Essentie (gemaakt door AI)
Resterend verzoek van de Raad om machtiging uithuisplaatsing (pleegzorg bij grootouders) wordt toegewezen voor 5 augustus 2026 tot 5 februari 2027. Kinderrechter overweegt dat terugplaatsing bij moeder thans niet in belang van kind is. Zware kritiek op GI: ontbrekende regie, geen vaste jeugdbeschermer, stagnerende hulp en omgangsuitbreiding; oproep aan GI om op korte termijn vaste jeugdbeschermer te stellen. Zaak wordt aangeduid als ‘code rood’. Beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-10-2026 |
| Zaaknummer | C/02/444089 / JE RK 26-82 |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; UHP bij grootouders |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Toewijzen resterend verzoek van de raad om een MUHP met oproep aan de GI om asap vaste jeugdbeschermer aan te stellen. OTS loopt al 6 maanden. Monitoring door GI. Wachtlijst voor wachtlijst. Kinderrechter: zaak met code rood.Volledige uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444089 / JE RK 26-82
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[grootouder 1] en [grootouder 2],
de grootouders moederszijde, tevens de pleegouders, hierna te noemen: de grootouders,
wonende in [woonplaats] .
1Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de in deze zaak gegeven beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 5 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
-
de brief van de Raad van 13 maart 2026;
-
de brief van de GI van 11 juni 2026 met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 12 juni 2026;
-
het briefrapport van de Raad van 16 juni 2026 met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 17 juni 2026;
-
het bericht van mr. Doorakkers van 13 juli 2026;
-
de brief van de GI van 23 juli 2026 (de rechtbank begrijpt 14 juli 2026), ingekomen bij de griffie op 14 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
-
de moeder met haar advocaat;
-
de grootouders;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Ook was aanwezig mevrouw [persoon] , begeleidster van de moeder van [zorggroep] . De kinderrechter heeft aan haar bijzondere toegang verleend.
De GI heeft bij voornoemde brief van 14 juli 2026 bericht dat er geen vertegenwoordiger van de GI op de zitting aanwezig zal zijn, omdat er vanwege de wachtlijsten tot op heden geen vaste jeugdbeschermer bij [minderjarige] betrokken is. Aldus is er geen vertegenwoordiger van de GI op de zitting verschenen.
2De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 5 februari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 februari 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 5 augustus 2026. De behandeling van het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is aangehouden. De kinderrechter heeft zich verder iedere beslissing voorbehouden.
[minderjarige] verblijft op grond van deze machtiging bij de grootouders.
3Het resterende verzoek
Thans ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van 5 augustus 2026 tot 5 februari 2027. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De nadere standpunten
De Raad heeft in zijn briefrapport van 16 juni 2026, samengevat, aangevoerd dat de Raad het zorgelijk vindt dat er sinds de start van de ondertoezichtstelling nog weinig stappen zijn gezet en er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt over (de uitbreiding van) de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast is nog onduidelijk wat [minderjarige] en de moeder individueel nodig hebben, ook ten aanzien van de contactmomenten met elkaar. Mede hierdoor ervaart [minderjarige] onduidelijkheid en onvoorspelbaarheid over zijn woon- en opvoedsituatie en zijn toekomstperspectief. Het is van belang dat met alle betrokkenen een duidelijk plan wordt gemaakt ten aanzien van de uitbreiding van de contactmomenten en ten aanzien van de individuele hulpverlening. Naar aanleiding van bovenstaande blijft het voor de Raad maar ook voor de hulpverlening op dit moment nog onduidelijk of en wanneer de moeder de zorg voor [minderjarige] weer zelf kan gaan dragen. Gelet hierop handhaaft de Raad zijn resterende verzoek om [minderjarige] met een machtiging uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
In aanvulling hierop is namens de Raad nog tijdens de zitting benadrukt dat doordat de GI de regie niet heeft gepakt en er geen stappen zijn gezet, de situatie onveranderd is gebleven. De Raad vindt dit heel triest. Hierdoor kan de Raad niet anders dan het resterende verzoek handhaven.
De GI heeft in haar brief van 11 juni 2026, samengevat, naar voren gebracht dat de ondertoezichtstelling overwegend positief is verlopen. De zaak wordt gemonitord en staat op de wachtlijst voor het Provinciaal Instroomteam. Er is geen zicht op wanneer een vaste jeugdzorgwerker aan de zaak wordt gekoppeld. Er is passende hulpverlening ingezet. [minderjarige] is aangemeld bij [praktijk] voor onderzoek en diagnostiek om zo meer inzicht te verkrijgen in de oorzaken van zijn gedrag en te bepalen wat hij nodig heeft. Daarnaast krijgt [minderjarige] wekelijks begeleiding vanuit [hulpverlening 1] . [minderjarige] en de moeder hebben op iedere dinsdag een begeleid contactmoment en op iedere donderdag een begeleid telefonisch contactmoment. De moeder komt de afspraken omtrent deze contacten na. Wel kan de moeder door haar eigen problematiek soms verward overkomen, hetgeen voor [minderjarige] niet altijd te begrijpen is. Na de eerste vier contactmomenten zal een evaluatie plaatsvinden met de betrokken partijen, waaronder met de omgangsbegeleiding en overige betrokken hulpverleners. Indien uit deze evaluatie blijkt dat de contactmomenten positief verlopen en er geen veiligheidszorgen zijn, zal de duur van de contacten worden uitgebreid naar twee uur per contactmoment. Na opnieuw vier contactmomenten zal wederom een evaluatie plaatsvinden. Op basis van de bevindingen zal worden beoordeeld of verdere uitbreiding van het contact mogelijk en in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Aan de uitbreiding van de contacten zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden hebben betrekking op het waarborgen van de veiligheid van [minderjarige] en het creëren van een voor hem voorspelbaar en positief contactmoment. Daarnaast zijn voorwaarden gesteld die van belang zijn voor de beoordeling van een eventuele toekomstige uitbreiding naar onbegeleid contact. De GI heeft deze voorwaarden schriftelijk aan de moeder kenbaar gemaakt. De moeder heeft tijdens de ondertoezichtstelling aangegeven dat zij serieus wil worden genomen in haar rol als gezaghebbende ouder. De GI heeft echter geconstateerd dat zij door instanties en hulpverleners niet altijd wordt meegenomen in de communicatie rondom [minderjarige] . Daarom heeft de GI het belang hiervan bij de betrokken instanties en hulpverleners benadrukt. Op 1 juni 2026 heeft er een multidisciplinair overleg plaatsgevonden met de moeder en haar begeleider, de grootouders, de pleegzorgwerker, de hulpverleners, school en de GI. Tijdens dit overleg is gesproken over de situatie van [minderjarige] , de rol van de verschillende betrokkenen en de voortgang van de hulpverlening. Ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan er nog zorgen. School heeft gerapporteerd dat [minderjarige] nog steeds zorgelijk gedrag laat zien waarbij sprake is van verbaal en fysiek grensoverschrijdend gedrag richting leerkrachten en medeleerlingen. School wil extra begeleiding in zetten om [minderjarige] binnen de onderwijssetting beter te ondersteunen.
De GI kan op dit moment nog geen uitspraken doen over het perspectief van [minderjarige] . De benodigde onderzoeken hiernaar zijn nog niet afgerond. Het advies van [praktijk] wordt nog verwacht. Daarnaast heeft de GI een perspectiefonderzoek aangevraagd om meer duidelijkheid te verkrijgen over het toekomstig woon- en opvoedperspectief van [minderjarige] . Gelet hierop kan de GI nog geen advies geven ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zodra de onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, zal een nadere afweging worden gemaakt en kan worden beoordeeld welk perspectief het meest passend is voor [minderjarige] .
Door en namens de moeder is, samengevat, op de zitting naar voren gebracht dat zij op dit moment twee keer in de week begeleid contact heeft met [minderjarige] . Op donderdag heeft zij fysiek contact voor de duur van 1,5 uur en op dinsdag heeft zij telefonisch contact. De contacten werden begeleid door [hulpverlening 1] . Deze instantie is hiermee van de een op de andere dag gestopt. De begeleiding moest toen worden overgenomen door een andere instantie. Dit blijkt [instantie] te zijn. De moeder heeft al een gesprek gehad met iemand van deze organisatie, terwijl zij op dat moment nog niet wist van welke organisatie zij was. Mede omdat [hulpverlening 1] niet meer over de begeleiding van de contacten heeft gerapporteerd, is van uitbreiding hiervan nog geen sprake. [praktijk] gaat niet verder omdat de situatie te onrustig is. Verder komt het de moeder voor dat de instanties hun documenten niet op orde hebben en dat zij gebruik maken van diagnostiek en plannen die al eerder door een andere instantie zijn opgesteld. Er wordt door de GI ook totaal geen regie over de hulpverlening gevoerd. Bij deze stand van zaken vraagt de moeder zich af of een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing wel doelmatig zijn. De GI heeft nog niets opgepakt en de zaak enkel gemonitord. De moeder heeft verder het idee dat zij als gezaghebbende ouder niet wordt gehoord en dat er besluiten worden genomen, zoals onder andere over de vakantie van [minderjarige] met de grootouders, zonder overleg met haar. Dit is voor de moeder lastig om te accepteren. Er is echter geen alternatief voor een uithuisplaatsing voorhanden, daarom zal de moeder instemmen met het resterende verzoek van de Raad. De moeder hoopt wel dat er nu snel stappen zullen worden gezet en het liefst richting een ouder-kindtraject. Zij heeft al vanaf mei 2025 aangegeven dat zij graag hieraan wil deelnemen.
De grootouders hebben, samengevat, op de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] een slim, sportief en leergierig jongetje is. Door de veranderingen in zijn leven krijgt hij echter veel voor zijn kiezen. Hierdoor loopt hij vast, onder andere op school. Dit heeft ertoe geleid dat hij een tijd niet naar school heeft kunnen gaan. [minderjarige] heeft dit als een straf ervaren. Gelukkig kon hij in de laatste paar weken voor de zomervakantie gedurende twee dagen naar school. Hierdoor bloeide [minderjarige] weer op. [praktijk] heeft inmiddels overig [minderjarige] gerapporteerd. [praktijk] heeft aangegeven dat er niet kan worden gestart met een behandeling van [minderjarige] , omdat hij geen focus heeft en de thuissituatie te onrustig is. In augustus 2026 zal er weer een multidisciplinair overleg plaatsvinden. Hierbij zullen ook school, [instantie] , [hulpverlening 2] en de GI aansluiten. [hulpverlening 2] is de instantie die bij de grootouders betrokken is. De grootouders stemmen in met het resterende deel van het verzoek van de Raad.
5De beoordeling
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat het niet in het belang van [minderjarige] is als hij op dit moment zou moeten terugkeren naar de moeder. Hier zijn alle betrokkenen het ook over eens. [minderjarige] heeft er belang bij om voorlopig bij de grootouders te blijven wonen. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.
De kinderrechter vindt het belangrijk om nog op te merken dat het heel fijn is dat [minderjarige] vanaf mei 2025 bij zijn grootouders heeft kunnen verblijven. Dit is fijner voor hem dan een verblijf in een vreemd pleeggezin of gezinshuis. De kinderrechter complimenteert de grootouders ermee dat zij de zorg en opvoeding op zich hebben genomen van dit ingewikkelde jongentje.
Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk om op te merken dat sinds de kinderrechter de ondertoezichtstelling in februari 2026 heeft uitgesproken, hieruit nog vrijwel niets positiefs is voortgekomen. Weliswaar heeft de GI allerlei organisaties aan de gang gezet met het verlenen van hulpverlening, maar regievoering hierover vanuit de GI heeft ontbroken. Dit heeft ervoor gezorgd dat geen van de betrokkenen nog weet waar hij of zij aan toe is. Zo is het contact tussen de moeder en [minderjarige] in eerste instantie begeleid door [hulpverlening 1] . Na kritische vragen over de registratie van deze hulpverleningsorganisatie, heeft [hulpverlening 1] zich plotsklaps teruggetrokken. Hierna is [instantie] ingevlogen om het contact te begeleiden. Er heeft echter geen gedegen overdracht van [hulpverlening 1] naar [instantie] plaatsgevonden. De moeder heeft al wel een gesprek met iemand van deze hulpverleningsorganisatie gehad, terwijl zij op dat moment nog niet wist van welke organisatie zij was. Het is ook onduidelijk met welke insteek [instantie] is begonnen en wat zij als hun opdracht zien. Ondertussen was het de bedoeling dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] zou worden uitgebreid. Hiervan is het echter tot op heden niet gekomen. Ook regie over het contact vanuit de GI heeft ontbroken.
Het ontbreken van regie vanuit de GI over de hulpverlening en over het contact tussen de moeder en [minderjarige] heeft als gevolg dat er onrust blijft bestaan binnen het systeem. Omdat de situatie op dit moment te onrustig is, heeft [praktijk] geconcludeerd dat er niet gestart kan worden met een behandeling van [minderjarige] . Het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer die de regie neemt en zorgt voor rust in het systeem, heeft dus het directe gevolg dat er geen behandeling kan plaatsvinden aan dit zeer kwetsbare jongentje. De kinderrechter vindt dit zeer kwalijk. Gelukkig krijgt de moeder momenteel ondersteuning van [zorggroep] . Het is echter aan de GI om regie te voeren, gedegen plannen te maken en duidelijke lijnen uit te gaan zetten. Pas dan zal er rust ontstaan en pas dan kan [minderjarige] de voor hem noodzakelijke behandeling krijgen. [minderjarige] heeft daar recht op!
Door deze gang van zaken heeft de moeder ook het gevoel dat zij door alle betrokkenen onvoldoende wordt gezien en wordt gehoord. Hier moet oog voor zijn. Dit kan alleen als er een vaste jeugdbeschermer als aanspreekpunt is voor de moeder en de grootouders. Ook kan pas dan gekeken worden of er mogelijkheden zijn voor de wens van de moeder om samen met [minderjarige] deel te nemen aan een ouder-kindtraject.
Daarom roept de kinderrechter de GI op om op korte termijn een vaste jeugdbeschermer aan te wijzen die de ondertoezichtstelling zal uitvoeren en regie zal nemen. Gezien de heftige problematiek is dit geen casus die op de wachtlijst voor de wachtlijst kan staan en dat is nu wel het geval. Wat de kinderrechter betreft gaat het hier over een casus die (inmiddels) code rood heeft. De kinderrechter heeft begrepen dat er op 21 augustus 2026 weer een multidisciplinair overleg zal plaatsvinden. De kinderrechter verwacht dat er dan een vaste jeugdbeschermer van de GI aan tafel zal zitten.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Het is van belang dat er rust ontstaat in dit systeem. Het belang van [minderjarige] maakt dit noodzakelijk.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
wijst het resterende verzoek van de Raad toe en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij grootouders mz) met ingang 5 augustus 2026 tot 5 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
