Terug naar de uitspraak

Rechtbank Rotterdam 24-09-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14677

Datum publicatie26-10-2026
ZaaknummerC/10/725540 / JE RK 26-1701
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
Trefwoorden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Verlening ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor drie maanden ipv een jaar onder aanhouding van het restant. Ook de afgelopen periode heeft de GI geen stappen gezet in uitbreiding van de omgang tussen minderjarige en moeder. Perspectiefbesluit door de Raad ingetrokken. De GI moet ook onderzoeken wat de mogelijkheden bij de moeder thuis zijn

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/725540 / JE RK 26-1701

Datum uitspraak: 24 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming,

gevestigd te Groningen, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats],

advocaat mr. C.E. Koopmans, kantoorhoudende in Dordrecht.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI van 26 augustus 2026 met bijlagen, ontvangen op 27 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de raad] (via een Teams-verbinding).

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover (telefonisch) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft bij [zorg instelling 1] in [locatie].

2.3.

Bij beschikking van 8 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026.

2.4.

Bij beschikking van 18 juni 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 9 oktober 2026.

3Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4De standpunten

4.1.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De afgelopen periode is er veel onrust rondom [minderjarige]. Er is wekelijks overleg tussen [zorg instelling 1], de GI en [zorg instelling 2]. [zorg instelling 2] gaat de komende periode de mogelijkheden rondom de medicatie van [minderjarige] uitzetten. Hierover is contact geweest met de moeder en omdat hierbij mogelijk bloedonderzoek nodig is heeft de moeder ook toestemming gegeven. Daarnaast is [zorg instelling 2] bezig met het uitzetten van risico-taxatie-analyses om alle mogelijke scenario’s te onderzoeken. Vanuit [zorg instelling 1] is er een 1-op-1 begeleider ingezet bij [minderjarige]. De GI is nog steeds hard op zoek naar een passende plek voor [minderjarige]. Hierbij wordt ook gekeken naar plekken in de regio, zodat de moeder makkelijker omgang kan hebben met [minderjarige]. De GI heeft ook contact opgenomen met de plekken die door de moeder zijn aangedragen, maar op dit moment wachten zij nog op verdere reactie. Doordat de GI de afgelopen periode vooral heeft gefocust op crisismanagement en het zoeken naar een passende vervolgplek, heeft er nog geen uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden.

4.2.

Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen. De moeder is het niet eens met de wijze waarop de machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitgevoerd en maakt zich grote zorgen over de situatie van [minderjarige] bij [zorg instelling 1]. Tijdens de vorige zitting, in juni 2026, is uitgebreid gesproken over de (toegezegde) uitbreiding van de omgang. Sinds die zitting is er echter niks veranderd. De moeder wilde bijvoorbeeld onlangs met [minderjarige] naar een speciale kindervoorstelling in [locatie], maar doordat dit buiten de werktijden viel was er geen begeleider beschikbaar en was het ook niet mogelijk dat de moeder alleen met [minderjarige] naar de voorstelling zou gaan. De moeder vindt dat er veel te weinig met haar wordt besproken. De moeder is zelf ook op zoek gegaan naar passende plekken. De moeder heeft informatie daarover naar de GI gestuurd, maar daar geen terugkoppeling op gekregen. Er wordt door de GI niet gekeken naar een manier waarop [minderjarige] weer bij de moeder kan wonen. In het nieuwe advies van de Raad van de Kinderbescherming geeft ook deze aan dat het perspectiefbesluit wordt ingetrokken nu [minderjarige] niet meer op zijn plek zit bij [zorg instelling 1]. De moeder geeft aan dat zij [minderjarige] het liefst weer bij haar thuis zou hebben om hem aldaar, met alle gewenste hulp, verder op te voeden. Het feit dat [minderjarige] zich nu zo afgewezen voelt, doet hem veel schade; de uithuisplaatsing is daarmee niet langer in zijn belang. De moeder houdt van [minderjarige], heeft haar leven en thuissituatie op orde en kan [minderjarige] de plek geven die hij verdient.

5De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. 1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nu nog noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De kinderrechter verwijst naar de eerdere beschikkingen voor wat betreft de zorgen over [minderjarige], als gevolg waarvan hij onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst. Deze zorgen zijn nog aanwezig. De Raad voor de Kinderbescherming heeft eerder geconcludeerd dat [zorg instelling 1] de meest geschikte woonomgeving voor [minderjarige] zou zijn. Inmiddels is de situatie echter dusdanig veranderd en heeft [zorg instelling 1] aangegeven dat zij de passende zorg voor [minderjarige] niet meer kunnen bieden.

De GI is de afgelopen periode op zoek gegaan naar een passende vervolgplek, maar helaas nog zonder resultaat. Hoewel de kinderrechter kan begrijpen dat de GI de afgelopen periode de focus heeft gericht op het vinden van een passende vervolgplek voor [minderjarige], vindt de kinderrechter het meer dan spijtig te horen dat niet tegemoet is gekomen aan de toegezegde uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige], maar evenzeer dat -gegeven de gewijzigde stand van zaken- de terugplaatsing bij de moeder (nog) niet is betrokken bij het onderzoek naar een voor [minderjarige] passende plek. In de beschikking van juni 2026 heeft de kinderrechter immers al aangegeven dat het belangrijk is dat de GI daadwerkelijk stappen gaat zetten in de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige].

5.3.

Zeker gelet op de huidige situatie, zoals hierboven beschreven, is het van groot belang dat de GI onderzoekt wat de mogelijkheden zijn voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De wet gaat er immers vanuit dat na een uithuisplaatsing zo snel mogelijk moet worden teruggewerkt naar een thuisplaatsing; een uithuisplaatsing is een uiterste middel. Temeer nu daarbij blijkt dat [zorg instelling 1] voor [minderjarige] geen passende plek meer is en andere vervolgplekken eveneens niet beschikbaar zijn, is het (ook) voor de kinderrechter niet te begrijpen dat niet alles op alles is en wordt gezet om te bezien of de nog jonge [minderjarige] terug naar moeder kan.

5.4.

De kinderrechter verwacht dan ook dat de GI per ommegaande de komende periode bekijkt hoe de omgang tussen de moeder en [minderjarige] kan en zal worden uitgebreid, alsmede wat er nodig is om [minderjarige] terug te plaatsen bij moeder thuis.

5.5.

De kinderrechter heeft ter zitting overigens nadrukkelijk gemeld dat haar kritische geluiden zich zeker niet persoonlijk richten op de thans betrokken jeugdbeschermer, maar een uiting zijn van grote zorg; zorg over de huidige situatie in jeugdland en meer in het bijzonder hier zorg over de situatie van de achtjarige [minderjarige].

5.6.

Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de verzoeken ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op korte termijn opnieuw te beoordelen. Het verzoek wordt daarom toegewezen voor een kortere duur, te weten voor drie maanden, tot 9 januari 2027, om daarmee een vinger aan de pols te kunnen houden.

5.7.

De GI dient, met de moeder, de komende periode concrete stappen te zetten zoals hierboven beschreven. Het resterende deel van het verzoek wordt daarom aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.

5.8.

De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en mr. C.E. Koopmans) te informeren over de huidige stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterende deel al dan niet wordt gehandhaafd.

5.9.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 9 januari 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 januari 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

6.4.

houdt de verdere behandeling van de zaak aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder en mr. C.E. Koopmans zal plaatsvinden op dinsdag 29 december 2026 om 09:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

6.5.

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter;

6.6.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de moeder en mr. C.E. Koopmans;

6.7.

verzoekt de griffie om [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;

6.8.

verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en mr. C.E. Koopmans) de onder sub 5.8. verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026 door

mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Rechtspraak.nl
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733