardering van de bij (de wijziging van) haar testament betrokken belangen. Hij wijst er in dit verband op dat de notaris op 19 november 2021 geen twijfel had over haar wilsbekwaamheid en dat zij toen dus een helder moment moet hebben gehad. Zoals hiervoor in 2.2. vermeld, heeft de rechtbank in het tussenvonnis echter vastgesteld dat de notaris niet wist dat erflaatster dement was en dat hij ook niet wist dat zij op een gesloten afdeling in een woonzorgcentrum verbleef. De schriftelijke verklaring van de notaris waaruit dit blijkt, is in het tussenvonnis weergegeven. De rechtbank heeft daaruit geconcludeerd dat de notaris het stappenplan voor de beoordeling van haar wilsbekwaamheid niet heeft gevolgd. Ook heeft de rechtbank gezien de verklaring van de notaris vastgesteld dat hij slechts één keer contact met erflaatster heeft gehad en dat (pas) toen het testament met haar is besproken en (ook meteen) de akte is gepasseerd. Het telefoongesprek dat daaraan voorafging, heeft de notaris alleen met haar echtgenoot gevoerd. Uit de verklaring van de notaris blijkt niet dat de notaris tijdens de enige bespreking die hij met erflaatster heeft gehad gerichte vragen aan haar heeft gesteld om te controleren of zij de inhoud van het testament begreep en besefte wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Uit het feit dat de notaris de akte heeft gepasseerd, hecht de rechtbank daarom geen belang. Er kan dus niet uit worden afgeleid dat erflaatster toen een helder moment had, laat staan dat zij vanwege dit heldere moment in staat was tot een redelijke waardering van de belangen die bij de wijziging van het testament waren betrokken. [gedaagde] heeft bovendien verklaard dat zij tijdens heldere momenten een gesprek kon voeren over koetjes en kalfjes. Dat zij in staat was tot het voeren van een wat ingewikkelder gesprek, heeft hij niet gezegd. Dat is gezien de inhoud van het rapport van [A.] en de verklaringen van [eiseres] en haar echtgenoot ook onwaarschijnlijk.
Een gesprek over de wijziging van het testament zou het niveau van koetjes en kalfjes hebben overstegen. Zoals in het tussenvonnis overwogen, ging het om een ingrijpende wijziging van het testament. In het testament van 20 december 2019 was [eiseres] namelijk wel tot erfgenaam benoemd (samen met [gedaagde] ) en nu werd ze onterfd. [gedaagde] heeft erop gewezen dat erflaatster haar kinderen (zoals vermeld heeft [eiseres] nog een broer) in eerdere testamenten ook al had onterfd, waaronder in een testament van 3 oktober 2018. De rechtbank heeft in het tussenvonnis echter al overwogen dat dit niet wegneemt dat een onterving (altijd) ingrijpend is. Dat geldt al helemaal in de situatie van [eiseres] . Zij heeft namelijk verklaard dat zij weliswaar ruzie had met haar vader, de echtgenoot van erflaatster, maar niet met erflaatster. Het contact met erflaatster verbeterde toen zij werd opgenomen in het woonzorgcentrum, omdat [eiseres] haar niet meer hoefde te bezoeken waar haar vader bij was. In het woonzorgcentrum bezocht [eiseres] erflaatster regelmatig. [gedaagde] heeft dit allemaal niet betwist.
Conclusie: het testament van 19 december 2021 is nietig
De rechtbank kan gezien al het voorgaande vaststellen dat erflaatster op 19 november 2021 dement was en niet in staat was tot een redelijke waardering van de belangen die betrokken waren bij het maken van het testament. Daarom zal voor recht worden verklaard dat het testament van die datum nietig is. De rechtbank verwijst naar wat zij in 3.1. van het tussenvonnis hierover heeft overwogen. Ook zal voor recht worden verklaard dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld volgens haar voorlaatste testament. Op de eisvermeerdering in reconventie, die over dit testament gaat, wordt namelijk geen acht geslagen. Dat zal hieronder in 2.17. worden uitgelegd.
De andere vorderingen van [eiseres]
[eiseres] heeft ook gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis 1) informatie en stukken te geven over (de omvang van) de nalatenschap, waaronder kopieën van bankafschriften waaruit blijkt wat het saldo was van de bankrekeningen toen erflaatster overleed en de aangifte en aanslag erfbelasting, en 2) alle goederen en zaken uit haar nalatenschap aan haar af te geven. Voor dat laatste bestaat geen reden, want op grond van het voorlaatste testament is [eiseres] niet enig erfgenaam, maar is zij dit samen met [gedaagde] . Pas als goederen aan [eiseres] zijn toegedeeld, zullen deze aan haar moeten worden afgegeven. Wel zal [gedaagde] worden veroordeeld om de gevraagde stukken aan [eiseres] te verstrekken. Dat zijn dus de bankafschriften met daarop het saldo van de rekening op de datum van overlijden van erflaatster ( [datum van overlijden 1] 2022) en de aangifte en aanslag erfbelasting. Kennelijk (zij gebruikt immers het woord “waaronder”) wil [eiseres] nog meer ontvangen, maar zij heeft niet duidelijk gemaakt welke stukken dit betreft. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] alle informatie zal verstrekken die [eiseres] als erfgenaam nodig heeft. De rechtbank zal geen dwangsom aan de hiervoor genoemde veroordeling verbinden. [eiseres] heeft namelijk niet uitgelegd waarom dit nodig is.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen om een bedrag aan [eiseres] te betalen gelijk aan de waarde van de nalatenschap toen erflaatster overleed verminderd met de waarde van de nog af te geven zaken, zal worden afgewezen. [eiseres] ging er kennelijk van uit dat zij op grond van het voorlaatste testament enig erfgenaam is, maar dat is zij niet. Uiteindelijk zal er dus een verdeling moeten plaatsvinden. De rechtbank hoopt dat partijen samen, met behulp van hun advocaten, in staat zullen zijn om hierover afspraken te maken.
De eisvermeerdering van [gedaagde] (in reconventie) blijft buiten beschouwing
Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat het testament van 19 november 2021 nietig is, heeft [gedaagde] zijn eis vermeerderd. Hij vordert dat in dat geval ook voor recht wordt verklaard dat (ook) het testament van 20 december 2019 nietig is, waarbij hij zo nodig eerst in de gelegenheid wordt gesteld om te bewijzen dat erflaatster ook op die datum bij het maken van haar testament vanwege haar geestelijke stoornis niet in staat was tot een redelijke waardering van de daarbij betrokken belangen. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] hier belang bij heeft, omdat [eiseres] in het testament uit 2018 dat dan zou herleven ook was onterfd en hij tot enig erfgenaam was benoemd. In deze fase van de procedure is deze eisvermeerdering echter in strijd met de eisen van een goede procesorde. De dagvaarding dateert van 4 juni 2024. [gedaagde] heeft dus meer dan genoeg tijd gehad om het (ook) over het testament van 20 december 2019 te hebben. Als de rechtbank hierover nu (ook nog) zou moeten oordelen, zou dat leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure. Om deze reden wordt de eisvermeerdering buiten beschouwing gelaten.
De gelegde beslagen zullen worden opgeheven
Hoewel [eiseres] gelijk heeft gekregen, zal de rechtbank de door haar gelegde beslagen opheffen, zoals [gedaagde] in reconventie heeft gevorderd. De beslagen zijn gelegd op woningen die onderdeel zijn van de nalatenschap. In het beslagrekest heeft [eiseres] dit een conservatoir “bewarend beslag ex artikel 700 e.v. Rv” genoemd. Het is de rechtbank niet duidelijk wat [eiseres] hiermee heeft bedoeld. Het is namelijk geen beslag tot verhaal van een geldvordering en het is ook geen beslag tot afgifte. Als dat wel zo moet worden gelezen, geldt dat er geen geldvordering wordt toegewezen en [gedaagde] ook niet wordt veroordeeld tot afgifte van goederen (de woningen). Het beslag zou dan moeten worden opgeheven. De rechtbank leest het beslagrekest zó dat er feitelijk een deelgenotenbeslag is bedoeld (artikel 733 Rv) . Als eis in de hoofdzaak moet dan een vordering tot verdeling worden ingesteld. Dat is hier niet gebeurd. In dit vonnis worden bovendien (op een veroordeling tot afgifte van enkele stukken na) slechts verklaringen voor recht gegeven. Deze leveren geen executoriale titel op. Op grond van dit vonnis kunnen de beslagen daarom niet blijven liggen.
De proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank
in conventie
verklaart voor recht dat het testament van 19 november 2021 van erflaatster nietig is en dat haar nalatenschap moet worden afgewikkeld conform haar voorlaatste testament van 20 december 2019,
veroordeelt [gedaagde] om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] de aangifte en aanslag erfbelasting te verstrekken en de bankafschriften waaruit blijkt welk saldo de bankrekeningen van erflaatster op [datum van overlijden 1] 2022 hadden,
verklaart de beslissing in 3.2. uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
heft de door [eiseres] gelegde beslagen op de onroerende zaken gelegen aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats] (gemeente [gemeente] ) op,
verklaart de beslissing in 3.5. uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
