Essentie (gemaakt door AI)
Huurrecht voormalig echtelijke woning. art. 827 lid 1 sub e Rv en art. 7:266 lid 5 BW. Hof vernietigt beslissing rechtbank waarin het huurrecht aan man is toegekend en wijst het verzoek van vrouw toe. Doorslaggevend is dat het belang van de vrouw is verweven met het belang van de meerderjarige, kwetsbare zoon met ASS, voor wie terugkeer naar de vertrouwde omgeving rust en stabiliteit kan bieden. Huurrecht aan vrouw per 15 december 2025. Verzoek van man afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 26-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.351.128_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Burgerlijk procesrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Huurwoning |
| Wetsverwijzingen | Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 827; Burgerlijk Wetboek Boek 7 266 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Huurrecht voormalig echtelijke woning. Artikel 827 lid 1 sub f Rv. Artikel 7:266 lid 5 BW. Hof vernietigt beslissing rechtbank over huurrecht en kent het huurrecht toe aan de vrouw. Belang van de vrouw is verbonden aan het belang van de meerderjarige zoon van partijen.Volledige uitspraak
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 oktober 2025
Zaaknummer: 200.351.128/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/399840 / FA RK 23-5258
in de zaak in hoger beroep van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.P. Scholte,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W.H.A. de Koning, voorheen mr. M.W.M. van Asseldonk.
De zaak in het kort:
Partijen zijn onlangs gescheiden en de vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning toekomt aan de man.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 februari 2025, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de beslissing over het huurrecht betreft en verzocht opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw voortaan huurster van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 2] zal zijn met ingang van een door het hof te bepalen ingangsdatum.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 mei 2025, heeft de man verzocht het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de vrouw, bijgestaan door mr. Scholte;
-
de man, bijgestaan door mr. de Koning
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
-
het V6-formulier van 21 februari 2025 van mr. Scholte, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 28 oktober 2024;
-
het V6-formulier van 25 augustus 2025 van mr. Scholte met producties 3-11;
-
het V2-formulier van 29 augustus 2025 van mr. De Koning;
-
het V6-formulier van 1 september 2025 van mr. De Koning met productie 5.
3De beoordeling
De feiten
Partijen zijn op 18 oktober 1991 met elkaar gehuwd.
Partijen hebben drie meerderjarige kinderen, waaronder [kind], geboren op [geboortedag] 2002.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2023 is bij wijze van voorlopige voorzieningen - onder meer - bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke huurwoning.
Bij de bestreden beschikking van 14 november 2024 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 28 februari 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank ook, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man voortaan de huurder van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 2] zal zijn, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten van partijen
De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft gelet op de feiten en omstandigheden ten onrechte bepaald dat het huurrecht van de woning voortaan toekomt aan de man. De rechtbank betrekt bij de belangenafweging dat de man enige opslagruimte nodig heeft voor zijn onderneming. Hij gebruikt daarvoor een deel van de schuur bij de woning. De man heeft echter niet veel gereedschap nodig voor zijn timmerwerkzaamheden en deze spullen passen ook eenvoudig in een gemiddelde berging. Het is daarnaast voor de man eenvoudiger om andere woonruimte te vinden dan voor de vrouw. De man heeft een nieuwe partner met een woning en de man staat sinds 10 februari 2023 als woningzoekende ingeschreven, terwijl de vrouw zich heeft ingeschreven pas enkele weken voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank. De verwachting is dat de man eerder in aanmerking zal komen voor een woning dan de vrouw. Ook heeft de man een hoger inkomen als zelfstandige en kan hij een woning in de vrije sector betalen.
De vrouw draagt de zorg voor [kind] . Het belang van [kind] is onlosmakelijk gekoppeld aan het belang van de vrouw. Het gaat op dit moment erg slecht met [kind] . Hij gebruikt antidepressiva, doet suïcidale uitspraken en is ontzettend in de war. Hij verblijft samen met de vrouw in een appartement van zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] . Dit is bij hoge uitzondering toegestaan, maar zij kunnen hier niet blijven. [kind] heeft altijd in de echtelijke woning gewoond en hij is vertrouwd met de omgeving. Het is voor een kwetsbaar persoon als [kind] zeer ingrijpend en onwenselijk dat hij uit zijn vertrouwde omgeving wordt gehaald. De rechtbank heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. De vrouw wil met [kind] in de voormalig echtelijke woning verblijven, zodat er rust en stabiliteit voor [kind] ontstaat en er kan worden gewerkt aan een toekomstplan voor hem.
De man voert – samengevat – het volgende aan. De man werkt als ZZP-er en heeft de schuur (30 m2) van de voormalig echtelijke huurwoning nodig als opslagruimte voor zijn gereedschap. Er staan zaagmachines, boormachines en ander groot en waardevol gereedschap. De man verricht voorbereidende werkzaamheden vanuit de schuur en een kleine berging is daarvoor onvoldoende. De inrit bij de woning gebruikt hij om de bedrijfsbus te parkeren. De uitoefening van zijn werkzaamheden is van groot belang voor zijn inkomen. Daarnaast heeft de man omgekeken naar andere woonruimte, maar dit heeft geen resultaat opgeleverd. Hij kan niet bij vrienden of familie verblijven. Hij en zijn vriendin hebben absoluut geen plannen om samen te wonen. De man staat twee jaar ingeschreven bij de woningbouwvereniging, maar de gemiddelde inschrijfduur is veelal tien tot twintig jaar. Het komt voor rekening en risico van de vrouw dat zij zich niet direct na het uiteengaan van partijen heeft ingeschreven bij de woningbouwvereniging. Zij ging er steeds van uit dat zij kon terugkeren in de echtelijke woning. De vrouw heeft op dit moment andere woonruimte. Ook kan zij – indien nodig – terecht bij haar zus.
De man erkent dat de situatie van [kind] zorgwekkend is. Na het uiteengaan van partijen heeft [kind] met de vrouw de echtelijke woning verlaten. [kind] heeft de man elk weekend bezocht, maar opeens hielden de bezoeken op. Sinds kort is er weer contact tussen de man en [kind] . De man erkent dat de vrouw belangrijk is voor [kind] en dat zij het merendeel van de zorg voor [kind] draagt. De man voert aan dat [kind] begeleid moet worden naar een duurzame plek met intensieve begeleiding waar hij gaat wonen zonder de ouders. De man betwist dat het belang van [kind] onlosmakelijk is gekoppeld aan het belang van de vrouw. [kind] is niet gebaat bij een terugverhuizing naar de voormalig echtelijke huurwoning en wordt hierin beïnvloed door de vrouw. Een terugverhuizing naar de woning maakt de stap voor [kind] en de vrouw om te werken aan een zelfstandige plek voor [kind] alleen maar moeilijker. De vrouw is overbelast en heeft zelf zorg nodig; zij is gevoelig voor psychoses en er zijn vermoedens van borderline. Zij neemt alle beslissingen over [kind] en houdt de man daar buiten.
De overwegingen van het hof
Het hof overweegt het volgende.
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 7:266 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn.
De beantwoording van de vraag aan wie van partijen het huurrecht van de woning dient te worden toegekend, vindt plaats aan de hand van een afweging van de belangen van zowel de vrouw als de man bij toekenning van dit huurrecht. Bij die belangenafweging moet de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden betrekken die in dit verband door partijen zijn aangevoerd.
Het hof stelt voorop dat de belangenafweging complex is. Beide partijen hebben een groot belang bij het verkrijgen van het huurrecht van de woning. Voor beiden geldt dat het vinden van geschikte vervangende woonruimte moeilijk is en geruime tijd zal kunnen gaan duren, gelet op de krapte op de woningmarkt. De vrouw verblijft op dit moment met [kind] in een appartement van zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] , maar uit de overgelegde stukken is voldoende gebleken dat het gaat om een tijdelijke oplossing bij hoge uitzondering en dat het geen duurzame situatie betreft.
Voor de vrouw geldt daarnaast dat zij een zeer groot gedeelte van de dagelijkse zorg voor [kind] voor haar rekening neemt. [kind] is gediagnosticeerd met een autisme spectrum stoornis. Daarbij is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel. Hij is emotioneel kwetsbaar en erg afhankelijk van direct betrokkenen die voor een veilige omgeving zorgen. Het hof begrijpt uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling in hoger beroep dat het al geruime tijd niet goed gaat met [kind] ; beide ouders constateren dat de toestand van [kind] zorgwekkend is. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. [kind] heeft moeite met veranderingen, ervaart veel stress en doet suïcidale uitspraken. De echtscheiding van de ouders heeft een behoorlijke impact op hem en hij heeft heimwee naar zijn ouderlijk huis. Partijen zijn het niet eens over welke stappen er op dit moment moeten worden gezet in het belang van [kind] . Volgens de man is de oplossing voor [kind] gelegen in een eigen beschermd wonen plek, waar hij toekomstbestendig kan verblijven en los van de ouders zelfstandig kan (leren) wonen. Volgens de moeder is [kind] op dit moment het meest gebaat bij een terugkeer met haar in de voormalig echtelijke huurwoning.
Het hof kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen wat op dit moment in het belang is van [kind] . Dat [kind] het meest gebaat is bij een plaatsing op dit moment op een eigen beschermd wonen plek zonder zijn ouders, zoals de man aanvoert, kan het hof op basis van de stukken niet vaststellen. Dat [kind] nu het meest gebaat is bij een terugkeer naar de voormalige echtelijke huurwoning, kan het hof op basis van de stukken ook niet vaststellen. Uit de stukken volgt echter wel dat de zorg die de moeder [kind] biedt nog van groot belang is en een langer proces nodig lijkt te zijn om toe te werken naar zelfstandigheid. Daarbij komt dat de toestand van [kind] nu heel zorgwekkend is, waardoor dit proces bemoeilijkt wordt. Het hof overweegt dat voor [kind] een patstelling lijkt te zijn ontstaan met bijgaande ernstige zorgen over zijn welzijn. Terugkeer met de vrouw naar de echtelijke woning geeft de mogelijkheid om te onderzoeken of die patstelling doorbroken kan worden.
Het voorgaande laat het hof doorslaggevend zijn in de belangenafweging. De vrouw neemt een groot gedeelte van de zorg voor [kind] voor haar rekening en het belang van [kind] is verweven met het belang van de vrouw. Het hof zal het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toekennen zodat de vrouw met [kind] terug kan keren naar de voormalig echtelijke huurwoning, waarbij [kind] vanuit hier zich kan voorbereiden op een toekomstige eigen plek.
Het hof begrijpt dat deze beslissing verstrekkende gevolgen heeft voor de man, maar is van oordeel dat het belang van de vrouw – en daarmee het belang van [kind] – bij de verkrijging van het huurrecht van de woning gelet op bovenstaande zwaarder weegt dan het belang van de man. De man slaat spullen voor zijn onderneming op in de schuur bij de woning en hiervoor zal hij een andere plek moeten vinden. Het hof acht dit niet zodanig belastend dat dit opweegt tegen voormeld belang. Ook is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de man zijn werk zonder de (schuur bij de) woning niet kan voortzetten. Het hof overweegt verder dat het inherent is aan een echtscheiding dat één van partijen de echtelijke woning moet verlaten en geconfronteerd wordt met de moeilijke situatie op de woningmarkt. De man heeft in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat hij onvoldoende inkomen heeft om een woning in de vrije sector te kunnen huren.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover het betreft het huurrecht van de voormalig echtelijke woning, en het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij voortaan huurster zal zijn van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 2] alsnog toewijzen per 15 december 2025 en het verzoek van de man daartoe alsnog afwijzen. De termijn tot 15 december 2025 geeft beide partijen de mogelijkheid zich voor te bereiden om de nieuwe situatie.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen voormalig echtgenoten zijn.
4De beslissing
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
14 november 2024 voor zover daarin is bepaald dat de man voortaan de huurder van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 2] zal zijn, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaald dat de vrouw voortaan de huurster van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 2] zal zijn, met ingang van 15 december 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, S.P.A. Wensink-Vergunst en M.A. Ossentjuk en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
