Rechtbank Noord-Holland 19-06-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6706

Essentie (gemaakt door AI)

Voorlopige voorziening echtscheiding: partnerbijdrage. Vrouw verzoekt € 8.911 p/m vanaf 1-1-2025. Man betwist behoefte en draagkracht. Ingangsdatum wordt, wegens overschrijding driewekentermijn art. 821 lid 2 Rv, vastgesteld op 18-4-2025. Behoefte vrouw 2025: € 5.791 netto p/m; eigen NBI € 1.418 p/m; aanvullende behoefte € 4.373 netto. Draagkracht man (WIA NBI € 2.958), rekening houdend met halve woonlast en € 300 p/m voor meerderjarige dochter, leidt tot € 866 bruto p/m. Meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Te late behandeling: voorlopige partneralimentatie gaat eerder in
De mondelinge behandeling vindt niet binnen drie weken plaats. Rb laat voorlopige PAL daarom ingaan vijf weken na indiening van het verzoek: de datum waarop bij tijdige behandeling uitspraak had kunnen worden gedaan.

Datum publicatie23-10-2026
ZaaknummerC/15/363161 / FA RK 25-1382
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
Trefwoorden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Voorlopige voorziening echtscheiding: partnerbijdrage

Volledige uitspraak


RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

voorlopige voorzieningen/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/363161 / FA RK 25-1382

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 19 juni 2025

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B.T.A. Visser, kantoorhoudende te Grootebroek,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.E.M. Boukens, kantoorhoudende te Hoorn.

1Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 14 maart 2025;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 26 mei 2025;

- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de man van 26 mei 2025;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de man van 2 juni 2025;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 2 juni 2025;

- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 3 juni 2025;

- het F-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 4 juni 2025.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 juni 2025 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. B.T.A. Visser en de man door mr. D.E.M. Boukens. Mr. Boukens heeft de door haar overgelegde pleitnotities voorgedragen.

2Feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd.

2.2.

Uit dit huwelijk zijn geboren de thans meerderjarige kinderen [de meerderjarigen] :
- [de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

2.3.

De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de

rechtbank ingediend. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaak- en

rekestnummer C/15/359292 / FA RK 24-5944.

2.4.

De echtelijke woning is in april 2025 overgedragen aan een derde. Daaruit hebben partijen ieder € 228.000 ontvangen.

3Beoordeling


partnerbijdrage

3.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in het levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) een bedrag van € 8.911 bruto per maand dient te betalen met ingang van 1 januari 2025.

3.2.

De man heeft verweer gevoerd en vraagt afwijzing van het verzoek. Hij stelt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast betwist de man dat hij voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de vrouw te voorzien. Indien de rechtbank toch overgaat tot het vaststellen van een partnerbijdrage, dan dient de ingangsdatum volgens de man de datum van de beschikking te zijn.

3.3.

De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.

ingangsdatum

3.4.

De rechtbank overweegt dat bij een voorlopige voorziening in beginsel wordt aangesloten bij de datum van de beschikking als ingangsdatum van een partnerbijdrage. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de mondelinge behandeling op grond van artikel 821, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering binnen drie weken is gepland. In dit geval is die termijn echter ruim overschreden. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om een eerdere ingangsdatum te nemen. Uitgaande van voornoemde termijn van drie weken na indiening van het verzoekschrift en een uitspraaktermijn van twee weken, zal de rechtbank de ingangsdatum vaststellen op 18 april 2025.

behoefte

3.5.

Partijen zijn in 2023 al feitelijk uit elkaar gegaan. Conform de afspraak tussen partijen is de vrouw in de echtelijke woning blijven wonen en heeft zij met de WIA-uitkering van de man, die op de gezamenlijke rekening werd gestort, de kosten van die woning en van haar levensonderhoud voldaan. Sinds eind 2024 laat de man zijn uitkering niet meer op de gezamenlijke rekening storten en is hij gestopt met de maandelijkse betalingen die hij daarnaast nog aan de vrouw deed. Omdat partijen tot eind 2024 een gezamenlijke financiële huishouding hebben gevoerd, sluit de rechtbank voor het bepalen van de behoefte van de vrouw aan bij de cijfers van het jaar 2024.

De vrouw drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] . De winst uit onderneming bedroeg in 2024 € 17.616 (IB-aangifte 2024). Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, mkb-winstvrijstelling, arbeidskorting en algemene heffingskorting is sprake van netto eigen inkomsten van € 1.423 per maand. Daarnaast werd de WIA-uitkering van de man inclusief vakantiegeld van gemiddeld € 2.815 netto per maand (€ 51.005 bruto op jaarbasis) volledig door de vrouw gebruikt. Ook staat vast dat de vrouw € 1.200 per maand extra aan leefgeld van de man ontving. Deze bedragen kwamen toe aan de vrouw en daarom zal voor het vaststellen van de behoefte niet het gebruikelijke percentage van 60 worden gehanteerd. De behoefte van de vrouw in 2024 bedroeg zodoende € 5.438 netto per maand (€ 1.423 + € 2.815 + € 1.200). Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.791 netto per maand.

Behoeftigheid

3.6.

Op de behoefte van de vrouw dienen haar eigen inkomsten in mindering te worden gebracht.

3.7.

De vrouw stelt dat zij het afgelopen jaar (2025) een winst had van € 9.000. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een gemiddelde omzet in de maanden augustus 2024 – mei 2025 van € 1.606 per maand en € 500 per maand aan kosten. Het bedrag van € 1.106 bruto per maand (€ 1.606 – € 500) dient vermenigvuldigd te worden met elf maanden, waardoor de totale omzet € 12.166 bedraagt. Ook dient volgens de vrouw rekening gehouden te worden met een bedrag van € 3.159 voor het verbouwen van de [eenmanszaak] . De vrouw stelt verder dat zij geen hogere verdiencapaciteit heeft. De vrouw heeft tijdens het huwelijk nooit gewerkt, geen opleiding genoten en kan door een in het verleden afgescheurde pees niet meer uren werken in de [eenmanszaak] dan zij nu doet.

3.8.

De man stelt dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft. De vrouw had in januari 2025 een omzet van € 2.835 en de vrouw heeft niet gesteld of onderbouwd waarom zij deze omzet niet iedere maand zou kunnen behalen. Om die reden gaat de man uit van een verwachte winst van € 33.000 per jaar. De man betwist verder dat de vrouw niet in staat is om meer te werken of een dienstverband aan te gaan.

3.9.

De rechtbank overweegt dat voor de eigen inkomsten van de vrouw rekening wordt gehouden met de winst uit 2024, dus € 17.616. De vrouw heeft namelijk ter zitting verklaard dat zij haar werkzaamheden wil voortzetten zoals zij dat deed in 2024, waarbij zij in acht uur tijd vier honden trimt. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de omzet en de kosten van de eenmanszaak in 2025 aanmerkelijk hoger of lager zullen zijn. De rechtbank zal geen rekening houden met de verbouwingskosten, omdat dit incidentele kosten zijn. De vrouw moet dus in staat worden geacht haar inkomensniveau uit 2024 te behouden. Een voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een verdergaand onderzoek naar de verdiencapaciteit van de vrouw.

3.10.

Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, startersaftrek, mkb-winstvrijstelling, arbeidskorting en algemene heffingskorting bedraagt het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de vrouw in 2025 € 1.418 per maand.

3.11.

Gelet op het voorgaande bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw € 5.791 -
€ 1.418 = € 4.373 netto per maand. De bruto aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt
€ 8.212 per maand.

draagkracht

3.12.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het huidige NBI. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm en bedraagt in 2025 € 1.310 per maand. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage.

3.13.

Ten aanzien van de draagkracht van de man stelt de vrouw dat de man tot voor kort zijn gehele WIA-uitkering plus leefgeld aan de vrouw voldeed en daarnaast voldoende middelen had om in zijn eigen lasten te voorzien. Ook tijdens het huwelijk ontving de man al een WIA-uitkering, maar beschikten partijen feitelijk over een veel hoger inkomen. Zij leefden op grote voet. Dit blijkt volgens de vrouw onder meer uit de vele reizen van partijen naar het buitenland voor de paardrijdwedstrijden van [de meerderjarige 2] , waarvoor hoge bedragen aan inschrijfgeld moesten worden betaald. De instructrice ging mee en ook waren er een duur paard en een dure trailer. Desgevraagd heeft de vrouw verklaard dat zij zich wel afvroeg waar het geld vandaan kwam. Het was schimmig. Volgens de vrouw genereert de man extra inkomsten met criminele activiteiten. Met deze geldstromen dient rekening te worden gehouden, zodat de man in staat moet worden geacht volledig in haar behoefte te voorzien, aldus de vrouw.

De man betwist dat hij andere inkomstenbronnen heeft dan de WIA. En ook dat sprake is van criminele activiteiten. Hij stelt dat hij geld leent van zijn moeder en een vriend, en dat zijn vriendin veel voor hem betaalt.

3.14.

De rechtbank is van oordeel dat voor de draagkracht van de man enkel rekening gehouden dient te worden met zijn WIA-uitkering van € 4.118 bruto per maand (te vermeerderen met vakantiegeld), waardoor zijn NBI € 2.958 per maand bedraagt. Dit inkomen blijkt uit de door de man aangeleverde WIA-specificaties van april en mei 2025. Gelet op het feit dat de man een WIA-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de man daarnaast nog inkomstenbronnen heeft. Voor zover juist is dat de man inkomsten heeft vergaard of vergaart uit criminele activiteiten, overweegt de rechtbank dat met die inkomsten, gelet op de aard daarvan, geen rekening zal worden gehouden bij het berekenen van zijn draagkracht. Wel acht de rechtbank het redelijk om ten aanzien van de woonlasten van de man rekening te houden met de helft van het gebruikelijke woonbudget, aangezien de man samenwoont met zijn vriendin.

3.15.

Ten aanzien van de behoefte van [de meerderjarige 2] stelt de man dat hij maandelijks in totaal
€ 500 à € 600 voor/aan haar betaalt, aangezien zij momenteel niet kan werken door een operatie. Daarin zijn begrepen de kosten van inwoning van [de meerderjarige 2] bij de ouders van haar vriend, de familie [familie] . De man voert aan dat met deze kosten rekening moet worden gehouden.

De vrouw stelt dat [de meerderjarige 2] geen (aanvullende) behoefte heeft, omdat [de meerderjarige 2] studiefinanciering ontvangt, werkt bij een makelaarskantoor, bij de ouders van haar vriend inwoont en haar vriend ook fulltime werkzaam is. Hoewel de vrouw het moeilijk vindt om te zeggen, meent zij dat de kosten voor [de meerderjarige 2] dus niet voorgaan op haar partnerbijdrage.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat de man structureel betalingen verricht aan de familie [familie] voor kosten inwoning van [de meerderjarige 2] , dat hij de premie betaalt voor de Univé-verzekering van [de meerderjarige 2] en dat hij daarnaast nog allerlei losse betalingen aan [de meerderjarige 2] verricht. Op basis van de stukken kan echter niet berekend worden wat de behoefte van [de meerderjarige 2] is, aangezien niet bekend is wat zij ontvangt aan studiefinanciering en/of overige inkomstenbronnen. Beide partijen hebben nagelaten om hun stellingen over de behoefte van [de meerderjarige 2] nader te onderbouwen. Dit maakt dat de rechtbank het redelijk acht om in het kader van de voorlopige voorzieningen uitsluitend rekening te houden met het bedrag van € 300 per maand dat de man structureel betaalt voor de kosten inwoning van [de meerderjarige 2] aan de familie [familie] . De overige bedragen die de man aan [de meerderjarige 2] wil betalen, dient hij te voldoen uit zijn vrije ruimte.

3.16.

Gelet op het voorgaande wordt uitgegaan van een NBI van de man van
€ 2.958 per maand, de kosten van levensonderhoud van € 1.310 per maand, een woonbudget van € 444 per maand (€ 887/2 personen) en extra lasten ten behoeve van [de meerderjarige 2] van € 300 per maand. Dan heeft de man een draagkracht ten behoeve van de partnerbijdrage van € 542 per maand. Als de man een partnerbijdrage betaalt, dan mag de man de betaalde partnerbijdrage als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting. Dit maakt dat de man een hogere partnerbijdrage kan betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man uit op een bedrag van € 866 bruto per maand.

conclusie

3.17.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 18 april 2025 een partnerbijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 866 bruto per maand.

indexering

3.18.

De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat de bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.


4Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op € 866 per maand met ingang van 18 april 2025, voor zover het nog niet vervallen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

4.2.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. van Diepen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733