Essentie (gemaakt door AI)
Verzoek van vader tot wijziging van door het Amtsgericht Köln vastgestelde kinderalimentatie, gebaseerd op nimmer voldoen aan wettelijke maatstaven art. 1:401 lid 4 BW en wijziging van omstandigheden art. 1:401 lid 1 BW, en op misbruik van recht. Nederlandse rechter heeft rechtsmacht; Nederlands recht is nu toepasselijk, maar initiële Duitse beslissing berust op Duitse maatstaven (Düsseldorfer Tabelle). Geen misbruik; stiefouderschap/zorgregeling niet relevant onder Duits recht. Geen grond voor wijziging. Afwijzing verzoek. Duitse uitspraak blijft in standNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 26-10-2026 |
| Zaaknummer | C/03/347784 / FA RK 25-2647 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzoek wijziging kinderalimentatie door Duitse rechtbank vastgesteld. Nimmer aan de wettelijke maatstaven voldaan (art. 1:401 lid 4 BW) of wijziging van omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BW) ? Misbruik van recht? Had de moeder in Nederland moeten procederen en/of was Nederlands recht van toepassing in de Duitse procedure? Afwijzing verzoek. Duitse uitspraak blijft in stand.Volledige uitspraak
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
C/03/347784 / FA RK 25-2647Zaaknummer: C/03/347784 / FA RK 25-2647
Beschikking van 15 oktober 2026 betreffende alimentatie
in de zaak van:
[de vader] ,
wonend in [woonplaats 1] , Duitsland,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.F. Cohen, kantoorhoudend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
tegen:
[de moeder] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A. van den Eshoff, kantoorhoudend in Maastricht,
(voorheen: mr. I.E. Nonnemaker),
hierna gezamenlijk te noemen: ‘partijen’ dan wel ‘de ouders’.
1Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift (met bijlagen) van de zijde van de vader, ontvangen op 8 december 2025;
het F9-formulier (met als bijlage een geboorteakte en akte uit het BRP) van de zijde van de vader, gedateerd 16 december 2025;
het verweerschrift (met bijlagen) van de zijde van de moeder, ontvangen op 2 maart 2026;
de brief (met bijlagen) van de zijde van de vader, gedateerd 7 juli 2026.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 14 juli 2026. Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door mr. Cohen;
de moeder, bijgestaan door mr. Wetzels, waarnemend voor mr. Van den Eshoff.
Nadien is beschikking bepaald op heden.
2De feiten
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is inmiddels beëindigd.
De ouders hebben nooit samengewoond.
Uit de beëindigde relatie van de ouders is de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Uit een daartoe bestemde aantekening in het gezagsregister blijkt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] .
Vanaf 1 juli 2024 woont [minderjarige] bij de moeder en staat hij op haar adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarvoor woonde [minderjarige] bij de vader.
Partijen hebben onderling een zorg- en contactregeling afgesproken op grond waarvan [minderjarige] éénmaal per twee weken een weekend bij de vader
verblijft van vrijdag na school (17.00 uur) tot zondag 20.00 uur, alsmede iedere
woensdag van 17.00 uur tot donderdag naar school, alsmede de gedurende de
vakanties van [minderjarige] , in onderling overleg nader te bepalen.
Bij beslissing van het Amtsgericht Köln in Duitsland van 27 december 2024 (zaaknummer: 322 F 260/24) is het volgende beslist:
“Der Antragsgegner wird verpflichtet, an den Antragsteller, geboren am [geboortedag] .2010, ab Dezember 2024 100 % des Mindestunterhalts der dritten Altersstufe der Düsseldorfer Tabelle in der jeweils geltenden Fassung abzüglich des hälftigen Niederländischen Kindergeldes für ein Kind, damit derzeit 645,00 € - 67,07 € =577,93 EUR zu zahlen. Der Antragsgegner trägt die Verfahrenskosten.”
[vertaling rechtbank:]
“De gedaagde [rechtbank: de vader] wordt verplicht om aan de verzoeker [rechtbank: de moeder], geboren op [geboortedag] .2010, vanaf december 2024 100% van de minimale onderhoudsbijdrage van de derde leeftijdsgroep van de Düsseldorfer Tabelle in de toen geldende versie te betalen, minus de helft van het Nederlandse kinderbijslag voor een kind, dus momenteel 645,00 € - 67,07 € = 577,93 EUR. De gedaagde draagt de proceskosten.”
De moeder is op [datum] 2024 een geregistreerd partnerschap aangegaan met de heer [persoon] .
3Het geschil
De vader verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing van het Amtsgericht Köln, Duitsland, van 27 december 2024, zaaknummer: 322 F 260/24, te wijzigen in die zin dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] wordt gesteld op € 61,-- per maand, met ingang van 27 december 2024, de datum van voornoemde beslissing van het
Amtsgericht Köln, Duitsland, dan wel een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, onder veroordeling van de moeder om aan de vader te restitueren hetgeen de vader te veel heeft voldaan op basis van de beslissing van het Amtsgericht Köln, Duitsland, van 27 december 2024 met nummer: 322 F 260/24.
De moeder voert verweer en zij concludeert tot niet-ontvankelijk van de vader in zijn verzoek althans tot afwijzing daarvan.
Op de stellingen van de ouders zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling nader worden ingegaan.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk rechtKrachtens het bepaalde in artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008), hierna te noemen Ali-vo, is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de vader betreffende de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde, zijnde de minderjarige, woonplaats heeft in Nederland.
Op grond van artikel 10:116 Burgerlijk Wetboek juncto artikel 15 Ali-vo juncto artikel 3 van het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is Nederlands recht van toepassing op het verzoek betreffende de kinderalimentatie nu de onderhoudsgerechtigde, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
De vader baseert zijn verzoek allereerst op het standpunt dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in die zin dat de genoemde beslissing van het Amtsgericht Köln van 27 december 2024 moet worden gewijzigd omdat deze van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die beslissing c.q. uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De meest verstrekkende stelling die de vader ter onderbouwing van zijn standpunt aanvoert is dat – zo begrijpt de rechtbank – de Duitse rechter destijds niet bevoegd was om van het verzoek van de moeder betreffende de kinderalimentatie kennis te nemen, in ieder geval dat Nederlands recht van toepassing was op dat verzoek. De rechtbank volgt de vader niet in deze stelling. Niet in geschil is dat de vader ten tijde van de procedure die heeft geleid tot de beslissing van het Ambtsgericht Köln van 27 december 2024, woonachtig was (en nog steeds is) in Duitsland. Daarvan uitgaande volgt de rechtbank de Duitse rechter in diens oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (Nr. 4/2009) de Duitse rechter bevoegd was om kennis te nemen van het op dat moment ter beoordeling voorliggende verzoek van de moeder betreffende de kinderalimentatie, nu de onderhoudsplichtige, zijnde de vader, zijn gewone verblijfplaats had in Duitsland. Daarbij onderschrijft de rechtbank eveneens het oordeel van de Duitse rechter dat Duits recht, als lex fori, van toepassing was op het verzoek van de moeder op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 3 van het Haags Protocol 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen.
Voor zover de vader zich verder op het standpunt stelt dat er sprake is van misbruik van recht door de moeder, in die zin dat zij op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van de rechtsgang naar de Duitse rechter, volgt de rechtbank de vader eveneens niet. De vader stelt ter onderbouwing van zijn standpunt weliswaar dat de moeder en [minderjarige] geen band met Duitsland hebben behoudens de zorgregeling, maar in het licht van het gemotiveerde verweer van de moeder is de rechtbank van oordeel dat de vader zijn stelling geen handen en voeten heeft gegeven en niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft toegelicht dat zij de alimentatieprocedure in Duitsland meteen is gestart nadat zij kort daarvoor in Duitsland al een procedure had gevoerd waarin in rechte was bepaald dat – zo begrijpt de rechtbank – [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats weer bij de moeder in Nederland zou hebben in plaats van (daarvoor) bij de vader in Duitsland. De rechtbank acht deze gang van zaken in de gegeven omstandigheden, waarbij niet in geschil is dat de vader ten tijde van de alimentatieprocedure in Duitsland zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had, plausibel en ziet daarin niet een handelswijze van de moeder die kwalificeert als misbruik van recht. Voor zover de vader verder stelt dat de moeder bewust voor een gang naar de Duitse rechter heeft gekozen omdat dit tot een hogere bijdrage zou leiden dan in Nederland, volgt de rechtbank de vader daarin ook niet. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de vader ook deze stelling geen handen en voeten heeft gegeven en niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Los daarvan leidt de keuze voor een rechtens toegestane gang naar het gerecht van het land waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft in plaats van het gerecht van het land waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft als zodanig niet, althans niet zonder meer, tot de conclusie dat er sprake is van misbruik van recht in het geval deze keuze leidt tot een uiteindelijk gunstiger resultaat. Beide gerechten zijn op grond van de voormelde Alimentatieverordening immers bevoegd.
Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt de vader voorts dat uit de genoemde beslissing van het Amtsgericht Köln in het geheel niet blijkt dat de Duitse rechter rekening heeft gehouden met de tussen de vader en [minderjarige] geldende zorgregeling alsook met het feit dat de moeder op [datum] 2024 een geregistreerd partnerschap is aangegaan met haar nieuwe partner die dan als stiefouder mede onderhoudsplichtig was voor [minderjarige] . Daargelaten de vraag of deze stelling van de vader al dan niet juist is, kunnen de door de vader genoemde omstandigheden hoe dan ook niet leiden tot de conclusie dat de beslissing van de Duitse rechter van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Zoals hiervoor overwogen heeft de Duitse rechter bij diens beoordeling van het verzoek van de moeder Duits recht toegepast, hetgeen impliceert dat in dat geval wordt uitgegaan van de Duitse wettelijke maatstaven bij het bepalen van de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] . Uit de beslissing van 27 december 2024 volgt dat de Duitse rechter invulling heeft gegeven aan de Duitse wettelijke maatstaven door toepassing van de zogenaamde ‘Düsseldorfer Tabelle’ die richtlijnenwaarden bevat voor het bepalen van een passende kinderbijdrage en die door alle hogere regionale rechtbanken in Duitsland wordt gebruikt (zie: www.olg-duesseldorf.nrw.de). In lijn met het verweer van de moeder ter zake, stelt de rechtbank vast dat bij het bepalen van de hoogte van de kinderbijdrage op basis van de Düsseldorfer Tabelle, omstandigheden zoals een nieuw huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap van de onderhoudsgerechtigde, daaruit voorvloeiend stiefouderschap en (de omvang van) een zorgregeling niet van invloed zijn.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 4 BW geen sprake is.
De vader baseert zijn verzoek verder op het standpunt dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW in die zin dat beslissing van het Amtsgericht Köln van 27 december 2024 moet worden gewijzigd omdat deze nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, is de beslissing van het Amtsgericht Köln van 27 december 2024 gebaseerd op de Duitse wettelijke maatstaven. Daarvan uitgaande dient de vraag of er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW bezien te worden in het licht van de Duitse wettelijke maatstaven. Of anders gezegd: de ‘wettelijke maatstaven’ als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW hebben betrekking op de wettelijke maatstaven waarvan is uitgegaan in de initiële beslissing, zijnde in dit geval de Duitse wettelijke maatstaven. Dit betekent dat pas als er sprake is van een wijzing van omstandigheden waardoor de Duitse beslissing heeft opgehouden aan de Duitse wettelijke maatstaven te voldoen, er ruimte is voor een herbeoordeling van de huidige kinderbijdrage, die dan vervolgens – uitgaande van het thans van toepassing zijnde Nederlandse recht – dient plaats te vinden aan de hand van de Nederlandse wettelijke maatstaven.
De rechtbank stelt vast dat de vader als wijziging van omstandigheden (wederom) het feit aanvoert dat de moeder op [datum] 2024 een geregistreerd partnerschap is aangegaan met haar nieuwe partner die dan als stiefouder mede onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] . Daarbij stelt de vader dat hij pas recent bekend geworden met deze omstandigheid. Zoals echter uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, vormen een nieuw huwelijk c.q. geregistreerd partnerschap van de onderhoudsgerechtigde en het daaruit volgend stiefouderschap, geen omstandigheden die relevant zijn in het kader van toepassing van de Duitse wettelijke maatstaven. In zoverre kan het geregistreerd partnerschap van de moeder en het daaruit volgend stiefouderschap niet tot gevolg hebben dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW.
Alles overziend komt de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat het verzoek van de vader dient te worden afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank:
wijst het door de vader verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. L.N. Geerman, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 15 oktober 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
