Essentie (gemaakt door AI)
Uithuisplaatsing. De kinderrechter leest het verzoek tot verlenging als verlening omdat eerdere machtigingen mogelijk vervallen bij niet‑tenuitvoerlegging binnen drie maanden art. 1:265c lid 3 BW. Op basis van onvindbaarheid van moeder en kinderen, schoolverzuim en onveiligheid acht de kinderrechter uithuisplaatsing noodzakelijk art. 1:265b BW. Voor [minderjarige 1] wordt een machtiging in het netwerk, waaronder vader, verleend; voor [minderjarige 2] wordt de machtiging in het netwerk verlengd/verlenend. Motivering mede op art. 3 lid 1 IVRK.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-10-2026 |
| Zaaknummer | C/08/350937 / JE RK 26-1390 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Zwolle |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Uithuisplaatsing. Kinderrechter leest verlenging als verlening ivm vervallen machtiging indien niet binnen 3 maanden ten uitvoer gelegd. Kinderrechter verleent andere categorie machtiging ogv 3 IVRK ter voorkoming van eventueel nieuw spoedverzoek.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummers: C/08/350937 / JE RK 26-1390 ( [minderjarige 1] )
C/08/350938 / JE RK 26-1391 ( [minderjarige 2] )
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] , hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.E. Terhorst uit Alkmaar,
[de vader] , hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. T.J.H. Zwiers uit Hengelo.
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 25 augustus 2026;
-
de verweerschriften namens de moeder met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met bijlagen, ontvangen op 16 september 2026;
-
het bericht van mr. Terhorst met bijlagen met betrekking tot [minderjarige 1] , ontvangen op 18 september 2026;
-
het bericht van mr. Terhorst met bijlagen en een USB met betrekking tot [minderjarige 1] , ontvangen op 18 september 2026;
-
de berichten van mr. Terhorst met bijlagen met betrekking tot [minderjarige 2] , ontvangen op 20 september 2026;
-
het bericht van mr. Terhorst met bijlagen met betrekking tot [minderjarige 1] , ontvangen op 20 september 2026;
-
het bericht van mr. Terhorst met betrekking tot [minderjarige 1] , ontvangen op 21 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, met zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] , vertegenwoordigers van de GI.
Ondanks dat mr. Terhorst op de zitting heeft toegezegd na de zitting nog een productie te zullen overleggen (een transcriptie van het op zitting getoonde filmpje) heeft de rechtbank dit niet ontvangen.
2De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
Het huidige verblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is nog steeds niet bekend.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 maart 2026 [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 4 maart 2027. De kinderrechter heeft ambtshalve kennisgenomen van de uitspraak in het hoger beroep in deze zaak.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2026 een machtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in het netwerk tot 8 oktober 2026 en [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, tot 8 oktober 2026.
3Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in het netwerk en van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De moeder verzet zich tegen uithuisplaatsing. Zij wil meewerken aan ambulante begeleiding bij haar thuis. Als dit niet kan zouden [minderjarige 2] en [minderjarige 1] tijdelijk in een vertrouwde omgeving, waaronder zo nodig de grootouders aan moederszijde, kunnen worden geplaatst. De moeder stelt dat zij voldoende bewijs heeft overgelegd van contra-indicaties voor plaatsing van [minderjarige 1] bij de vader, zoals dat [minderjarige 1] duidelijk verklaart dat hij niet naar de vader wil, dat hij door de vader wordt mishandeld, opdrachten krijgt van de vader om de moeder en [minderjarige 2] van de trap te gooien en/of met een mes te doden en/of de huissleutel van de woning van de partner van de moeder te bemachtigen. Voorafgaand aan het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing zou nader onderzoek moeten gebeuren naar de persistente kindsignalen van [minderjarige 1] . Voor [minderjarige 2] is er een zelfstandige beoordeling nodig. De omstandigheden voor [minderjarige 1] kunnen niet als grond voor een uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] worden gebruikt. [minderjarige 2] heeft al langere tijd geen contact met de vader.
De vader is het eens met de verzoeken. Hij vangt [minderjarige 1] graag op, als het nodig is accepteert hij een tijdelijk andere plek in het belang van [minderjarige 1] . Het netwerk van de moeder is daarbij voor de vader onacceptabel. De vader heeft geen band met de familie van de moeder en de moeder heeft vanuit haar netwerk makkelijk toegang tot [minderjarige 1] waardoor het contact met de vader onvoldoende wordt gewaarborgd.
5De beoordeling
De kinderrechter leest voor zover nodig het verzoek tot verlenging van uithuisplaatsing als een verzoek tot verlening van een uithuisplaatsing. Dit omdat de op 2 juli 2026 (per 8 juli 2026) verleende machtigingen tot uithuisplaatsing op het moment van de zitting nog niet ten uitvoer waren gelegd en onbekend is of dit op 8 oktober 2026 wel het geval zal zijn. Dit is van belang in verband met het vervallen van een machtiging als deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd
1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding
2. De kinderrechter zal voor [minderjarige 1] een machtiging uithuisplaatsing verlenen voor een plaatsing in het netwerk, waaronder bij de vader. De kinderrechter zal voor [minderjarige 2] de/een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk verlengen dan wel verlenen.
Een uithuisplaatsing is noodzakelijk want [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan niet school. Hun verblijfplaats is onbekend en de GI en de vader weten niet hoe het met de kinderen gaat. De moeder onttrekt de kinderen aan het gezag van de vader en het toezicht van de GI. Ondanks inspanningen van politie en particulieren zijn de moeder en de kinderen onvindbaar. Het is niet de eerste keer dat de moeder dit doet. In het recente verleden is de moeder ook al meerdere weken met de kinderen onder de radar verdwenen. De kinderrechter heeft daarom ernstige twijfel over de veiligheid van de opvoedsituatie bij de moeder. Er is sprake van onveiligheid omdat de kinderen al meermalen en gedurende lange tijd niet naar school (zijn) (ge)gaan, voor zover bekend leven zonder toegang tot andere voorzieningen en zonder contact met hun netwerk. Kinderen die in isolement leven worden ernstig bedreigd in hun ontwikkeling. De kinderrechter heeft geen enkele aanwijzing dat het wel goed zou gaan met de kinderen.
Namens de moeder is gesteld dat de moeder goede redenen heeft om met de kinderen onder te duiken. Zij beroept zich op overmacht en onder andere op artikel 6 EVRM in verband met het recht op leven. De moeder geeft aan dat er een vermoeden is van seksueel misbruik van [minderjarige 1] en dat gelet op de signalen die er zijn nader onderzoek nodig is.
De vader betwist uitdrukkelijk alle aantijgingen over vermeend seksueel misbruik. Hij maakt zich wel ernstig zorgen over [minderjarige 1] omdat [minderjarige 1] door de invloed van de moeder ernstig beschadigd zal zijn. De vader maakt zich ook grote zorgen over [minderjarige 2] ; zij is volgens de vader ook een grote verliezer door deze situatie.
De GI handhaaft haar verzoeken. Er is volgens de GI bescherming van de kinderen noodzakelijk, omdat de moeder en de kinderen niet te traceren zijn, het contact van de moeder met de GI ontbreekt en er sprake is van een ernstig gevaar voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Rechercheurs zijn druk zoekende naar de kinderen. De GI is van mening dat de focus nu moet liggen op veiligheid. De GI concludeert op basis van de verklaringen van de ingeschakelde medici, dat geen van de beschuldigingen door de moeder richting de vader zijn komen vast te staan. De GI heeft geen zorgen over de situatie bij de vader.
De kinderrechter volgt de GI in haar visie dat de situatie bij de vader voldoende veilig moet worden geacht voor [minderjarige 1] . De kinderrechter leest en hoort onvoldoende signalen voor seksueel misbruik door de vader. Dit laat onverlet dat alles wat [minderjarige 1] heeft geuit serieus moet worden genomen en dat onderzoek nodig is waar zijn uitlatingen vandaan komen. Hierin zal moeten worden meegenomen dat in de visie van de kinderrechter uit de overgelegde producties blijkt dat [minderjarige 1] klem zit tussen zijn ouders en dat de moeder hem belast met haar negatieve gevoelens over de vader. Tegen de adviezen van professionals in ondervraagt zij [minderjarige 1] over de vader en neemt dit op op film. Onderzoek naar hoe het gaat en hulp voor [minderjarige 1] is daarom noodzakelijk.
Gelet op het voorgaande blijft de kinderrechter bij de conclusie dat de situatie bij de moeder onvoldoende veilig moet worden geacht waardoor een uithuisplaatsing noodzakelijk is.
De kinderrechter volgt de moeder niet in haar (subsidiaire) stelling dat deze onveiligheid voldoende kan worden weggenomen door de inzet van ambulante hulpverlening bij de moeder thuis.
De kinderrechter gaat er van uit dat de moeder de uitspraak van de kinderrechter respecteert en zich met de kinderen meldt bij het bevoegde gezag. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI op dat moment kan beoordelen welke vorm van uithuisplaatsing op dat moment het meest in het belang is van [minderjarige 1] . Is dat bij zijn vader of is een (tijdelijke) plaatsing elders in het netwerk meer in zijn belang gezien de stress bij de moeder en de weerslag die dit heeft op [minderjarige 1] en gezien de beschadigende situatie waarin [minderjarige 1] de afgelopen periode heeft geleefd. De GI is voornemens dat te beoordelen want zij heeft daartoe maatregelen getroffen. De kinderrechter zal daarom een machtiging voor plaatsing in het netwerk, waaronder de vader, verlenen.
De kinderrechter beseft dat de kinderrechter hiermee een andere machtiging geeft dan door de GI is verzocht. De kinderrechter vindt dat zij deze ruimte heeft. Artikel 1:265b BW vereist niet dat bij een verzoek tot uithuisplaatsing wordt aangegeven binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd, laat staan een specifieke, bij naam genoemde voorziening. Dat in de praktijk bij veel verzoeken tot uithuisplaatsing wel een categorie wordt vermeld, bijvoorbeeld netwerkplaatsing, pleegzorg of gezinsgerichte accommodatie, maakt dat in dit specifieke geval niet anders. Op grond van art. 3 lid 1 IVRK vormen, bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van een kind de eerste overweging. Aan de kinderrechter komt tegen deze achtergrond een zekere beoordelingsruimte toe met betrekking tot de vraag binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd. De kinderrechter volgt in deze de GI dat een plaatsing bij een ouder met gezag de voorkeur heeft maar kan zich voorstellen dat het toch meer in het belang van [minderjarige 1] moet worden geacht om op een neutrale plek (al dan niet samen met [minderjarige 2] ) in het netwerk te worden geplaatst. De kinderrechter vindt dat deze plaatsing op een neutrale plek dan niet afhankelijk moet zijn van de mogelijkheid om een spoedmachtiging te verzoeken en verkrijgen.
Omdat het voor [minderjarige 1] een andere categorie machtiging is, verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] met ingang van heden voor de duur de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter zal voor [minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk verlenen, dan wel verlengen. Dat deze categorie van uithuisplaatsing het beste voor [minderjarige 2] is, indien de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing afgeeft, is niet in geschil.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
in zaaknummer C/08/350938 / JE RK 26-1391
verlengt en zover nodig verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in het netwerk met ingang van 8 oktober 2026 tot 4 maart 2027;
in zaaknummer C/08/350937 / JE RK 26-1390
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in het netwerk, waaronder de vader, met ingang van heden tot 4 maart 2027;
in beide zaken
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. K. van Leeuwen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c lid 3 BW
Artikel 1:265b BW
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
