Rechtbank Den Haag 18-09-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30670

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden zonder enige gemeenschap of verrekenbeding. Vergoedingsvordering o.g.v. art. 2.2 huwelijkse voorwaarden toegewezen: € 370.798 wegens onttrekkingen uit vermogen van man ten behoeve van aankoop en financiering chateau via SCI, waarvan vrouw uiteindelijk 94% aandeelhouder is. Geen contractueel verval; geen verjaring volgens HR ECLI:NL:HR:2022:1936 en buiten toepassingsbereik art. 3:307–3:310 BW. Overige geldstromen, inboedel en Landrover: verzoeken afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Verval of verjaring van vergoedingsvordering: ook 'haviltexen' bij huwelijkse voorwaarden
Bij afwikkeling huwelijkse voorwaarden stelt man vergoedingsvordering ter zake van Franse onroerende zaak. Rb past Haviltexmaatstaf toe, omdat verweer vrouw tot uitleggeschil leidt. Verweer gepasseerd; tekst HV ziet op moment betaling.

Datum publicatie22-10-2026
ZaaknummerC/09/693032 / FA RK 25-7772
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding. Vergoedingsvordering o.g.v. huwelijkse voorwaarden. Geen verval. Geen verjaring.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 25-7772 en FA RK 26-3801

Zaaknummers: C/09/693032 en C/09/703467

Datum beschikking: 18 september 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 13 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland,

advocaat: eerst mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden, nu mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Frankrijk,

advocaat: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift met producties 2 en 4 t/m 13;

  • het bericht van 20 oktober 2025, met productie 1 en beeldopname productie 3, van de man;

  • het bericht van 23 oktober 2025, met bijlage, van de man;

  • het bericht van 10 november 2025, met bijlagen, van de man;

  • het verweerschrift van 2 april 2026, met producties 1 t/m 16, van de vrouw;

  • het bericht van 29 mei 2026, met bijlage, van de vrouw;

  • het bericht van 29 mei 2026, met bijlage, van de man;

  • het bericht van 27 juli 2026, met productie 17, van de vrouw;

  • het bericht van 28 juli 2026, met productie 18, van de vrouw;

  • het bericht van 29 juli 2026, met producties 14 t/m 25, inhoudende een aanvullend verzoek van de man.

Op 11 augustus 2026 is de zaak op een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] .

  • Zij zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

  • Uit de Basisregistratie personen blijkt dat de man en de vrouw de Nederlandse nationaliteit hebben.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :

de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen op de wijze zoals de man onder punt 5.3

t/m 5.10 van het verzoekschrift voorstelt, althans op een wijze als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 484.515,-

binnen twee maanden na afgifte van de beslissing in verband met de vergoedingsvordering die de man op de vrouw heeft, althans de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag dat door de rechtbank in redelijkheid wordt vastgesteld;

te bepalen dat de roerende zaken zullen worden verdeeld tussen partijen op de

wijze zoals omschreven in het processtuk van 29 juli 2026, zulks met inachtneming van de bijlagen, althans een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw voert geen verweer tegen het uitspreken van de echtscheiding. Zij voert wel verweer tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek toepassen.

Ontvankelijkheid

De man is ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding, omdat aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond wordt toegewezen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden die zij op 27 maart 2015 in Nederland zijn aangegaan een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen hebben afgesproken dat tussen hen geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaat. De huwelijkse voorwaarden bevatten geen periodiek of finaal verrekenbeding.

In artikel 2.2 van de huwelijkse voorwaarden is wel een bepaling over ‘vergoedingen’ opgenomen:

‘De echtgenoten moeten elkaar dat vergoeden wat wordt onttrokken aan het

vermogen van een echtgenoot ten behoeve van de ander. Als de vergoeding niet

schriftelijk wordt vastgelegd, moet deze binnen één jaar na de onttrekking worden

betaald.

De vergoeding is gelijk aan het nominale bedrag dat aan het vermogen is onttrokken.’

Het geschil gaat over de door de man gestelde vergoedingsvordering en de verdeling van de inboedel en de Landrover Defender met kenteken [kenteken] .

Heeft de man een vergoedingsvordering?

Partijen hebben op 15 juli 2015 een Société Civile Immobilière (SCI) onder de [naam vennootschap] opgericht. Bij de oprichting van deze Franse beheersvennootschap verkregen partijen allebei 50 aandelen van € 1,- per stuk. De SCI heeft op 31 juli 2015 [het chateau] in [plaats 2] (hierna: het chateau) gekocht.

Op 22 november 2018 en 16 december 2020 zijn er aandelen van de SCI bijgeschreven op naam van de vrouw (en de kinderen van de vrouw). Op 29 november 2024 zijn de 50 aandelen van de man in de SCI overgedragen aan de vrouw. Door deze aandelenmutaties is de vrouw op dit moment voor 94% aandeelhouder. De kinderen van de vrouw hebben de overige 6% van de aandelen. De rechtbank begrijpt dat de reden voor overheveling van de aandelen was om te voorkomen dat schuldeisers van de man en/of het op Curaçao gevestigde bedrijf van de man zich op het chateau zouden kunnen verhalen. De vrouw en haar kinderen hebben de man geen vergoeding betaald voor de aandelen.

De man stelt dat hij heeft geïnvesteerd in het chateau. Omdat de aandelen in de SCI (en dus het chateau) nu bijna geheel aan de vrouw toebehoren, stelt de man dat hij een vergoedingsvordering heeft op de vrouw. De man beroept zich primair op artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden en subsidiair stelt hij dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw.

De vrouw betwist dat er aan de zijde van de man vergoedingsrechten zijn. Volgens de vrouw heeft de man geen vermogen en is het vermogen van de vrouw niet gestegen door onttrekking van vermogen aan de kant van de man. De man heeft ook niets betaald en hij heeft het chateau in deplorabele toestand achtergelaten. Het chateau is aangekocht door de SCI en als de man meent dat hij een vergoedingsvordering heeft, dan is dat op de SCI en niet op de vrouw.

Is er sprake van verval of verjaring?

De vrouw stelt als meest verstrekkende verweer dat de aanspraak van de man – gelet op artikel 2.2. van de huwelijkse voorwaarden – is vervallen of dat de vordering is verjaard omdat betaling langer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden. Volgens de man bepaalt de akte van huwelijkse voorwaarden niet dat de vergoedingsrechten na één jaar vervallen of verjaren, maar gaat dat artikel over het moment van betaling.

Partijen geven ieder een andere uitleg aan artikel 2.2. van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank stelt voorop dat de uitleg van de huwelijks voorwaarden moet plaatsvinden aan de hand van de Haviltexmaatstaf, waarbij het aankomt op de bedoeling van partijen die zij redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van de bepaling voldoende duidelijk en duidt deze op het moment van betaling van een niet schriftelijk vastgesteld vergoedingsrecht. De bepaling vermeldt niets omtrent verval of verjaring van het recht op vergoeding en dat kan daar zonder nadere toelichting niet in worden gelezen. De vrouw heeft niet gesteld waaruit zij heeft afgeleid en rederlijkwijs mocht afleiden dat hier een verval en/of verjaringstermijn is bedoeld. De rechtbank volgt de man daarom in zijn standpunt dat geen sprake is van een contractuele verval- of verjaringstermijn.

De rechtbank gaat ook voorbij aan het verdere beroep van de vrouw op verjaring. De korte verjaringstermijnen van vijf jaar uit de artikelen 3:307 tot en met 3:310 BW zijn volgens de Hoge Raad niet van overeenkomstige toepassing op vergoedingsrechten die hun grondslag vinden in het huwelijksvermogensrecht. 1

Investeringen voor de aankoop van het chateau en kapitaalstorting

De koopprijs van het chateau was € 500.000,- en de bijkomende kosten voor de makelaar en de notaris bedroegen € 61.386,-. Uit de notariële akte blijkt dat bij ondertekening van de akte (€ 167.000,- + € 61.386,- =) € 228.386,- is betaald. Verder blijkt uit de akte dat € 63.000,- moet worden betaald door middel van 36 maandelijkse termijnen van € 1.750,- en dat de resterende € 270.000,- uiterlijk binnen drie jaar na ondertekening moet zijn betaald.

De rechtbank stelt vast dat de eerste betaling van € 228.386,- is betaald door de man. De man is op 1 juli 2015 een lening van € 150.000,- aangegaan bij de heer [naam] en heeft een schilderij van Alexandra Klimas aan de heer [naam] verkocht voor € 9.500,- (productie 6 bij verzoekschrift). De heer [naam] heeft vervolgens € 159.500,- overgeboekt naar de rekening van de notaris voor de gedeeltelijke voldoening van de eerste aanbetaling. De man heeft de lening van € 150.000,- in 2019/2020 aan de heer [naam] terugbetaald met de opbrengst uit de verkoop van zijn bedrijf, die door de koper aan de heer [naam] rechtstreeks is voldaan (producties 7, 8 en 9 bij verzoekschrift).

Verder zijn partijen op 1 juli 2015 een lening aangegaan bij de vader van de man ter hoogte van € 70.000,- (productie 11 bij verzoekschrift). Dat geld is ook gebruikt voor de eerste aanbetaling van het chateau. De vader van de man heeft op 24 oktober 2020 de vrouw ontslagen als hoofdelijk schuldenaar voor de lening, als gevolg waarvan de man als enig schuldenaar overbleef. In 2022 is de lening aan de man verrekend met de uitkering van zijn erfdeel uit de nalatenschap van zijn inmiddels overleden vader.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat hiermee € 228.386,- aan het vermogen van de man is onttrokken ten behoeve van de financiering van het chateau.

Verder is niet in geschil dat de 36 maandelijkse termijnen van € 1.750,- door de man (via zijn toenmalige bedrijf op Curaçao) zijn betaald. Hiermee is nog eens € 63.000,- aan het vermogen van de man onttrokken ten behoeve van de financiering van het chateau.

De slotbetaling voor het chateau van € 270.000,- is betaald met onder meer een gift van de heer Borger van € 124.823,96. De vrouw stelt dat dit een schenking aan haar betrof. Dit is door de man betwist. Uit het overgelegde bankafschrift blijkt dat op 13 juni 2018 [bedrijfsnaam] te Curaçao een bedrag van € 124.823,96 direct heeft voldaan op een bankrekening van de SCI. Op dat moment waren partijen nog samen en allebei voor 50% aandeelhouders in de SCI. Omdat nergens uit blijkt dat de schenking alleen aan de vrouw was gericht, gaat de rechtbank ervan uit dat deze ten behoeve van beide partijen is gedaan. Aan beide partijen is dus (€ 124.823,96 / 2 = ) € 62.411,98 toegekomen. Dit is gebruikt voor de financiering van het chateau. Daarmee is nog eens € 62.411,98 aan het vermogen van de man onttrokken ten behoeve van de financiering van het chateau.

De man heeft tot slot twee kapitaalstortingen gedaan in de SCI. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat het gaat om € 10.000,- op 17 augustus 2018 en € 7.000,- op

5 september 2018.

Door de man is dus (€ 228.386,- + € 63.000,- =) € 291.386,- geïnvesteerd voor de aankoop van het chateau. Hij heeft een schenking – die hem voor afgerond € 62.412,- toekomt – gebruikt voor de financiering van de slotbetaling en de man heeft een kapitaalstorting gedaan in de SCI van € 17.000,-. Hierdoor is in totaal € 370.798,- onttrokken aan het vermogen van de man ten behoeve van de financiering van het chateau.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of dit bedrag is onttrokken aan het vermogen van de man ten behoeve van de vrouw. De rechtbank stelt vast dat het vermogen van de vrouw, door de hiervoor genoemde investeringen van de man in SCI, is toegenomen. Door de aandelenmutaties in 2018, 2020 en 2024 is de vrouw uiteindelijk voor 94% aandeelhouder van de SCI geworden en bezit de man geen aandelen meer. Omdat de waarde van de aandelen van de vrouw in SCI wordt gevormd door de waarde van het chateau, is het vermogen van de vrouw gebaat met 94% van de waarde van het chateau. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw de man heeft betaald voor de overdracht van zijn aandelen in de SCI aan haar. Daarmee profiteert zij ten volle van de investeringen die de man uit zijn vermogen in de SCI ten behoeve van de aankoop van het chateau heeft gedaan.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man op grond van artikel 2.2 van de huwelijkse voorwaarden een nominale vergoedingsvordering heeft op de vrouw van € 370.798,-. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van het subsidiaire standpunt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw € 370.798,- aan de man moet betalen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw dit bedrag binnen twee maanden na afgifte van de beschikking moet betalen. Bovendien heeft de man de door hem verzochte betalingstermijn niet nader toegelicht. Daarom wijst de rechtbank dat verzoek af.

Verdere overboekingen

De man stelt verder nog dat in 2018 € 100.000,-, in 2019 € 52.379,-, in 2020 € 35.270,- en in 2022 € 50.366,- uit het vermogen van de man in het vermogen van de vrouw zijn gevloeid, waardoor hij een vergoedingsvordering heeft. De vrouw betwist dit en voert aan dat deze gelden zijn besteed aan de kosten van huishouding.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat deze betalingen hebben geleid tot onttrekking aan het vermogen van de man ten behoeve van de vrouw, zoals bedoelt in artikel 2.2 van de huwelijkse voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de bedragen zijn ontvangen op Franse bankrekeningen op naam van de vrouw. Partijen maakten echter allebei gebruik van deze bankrekeningen. Het geld wat op de bankrekeningen van de vrouw binnenkwam, werd door partijen samen uitgegeven aan de kosten van de gezamenlijke huishouding en er werden spullen (voor gezamenlijk en eigen gebruik) mee aangeschaft. De man heeft niet aangetoond waar het geld aan is besteed en dat de vrouw hiervan heeft geprofiteerd. De rechtbank ziet dan ook geen grondslag voor een vergoedingsvordering. Het verzoek van de man wordt voor dit deel afgewezen.

Inboedel chateau

De man heeft als productie 23 een lijst (met foto’s) ingediend van spullen die volgens de man door de vrouw en/of haar zoon zijn ontvreemd. Daarnaast heeft hij een lijst van persoonlijke eigendommen overgelegd. De man wil deze spullen terug ontvangen.

De rechtbank stelt voorop dat zij in deze echtscheidingsprocedure geen beslissing kan nemen over zaken van de man die de zoon van de vrouw zou hebben ontvreemd en/of in bezit zou hebben. De man zal afgifte van deze zaken moeten vragen aan de zoon, voor zover die daarover beschikt. Verder heeft de man niet aangetoond dat de vrouw persoonlijke eigendommen van de man in haar bezit heeft. De rechtbank wijst deze verzoeken daarom af.

De man heeft ook een lijst ingediend van roerende zaken die volgens hem gezamenlijk eigendom zijn en die hij graag wil ontvangen in het kader van de verdeling. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet is aangetoond dat de door de man genoemde roerende zaken van partijen gezamenlijk zijn. Uit de ‘beschrijving van aangebrachte goederen’ bij de huwelijkse voorwaarden blijkt juist dat door de vrouw onder meer is aangebracht ‘Complete inboedel zoals thans aanwezig in het pand [adres] ’. Verder is door de man zelf tijdens de zitting gesteld dat de inrichting van het chateau (deels) is betaald door de vrouw uit de uitkering van € 28.000,- die zij van verzekeringsmaatschappij Reaal had ontvangen. Omdat niet is gebleken dat de genoemde roerende zaken gezamenlijk eigendom zijn, zal de rechtbank ook dit verzoek afwijzen.

Landrover Defender

De Landrover Defender is in 2022 in Spanje gekocht met geld uit de nalatenschap van de vader van de man. Partijen hebben tijdens de zitting verteld dat zij de auto samen hebben opgehaald. Uit de stukken blijkt dat een factuur voor € 4.000,- is gericht aan de vrouw en dat het eigendomsbewijs op naam van de vrouw staat. De vrouw heeft de Landrover Defender op dit moment in haar bezit (in Frankrijk).

De man verzoekt dat de auto zonder nadere verrekening aan hem wordt toegewezen. Partijen hebben echter geen huwelijkse gemeenschap en de auto is geen gezamenlijk eigendom. De huwelijke voorwaarden of de wet biedt daarom geen grondslag voor dit verzoek. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2015 te [plaats 1] ;

*

bepaalt dat de vrouw € 370.798,- aan de man moet betalen in verband met de vergoedingsvordering die de man op de vrouw heeft;

*

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. van Hees, H.M. Boone en T.M. Coppes, rechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 september 2026.

1

ECLI:NL:HR:2022:1936 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1936)



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733