Essentie (gemaakt door AI)
Afwijzing incidentele vordering waarin nietigverklaring c.q. herstel van de dagvaarding wordt verzocht. Gedaagde stelt schending van art. 54 lid 2 Rv en beroept zich op art. 66 Rv en art. 121 Rv. Rechtbank oordeelt dat bij verschijning art. 122 Rv geldt, dat geen gebreken bij dagvaarding blijken en dat geen benadeling is gesteld. Verzoeken tot bevel tot overlegging, herstel en nietigverklaring worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeelt in de proceskosten.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 23-10-2026 |
| Zaaknummer | C/09/704160 / HA ZA 26-418 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Burgerlijk procesrecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Familieprocesrecht; Proceskosten |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot nietigverklaren dagvaarding. Geen gebreken bij dagvaarding.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaak-/rolnummer: C/09/704160 / HA ZA 26-418
Vonnis in incident van 30 september 2026
in de zaak van
1. [partij A sub 1] te [woonplaats 1] ,
2. [partij A sub 2] te [woonplaats 1] ,
3. [partij A sub 3] te [woonplaats 1] ,
4. [partij A sub 4] te [woonplaats 1] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna samen te noemen: [partij A] c.s.,
advocaat: mr. M.C.G. Stut,
tegen
1. [partij B] zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. C.I. Zaad,
2 [partij C] te [woonplaats 2] ,
in zijn hoedanigheid van vereffenaar inzake de nalatenschap van [erflater] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
hierna verder te noemen: de vereffenaar,
niet verschenen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van respectievelijk 16 maart 2026 (de vereffenaar) en 19 maart 2026 ( [partij B] ) met 19 producties;
-
de conclusie van antwoord met een incidentele vordering tot exceptie van nietigheid van de dagvaarding;
-
de conclusie van antwoord in het incident met 2 producties.
Vonnis in het incident is bepaald op vandaag.
2Het geschil in de hoofdzaak en in het incident
in de hoofdzaak
Het geschil in de hoofdzaak heeft betrekking op de nalatenschap van [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1962, overleden in Den Haag op [datum 1] 2023 (hierna: erflater). De laatste woonplaats van erflater was in [woonplaats 1] . Erflater was de vader van [partij A] c.s. Erflater is gehuwd geweest met de moeder van [partij A] c.s. Dit huwelijk is op 6 mei 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. Op [datum 2] 2016 is erflater in Brazilië gehuwd met [partij B] . Dit huwelijk is door het overlijden van erflater ontbonden.
Erflater heeft bij testament van 16 november 2004 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater – voor zover nu van belang – bepaald dat zijn nalatenschap overeenkomstig de wet wordt verdeeld, zodat zijn echtgenote (op dat moment de moeder van [partij A] c.s.) alle tot zijn nalatenschap behorende goederen verkrijgt, terwijl de voldoening van schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt. De overige erfgenamen krijgen een vordering op de moeder van [partij A] c.s. ter grootte van hun erfdeel. De moeder van [partij A] c.s. is in het testament als executeur aangewezen. Door de echtscheiding van erflater en de moeder van [partij A] c.s. zijn de beschikkingen in het testament ten behoeve van de moeder van [partij A] c.s. vervallen.
[partij A] c.s. stellen dat zij op grond van het testament en het vervallen van de beschikkingen ten behoeve van hun moeder de enige erfgenamen van erflater zijn. Volgens hen is (en kan) dat niet de bedoeling van erflater (zijn) geweest. Zij stellen dat zij samen met [partij B] de erfgenamen zijn van erflater, voor gelijke delen. De bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken notaris heeft nog geen verklaring van erfrecht afgegeven, omdat er sprake is van een onduidelijke situatie. [partij A] c.s. hebben in de hoofdzaak onder meer vorderingen tot verklaring van recht ingesteld waarmee zij duidelijkheid willen krijgen over de volgende onderwerpen:
-
wie de erfgenamen van erflater zijn;
-
of – als [partij B] mede-erfgenaam is – de wettelijke verdeling wel of niet van toepassing is op de nalatenschap van erflater;
-
of [partij B] – als zij mede-erfgenaam is – de nalatenschap van erflater zuiver of beneficiair heeft aanvaard;
-
het huwelijksgoederenregime van erflater en [partij B] ;
-
de draagkracht en de aansprakelijkheid van de hypothecaire schuld verbonden aan de woning van erflater.
[partij B] voert verweer tegen deze vorderingen.
In het incident
[partij B] vordert, onder voorbehoud van al haar weren ten principale en met het verzoek dit onderdeel bij voorrang te behandelen:
-
[partij A] c.s. te bevelen het exploot van betekening aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag, met het bijbehorende relaas van de deurwaarder in het geding te brengen en zich uit te laten over het aan de betekening voorafgegane onderzoek naar de woon- en verblijfplaats van [partij B] ;
-
vast te stellen dat het exploot van dagvaarding van 19 maart. 2026 lijdt aan een gebrek in de zin van artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en [partij A] c.s. te bevelen dat gebrek op hun kosten bij exploot te herstellen, met bepaling van een nieuwe roldatum overeenkomstig artikel 121, tweede lid, Rv;
-
subsidiair, als de rechtbank aannemelijk oordeelt dat [partij B] door het gebrek onredelijk is benadeeld, de nietigheid van het exploot van dagvaarding van 19 maart 2026 uit te spreken;
met veroordeling van [partij A] c.s. in de kosten van dit incidentele verweer.
[partij B] stelt ter onderbouwing van haar vorderingen dat niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 54, tweede lid, Rv voor betekening van een exploot aan een gedaagde zonder bekende woon- en verblijfplaats binnen of buiten Nederland. Zij stelt allereerst dat zij beschikt over de bekendmaking in de Staatscourant van 1 april 2026, maar dat niet blijkt dat de dagvaarding is betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie. Daarnaast is volgens haar niet voldaan aan de onderzoeksplicht die vooraf moet gaan aan betekening op grond van artikel 54, tweede lid, Rv. Die wijze van betekening mag pas worden toegepast nadat door of namens de dagvaardende partij deugdelijk onderzoek naar een bekende woon- of verblijfplaats is verricht. Dit onderzoek is niet verricht, omdat uit het door [partij A] c.s. zelf overgelegde afschrift uit de Basisregistratie Personen (BRP) van 23 januari 2026 blijkt dat voor [partij B] een buitenlands adres in Brazilië is geregistreerd. Bovendien wisten [partij A] c.s. dat [partij B] door een in Nederland gevestigde advocaat werd bijgestaan in de nalatenschapskwestie. De dagvaarding vermeldt over dit alles niets.
[partij A] c.s. hebben verweer gevoerd tegen de opgeworpen exceptie van nietigheid.
3De beoordeling in het incident
Bij de dagvaarding van [partij B] is de deurwaarder ervan uitgegaan dat zij geen bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland heeft. De dagvaarding is uitgebracht met toepassing van hetgeen is bepaald in artikel 54, tweede lid Rv.
[partij B] verwijst naar zowel artikel 66 Rv als naar artikel 121 Rv ter onderbouwing van haar vorderingen in het incident. Echter, als een exploot een exploot van dagvaarding betreft, dan derogeert de regeling van artikel 120 en volgende Rv aan de algemene regeling voor exploten, waaronder artikel 66 Rv. Artikel 121 Rv waar [partij B] naar verwijst, bepaalt dat – als een gedaagde niet in het geding verschijnt of geen advocaat stelt – geen verstek kan worden verleend als het exploot van dagvaarding lijdt aan een gebrek dat nietigheid meebrengt. In dat geval kan de rechter bepalen dat bij exploot een nieuwe roldatum aan gedaagde wordt aangezegd, met herstel van het gebrek. Dit artikel is in deze zaak niet van toepassing, aangezien [partij B] in de procedure is verschenen.
Voor de situatie dat een gedaagde wel in het geding verschijnt en een beroep doet op nietigheid van de dagvaarding geldt artikel 122 Rv. Op grond van artikel 122 Rv wordt het beroep op nietigheid van de dagvaarding verworpen als naar het oordeel van de rechtbank het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. De rechter kan dan wel, als daar gronden toe zijn, het herstel van het gebrek op kosten van de eiser bevelen.
De vordering onder a, om [partij A] c.s. te bevelen het exploot van betekening aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie in het geding te brengen en om zich uit te laten over het aan de betekening voorafgaande onderzoek naar de woon- en verblijfplaats van [partij B] , wordt afgewezen. De rechtbank ligt dat als volgt toe.
[partij B] stelt dat uit de bij haar beschikbare stukken niet blijkt dat de dagvaarding aan de ambtenaar van het parket van het openbaar ministerie is betekend en dat aan haar geen afschrift van het exploot van dagvaarding aan het parket is verstrekt. Maar uit de door haar ingediende conclusie van antwoord blijkt dat zij wel degelijk over de dagvaarding beschikt. Zij heeft immers inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van [partij A] c.s. Bovendien staat in de publicatie in de Staatscourant, waar Costa de Oliveria volgens haar eigen stelling wel over beschikte, uitdrukkelijk hoe een afschrift van het exploot van dagvaarding kan worden verkregen, namelijk via de deurwaarder die het exploot van dagvaarding heeft uitgebracht. Het valt dan ook niet in te zien waarom [partij B] daar niet toe is overgegaan voordat zij ter onderbouwing van haar beroep op de exceptie van nietigheid stelt dat de dagvaarding niet aan het parket is betekend. Tot slot blijkt uit de door [partij A] c.s. overgelegde stukken dat de advocaat van [partij A] c.s. onder andere het exploot van dagvaarding en de publicatie per e-mail van 1 april 2026 en nogmaals per e-mail van 6 juli 2026 aan mr. Zaad hebben toegezonden. Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat [partij B] de beschikking heeft over een afschrift van de betekende dagvaarding. [partij B] heeft dan ook geen enkel belang bij toewijzing van de vordering om [partij A] c.s. te bevelen het exploot van betekening in het geding te brengen.
[partij B] heeft niet onderbouwd welk belang zij heeft bij meer informatie over het aan de betekening voorafgegane onderzoek naar haar woon- en verblijfplaats, zodat ook dat deel van de vordering onder a niet kan worden toegewezen. Overigens merkt de rechtbank wel op dat er – anders dan [partij B] stelt – geen sprake was van een bekend adres in Brazilië. Het adres waar [partij B] naar verwijst was volgens het betreffende uittreksel uit de BRP een adres waar zij tot 3 juli 2018 woonde. Daarna stond [partij B] tot 12 september 2025 in Nederland, op hetzelfde adres als erflater, ingeschreven. Op 12 september 2025 is zij blijkens het uittreksel uit de BRP vertrokken naar een onbekend adres in het buitenland. Van een bekend adres in Brazilië waar de dagvaarding uitgebracht kon worden was dan ook geen sprake. [partij B] verwijt [partij A] c.s. in dit verband nog dat zij wisten dat zij in Nederland werd bijgestaan door een advocaat en dat de dagvaarding daarover niks vermeld. De advocaat van [partij A] c.s. heeft echter wel de advocaat van [partij B] geïnformeerd over deze procedure, door onder meer de dagvaarding op 1 april 2026 en 6 juli 2026 per e-mail aan hem toe te sturen. De dagvaarding is volgens [partij A] c.s. niet op zijn kantoor betekend omdat hij niet heeft gereageerd op een verzoek om toestemming daarvoor.
Uit het voorgaande volgt al dat er geen sprake is van gebreken bij dagvaarding. Alleen al daarom is er geen grond om [partij A] c.s. te bevelen dat gebrek op hun kosten te laten herstellen of om de nietigheid van de dagvaarding uit te spreken. Ook de daartoe strekkende vorderingen onder b en c worden om die reden afgewezen, nog daargelaten dat [partij B] ook niet heeft gesteld dat zij door de volgens haar gestelde gebreken bij dagvaarding in haar belangen is geschaad. Ook als [partij B] wel zou zijn gevolgd in een of meer van haar stellingen over gebreken in of bij de dagvaarding, zou er daarom geen grond zijn om [partij A] c.s. een herstelexploot uit te laten brengen of om de dagvaarding nietig te verklaren.
[partij B] is in dit nodeloos ingestelde incident – dat neigt naar misbruik van procesrecht – in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [partij A] c.s. hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [partij B] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [partij A] c.s. worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De volgende stap in de hoofdzaak is de mondelinge behandeling. Via het roljournaal krijgen partijen de vraag om verhinderdata op te geven, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het plannen van de zitting. Het is zaak dat partijen het roljournaal wekelijks raadplegen zodat zij tijdig verhinderdata opgeven (anders wordt aangenomen dat zij beschikbaar zijn en wordt in beginsel alleen bij klemmende reden of overmacht een andere datum bepaald).
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst de incidentele vorderingen af;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in de hoofdzaak
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. idt |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
