Essentie (gemaakt door AI)
GI verzoekt uithuisplaatsing in accommodatie jeugdhulpaanbieder (gezinshuis). Moeder stemt in met uithuisplaatsing maar bepleit netwerkplaatsing bij oma. Hof verklaart moeder niet-ontvankelijk en acht zich gebonden aan verzochte categorie, zodat geen netwerkplaatsing kan worden beslist. P-G: moeder voert slechts verweer, is ontvankelijk. Rechter mag en moet, mede gelet op art. 8 EVRM en art. 3 IVRK, minder ingrijpend alternatief (netwerkplaatsing) onderzoeken en zo nodig bepalen. Conclusie strekt tot vernietiging enNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-10-2026 |
| Zaaknummer | 26/00448 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; UHP in netwerk; UHP bij grootouders |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Jeugdrecht. Machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265b BW) . Bevoegdheid rechter om een machtiging uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin te verlenen als de GI heeft verzocht om een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpverlener, in een gezinshuis of bij een neutraal pleeggezin. Categorieën van uithuisplaatsing.Volledige uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00448
Zitting 16 oktober 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
hierna: de gecertificeerde instelling of de GI.
Door het hof is als belanghebbende aangemerkt:
[de oma] , hierna: de oma.
1Inleiding en samenvatting
In deze procedure heeft de GI de kinderrechter verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de minderjarige, die op dat moment bij haar moeder woonde. Het verzoek van de GI strekte tot plaatsing van de minderjarige in “een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis)”. Na een eerste (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van vier weken, heeft de kinderrechter een machtiging verleend voor de duur van een half jaar tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Daarbij heeft de kinderrechter het bezwaar van de moeder tegen plaatsing van de minderjarige in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, en haar standpunt dat de oma de minderjarige (tijdelijk) een passende verblijfsplek kan bieden (netwerkplaatsing), op inhoudelijke gronden gepasseerd.
De moeder is in hoger beroep gekomen en heeft daarbij naar voren gebracht dat zij het niet eens is met de plek van de uithuisplaatsing. De moeder heeft het hof verzocht om, met vernietiging van de beschikkingen van de rechtbank, een machtiging te verlenen om de minderjarige te plaatsen bij de oma.
Het hof is aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven van de moeder niet toegekomen. Daartoe heeft het in de eerste plaats overwogen dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek om een machtiging te verlenen om de minderjarige uit huis te plaatsen bij de oma, omdat een verzoek om een dergelijke machtiging niet door een ouder kan worden gedaan, maar slechts door de GI, de raad voor de kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. In de tweede plaats heeft het hof overwogen dat de rechter is gebonden aan de categorie waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht en niet de bevoegdheid heeft om in de plaats van een verzochte machtiging voor een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder een machtiging voor een netwerkuithuisplaatsing (bij de oma) te verlenen.
Mijns inziens komt het middel met succes tegen deze beide pijlers van het oordeel van het hof op.
2. Feiten en procesverloop
1
De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [plaats] (hierna: de minderjarige).
2
Bij beschikking van 24 april 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant de minderjarige tot 24 april 2024 onder toezicht gesteld van de GI.
3 De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 14 april 2025 is deze ondertoezichtstelling verlengd tot 24 april 2026.
4
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de kinderrechter in de rechtbank Gelderland (hierna: de kinderrechter) op 26 juni 2025 en aangepast op 27 juni 2025, heeft de GI de kinderrechter verzocht, kort weergegeven, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) te verlenen voor de duur van vier weken, en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) te verlenen voor de duur van zes maanden, uitvoerbaar bij voorraad.
Bij mondelinge (tussen)uitspraak van 27 juni 2025, schriftelijk uitgewerkt dezelfde dag, heeft de kinderrechter, voor zover in cassatie van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) verleend met ingang van 27 juni 2025 tot 25 juli 2025, en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5 De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
De kinderrechter heeft in voormelde beschikking ten aanzien van de plaats waar de spoedmachtiging wordt uitgevoerd het volgende overwogen:
“4.4. De GI verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter zal alleen een machtiging verlenen voor het verblijf van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), omdat uit de telefonische toelichting van de GI blijkt dat [de minderjarige] in een gezinshuis zal worden geplaatst. (…)”
De moeder heeft vervolgens verweer gevoerd.
De kinderrechter heeft het aangehouden deel van het verzoek behandeld op de mondelinge behandeling van 2 juli 2025. Daarbij waren aanwezig de moeder, bijgestaan door haar (waarnemend) advocaat en twee vertegenwoordigers van de GI.
Bij mondelinge uitspraak van 2 juli 2025, schriftelijk uitgewerkt op 16 juli 2025, heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 25 juli 2025 tot 25 januari 2026, en zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
6
In deze beschikking heeft de kinderrechter onder meer het volgende overwogen:
“4.1. De moeder heeft, mede via de advocaat, aangegeven dat zij begrijpt dat [de minderjarige] op dit moment niet thuis kan verblijven. (…) De moeder heeft wel bezwaar tegen het feit dat er een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder is verzocht (…) De moeder verwacht dat de oma [de minderjarige] (tijdelijk) een passende verblijfsplek kan bieden, net zoals zij dit voorheen (toen [de minderjarige] nog thuis woonde) in de weekenden heeft gedaan.
De GI heeft aangegeven dat zij het niet in het belang van [de minderjarige] achten om haar bij de oma te plaatsen. (…)
(…)
De kinderrechter constateert dat ter discussie staat wat op dit moment de beste verblijfslocatie is voor [de minderjarige]. De kinderrechter merkt hierover het volgende op. De kinderrechter stelt voorop dat een netwerkplaatsing, indien dit redelijkerwijs passend en haalbaar is de voorkeur verdient. De kinderrechter acht in dit geval voldoende onderbouwd waarom een voltijd verblijf bij de oma op dit moment een onverantwoorde stap zou zijn. (…)”
De moeder is van de beschikkingen van 27 juni 2025 en 2 juli 2025 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). De moeder heeft het hof verzocht om deze beschikkingen te vernietigen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor verblijf van de minderjarige bij de oma voor de duur van drie maanden dan wel (subsidiair) zes maanden, met ingang van 2 juli 2025.
De GI heeft een verweerschrift ingediend.
De oma heeft ook een verweerschrift ingediend, waarin zij het hof heeft gevraagd om het verzoek van de moeder toe te wijzen, zodat de minderjarige bij haar geplaatst kan worden.
De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 23 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de moeder met haar advocaat, twee vertegenwoordigers van de GI en de oma met haar advocaat.
Bij beschikking van 20 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de kinderrechter van 2 juli 2025 bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
7
Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“5.2. De moeder heeft in hoger beroep uiteengezet dat zij begrijpt dat [de minderjarige] niet bij haar kan wonen en dat zij in dat opzicht instemt met een uithuisplaatsing van [de minderjarige]. De moeder is het echter niet eens met de plek van de uithuisplaatsing, te weten het gezinshuis.
Het hof stelt voorop dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek om een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de oma. Een verzoek tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing kan niet door een ouder worden gedaan. Op grond van artikel 1:265b lid 2 BW kan een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen slechts worden gedaan door de GI, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de rechter is gebonden aan de categorie waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht. De GI heeft in dit geval aan de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Als de kinderrechter van oordeel was geweest dat [de minderjarige] beter op haar plek was geweest bij de oma (een netwerkplaatsing) dan had de kinderrechter niets anders kunnen beslissen dan het verzoek afwijzen. De kinderrechter (en dus ook het hof) heeft niet de bevoegdheid om in de plaats van een verzochte machtiging voor een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder een machtiging voor een netwerkuithuisplaatsing (bij de oma) af te geven.
Gelet op al het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor een verdere inhoudelijke behandeling van de grieven van de moeder. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.”
De moeder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 20 november 2025. De GI heeft geen verweerschrift ingediend.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit vier onderdelen.
Onderdeel 1 is gericht tegen r.o. 5.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft overwogen dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoek om een machtiging te verlenen om de minderjarige uit huis te plaatsen bij de oma, omdat een verzoek tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden gedaan door de GI, de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) of het Openbaar Ministerie. Het onderdeel acht kort weergegeven die overweging onjuist of onbegrijpelijk, omdat de moeder geen verzoek heeft ingediend om een machtiging te verlenen om de minderjarige uit huis te plaatsen bij oma, maar alleen het hof heeft gevraagd om het verzoek van de GI toe te wijzen op voorwaarde van plaatsing bij oma, althans het verzoek beperkt of anders toe te wijzen.
Onderdelen 2 en 3 richten zich vervolgens tegen r.o. 5.3 van de bestreden beschikking, waarin het hof kort gezegd heeft overwogen dat het gebonden is aan de categorie waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht en dat de rechter niet bevoegd is om in de plaats van een verzochte machtiging voor een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder een machtiging voor een netwerkuithuisplaatsing af te geven.
Onderdeel 2 klaagt dat dit oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of onbegrijpelijk is. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. Uit de wet volgt niet dat de rechter gebonden is aan de categorie waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht. De wet legt geen categorieën vast. Anders dan het hof oordeelt heeft de rechter dus wel degelijk de bevoegdheid om de categorie van de verzochte uithuisplaatsing aan te passen, althans indien het verweer van de ouder daar aanleiding toe geeft. Ook uit de jurisprudentie volgt dat de rechter de bevoegdheid heeft om de verblijfplaats in de verzochte machtiging te beperken of aan te passen. De rechter kan het mindere (netwerkplaatsing) toewijzen van het door de GI (meer) verzochte (plaatsing in een gezinshuis). Dat heeft het hof miskend. Tot slot klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof tevens onjuist of onbegrijpelijk is, omdat het hof ook tot vernietiging van de beschikking en afwijzing van het verzoek van de GI had kunnen overgaan indien het (na inhoudelijk onderzoek) van mening was dat netwerkplaatsing een mogelijkheid was.
Onderdeel 3 betoogt dat verdragsconforme uitleg met zich meebrengt dat de rechter bevoegd is om een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing (in het belang van ouder en/of kind) te beperken tot een minder zware maatregel zoals netwerkplaatsing. In dat verband wijst het onderdeel er kort weergegeven op dat met de verzochte uithuisplaatsing inbreuk wordt gemaakt op het gezinsleven van moeder en dochter, zoals beschermd door artikel 8 EVRM, en dat deze inbreuk noodzakelijk moet zijn en moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook het belang van het kind, zoals beschermd door artikel 3 IVRK, brengt met zich mee dat de rechter onderzoekt of met een minder ingrijpende maatregel dan plaatsing in een accommodatie voor jeugdzorg kan worden volstaan. Indien uit de wet zou volgen of indien de wet zo wordt uitgelegd dat de rechter niet bevoegd is om de verblijfplaats in een door de GI verzochte uithuisplaatsing aan te passen naar bijvoorbeeld een netwerkplaatsing, is het resultaat volgens het onderdeel in strijd met artikel 8 EVRM. Bovendien heeft de moeder recht op een effective remedy in de zin van artikelen 6 en 13 EVRM. Zij moet de mogelijkheid hebben om een netwerkplaatsing bij de rechter te kunnen verzoeken indien de GI daar niet toe bereid is en een ander soort plaatsing verzoekt. Ook het belang van het kind (artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK) bij een proportionele/subsidiaire maatregel en op handhaving van de familiebanden brengt mee dat binnen het verzoek machtiging uithuisplaatsing inhoudelijk getoetst moet kunnen worden of netwerkplaatsing mogelijk is. Volgens onderdeel 3 heeft het hof dit een en ander miskend.
Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht.
Bij de bespreking van de onderdelen van het middel stel ik het volgende voorop.
Verdragsrechten
Artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind</i> (hierna: IVRK) bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging vormen (‘shall be a primary consideration’).
8 Artikel 3 lid 1 IVRK richt zich onder meer tot rechterlijke instanties. Dat betekent dat de rechter in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te kennen aan de belangen van het kind in kwestie.
9 In alle kwesties betreffende uithuisgeplaatste kinderen heeft het belang van het kind op grond van artikel 3 IVRK steeds als uitgangspunt te gelden.
10
Volgens General Comment nummer 14 van het VN Kinderrechtencomité
11 biedt artikel 3 lid 1 IVRK het kader voor drie soorten verplichtingen voor staten die partij zijn, waaronder de verplichting “te waarborgen dat bij alle gerechtelijke uitspraken (…) met betrekking tot kinderen duidelijk wordt dat de belangen van het kind een eerste overweging waren”, en omvat dit “het beschrijven hoe de belangen van het kind zijn onderzocht en beoordeeld en welk gewicht eraan is toegekend bij het besluit”.
12 De General Comment maakt verder duidelijk dat rechterlijke instanties ervoor moeten zorgen dat “in alle situaties en bij alle besluiten, ongeacht of deze procedureel of materieel van aard zijn, rekening wordt gehouden met de belangen van het kind” en dat zij “moeten aantonen dat zij dit ook daadwerkelijk hebben gedaan”.
13 Verder is in deze General Comment voorzien in een niet-limitatieve opsomming van factoren die in beginsel bij iedere beoordeling van de belangen van het kind in overweging zouden moeten worden genomen. Daartoe behoren het behoud van de gezinsomgeving van het kind en zijn of haar contacten met familie (element c), zorg, bescherming en veiligheid van het kind (element d) en de kwetsbare situatie waarin een kind zich bevindt en de (eventuele) bijzondere kwetsbaarheid van het kind zelf (element e).
14
De Hoge Raad heeft in een recente prejudiciële beslissing aandacht besteed aan de betekenis van artikel 3 lid 1 IVRK in een procedure waarin een verhuurder ontruiming vordert van een woning waarin ook minderjarige kinderen wonen.
15 De Hoge Raad oordeelde in die uitspraak onder meer dat – hoewel het in beginsel aan de huurder is om aan te voeren dat de gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst geen ontbinding van die overeenkomst rechtvaardigt en de in dat kader relevante feiten en omstandigheden aan te voeren – de rechter ingevolge de hem in artikel 3 lid 1 IVRK gegeven opdracht zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is (r.o. 3.2.5-3.2.6 en 3.4.2).
Artikel 20 IVRK voorziet voorts in een recht op ‘bijzondere bescherming en bijstand van staatswege’ voor kinderen die (tijdelijk of blijvend) niet meer thuis kunnen wonen:
1. Een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege.
2. De Staten die partij zijn, waarborgen, in overeenstemming met hun nationale recht, een andere vorm van zorg voor dat kind.
3. Deze zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, kafalah volgens het Islamitische recht, adoptie, of, indien noodzakelijk, plaatsing in geschikte instellingen voor kinderzorg. Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.
De in dit artikel neergelegde verplichting van de staat om bijzondere bescherming te bieden, heeft onder meer betrekking op het vinden van een geschikte alternatieve woonplek voor het kind. Uit artikel 20 IVRK wordt in dit verband wel afgeleid dat eerst de mogelijkheden van plaatsing van het kind in het eigen netwerk moet worden bezien.
16 Bij netwerkpleegzorg wordt het kind bij pleegouder(s) uit het netwerk geplaatst, bijvoorbeeld in de familiekring, bij vrienden of bekenden uit het netwerk van de ouder(s) en het kind.
17
De voorkeur voor netwerkplaatsing komt ook terug in de Declaration on Foster Placement and Adoption
18en in de Guidelines for the Alternative Care of Children van het VN-Kinderrechtencomité
19.
Verder garandeert Artikel 8 lid 1 EVRM een ieder recht op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven. Een jeugdbeschermingsmaatregel zoals een uithuisplaatsing is een inmenging in dit gezinsleven van ouder(s) en kind. Op grond van artikel 8 lid 2 EVRM geldt voor een dergelijke maatregel, naast dat deze moet zijn voorzien bij de wet en een geoorloofd doel moet dienen, ook het criterium van noodzakelijkheid. Dat houdt in dat de inmenging in het gezinsleven van ouders en kind die gepaard gaat met de jeugdbeschermingsmaatregel een dringende maatschappelijke behoefte moet dienen en in een redelijke verhouding moet staan tot het nagestreefde doel. Dit noodzakelijkheidscriterium brengt onder meer met zich dat indien het doel kan worden bereikt met een lichtere maatregel, deze moet worden verkozen boven de zwaardere (subsidiariteitseis).
20
Uithuisplaatsing van een kind binnen de eigen familie wordt in dit verband beschouwd als een minder grote inbreuk op het familieleven dan plaatsing in een onbekend pleeggezin. Als het pleegkind of een ouder aangeeft dat plaatsing bij een familielid mogelijk is, dan zal de staat het duidelijk moeten kunnen beargumenteren als aan die mogelijkheid voorbij wordt gegaan.
21
Bruning e.a. wijzen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) bij beslissingen over uithuisplaatsingen een strikt onderscheid maakt tussen enerzijds de beslissing om een kind uit huis te plaatsen en anderzijds beslissingen die op de uithuisplaatsing volgen. Bij eerstgenoemde beslissingen krijgen de verdragsstaten een grote beoordelingsruimte, omdat in de verdragsstaten verschillend wordt gedacht over de noodzaak om in te grijpen in het gezin. Bij beslissingen die volgen op de uithuisplaatsing, zoals over de vraag waar het kind komt te wonen, bestaat minder beoordelingsruimte. Het EHRM geeft in dat kader steeds aan dat het doel van een uithuisplaatsing in beginsel is om het gezin te herenigen.
22 Uit artikel 8 EVRM volgt een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk wordt herenigd.
23
De Hoge Raad heeft in een beschikking van vorig jaar in grote lijnen een kader geschetst met betrekking tot het bij beslissingen over jeugdbeschermingsmaatregelen in acht te nemen recht op eerbiediging van gezinsleven (art. 8 EVRM) , als volgt (voetnoten weggelaten en onderstreping van mij):
24
“3.2.1 In de klachten over de toepassing van art. 8 lid 2 EVRM ziet de Hoge Raad, mede gelet op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder een uitspraak van het EHRM van 15 april 2025 in een zaak tegen Nederland, aanleiding om het volgende op te merken over het bij beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen in acht te nemen recht op eerbiediging van gezinsleven (art. 8 EVRM) .
Beslissingen op grond van afdeling 4 (Ondertoezichtstelling van minderjarigen) en afdeling 5 (Beëindiging van het ouderlijk gezag) van titel 14 van Boek 1 BW en de uitvoering daarvan kunnen, en zullen in veel gevallen, een inmenging vormen in het tussen een kind en zijn ouder of ouders bestaande gezinsleven (‘family life’) zoals beschermd door art. 8 EVRM. Een zodanige beslissing zal derhalve moeten voldoen aan de in art. 8 lid 2 EVRM gestelde vereisten dat zij bij de wet is voorzien, dat zij een legitiem doel dient, zoals de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, en dat zij kan worden beschouwd als in een democratische samenleving noodzakelijk. Dit laatste vereiste vergt onder meer dat het legitieme doel niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden bereikt en dat daaraan een redelijke afweging (‘fair balance’) van de betrokken belangen ten grondslag ligt. Een en ander geldt ook voor een beslissing op een door een ouder gedaan verzoek op de voet van art. 1:277 BW om in het gezag over een kind te worden hersteld.
Bij alle beslissingen waar het gezinsleven van kinderen in het geding is, komt aan de belangen van het kind groot gewicht toe. Waar het gaat om de verzorging en opvoeding van kinderen en om beperkingen in de omgang, moeten de belangen van het kind volgens het EHRM voor andere overwegingen komen.
Bij het beoordelen van de noodzaak om de zorg over een kind geheel of gedeeltelijk aan een ander dan de ouder of ouders toe te vertrouwen – zoals het geval is als het kind onder toezicht wordt gesteld en uit huis wordt geplaatst (art. 1:255 BW en art. 1:265a BW) – komt in het algemeen aan de nationale rechter een ruime beoordelingsruimte toe. Daarbij is van belang dat het in beginsel gaat om tijdelijke maatregelen die op zichzelf geen volledige ontneming van het gezinsleven inhouden. Louter financiële problemen van een ouder vormen geen voldoende grondslag om de ouder de zorg over een kind te ontnemen.
Is de zorg over een kind aan een ander dan de ouder of ouders toevertrouwd, dan heeft de overheid een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk wordt herenigd. Deze verplichting gaat steeds zwaarder wegen, omdat tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de verhoudingen tussen het kind en de ouder van wie het gescheiden is. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind en het grote gewicht van dat belang. Alle inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëigend, het gezinsverband te herstellen (‘family reunification’). Het is derhalve van groot belang dat de wijze waarop de omgang tussen het kind en de ouder of ouders wordt geregeld, daadwerkelijk, maar zonder dat het kind wordt blootgesteld aan onevenredige hardheid (‘undue hardship’), het doel dient van hereniging van kind en ouder of ouders. In het algemeen zullen daarvoor omgangsregelingen waarbij tussen de omgangsmomenten intervallen verstrijken van weken – of zelfs maanden –, niet volstaan.
De conclusie dat, wanneer een aanmerkelijke periode is verstreken nadat het kind oorspronkelijk onder de zorg van de overheid is gekomen, het doel van hereniging van het kind en de ouder of ouders zich niet langer verdraagt met het belang van het kind, mag slechts worden getrokken na zorgvuldige overweging en met in aanmerking nemen van de positieve verplichting van de overheid om hereniging van kind en ouder of ouders te bevorderen.
In het besluitvormingsproces over kinderbeschermingsmaatregelen dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met het belang van de ouder of ouders. De opvattingen en belangen van de ouders moeten naar behoren in aanmerking worden genomen en het beslissingsproces dient zodanig te zijn dat de ouders in staat zijn om tijdig gebruik te maken van beschikbare rechtsmiddelen. De ouders moeten in zodanige mate in het gehele besluitvormingsproces worden betrokken dat hun belangen naar behoren worden beschermd en zij volledig in staat zijn om hun zaak naar voren te brengen. Daarbij moet ertegen gewaakt worden dat door enkel tijdsverloop in het nadeel van ouders wordt beslist. Of de rechter een deskundige dient te raadplegen over de vraag in hoeverre omgang kan plaatsvinden, hangt af van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het is aan de rechter om het voorhanden bewijs te waarderen.
Het EHRM beziet bij de beoordeling van klachten over schending van art. 8 EVRM de zaak in haar geheel (‘the case as a whole’) en betrekt daarbij zo nodig in bepaalde mate ook eerdere procedures en beslissingen. Daarbij is het EHRM zich ervan bewust dat deze retrospectieve wijze van beoordeling kan afwijken van die van instellingen van jeugdbescherming en rechters, die beslissingen moeten nemen op basis van de omstandigheden waarin het kind en betrokken gezinsleden verkeren op het moment van de beslissing en met het oog in de eerste plaats gericht op de toekomst.”
Zoals ook blijkt uit r.o. 3.2.7 van deze beschikking, vloeien uit artikel 8 EVRM ook procedurele waarborgen voort voor uithuisplaatsingen van minderjarigen, naast de in artikel 6 EVRM vervatte waarborgen. De besluitvorming moet eerlijk zijn en zodanig zijn ingericht dat naar behoren rekening wordt gehouden met de door artikel 8 EVRM beschermde belangen.
25
Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van een ondertoezichtstelling, machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke en lichamelijke gesteldheid (zie art. 1:265b lid 1 BW) . Een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden gedaan door de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (zie lid 1), en daarnaast door de raad of het openbaar ministerie (zie lid 2).
Een ouder kan niet verzoeken om een machtiging tot uithuisplaatsing of verlenging daarvan.
Wel is de ouder met gezag vanzelfsprekend belanghebbende (art. 798 lid 1 Rv) in een procedure waarin een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht.
26 Door die machtiging wordt ook de ouder immers rechtstreeks geraakt in zijn recht op family life als bedoeld in artikel 8 EVRM. In de hoedanigheid van belanghebbende kan een ouder wel hoger beroep instellen tegen een (toewijzende) beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot verlening of verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing.
27
De rechter kan niet ambtshalve een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen of verlengen.
Uit de wetgeving blijkt niet van een expliciete voorkeur voor een netwerkplaatsing.
28
Verhouding kinderrechter – GI ten aanzien van de plaats van tenuitvoerlegging machtiging
De GI is verantwoordelijk voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen (zie art. 3.2 lid 1 Jeugdwet) . Als het gaat om een machtiging tot uithuisplaatsing, behoort tot die uitvoering ook de plaatsing van een minderjarige, in een pleeggezin, een gezinshuis of residentiële instelling. Als een minderjarige uit huis wordt geplaatst, bepaalt de gecertificeerde instelling dus de verblijfplaats van de minderjarige. Daarbij is de GI wel gebonden aan de door de kinderrechter bepaalde grenzen van de machtiging tot uithuisplaatsing wat betreft duur en plaats.
29
De kinderrechter beslist op zijn beurt evenwel op verzoek van de GI. Dat doet de vraag rijzen hoe ver de vrijheid van de kinderrechter reikt om in de machtiging grenzen te stellen ten aanzien van de plaats van uithuisplaatsing en zich aldus te mengen in de tenuitvoerlegging van de machtiging. Als de GI verzoekt om plaatsing in een specifieke soort voorziening of op een specifieke plaats, heeft de kinderrechter dan onder omstandigheden ruimte om daarvan af te wijken? Of is de kinderrechter op zijn beurt gehouden met zijn machtiging te blijven binnen de reikwijdte van het verzoek van de GI?
Om hier zicht op te krijgen, lijkt het dienstig om terug te gaan naar de herziening van de jeugdbeschermingswetgeving, waarbij de voorloper van artikel 1:265b BW, artikel 1:261 BW (oud), werd ingevoerd.
1995-2005
De huidige rolverdeling tussen de kinderrechter en de GI, en deze scheiding tussen uitvoering van (door de GI) en beslissing over (door de rechter) de machtiging uithuisplaatsing is niet altijd zo geweest.
Tot 1995 vervulde de kinderrechter in geval van ondertoezichtstelling een dubbelrol, met zowel een rechtsprekende als een uitvoerende taak. Laatstgenoemde taak kwam erop neer dat de kinderrechter was belast met de leiding over het toezicht dat door de gezinsvoogd werd uitgeoefend. Met de invoering van de wet herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling
30 kwam in 1995 aan die dubbelrol van de kinderrechter een einde en werd de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waaronder de plaatsing van de minderjarige in geval van uithuisplaatsing, opgedragen aan de gezinsvoogdij-instelling (de voorloper van de gecertificeerde instelling).
31
Artikel 1:261 lid 1 BW (oud), dat de voorloper is van het huidige artikel 1:265b lid 1 BW, kwam met de wijziging in 1995 als volgt te luiden (onderstreping hierna steeds van mij):
1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
(…)
In de memorie van toelichting bij deze wet werd over de taakverdeling tussen rechter en de gezinsvoogdij-instelling in het kader van uithuisplaatsing in zijn algemeenheid het volgende opgemerkt:
“De verschuiving van de uitvoerende taken naar de gezinsvoogdij-instelling komt voorts tot uiting in de taken die zij krijgt ten aanzien van de uithuisplaatsing. In het voorgestelde systeem zal een uithuisplaatsing in beginsel berusten op een rechterlijke machtiging (artikel 261). Het plaatsen in een concrete voorziening of in een concreet pleeggezin echter behoort tot de taak van de gezinsvoogdij-instelling, evenals het nemen van het initiatief tot uithuisplaatsing. (…) De rechter kan niet langer ambtshalve een kind uithuisplaatsen. Evenmin kan hij een tehuis aanwijzen waar de gezinsvoogdij-instelling de minderjarige niet wil plaatsen. (…)
32
(…)
Ik meen dat een efficiënte hulpverlening en een duidelijke en goede rechtspositie van de betrokken ouders en minderjarige het best gediend zijn met een systeem waarin weliswaar de gezinsvoogdij-instelling de uithuisplaatsing initiëert, maar haar bevoegdheid tot plaatsing ontleent aan de machtiging van de kinderrechter die deze machtiging voor een bepaald doel verleent en voor de duur van ten hoogst een jaar, welke termijn door de rechter telkens verlengd kan worden met een jaar. Binnen de grenzen van de machtiging bepaalt de gezinsvoogdij-instelling de concrete verblijfplaats van de minderjarige. (…) Een systeem waarbij uithuisplaatsing gebaseerd is op een rechterlijke machtiging waaraan voorafgaand ouders en minderjarige kunnen worden gehoord, verdient vanuit een oogpunt van rechtsbescherming de voorkeur boven een systeem waarin de gezinsvoogdij-instelling (…) de bevoegdheid heeft de beslissing tot uithuisplaatsing zelf te nemen. (…)
33
(…)
De scheiding tussen rechtspraak en uitvoering van de ondertoezichtstelling brengt ouders, minderjarigen en pleegouders in een betere rechtspositie. De rechter zal immers bij conflicten tussen ouders, pleegouders en minderjarigen enerzijds en de gezinsvoogdij-instelling anderzijds meer dan thans als onbevangen tegenover de hem voorgelegde conflicten kunnen gelden. De rechter beslist op verzoek en is slechts voor rechtspraak inzake in de wet genoemde conflicten toegankelijk. (…)
34
(…)
(…) De kinderrechter heeft geen bemoeienis meer met het zoeken van een voor het kind geschikt tehuis (…) Daarentegen zullen de gezinsvoogdij-instellingen zwaarder worden belast. Voor zover zij dit thans niet reeds doen, zullen zij het tehuis of het pleeggezin moeten uitzoeken en de plaatsing moeten effectueren. (…)
35
(…)
De beslissing van de rechter beperkt zich tot machtiging. De rechter plaatst niet zelf. De machtiging geeft de gezinsvoogdij-instelling de bevoegdheid het kind te plaatsen in een in de machtiging aangegeven voorziening. De gezinsvoogdij-instelling oefent deze bevoegdheid – binnen de verstrekte machtiging – naar eigen inzicht uit. Zij zal daartoe in de Wet op de jeugdhulpverlening worden aangewezen als plaatsende instantie.
36”
In de artikelsgewijze toelichting op voornoemd artikel 1:261 BW (oud) is verder over de verhouding tussen het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling en de beslissing van de kinderrechter binnen die nieuwe rolverdeling het volgende te lezen:
37
“Hoever de machtiging reikt, wordt allereerst bepaald door het verzoek waarin de gezinsvoogdij-instelling ingevolge het eerste lid moet vermelden voor welke voorziening dan wel soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging gevraagd wordt. Deze bepaling is een nadere invulling van het algemene motiveringsvereiste dat voor verzoeken aan de rechter geldt. Vraagt de gezinsvoogdij-instelling machtiging tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg, dan kan de machtiging slechts daarvoor worden verleend en niet voor bijvoorbeeld plaatsing in een internaat voor zeer intensieve behandeling. Voorts wordt de reikwijdte beperkt door de beoordeling van het verweer van de ouder en het standpunt van de minderjarige van twaalf jaar of ouder en ander belanghebbenden door de rechter. Indien de gezinsvoogdij-instelling machtiging verzoekt de minderjarige te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en de rechter is met de ouders van oordeel dat plaatsing in een met name genoemd pleeggezin niet in het belang is van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, kan de rechter bepalen dat de machtiging wordt verleend voor plaatsing in een voorziening voor pleegzorg, behalve voor verblijf in dat ene pleeggezin. Evenzeer is denkbaar dat de gezinsvoogdij-instelling een machtiging vraagt om de minderjarige in elk geval uit huis weg te kunnen halen teneinde hem te plaatsen in een tehuis of een voorziening voor pleegzorg. Indien de rechter dit in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk acht, zal hij machtiging voor beide soorten voorzieningen verlenen. Vraagt de gezinsvoogdij-instelling machtiging voor plaatsing in een tehuis voor buitengewone behandeling, dan beperkt de machtiging van de rechter zich tot dit tehuis. De kinderrechter kan niet een beslissing nemen die machtigt tot plaatsing in een voorziening waar de gezinsvoogdij-instelling niet om gevraagd heeft.
(…) Het College van advies voor de justitiële kinderbescherming (…) acht een machtiging tot plaatsing in soorten voorzieningen te algemeen en onvoldoende duidelijk voor betrokkenen; het bepleit in alle gevallen waarin de instelling tot uithuisplaatsing wil overgaan, het overleggen aan de kinderrechter van een expliciete keuze van de plaatsing.
Mijn indruk is evenwel dat het gekozen systeem van machtigingen enerzijds de gezinsvoogdij-instelling niet nodeloos in haar handelen beperkt, maar anderzijds voldoende beperkingen bevat om aan betrokkenen duidelijkheid te verschaffen over de betekenis van een door de rechter verleende machtiging.
Zo geeft de vermelding «voorziening voor pleegzorg» als soort voorziening aan dat het niet de bedoeling is dat het kind naar een tehuis gaat en geeft andersom de vermelding «voorziening voor verzorging en opvoeding» als soort voorziening aan, dat niet aan een pleeggezin moet worden gedacht. (…) Indien de ouder of de minderjarige van mening is dat een machtiging als verzocht een te algemene bevoegdheid aan de gezinsvoogdij-instelling geeft, kan dit bij de rechter naar voren worden gebracht. Zonodig kan de rechter de machtiging beperken tot een bepaald tehuis. In een later stadium kunnen ouder en minderjarige zich ingevolge artikel 263, tweede lid [het huidige art. 1:265d lid 2; AG], bij de gezinsvoogdij-instelling en vervolgens bij de rechter verzetten tegen de concrete invulling van die machtiging door de gezinsvoogdij-instelling. Voorts zijn er de zaken waarin de gezinsvoogdij-instelling haar verzoek reeds onmiddellijk beperkt tot een concrete voorziening. Dit zal het geval kunnen zijn wanneer de gezinsvoogdij-instelling niet met betrokkenen tot overeenstemming is kunnen komen over de wenselijkheid van een bepaalde machtiging. Het meningsverschil zal dan bij de behandeling van het verzoek bij de rechter worden besproken en een beslissing zal worden genomen.
Anderzijds is het in bepaalde omstandigheden wenselijk dat de gezinsvoogdij-instelling zelf een keuze kan maken uit verschillende tehuizen binnen dezelfde soort voorzieningen zonder daar steeds toestemming voor aan de rechter te vragen. In de huidige praktijk van de ondertoezichtstelling komt het regelmatig voor, dat de kinderrechter in korte tijd verscheidene opeenvolgende beschikkingen tot uithuisplaatsing moet geven vanwege de overplaatsing van een kind naar een ander tehuis zonder dat de opvattingen van de ouder en de minderjarige over uithuisplaatsing zijn veranderd. Door het mogelijk maken van een meer algemene machtiging wordt voorkomen dat voor dergelijke verhuizingen binnen eenzelfde soort voorzieningen zonder noodzaak steeds een rechterlijke beslissing vereist is. (…)”
Hieruit blijkt mijns inziens dat de wetgever bij de wijziging van 1995 samengevat het volgende voor ogen had. De kinderrechter is gebonden aan het verzoek in die zin dat hij alleen een machtiging kan verlenen voor de daarin door de gezinsvoogdij-instelling vermelde voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats. Binnen de grenzen van het aldus door de gezinsvoogdij-instelling gespecificeerde verzoek heeft de kinderrechter wel de ruimte om, bijvoorbeeld naar aanleiding van het verweer van een ouder, een nadere specificering aan te brengen door een machtiging te verlenen voor een specifieke plaats, of juist een specifieke plaats uit te sluiten binnen de verzochte categorie (dan wel, zo voeg ik daaraan toe, het verzoek af te wijzen).
38 De kinderrechter kan evenwel ook een nadere specificering achterwege laten en een meer algemene machtiging verlenen voor plaatsing in de door de gezinsvoogdij-instelling verzochte soort voorziening(en). Wel moet de machtiging tot uithuisplaatsing zodanig concreet zijn dat niet iedere vorm van uithuisplaatsing aan de gezinsvoogdij-instelling wordt overgelaten.
39
Een verweer van een ouder lijkt in dit vanaf 1995 geldende systeem niet te kunnen leiden tot iets anders dan afwijzing van het verzoek, dan wel verlening van een in reikwijdte beperktere machtiging dan door de gezinsvoogdij-instelling was verzocht. Voor het naar aanleiding van een zodanig verweer verlenen van een machtiging voor plaatsing in een ander (soort) voorziening of verblijfplaats dan door de gezinsvoogdij-instelling was verzocht, lijkt – gelet op de gebondenheid van de rechter aan het verzoek, dat op grond van de wet (artikel 1:261 BW (oud)) moest zijn toegespitst op een bepaalde (soort) voorziening of andere verblijfplaats – geen plaats te zijn geweest.
In de tot 2005 geldende Wet op de jeugdhulpverlening
40 was de term “voorziening” in artikel 1 lid 1, onder d, gedefinieerd als ‘een aanbod van jeugdhulpverlening’. In artikel 1 lid 2 werd de jeugdhulpverlening onderscheiden in de volgende typen:
a. pleegzorg: hulpverlening bestaande uit het bieden van opneming in een pleeggezin en de daarmee verband houdende begeleiding van pleegkinderen, pleegouders, ouders en stiefouders;
b. residentiële hulpverlening: hulpverlening waarbij een jeugdige wordt opgenomen in een tehuis waarin dag en nacht hulp wordt geboden;
c. semi-residentiële hulpverlening: hulpverlening waarbij een jeugdige regelmatig gedurende een deel van een etmaal in een daartoe bestemde inrichting verblijft;
d. ambulante hulpverlening: hulpverlening, anders dan bedoeld onder a, b of c.
In de evaluatie van deze herziene jeugdbeschermingswetgeving
41 is onder meer geconstateerd dat kinderrechters in de praktijk verschilden in de wijze waarop zij beslisten op een verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing, en dat er ook onderlinge verschillen waren in de te onderscheiden categorieën machtigingen. Door sommige kinderrechters werden vier categorieën machtigingen onderscheiden (residentieel, pleegzorg, pleeggezin en gesloten plaatsing), terwijl andere kinderrechters elf verschillende mogelijke categorieën machtigingen hanteerden.
42 In deze evaluatie werd verder ook geconstateerd dat de gezinsvoogdij-instellingen in de praktijk veelal een algemene machtiging uithuisplaatsing verzochten, omdat dit meer mogelijkheden tot plaatsing biedt en hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe machtiging moet worden verzocht wanneer de beoogde plek niet aansluit bij het in de machtiging genoemde type instelling, en dat het per kinderrechter verschilde hoe met een verzoek om een algemene machtiging werd omgegaan.
2005-2015
Artikel 1:261 BW (oud) werd in 2005 ingrijpend gewijzigd. Die wijziging hield verband met de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg
43 (hierna: de Wjz), die de Wet op de jeugdhulpverlening verving. In de Wjz was een centrale rol weggelegd voor bureau jeugdzorg (preciezer: een stichting als bedoeld in artikel 1 Wjz die een bureau jeugdzorg in stand houdt), die als algemene taak had om te beoordelen of een cliënt
44 is aangewezen op zorg en, zo ja, op welke zorg (indicatiestelling). Bureau jeugdzorg werd daarbij ook verantwoordelijk voor de uitvoering van maatregelen van jeugdbescherming, en nam in zoverre de taken van de gezinsvoogdij-instellingen over.
Een van de uitgangspunten van de Wjz was dat aanspraak op jeugdzorg ingevolge de Wjz slechts bestond als bureau jeugdzorg een besluit had genomen waaruit bleek dat een cliënt op die zorg was aangewezen (art. 3 lid 3 Wjz). Ingevolge artikel 6 lid 1 Wjz nam bureau jeugdzorg een besluit waarbij werd vastgesteld dat een cliënt was aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5 lid 2 Wjz (hierna: indicatiebesluit), waarin zij onder meer een beschrijving gaf van de problemen of dreigende problemen van de cliënt alsmede van de in verband daarmee benodigde zorg, en een advies gaf wie de zorg kon(den) verlenen (zie aanhef en onder a, b en e).
De aanspraken op jeugdzorg ingevolge de Wjz waren nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wjz.
45 In artikel 2 van dit Uitvoeringsbesluit was bepaald wat de aanspraak op jeugdzorg ingevolge de Wjz omvatte, te weten jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek. De categorie “verblijf” viel daarbij uiteen in verblijf bij een pleegouder dan wel verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder; zie artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wjz.
Het inzetten van jeugdzorg kon ook geïndiceerd zijn in het kader van de uitvoering van een maatregel van jeugdbescherming, bijvoorbeeld wanneer een kind in het kader van een ondertoezichtstelling uit huis moest worden geplaatst in een pleeggezin. Een indicatiebesluit van bureau jeugdzorg kon dus ook strekken tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van een ondertoezichtstelling. In dat geval moest in het indicatiebesluit worden aangegeven welk soort uithuisplaatsing aangewezen was en waarvoor dus een machtiging werd gevraagd: ofwel voor plaatsing in een pleeggezin, ofwel voor plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder.
46 Dit laatste volgt uit artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit Wjz.
47
Voor het geval het indicatiebesluit strekte tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling, was in artikel 3 lid 4 Wjz bepaald dat het indicatiebesluit niet in werking trad dan nadat de machtiging van de kinderrechter als bedoeld in artikel 1:261 BW (oud) was verkregen.
48
In verband met het voorgaande, werd als gezegd artikel 1:261 BW (oud) ook gewijzigd. Art. 1:261 BW (oud) kwam daarbij als volgt te luiden:
1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2. Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
3. In afwijking van de eerste volzin van het tweede lid kan in de gevallen, omschreven in de regels, gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg, van artikel 11a, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en van artikel 9b, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend zonder een daartoe strekkend besluit. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt in dat geval totdat een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is genomen. De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg strekt tot uithuisplaatsing.
4. De kinderrechter kan eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met niet-tenuitvoerlegging instemt.
(…)
Deze bepaling laat zien dat – in het geval dat uithuisplaatsing betrekking heeft op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5 lid 2 Wjz
49 – een nauwe band bestond tussen het indicatiebesluit van bureau jeugdzorg en de door de rechter te verlenen machtiging.
50 Het indicatiebesluit, waarin dus onder meer door bureau jeugdzorg moest worden vermeld welke zorg benodigd was, zoals plaatsing in een pleeggezin of in een instelling, vormde daarbij de grondslag waarop de kinderrechter een beslissing neemt.
51
In gevallen waarin de uithuisplaatsing géén betrekking heeft op jeugdzorg als bedoeld in artikel 5 lid 2 Wjz
52 was een indicatiebesluit niet nodig, maar moest op grond van artikel 1:261 lid 2 Wjz alsnog in het verzoekschrift worden vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
Over de betekenis van het indicatiebesluit in de procedure waarin een machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht, en de taak van de kinderrechter in dit verband, is in de memorie van toelichting bij de Wjz het volgende vermeld (onderstreping van mij):
53
“De stichting bepaalt, ook indien zij haar taken uitoefent in het kader van de maatregel van ondertoezichtstelling, met uitsluiting van anderen op welke jeugdzorg de minderjarige is aangewezen. Voor een geïndiceerde uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling betekent zulks, dat voortaan het verzoek om machtiging gericht dient te zijn op effectuering van het besluit waarbij is vastgesteld op welke jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, de cliënt is aangewezen. Dit indicatiebesluit dient derhalve aan de kinderrechter te worden overgelegd. (…) De ouders die het gezag uitoefenen en de minderjarige kunnen tegen dit indicatiebesluit bezwaar hebben. Blijkens artikel 3, vierde lid, van het wetsvoorstel, treedt het indicatiebesluit eerst in werking nadat daartoe de machtiging van de kinderrechter is verkregen. Eerst dan is van een opeisbaar recht op jeugdzorg sprake. (…) Het indicatiebesluit bevat een concrete aanduiding van de jeugdzorg waarop de betrokkene is aangewezen. Het indicatiebesluit vormt dan ook de grondslag waarop de kinderrechter een beslissing neemt. Hierbij past ook dat de kinderrechter, indien hij zich niet met het indicatiebesluit kan verenigen, dit uitsluitend kan vernietigen. Het gevolg is dat de uithuisplaatsing niet kan worden gerealiseerd. Voor een andere uithuisplaatsing, waartoe de stichting zou willen overgaan, zal dus opnieuw machtiging dienen te worden gevraagd. De kinderrechter kan de machtiging uiteraard ook verlenen. Bij dit laatste past wel dat de kinderrechter ook de duur van deze vorm(en) van jeugdzorg op een kortere termijn kan vaststellen dan die welke het indicatiebesluit van de stichting aangeeft. (…) Op de geschetste wijze wordt, gegeven de aard van het indicatiebesluit van de stichting, op adequate wijze recht gedaan aan de verantwoordelijkheid van de kinderrechter om de te plegen inbreuk op de grondrechten van de minderjarige, zijn ouders of voogd, die een uithuisplaatsing als zodanig is, te toetsen.”
De gebondenheid van de kinderrechter aan het verzoek lijkt er hiermee niet minder op te zijn geworden. Maar welke speelruimte de kinderrechter na inwerkingtreding van de Wjz nog had om een stempel te drukken op de plaats van tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing, daar werd in rechtspraak en literatuur verschillend over gedacht.
54
2015-heden
In 2015 trad de Jeugdwet
55 in werking en werden de maatregelen van jeugdbescherming herzien.
56 De GI nam de positie van de bureaus jeugdzorg over en er werd afscheid genomen van de constructie van een indicatiebesluit dat de grondslag vormde voor de beslissing van de kinderrechter ter zake van de machtiging tot uithuisplaatsing.
De machtiging tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling wordt met ingang van 1 januari 2015 geregeld in artikel 1:265b BW. Deze bepaling is daarbij – na wijziging bij de inwerkingtreding van de jeugdwet
57 – als volgt komen te luiden:
1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. (…)
Als gezegd geldt niet meer het vereiste van het indicatiebesluit (voor de GI
58). Artikel 1:265b BW verlangt ook niet meer dat de GI het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing toespitst op een voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats (zoals in periode 1995-2005) of op het indicatiebesluit (zoals in de periode 2005-2015). Blijkens de wetsgeschiedenis is “[e]en beschrijving van de plaats waartoe de machtiging strekt” door de GI voldoende.
59
Op grond van artikel 3.5 van de Jeugdwet is de GI bevoegd te bepalen of, en zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregel. Wel ligt het voor de hand dat de GI alsnog, nu in het verzoekschrift voor de machtiging uithuisplaatsing zelf, vermeldt voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de GI opteert. Doorgaans zullen dit voorzieningen zijn die geboden worden door jeugdhulpaanbieders en dit betreft zowel pleegzorg en gezinshuizen als residentiële voorzieningen.
60 Hierna zal blijken dat de jeugdrechtspraak een lijstje van categorieën in geval van uithuisplaatsing hanteert, waarbij de GI wordt verzocht daarvan uit te gaan in haar verzoek.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:265b BW blijkt niet dat met de wet is beoogd enige verandering te brengen in de hiervoor geschetste taakverdeling tussen de GI (als instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing) en de kinderrechter (die de machtiging tot uithuisplaatsing verleent en de reikwijdte van de machtiging bepaalt, waarbij de rechter gebonden is aan het verzoek).
61
Een van de doelstellingen van de Jeugdwet was om het jeugdstelsel te vereenvoudigen en efficiënter en effectiever te maken, met het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van zijn gezin en sociale omgeving. Volgens de regering was een omslag nodig naar onder meer preventie en uitgaan van eigen verantwoordelijkheid en eigen mogelijkheden (‘eigen kracht’) van jeugdigen en hun ouders, met inzet van hun sociale netwerk.
62
In de Jeugdwet is verder onder meer vastgelegd dat in het geval dat een minderjarige uit huis is geplaatst, de GI ervoor zorg dient te dragen dat de minderjarige, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang van de minderjarige is (zie art. 3.5 lid 2 Jeugdwet in verbinding met art. 2.3 lid 6 Jeugdwet) . In dit verband wordt ook wel van “inhuisplaatsing” gesproken. De desbetreffende bepalingen zijn bij amendement in de wet gekomen. Dat amendement is als volgt toegelicht:
63
“Op grond van artikel 20 IVRK is de Staat verplicht extra bescherming te bieden aan kinderen die niet in hun eigen gezin kunnen verblijven. Om die reden beoogt dit amendement als kwaliteitseis aan het college en gecertificeerde instellingen te stellen dat gewerkt wordt volgens het principe dat bij uithuisplaatsing plaatsing een inhuisplaatsing in een gezinsomgeving de voorkeur heeft boven plaatsing in een instelling. Dit betekent dat jeugdigen in die situatie in de pleegzorg terecht zullen komen, meer specifiek in netwerkpleeggezinnen, bestandspleeggezinnen en gezinshuizen. Plaatsing van de jeugdige in een instelling is ten gevolge van dit amendement alleen mogelijk als dit aantoonbaar in het belang is van de jeugdige.”
Deze wettelijke voorkeur voor “inhuisplaatsing” heeft ook zijn weg gevonden naar de Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing 2023
64, waar in artikel 3.3.1 onder meer staat:
“Bij een uithuisplaatsing zijn er diverse mogelijkheden:
Pleegzorg binnen de eigen familie, in het netwerk of een bestandsgezin.
Deeltijd pleegzorg.
Gezinshuis.
Residentiële leef- of behandelgroep.
Is het besluit tot een uithuisplaatsing genomen, dan zoek je als jeugdprofessional in nauw overleg met de ouders een plek waar het kind ‘zo thuis mogelijk’ kan opgroeien. Tegelijk houd je vanaf het begin de mogelijkheid open dat het kind later weer thuis kan gaan wonen. Je hebt dus altijd het langetermijnperspectief voor ogen.
‘Zo thuis mogelijk opgroeien’ houdt het volgende in:
Het kind verblijft bij voorkeur in een gezinssetting (binnen de eigen familie, een pleeggezin of gezinshuis). Want een zo normaal mogelijke opvoedingssituatie biedt de meeste kans op een gezonde ontwikkeling. Vooral jonge kinderen hebben meer baat bij een pleegzorgplaatsing dan bij een residentiële plaatsing. De kleinschalige gezinssetting lijkt betere mogelijkheden te geven voor hechting en een individuele benadering.
Het kind groeit zo dicht mogelijk bij (t)huis op, blijft naar de eigen school gaan en kan meedoen aan maatschappelijke activiteiten (hobby, sport, bijbaan).
Het kind blijft contact houden met andere belangrijke betrokkenen (familie en vrienden).
(…)”
Wetsevaluatie en zelfreflectie familie- en jeugdrechters: actievere jeugdrechters?
Uit zowel de Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen uit 2022 als het zelfreflectierapport van de familie- en jeugdrechters uit 2023 rijst het beeld op van actieve en kritische jeugdrechters, die tegelijkertijd worstelen met de legitimiteit van hun actieve rol.
65 Als reden voor de actieve, meer sturende rechter worden de problemen in het huidige stelsel van jeugdbescherming en hulpverlening genoemd, waarbij in het bijzonder gedacht moet worden aan de wachtlijsten en de tekorten aan jeugdbeschermers en onvoldoende beschikbare passende jeugdhulp. Zo is de GI voor het inzetten van jeugdhulp weer afhankelijk van de jeugdhulp die een (willekeurige) gemeente heeft ingekocht.
66 Waar de uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel als gevolg van deze problemen stokt, nemen de jeugdrechters in jeugdbeschermingszaken een actievere rol in.
67
Specifiek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing stuurt de jeugdrechter op twee manieren. Ten eerste kan de rechter de machtiging voor een kortere periode dan verzocht toewijzen, onder aanhouding voor de resterende duur. Op deze manier kan de rechter een vinger aan de pols houden. Na aanhouding komt de zaak immers weer op zitting en kan de rechter opnieuw toetsen.
68 Uit de analyse van de feitenrechtspraak (zie hierna onder 3.58 e.v.) blijkt dat de rechter van deze mogelijkheid ook gebruik maakt, om de GI gedurende de toegewezen kortere periode nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid van een plaatsing op een andere plek dan door de GI verzocht, bijvoorbeeld een netwerkplaatsing of een uithuisplaatsing bij de andere ouder.
Een tweede manier waarop de rechter kan sturen, is het beperken van de machtiging tot een specifieke plaats binnen de door de GI verzochte categorie of juist het uitsluiten van een specifieke plaats binnen die categorie. Stel dat de GI heeft verzocht een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, kan de rechter sturen door te bepalen dat het kind uitsluitend in een bepaald (netwerk)pleeggezin geplaatst mag worden of juist niet in bepaald pleeggezin geplaatst mag worden (zie voor deze categorieën in het procesreglement Civil jeugdrecht en voor voorbeelden uit de feitenrechtspraak hierna onder 3.58 e.v.).
69 Ter illustratie wijs ik hier op de volgende citaat van een rechter in de Eindevaluatie:
70
“Ook proberen rechters zich soms inhoudelijk uit te spreken ondanks dat dit niet wettelijk zo is geregeld. Zo beantwoordde een rechter de vraag “zou u de mogelijkheid willen hebben om een specifieke machtiging uithuisplaatsing te benoemen?” als volgt: “ja, dat doe ik, als ik het aangewezen vind doe ik dat zeker. Ik heb in het verleden echt wel uithuisplaatsingen toegewezen en ik het zie zo: als het meerdere wordt verzocht, vind ik dat ik het mindere kan toewijzen? Als er een pleegzorgplaatsing wordt verzocht en ik vind dat het kind bij oma moet, als pleegouder, dan zeg ik gewoon pleegzorg te weten bij oma […] dan vragen ze machtiging plaatsing in een pleeggezin, maar ik weet dat als ik die machtiging toewijs dan zouden ze in theorie met die machtiging ook elders kunnen plaatsen en dan denk ik van ja, ik vind dit [plaatsing bij oma] nu noodzakelijk, maar ik zou wel graag een toetsing willen als het kind elders geplaatst moet worden. Dus als ik het zo beperk dan moeten ze wel weer naar een kinderrechter” (R9, rechter).”
Uit het zelfreflectierapport blijkt dat GI’s en advocaten kritisch zijn over een dergelijke actieve sturing en bemoeienis met de uitvoering door de jeugdrechter:
71
“De medewerkers van de GI vinden het ook niet prettig als de jeugdrechter bepaalt welke specifieke hulp moet worden ingezet. De medewerkers van de GI kunnen dit lang niet altijd realiseren omdat bijvoorbeeld de gemeente deze hulp niet heeft ingekocht of niet wil financieren; soms deelt de zorgaanbieder mee dat hij het dossier zelf ook kent en heel andere hulp passend vindt. De medewerkers van de GI hebben geen ‘toverstaf’ om de opgelegde hulp ook daadwerkelijk te kunnen realiseren.
(…)
Raadsmedewerkers en de medewerkers van de GI vinden het juist onwenselijk om een ondertoezichtstelling voor kortere duur uit te spreken, louter om de ‘vinger aan de pols’ te houden. In dat geval moet de raad tussentijds rapporteren, moet de GI eerder leveren en is er meer administratie. De medewerkers kunnen hun spaarzame tijd ook aan iets anders besteden. Bovendien kan een maatregel voor korte duur volgens hen valse verwachtingen wekken bij de ouders, zet dit druk op het systeem en is het contraproductief. Het levert voor alle partijen veel spanning op en bij een uithuisplaatsing geldt dit zeker voor de kinderen. De ouders krijgen in zo’n geval de neiging om de zitting af te wachten in plaats van mee te gaan werken. Dit is moeilijk voor de jeugdbeschermers.
(…)
De advocaten storen zich aan een verlenging voor korte tijd, wanneer die is bedoeld om de GI in de gelegenheid te stellen het verzoek beter te onderbouwen. De taak en de rol van de jeugdrechter verschuiven daarmee. Als er onvoldoende grondslag is voor de toewijzing van een verzoek, dan moet dat gewoon worden afgewezen, zo vinden advocaten.”
Ook binnen de jeugdrechtspraak zelf wordt verschillend gedacht over de rol van de jeugdrechter in jeugdbeschermingszaken. Van deze verschillen zal ook blijken uit de analyse van de feitenrechtspraak (hierna onder 3.58 e.v.). Er zijn meer lijdelijke jeugdrechters die hun huidige, ten aanzien van de uitvoering, beperkte rol goedvinden en meer actieve jeugdrechters die de huidige mogelijkheden te beperkt vinden.
72 In het zelfreflectierapport is hierover het volgende te lezen (met weglating van de voetnoten):
73
“Er bestaat onder de jeugdrechters eensgezindheid over de noodzaak om in het huidige systeem in jeugdbeschermingszaken een actieve en kritische rol te (blijven) vervullen. De jeugdrechters zijn echter minder eensgezind als het gaat over de vraag hoe de rol van de jeugdrechter er idealiter in jeugdbeschermingszaken uit zou moeten zien, in het bijzonder hoe de regievoerende taak in jeugdbeschermingszaken zou moeten worden ingevuld. De opvattingen variëren tussen een rol voor de jeugdrechter als geschilbeslechter die, voor zover het de uitvoering van de maatregel betreft, zo veel mogelijk op de achtergrond moet blijven, tot een zeer actieve regievoerende jeugdrechter. Deze actieve jeugdrechter zou in die laatste visie meer ambtshalve bevoegdheden moeten hebben in het kader van de uithuisplaatsingen en bijvoorbeeld aanwijzingen moeten kunnen geven aan de GI over de in te zetten hulpverlening en zou daarmee (juist) meer zeggenschap moeten krijgen over de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregel.”
Vanwege deze verschillende opvattingen binnen de jeugdrechtspraak en de kritiek van de ketenpartners op actief sturende rechters roept zowel de eindevaluatie als het zelfreflectierapport op een eenduidige visie te ontwikkelen op de rol van de jeugdrechter. In de eindevaluatie wordt daarbij aanbevolen dat de huidige rol van de jeugdrechter in jeugdbeschermingszaken actiever moet worden. En ook in het zelfreflectierapport worden suggesties gedaan voor meer bevoegdheden voor de jeugdrechter.
74
Feitenrechtspraak
In een bijlage bij het Procesreglement Civiel Jeugdrecht van de rechtbanken worden in geval van uithuisplaatsing de volgende categorieën onderscheiden (inclusief voetnoten):
75
“Bijlage C: Categorieën uithuisplaatsing
De Rechtspraak vraagt de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en het Openbaar Ministerie bij het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265b BW) en het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265c BW) uit te gaan van de volgende lijst met categorieën:
• pleegzorg (bestandspleegzorg en netwerkpleegzorg)
76;
• gezinsgericht (bijvoorbeeld gezinshuizen, GOM-gezinnen, zorgboerderijen);
• accommodatie jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld een behandelinstelling regulier/GGZ/Lvb, waaronder kan worden begrepen: leefgroepen, logeerhuizen, behandelgroepen, fasegroepen en kamertrainingen);
• Wlz-instelling
77;
• overig (bijvoorbeeld bij de andere ouder al dan niet met gezag, op een specifiek adres, in een ziekenhuis, zelfstandige kamerbewoning).”
Ondanks dat de categorieën niet meer in de wet voorkomen, onderscheidt het procesreglement van de rechtbanken deze dus nog wel. Daarmee lijken de rechtbanken er dus van uit te gaan dat in het verzoek nader wordt gespecificeerd voor welke categorie de machtiging uithuisplaatsing wordt verzocht. Vanuit het oogpunt van herkenbaarheid en uniformiteit is een dergelijke lijst handig. In het procesreglement voor de hoven komt een dergelijke lijst met categorieën niet voor.
78 Hierna zal echter blijken dat ook de hoven uitgaan van dergelijke categorieën.
Zoals hiervoor onder 3.58 e.v. al bleek, is de feitenrechtspraak verdeeld over de vraag in hoeverre de rechter zeggenschap heeft over de plaats waar de machtiging uithuisplaatsing wordt uitgevoerd. Ik beperk me in nakomend overzicht tot uitspraken waarin een ouder netwerkplaatsing, en één geval plaatsing bij de ander ouders, wenst, terwijl de GI of de raad het daar niet mee eens is.
Ruime benadering
In de eerste plaats is er een groep uitspraken van rechters die zich bevoegd of zelfs gehouden achten om binnen de verzochte categorie pleegzorg of de categorie gezinshuis nader te specificeren dat de uithuisplaatsing plaatsvindt in een netwerkpleeggezin of bij de andere ouder. Daarbij gaat het vaak om uitspraken van hoven waarbij de door een ouder gewenste netwerkplaatsing de inzet is in hoger beroep, bijvoorbeeld in het geval dat de GI een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg of in een gezinshuis heeft verzocht en de kinderrechter deze als zodanig heeft verleend, en het hoger beroep van een ouder erop is gericht dat de machtiging slechts mag worden tenuitvoergelegd voor plaatsing in een specifiek pleeggezin, te weten een netwerkpleeggezin. Er zijn verschillende uitspraken van hoven waarin in een dergelijke situatie de mogelijkheid van netwerkplaatsing wordt getoetst.
79
Ik wijs daarbij ook op een principieel ingestoken beschikking van het hof Arnhem van 16 februari 2010, dus nog onder de Wet op de jeugdzorg toen nog een indicatiebesluit vereist was.
80 In die zaak had de raad in eerste aanleg een machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen verzocht in een voorziening voor pleegzorg (neutraal pleeggezin), en had de kinderrechter vervolgens, kort gezegd, machtigingen verleend voor de duur van drie weken tot plaatsing in een neutraal pleeggezin met daarop volgend plaatsing in netwerkpleeggezin. In hoger beroep stelden de raad en bureau jeugdzorg zich op het standpunt dat de kinderrechter haar bevoegdheden te buiten is gegaan, en dat deze alleen het verzoek zoals dat is ingediend had kunnen toewijzen, dan wel dat verzoek had kunnen afwijzen. Daarbij betoogden zij onder meer dat bureau jeugdzorg een indicatietaak heeft, en dat uit het systeem van de wet kan worden afgeleid dat het niet de bedoeling is dat de kinderrechter zich bezig houdt met de aard van de te verlenen zorg en de machtiging te beperken tot plaatsing in een netwerk dan wel een neutraal pleeggezin. Het hof overwoog naar aanleiding van dit betoog het volgende (onderstreping hierna steeds van mij):
“4.8 In de literatuur (Doek/Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 6e druk 2009, p. 349/350) is onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage 25 september 1998, FJR 1999, p.85 bepleit dat de kinderrechter de vrijheid heeft het verzoek van ouders te honoreren door te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing zich beperkt tot plaatsing in een met name genoemd pleeggezin en dat het te ver gaat om aan te nemen dat de kinderrechter in absolute zin aan het indicatiebesluit gebonden is als het gaat om de keuze voor een bepaald pleeggezin. Daarbij is aangehaald dat het juist de taak van de kinderrechter is om bij het afgeven van een machtiging het belang van het kind de eerste, zo niet een beslissende overweging te doen zijn (artikel 3 Verdrag inzake de Rechten van het Kind) .
Verder overweegt het hof dat geen twijfel bestaat dat het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 1:261 BW een inbreuk (“interference”) is op het gezinsleven (“family life”) als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM (EHRM Olsson v. Sweden, judgment 24 march 1988). Een dergelijke inbreuk moet bij de wet zijn voorzien, hetgeen het geval is: artikel 1:261 BW, en is op beperkte gronden mogelijk, omschreven in datzelfde artikel 8 lid 2 EVRM, onder meer als de bescherming van de gezondheid dit noodzakelijk maakt. Ook dat is hier niet in geschil. De inbreuk moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, hetgeen een dringende maatschappelijke noodzaak daartoe vereist. In dat kader geldt dat de inbreuk in een redelijke verhouding dient te staan tot de legitieme doelstelling die met de inbreuk wordt nagestreefd. Dit alles is vaste rechtspraak.
De beschermende werking van artikel 8 EVRM brengt voor de nationale autoriteiten niet alleen mee dat zij zich dienen te onthouden van een inmenging in het “family life”, maar houden ook de positieve verplichting in dat de rechten op “family life” effectief worden verzekerd. In dit geschil maken de vader en de moeder uitdrukkelijk aanspraak op deze bescherming, door, zo interpreteert het hof hun stellingen, te betogen dat het opgroeien van [kind 3], [kind 4] en [kind 5] in het brede verband van de (Surinaamse) “extended family” een minder zware inbreuk maakt op de bescherming van hun gezinsleven dan het geval zou zijn bij plaatsing in een neutraal pleeggezin. Zij hebben hun stelling, dat ook bij het verblijf van de kinderen bij de grootmoeder, [belanghebbende sub 2] en [belanghebbende sub 3] de belangen van verzorging en opvoeding die aanleiding gaven tot het verzoek om de machtiging tot de uithuisplaatsing verzekerd zijn, deugdelijk onderbouwd. Het gaat hier om de vaststelling van de burgerlijke rechten van de moeder, de vader en de kinderen. Ingevolge artikel 6 EVRM hebben zij het recht dat de voorgenomen inbreuk op hun ‘family life” door de onafhankelijke rechter wordt getoetst (EHRM B.,H.,O.,R. en W. v. United Kingdom, Publ. EHRM, serie A. Vol. 120 en 121: EHRM, McMichael v. United Kingdom, 24 februari 1995, publ. EHRM, serie A, Vol. 307-B). In het verband van deze toetsing heeft de kinderrechter de bevoegdheid niet alleen om deze in duur te beperken (zoals de raad en de stichting zelf aangeven), maar ook om op het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorg 24-uurs de plaatsing in dit geval specifiek te bepalen in een netwerkpleeggezin. (…)”
Een aantal jaar later ligt bij hof Arnhem-Leeuwarden de vraag naar een netwerkplaatsing voor in een zaak waarin de kinderrechter op verzoek van de raad de machtiging uithuisplaatsing heeft verlengd in een voorziening voor pleegzorg. De moeder gaat van deze uitspraak in hoger beroep, omdat zij een netwerkplaatsing wenst. Het hof overweegt in zijn beschikking uit 2017:
81
“5.2 Naar het oordeel van het hof is de beslissing van de kinderrechter om [kind] in een voorziening voor pleegzorg te plaatsen voor hoger beroep vatbaar. De kinderrechter heeft met deze beslissing het verzoek van de moeder in eerste aanleg om plaatsing van [kind] in een netwerkgezin afgewezen. Dat de moeder dat verzoek (enkel) mondeling heeft gedaan, maakt niet dat zij niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof dient, evenals de kinderrechter in eerste aanleg, het belang van het kind zelfstandig te beoordelen en dit belang ten volle bij zijn beslissing in aanmerking te nemen. Daarbij heeft de rechter ruimte om in de beschikking concreet te benoemen voor welke verblijfplaats de machtiging bedoeld is (zie ook de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7180, JPF 2016/151).
Vervolgens toetst het hof of de door de moeder gewenste netwerkplaatsing bij de grootouders in het belang van het kind is en komt tot het oordeel dat dit in deze zaak het geval is. Het hof vernietigt de beschikking van de kinderrechter uitsluitend voor zover het de beslissing betreft tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin. Het hof lijkt hier binnen de verzochte categorie pleegzorg nader te specificeren dat het om een netwerkplaatsing gaat.
De benadering in de hiervoor besproken uitspraken lijkt mij in lijn met de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis van (de voorlopers van) artikel 1:265b BW en wat daarin is vermeld over de taakverdeling tussen kinderrechter en GI, alsook met het principe dat als het meerdere is verzocht (categorie pleegzorg), de rechter ook het mindere (netwerkpleeggezin) mag toewijzen als dit in dat meerdere ligt besloten.
82
In de volgende twee andere uitspraken betreft de door de rechter bepaalde plaatsing echter een andere categorie dan verzocht. Daarmee neemt de rechter, uitgaand van de categorieën in het procesreglement Civiel Jeugdrecht, dus meer ruimte dan in de vorige uitspraken.
Ik wijs ten eerste op een uitspraak van wederom hof Arnhem-Leeuwarden uit 2018, waarin het hof zich bevoegd achtte te beslissen tot een netwerkplaatsing, terwijl de GI had verzocht om een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie zorgaanbieder, een andere categorie dus.
83 Op dit verzoek had de kinderrechter in eerste aanleg een machtiging tot uithuisplaatsing binnen een gezinshuis verleend, hetgeen strikt genomen ook weer een andere categorie is dan verzocht. Deze beschikking getuigt dus van een rekkelijke benadering, waarbij het hof, met een beroep op “het belang van de verzorging en opvoeding” van de minderjarige (r.o. 5.10), kennelijk de ruimte ziet om in haar beslissing af te wijken van de door de GI verzochte categorie. Het hof motiveert zijn beslissing als volgt:
“5.11 Het hof beschouwt een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar oom en tante (een netwerkplaatsing) als het mindere van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis. Daarom zal het hof, mede nu terugplaatsing van [de minderjarige5] bij de moeder thans niet aan de orde is, de in geding zijnde machtiging vernietigen voor zover die plaatsing bij haar oom en tante te boven gaat.”
In een zaak bij de rechtbank Rotterdam heeft de GI verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.
84 De kinderrechter verlengt de machtiging waarbij hij bepaalt dat de uithuisplaatsing bij de vader plaatsvindt. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt:
“5.2 Het is nu opnieuw aan de kinderrechter om te beoordelen op welke woonplek [minderjarige] het beste kan wonen in afwachting van de resultaten van het KSCD-onderzoek. Er zijn drie opties die moeten worden afgewogen; een plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, bij de vader of bij het pleeggezin in Dordrecht. (…)
(…)
Hoewel er geen verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voorligt, ziet de kinderrechter ruimte om in de beschikking een verzoek tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg te beperken tot een specifiek (pleeg)gezin. Een machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk moet worden gezien als het mindere van een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, en daarom ziet de kinderrechter de ruimte de machtiging met die aanpassing te verlengen.”
De kinderrechter lijkt hier de plaatsing bij vader te zien als een netwerkplaatsing binnen de verzochte categorie pleegzorg. In zoverre zou deze uitspraak ook geschaard kunnen worden onder de hiervoor onder 3.62-3.65 besproken uitspraken. Uitgaand van de categorieën in het procesreglement Civiel Jeugdrecht is een uithuisplaatsing bij een ouder echter een andere categorie dan de verzochte categorie pleegzorg, immers de categorie “overig”.
85 Ook uit deze uitspraak blijkt dus weer dat de feitenrechters de categorieën niet steeds dwingend opvatten, maar er een eigen uitleg of interpretatie van geven. Overigens valt mijns inziens ook informele pleegzorg onder de categorie “overige”. In de hier besproken uitspraken wordt echter in het midden gelaten of het om formele netwerkpleegzorg (categorie pleegzorg) of informele netwerkpleegzorg (categorie overig) gaat. Ik signaleer dit hier, om aan te geven dat de categorieën mijns inziens niet steeds leidend moeten zijn bij het bepalen van de ruimte die de rechter heeft bij zijn beslissing over de plaatsing.
In deze beide uitspraken overweegt het hof resp. de kinderrechter dat de toegewezen plaats (netwerkgezin resp. vader) het mindere is van de verzochte plaats (gezinshuis resp. pleeggezin). Het is de vraag hoe dit moet worden opgevat. Wordt bedoeld dat het gaat om het in processueel opzicht mindere, in die zin dat het verzoek van de GI (gezinshuis of pleegzorg) ook “het mindere” verzoek netwerkplaatsing omvat? Dat zou kunnen. Mijns inziens speelt daarnaast in beide uitspraken in ieder geval ook een rol dat de plaatsing die het hof of de kinderrechter voor ogen staat (een netwerkplaatsing) een minder vergaande, lichtere inbreuk op het family life van ouder en kind is dan de door de GI voorgestane plaatsing. Ik wijs in dat verband ook weer op de principieel ingestoken uitspraak van hof Arnhem uit 2010 (zie hiervoor onder 3.62 e.v.)
86 Ook bij een plaatsing die een minder vergaande inbreuk op het family life maakt kan dus ook van “het mindere” ten opzichte van “het meerdere” verzochte gesproken worden, maar dan niet per se binnen de verzochte categorie. In deze gevallen gaat het nu juist om situaties waarin het verzoek (van de GI) strekt tot een andere categorie dan de (minder ingrijpende) uithuisplaatsing van de minderjarige in het eigen netwerk of bij een ouder.
Strikte benadering
Tegenover de hiervoor besproken uitspraken waarin de rechter ruimte zien om een netwerkplaatsing te bepalen, staan uitspraken waarin de rechter zich hiertoe niet bevoegd acht.
In de eerste plaats zijn er rechters die zich niet bevoegd achten ook maar iets over de plaatsing te zeggen. Ik wijs ter illustratie op twee zaken waarin de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg heeft verleend. In beide zaken gaat een ouder in hoger beroep, omdat zij een netwerkplaatsing wensen. In de eerste zaak heeft hof ’s-Hertogenbosch in een beschikking van 8 november 2018 overwogen dat er geen wettelijke bepaling bestaat die het hof de bevoegdheid geeft om te bepalen waar de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer moet worden gelegd en dat de keuze voor de voorziening voor pleegzorg waar de machtiging ten uitvoer wordt gelegd, is voorbehouden de GI.
87 In een beschikking van 11 mei 2023 overwoog ditzelfde hof in een dergelijk geval dat de rechter in beginsel slechts toetst of aan de gronden voor een (verlenging van een) machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige wordt voldaan en dat het niet de taak van de rechter is om aan de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing van een minderjarige dient te worden gerealiseerd, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in deze zaak geen sprake was, aldus het hof.
88 Deze uitspraken gaan dus in beginsel strikt uit van de sinds 1995 bestaande scheiding tussen het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing door de rechter enerzijds en de uitvoering ervan door de GI anderzijds. Het hof ziet in deze zaken dus ook geen ruimte om binnen de categorie pleegzorg de mogelijkheid van een netwerkplaatsing te onderzoeken.
Van een strikte benadering is ook sprake in de volgende groep uitspraken, waartoe ook de bestreden beschikking behoort. In deze groep acht het hof (steeds Arnhem-Leeuwarden) zich gebonden aan de door de GI verzochte categorie. In deze groep heeft de GI uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder resp. in een gezinshuis verzocht. De kinderrechter heeft deze verzoeken voor de verzochte categorieën toegewezen. Ook in elk van deze zaken wenst een ouder netwerkplaatsing. Nu het hof zich gebonden acht aan de door de GI verzochte categorie, is het van oordeel dat het niet tot een netwerkplaatsing kan beslissen, omdat die tot een andere categorie behoort.
89
Ik ga ter illustratie in op de beschikking van 23 juli 2026 van hof Arnhem-Leeuwarden. In deze zaak betrof het een verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis, dat door de kinderrechter gedeeltelijk was toegewezen (en voor het overige deel was aangehouden). Inzet van de ouders in hoger beroep was dat de minderjarige zou worden overgeplaatst van het gezinshuis naar zijn oma aan vaderszijde. Het hof zag daartoe geen ruimte en hield in zijn beschikking vast aan te onderscheiden categorieën voorzieningen waarvoor een machtiging uithuisplaatsing kan worden verleend, als volgt (voetnoten weggelaten):
90
“5.7. Het hof overweegt dat de rechter in beginsel slechts toetst of aan de gronden voor een (verlening van een) machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige wordt voldaan. Het is dan vervolgens de taak van de GI om uitvoering te geven aan de door de rechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het is in principe niet de taak van de rechter om aan de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing van een minderjarige dient te worden gerealiseerd. De ouders kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter voorleggen. Het gaat hier echter niet om de toepassing van de geschillenregeling, maar om een verzoek tot (verlenging van) een machtiging uithuisplaatsing.
Als een minderjarige uit huis is geplaatst, bepaalt de GI zoals gezegd – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – de verblijfplaats van de minderjarige. Hoe ver de machtiging reikt, wordt allereerst bepaald door het verzoek waarin de GI moet vermelden voor welke categorie voorziening de machtiging gevraagd wordt. Binnen de door de GI gekozen categorie kan de kinderrechter dan bijvoorbeeld bepalen dat er in een specifieke locatie moet worden geplaatst, of een specifieke locatie uitsluiten van plaatsing. De kinderrechter kan niet een beslissing nemen die machtigt tot plaatsing in een categorie voorziening waar de GI niet om gevraagd heeft. De bestreden beschikking is verleend op het verzoek van de GI tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Plaatsing bij oma zou plaatsing in een andere categorie (pleegzorg) betekenen. Dit is echter niet verzocht en het hof kan daarom ook niet beslissen dat plaatsing bij oma (pleegzorg) dient plaats te vinden.”
In twee van deze uitspraken, waaronder de bestreden beschikking, wordt de ouder bovendien niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot netwerkplaatsing, omdat een ouder geen verzoek tot (verlenging van de) machtiging uithuisplaatsing kan doen.
91 In twee van deze zaken toetst het hof op verzoek van de ouders wel of het beperken van de duur van de machtiging uithuisplaatsing in het gezinshuis aangewezen is (waarop het antwoord op deze vraag in beide gevallen ontkennend luidt).
92
Ik merk op dat in al deze zaken de machtiging feitelijk in een gezinshuis ten uitvoer is gelegd, ook waar een uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verzocht en toegewezen. Kennelijk wordt het gezinshuis door de rechters en de GI ook geschaard onder de categorie accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. In de lijst met categorieën van het procesreglement Civiel jeugdrecht betreft het gezinshuis echter een andere categorie dan de accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (zie hiervoor onder 3.58). Dit toont mijns inziens wederom aan dat de categorieën in de praktijk niet in beton gegoten zijn.
Afronding feitenrechtspraak
Ik kom tot een afronding van deze analyse van de feitenrechtspraak. Uit het voorgaande blijkt dat de feitenrechtspraak verdeeld is over de vraag welke ruimte de rechter heeft om te sturen op de plaats waar de machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitgevoerd. Enerzijds zijn er rechters die ruimte vinden binnen of zelfs buiten de verzochte categorie, met een beroep op het belang van het kind of op het maken van een minder vergaande inbreuk op het family life. Anderzijds zijn er rechters die van oordeel zijn dat de plaatsing uitsluitend een bevoegdheid van de GI is of die zich strikt gebonden achten aan de verzochte categorieën.
Gelet op deze verdeeldheid in de feitenrechtspraak is het goed dat de vraag hoe ver de bevoegdheid van de feitenrechter strekt ten aanzien van het bepalen van de plaats waar een machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer wordt gelegd, nu aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.
Ik merk hier op dat deze rechtspraakanalyse mijns inziens aanleiding geeft om het belang van de categorieën te relativeren voor het beantwoorden van de vraag naar de ruimte die de rechter heeft bij het bepalen van de plaats. Het gaat immers niet om wettelijke, vastomlijnde categorieën. De invulling van de categorieën door de feitenrechters en ook door de GI lijkt soms wat willekeurig, getuige bijvoorbeeld de plaatsing in een gezinshuis onder een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Blijkens het lijstje van het procesreglement Civiel Jeugdrecht gaat het hier immers om twee verschillende categorieën.
Literatuur
Ook in de literatuur is niet een eenduidig antwoord te vinden op de vraag hoe ver de ruimte van de rechter bij het bepalen van de plaats waar de machtiging ten uitvoer moet worden gelegd, strekt. Ik laat een aantal auteurs de revue passeren.
In citeer in de eerste plaats Asser/Kolkman & Salomons, die uitgaan van beslisruimte voor de rechter binnen de verzochte categorie (onderstreping hierna steeds van mij):
93
“De bevoegdheid van de kinderrechter om ambtshalve uit huis te plaatsen is in 1995 vervallen door de Wet van 26 april 1995, Stb. 255 (Kamerstukken 23003). Het initiatief dient te worden genomen door de gecertificeerde instelling – voorheen de gezinsvoogdij-instelling en (vanaf 2005) het bureau jeugdzorg – of eventueel door de raad voor de kinderbescherming, dan wel het openbaar ministerie. Binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging bepaalt de gecertificeerde instelling de concrete verblijfplaats van het kind. Door die grenzen in een concreet geval nauw te trekken, zou de kinderrechter kunnen bewerkstelligen dat het kind feitelijk slechts op één bepaalde plek kan worden geplaatst (Van der Zon, Pleegrechten voor kinderen 2020, p. 255 e.v.). Over de – volgens ons bevestigend te beantwoorden (vgl. nr. [417]) – vraag of de rechterlijke bevoegdheid zo ver reikt, wordt in de feitenrechtspraak wisselend geoordeeld (bevestigend bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4024; ontkennend Hof ’s-Hertogenbosch 8 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4658); de Hoge Raad heeft zich over deze vraag nog niet uitgelaten (vgl. HR 19 december 2025, RvdW 2026/133). De plaatsingsbeslissing is te beschouwen als aanwijzing als bedoeld in art. 1:263 BW, met de daarbij horende rechtsbescherming, aldus M.R. Bruning, FJR 1997, p. 97-98. Rechtsbescherming zal in elk geval geboden kunnen worden in het kader van de geschillenregeling van art. 1:262b BW (zie nr. [409]); vgl. Van der Zon, Pleegrechten voor kinderen 2020, p. 258. (…)”
“De kinderrechter is bij de beslissing tot machtiging gebonden aan het verzoek. Vraagt de gecertificeerde instelling bijvoorbeeld machtiging tot plaatsing in pleeggezin of gezinshuis, dan kan de machtiging slechts daarvoor worden verleend en niet bijvoorbeeld voor plaatsing in een internaat voor zeer intensieve behandeling. Wel kan de kinderrechter naar ons oordeel (zie ook nr. [414]) bepalen dat de machtiging wordt verleend voor plaatsing in een voorziening voor pleegzorg (waarbij een pleegouder de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, zie art. 1.1 Jeugdwet) , behalve voor verblijf in een bepaald pleeggezin, dan wel juist specifiek in een bepaald pleeggezin (zie voor dit laatste bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7180 en Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4949). (…)
De gecertificeerde instelling oefent binnen de verleende machtiging de bevoegdheid tot plaatsing naar eigen inzicht uit. (…)”
Van der Zon besteedt in hoofdstuk 9 van haar dissertatie uitgebreid aandacht aan de vraag wie beslist waar het kind komt te wonen en zij geeft daarbij onder meer een uiteenzetting van de ontwikkeling in de wetgeving vanaf 1995 en de gevolgen daarvan voor de positie en taak van de kinderrechter (en van die van andere betrokken actoren). In dit verband merkt zij op (voetnoten deels weggelaten):
94
“De kinderrechter geeft de machtiging uithuisplaatsing af, maar bemoeit zich in beginsel niet met de plaats waar die machtiging ten uitvoer wordt gelegd. Dat heeft te maken met de grondige herziening van de kinderbeschermingswetgeving die werd doorgevoerd in 1995. Met die wetswijziging werd een einde gemaakt aan de tot dat moment bestaande dubbelfunctie van de kinderrechter, die zowel met de rechtsprekende taak, als met de uitvoering van de OTS was belast. Velen wezen er (terecht) op dat dit systeem knelde met het recht op een onpartijdige rechter zoals onder meer vastgelegd in artikel 6 EVRM.
Als gevolg van deze kritiek werd het stelsel zo gewijzigd dat de rol van de kinderrechter werd beperkt tot diens rechtsprekende taak. De rechter kan zich sindsdien alleen nog uitspreken over zaken die middels een verzoekschrift aan hem zijn voorgelegd. Na afgifte van een machtiging uithuisplaatsing, beslist de Gecertificeerde Instelling (die in 1995 nog Gezinsvoogdij Instelling werd genoemd) vervolgens hoe de uithuisplaatsing moet worden uitgevoerd. De Gecertificeerde Instelling beslist dus ook waar het kind komt te wonen. Toch blijft het na 1995 uiteindelijk de kinderrechter (…) die oordeelt over de reikwijdte van de machtiging uithuisplaatsing, zij het dat de kinderrechter steeds gebonden is aan het verzoek. (…)
In 2005 werd de Wet op de Jeugdzorg ingevoerd en werden de mogelijkheden voor de kinderrechter om te beslissen waar het kind werd geplaatst verder ingeperkt. Vanuit de gedachte dat de rechtspositie van betrokkenen [versterkt] moest worden, werd daarnaast het indicatiebesluit ingevoerd (…) De Gecertificeerde Instelling (die toen nog Bureau Jeugdzorg, en daarvoor Gezinsvoogdij Instelling heette) moet bij het verzoek van een machtiging uithuisplaatsing een indicatiebesluit overleggen waarin staat aangegeven om welke vorm van zorg het gaat. De wet noemde categorieën, te weten: verblijf op een residentiële plek, verblijf in een pleeggezin, of een gesloten of besloten plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. De kinderrechter rest in beginsel slechts toe- of afwijzing van de machtiging voor een van deze categorieën, zonder dat hij invloed kan uitoefenen op de precieze plek van de plaatsing. (…)
Over de vraag hoe strikt de wettelijke regeling van 2005 moet worden opgevat, verschillen de meningen. Doek en anderen stellen in hun handboek dat het vrij staat aan de rechter om op verzoek van de ouders een machtiging af te geven voor een specifiek pleeggezin, zonder dat de kinderrechter daarbij strikt gebonden is aan het indicatiebesluit. Het is in hun ogen juist de taak van de kinderrechter om bij het afgeven van de machtiging, het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn.
95
Een aantal gerechtshoven stelde zich eveneens op dit standpunt. (…)
Niet alle rechters zaten echter op deze lijn. (…)
Op 1 januari 2015 trad de huidige kinderbeschermingswetgeving in werking. Ook na deze wetswijziging blijft de beslissingsbevoegdheid van de kinderrechter beperkt tot het toe, of afwijzen van het verzoek. Nu echter de plaatsingscategorieën uit de wet zijn verdwenen (verblijf residentieel, verblijf pleeggezin, en gesloten of besloten plaatsing in een justitiële jeugdinrichting), lijkt de rechter weer meer ruimte te kunnen nemen om zelf de reikwijdte van de machtiging te bepalen.
96 (…) Wordt het verzoek ingediend door de Gecertificeerde Instelling, dan is weliswaar geen verleningsbeslissing nodig, maar moet wel worden aangegeven welke vorm van uithuisplaatsing de Gecertificeerde Instelling voor ogen heeft. Nu de kinderrechter in beginsel gehouden is zijn oordeel te beperken tot hetgeen hem wordt voorgelegd, zal de beoordelingsruimte van de kinderrechter daarmee beperkt zijn tot de in het verzoek genoemde vorm van zorg.
Desalniettemin bepleiten verschillende auteurs dat kinderrechters een verplichting hebben om de beslissing waar het kind komt te wonen (ambtshalve) te toetsen aan de rechten van het kind.
97
De wet geeft zelf geen toetsingskader voor beslissingen van de kinderrechter over de plek van de plaatsing. Zoals hieronder zal blijken zal de kinderrechter (…) zich wel zo nu en dan moeten buigen over de vraag waar het kind is geplaatst, onder meer wanneer hem een geschil hierover wordt voorgelegd in het kader van de geschillenregeling. Het lijkt erop dat toetsing in die gevallen, bij gebrek aan wettelijke criteria, wordt opgehangen aan een invulling van de belangen van het kind.”
Van der Zon betoogt vervolgens
98 dat een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen het bepalen van de plek waar de machtiging ten uitvoer wordt gelegd en de mogelijkheid om de wijze waarop de GI de machtiging ten uitvoer wil leggen, te toetsen. Door de kinderrechter de mogelijkheid te geven om de plaatsingsbeslissing van de GI te toetsen, komt de uitvoeringsbeslissing niet bij de kinderrechter te liggen, maar wordt wel getoetst of de voorgestelde plek voldoet aan de eisen die voortvloeien uit de rechten van het kind. Van der Zon is het eens met Feiner en Chébti (zie voetnoot 97) die bepleiten dat de kinderrechter de plek van de plaatsing (zo nodig ambtshalve) moet toetsen aan de eisen van artikel 8 EVRM. Wat haar betreft zou de kinderrechter de beslissing waar het kind wordt geplaatst, moeten toetsen aan kinder- en mensenrechtenverdragen, maar zou het nog beter zijn wanneer de eisen uit die verdragen worden geïntegreerd in wet- en regelgeving. Concreet ziet zij voor zich dat de GI bij het verzoek tot uithuisplaatsing een besluit moet overleggen waarin is vermeld waar de GI het kind beoogt te plaatsen.
Na haar dissertatie heeft Van der Zon bij nog verschillende andere gelegenheden zich hierover uitgelaten. In de Groene Serie schrijft zij hierover:
99
“Tot 1 januari 2015 golden in de Wet op de Jeugdzorg de volgende categorieën voor een uithuisplaatsing: residentieel (waaronder observatieplaatsing), pleegzorg en gesloten jeugdzorg. Deze categorieën zijn nu niet meer opgesomd in de Jeugdwet, maar zijn nog wel af te leiden uit de Jeugdwet. Het is onduidelijk of de kinderrechter de bevoegdheid heeft om, als bijvoorbeeld een machtiging uithuisplaatsing residentieel wordt verzocht, een machtiging uithuisplaatsing pleegzorg af te geven. Ik ga ervan uit dat dit nog hetzelfde is als ten tijde van de Wet op de Jeugdzorg: dit is niet mogelijk en alleen op verzoek kan door de kinderrechter een machtiging pleegzorg, residentieel, gesloten of ter observatie worden afgegeven. Mijns inziens is er in elk geval wel ruimte om in de beschikking concreet te benoemen voor welke specifieke verblijfplaats de machtiging bedoeld is, bijvoorbeeld door een verzoek tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg te beperken tot een specifiek pleeggezin. (…) De bevoegdheid van de kinderrechter om een machtiging te beperken tot een specifieke verblijfplaats komt tevens tegemoet aan de rechtspraak van het EHRM (…). Ik zie niet in waarom dit onder de Jeugdwet anders zou zijn.”
In haar JPF-noot onder de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2025 schrijft Van der Zon:
100
“Over de vraag wie nu uiteindelijk verantwoordelijk is voor de plek waar de machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer wordt gelegd bestaat al jaren onduidelijkheid. De wet regelt het zo. De kinderrechter geeft de machtiging uithuisplaatsing af en kan, volgens de strikte leer, dus alleen ja of nee zeggen op het verzoek dat wordt voorgelegd (art. 1:265b BW) . De machtiging wordt vervolgens uitgevoerd door de GI (art. 3.2 Jeugdwet) . (…)
Over de vraag in hoeverre de kinderrechter zich kan bemoeien met de plaats waar de machtiging ten uitvoer wordt gelegd verschillen de meningen. Met een grondige herziening van de kinderbeschermingswetgeving zijn in 1995 de rechtsprekende en de uitvoerende taak van de kinderrechter uit elkaar getrokken. (…) Sinds 1995 is de rechter dus louter belast met de rechtsprekende taak. Dat neemt echter niet weg dat de kinderrechter onder het toen geldende systeem nog wel de ruimte had om een specifieke machtiging af te geven, zolang die paste binnen de reikwijdte van het verzoek dat werd voorgelegd. (…) In 2005 werd het stelsel gewijzigd en werden de mogelijkheden voor de kinderrechter om de reikwijdte van de machtiging te bepalen verder beperkt. Tussen 2005 en 2015 moest Bureau Jeugdzorg (thans de GI) een indicatiebesluit overleggen waarin is opgenomen voor welke categorie de machtiging wordt verzocht. De wet bepaalde voor welke categorieën een machtiging kon worden verzocht. Dat betrof verblijf op een residentiële plek, verblijf in een pleeggezin, of een gesloten of besloten plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. De rechter kon strikt genomen dus alleen maar het verzoek voor de in het indicatiebesluit opgenomen categorie toe- of afwijzen. Dat neemt niet weg dat er in die periode enkele uitspraken te vinden zijn waarin rechters een machtiging uithuisplaatsing afgaven die alleen ten uitvoer gelegd kon worden op een specifieke plek (…). Sinds 2015 geldt de huidige wetgeving. In die wetgeving zijn de categorieën weer verdwenen uit de wet. (…)
Het gevolg van dit alles is dat de kinderrechter binnen de Nederlandse wet nog maar heel weinig mogelijkheden heeft om uitvoering van de machtiging mee te nemen in zijn beoordeling. De rechtsbescherming van ouders is beperkt doordat de GI de machtiging vaak op veel verschillende manieren kan uitvoeren en conflicten in veel gevallen nog altijd pas bij de kinderrechter komen als deze al geëscaleerd zijn. Wat dat betreft zijn we mijns inziens een kwart eeuw na de wetsevaluatie in 2000 nog weinig opgeschoten.
Al eerder bepleitte ik dat het van belang is om een onderscheid te maken tussen het bepalen waar de machtiging ten uitvoer wordt gelegd en de mogelijkheid om de wijze waarop de GI de machtiging ten uitvoer wil leggen, te toetsen (…). Ten aanzien van de vraag hoe de GI de machtiging ten uitvoer wil leggen biedt de nationale wet, anders dan dat het de voorkeur verdient om het kind in een pleeggezin te plaatsen, evenwel weinig houvast. Nergens staat dat het recht op bescherming van het familieleven hier van belang is, bijvoorbeeld wanneer de mogelijkheid bestaat om het kind bij een familielid te plaatsen (…). Ook staat nergens in de wet duidelijk dat het kind recht heeft op continuïteit en stabiliteit, bijvoorbeeld door een pleeggezin in de buurt of van dezelfde culturele achtergrond te vinden (…). Juist de mogelijkheid om de uitvoering van de machtiging te kunnen toetsen aan kinder- en mensenrechten biedt de kinderrechter de mogelijkheid om te toetsen of de inbreuk op het gezinsleven te rechtvaardigen is. Dat die mogelijkheid niet is opgenomen in de wet, neemt niet weg dat het kind en zijn ouders daar op grond van kinder- en mensenrechtenverdragen wel recht op hebben.
(…)”
Ook in het handboek Jeugdrecht en jeugdhulp wordt aandacht besteed aan de materie. Ik citeer (voetnoten weggelaten):
101
“De wet schrijft niet langer categorieën voor met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing; in de Jeugdwet worden slechts de categorieën pleegzorg, residentiële zorg en gesloten jeugdhulp. De kinderrechter heeft nauwelijks ruimte om zich te mengen in de discussie omtrent de verblijfplaats; wel kan de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing in een specifieke categorie, bijvoorbeeld een voorziening voor pleegzorg, beperken tot een specifiek pleeggezin. Doorgaans geeft de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing af voor bijvoorbeeld een voorziening voor pleegzorg, maar hiermee is nog niet bepaald in welk pleeggezin de minderjarige zal worden geplaatst. Dit zal moeten worden beslist door de jeugdhulpaanbieder. Het is echter niet uitgesloten dat in het verzoekschrift of de bijbehorende stukken al wel een concreet pleeggezin wordt genoemd. Tevens is het zeer goed mogelijk dat de ouder(s) en/of de minderjarige een uitgesproken voorkeur heeft (hebben) voor een bepaald pleeggezin. Volgens het Gerechtshof Arnhem heeft de kinderrechter bij een uitdrukkelijk verzoek van de ouders om plaatsing in een bepaald pleeggezin de vrijheid dat verzoek te honoreren door te bepalen dat de machtiging zich beperkt tot plaatsing in een met name genoemd pleeggezin. Ook in 2018 besliste het Hof Arnhem-Leeuwarden dat er ruimte is om een machtiging voor plaatsing van een kind in een gezinshuis te beperken tot plaatsing bij oom en tante, een netwerkplaatsing, aangezien dit in lijn is met internationale verdragen waaruit een voorkeur voor plaatsing van kinderen binnen het eigen netwerk valt af te leiden. (…) Er lijkt dus ruimte te zijn voor de kinderrechter om binnen een bestaande categorie machtiging uithuisplaatsing (pleegzorg, residentieel of gesloten accommodatie) in de beschikking concreet te benoemen voor welke specifieke verblijfplaats de machtiging bedoeld is. (…)
Relevant in dit opzicht is dat in de Jeugdwet als uitgangspunt bij uithuisplaatsing is opgenomen dat de jeugdige in het geval van een uithuisplaatsing, indien redelijkerwijs mogelijk, bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst tenzij dit aantoonbaar niet in zijn belang is (art. 2.3 lid 6 Jeugdwet, de zogenoemde ‘inhuisplaatsing’). Hiermee wordt in belangrijke mate tegemoetgekomen aan art. 20 IVRK en de Guidelines for the Alternative Care of Children, waarin wordt benadrukt dat kinderen die niet langer thuis kunnen wonen in beginsel recht hebben op alternatieve zorg in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis). (…)”
Tot slot wijs ik op Bruning in T&C:
102
“Nu er geen categorieën uithuisplaatsing meer zijn vastgelegd in de wet, anders dan in de regeling zoals die tot 1 januari 2015 gold (te weten residentieel, pleegzorg, gesloten jeugdzorg), is onduidelijk of de kinderrechter op verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing deze machtiging mag beperken tot bijvoorbeeld pleegzorg, terwijl verzocht is om een machtiging ten behoeve van een residentiële plaatsing. In elk geval lijkt er ruimte te zijn voor de rechter om in de beschikking concreet te benoemen voor welke verblijfplaats de machtiging bedoeld is, bijvoorbeeld door een verzoek tot plaatsing in een voorziening voor pleegzorg te beperken tot een specifiek pleeggezin. (…)”
T.a.p. merkt zij met betrekking tot de in deze zaak bestreden beschikking van het hof het volgende op:
“Volgens het Hof Arnhem-Leeuwarden op 20 november 2025 kan in de situatie dat een machtiging uithuisplaatsing is afgegeven voor plaatsing in een gezinshuis de moeder in hoger beroep niet verzoeken om een netwerkplaatsing (bij de oma) aangezien de rechter is gebonden aan de categorie waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht (in dit geval: een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder; ECLI:NL:GHARL:2025:7309). Dit betekent dat bij een gezinshuisplaatsing een ouder die een netwerkplaatsing wenst met lege handen staat, terwijl dit bij een pleeggezinplaatsing wel mogelijk was geweest.”
Wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming
Aan het slot van deze bespreking verdient het wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming
103 nog enige aandacht, dat op 1 juli jl. ter advisering is voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat in (onder meer) de rechtsgrond voor uithuisplaatsing het subsidiariteitsvereiste wordt opgenomen, doordat in artikel 1:265b BW uitdrukkelijk vereist wordt dat ‘andere middelen hebben gefaald of naar verwachting zullen falen’. Dat ziet evenwel op subsidiariteit van de maatregel van uithuisplaatsing als zodanig, en betreft niet de subsidiariteit binnen dit kader, waarbij een netwerkplaatsing moet worden gezien als een minder ingrijpend middel dan (en dus, indien redelijkerwijs mogelijk, te verkiezen boven) bijvoorbeeld een plaatsing in een neutraal pleeggezin of in een gezinshuis.
De gewenste duidelijkheid op het in deze zaak voorliggende punt van de ruimte die de rechter heeft te beslissen over de plaats waar de machtiging uithuisplaatsing wordt uitgevoerd, biedt het wetsvoorstel niet.
Ik keer terug bij de bespreking van het middel.
Onderdeel 1 is terecht voorgesteld. De moeder is als in de procedure verschenen belanghebbende ontvankelijk in hoger beroep. Het hof gaat ervan uit dat hetgeen de moeder in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is te kwalificeren als een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. Dat oordeel is onjuist dan wel onbegrijpelijk. De moeder voert in hoger beroep verweer tegen het verzoek van de GI strekkende tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis). Dat verweer komt erop neer dat zij (weliswaar instemt met de uithuisplaatsing als zodanig, maar) het niet eens is met de door de GI voorgestane plaats van tenuitvoerlegging, en dat de machtiging uithuisplaatsing volgens haar zou moeten worden tenuitvoergelegd in een netwerkpleeggezin (bij de oma). Dit is niet aan te merken als een (zelfstandig) verzoek van de moeder, maar als een – op de plek van tenuitvoerlegging toegespitst – verweer van de moeder tegen het verzoek van de GI.
104 De moeder streeft ook niet zelf de uithuisplaatsing van de minderjarige na, maar legt zich daar slechts bij neer. Dat de moeder in het beroepschrift bewoordingen gebruikt die passen bij een zelfstandig verzoek,
105 kan aan de kwalificatie van de stellingen van de moeder als verweer niet afdoen.
Het hof heeft hetzij dit een en ander miskend, hetzij een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van de moeder.
Gegrondbevinding van de klachten van onderdeel 1 kan echter op zichzelf nog niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers in r.o. 5.3 van de bestreden beschikking nog een tweede pijler gegeven voor zijn slotsom dat geen aanleiding bestaat voor een verdere inhoudelijke behandeling van de grieven van de moeder en dat de beschikking van de rechtbank zal worden bekrachtigd. De overwegingen van het hof in r.o. 5.3 zijn zelfstandig dragend voor de slotsom die het hof bereikt. Daarom kan cassatie mijns inziens slechts aan de orde zijn als (een van) de klachten die in onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen r.o. 5.3 van de bestreden beschikking doel treffen. Dat is mijns inziens het geval.
Zoals onderdeel 2 mijns inziens terecht tot uitgangspunt neemt, wordt in de wet (de Jeugdwet) niet uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend. Tegelijk wordt aangenomen dat zich (ook) uit de Jeugdwet nog altijd dergelijke categorieën (pleegzorg, gezinshuis, residentiële plaatsing en gesloten jeugdzorg) laten afleiden
106 en wordt in de praktijk nog veelvuldig over “categorieën” gesproken, zoals in het hiervoor onder 3.58 genoemde lijstje van Procesreglement Civiel Jeugdrecht van de rechtbanken. Maar of de wet al dan niet categorieën onderscheidt, is mijns inziens ook niet de kern.
In artikel 1:265b BW is voor zover hier van belang slechts bepaald dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen. Dat was onder de voorlopers van die bepaling anders. In artikel 1:261 BW (oud) zoals dat luidde vanaf 1995 was in de wet bepaald dat bij het verzoek werd vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd, en vanaf 2005 tot 2015 (onder de gelding van de Wet op de jeugdzorg) was in artikel 1:261 lid 2 (oud) voor zover hier van belang bepaald dat het verzoek was gericht op de effectuering van het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg.
Dat in artikel 1:265b BW niet meer is voorgeschreven dat het verzoek de (soort) voorziening of verblijfplaats moet vermelden en ook niet dat het verzoek is gericht op effectuering van het indicatiebesluit, betekent mijns inziens niet dat de GI niet meer haar verzoek zou behoeven te specificeren en dat de kinderrechter een algemene machtiging uithuisplaatsing zou kunnen verlenen. Integendeel, het uitgangspunt dat verzoek en machtiging moeten worden geconcretiseerd, lijkt mij nog altijd geldend. In verband met de rechtsbescherming van minderjarigen en ouders lijkt het mij wenselijk – en het is ook de praktijk – dat de GI bij het verzoek vermeldt in welke (soort) voorziening of welke verblijfplaats zij voornemens is de machtiging ten uitvoer te leggen, zodat het debat in de procedure zo goed mogelijk kan worden toegespitst op de (verwachte) feitelijke situatie, en zodat de toetsing door de kinderrechter ook zo goed mogelijk daarop kan worden afgestemd. Zo wordt ook voorkomen dat de machtiging de GI feitelijk een carte blanche geeft bij de plaatsing.
107
Gelet op de door GI geuite bezwaren tegen een actieve, op de uitvoering sturende rechter (zie hiervoor onder 3.55), past terughoudendheid van de rechter om af te wijken van hetgeen de GI voor ogen heeft bij de plaatsing in het kader van een uithuisplaatsing. Het zou zeer onwenselijk zijn als de GI in het uiterste geval besluit de machtiging niet ten uitvoer te leggen, omdat zij het niet eens is met de door de rechter bepaalde plaats, terwijl de uithuisplaatsing als zodanig niet ter discussie staat en nodig is. Als de machtiging na verloop van drie maanden na verlening of verlenging niet ten uitvoer is gelegd, vervalt deze (art. 1:265c lid 3 BW) .
Dat in artikel 1:265b BW niet meer is voorgeschreven dat het verzoek de (soort) voorziening of verblijfplaats moet vermelden en ook niet dat het verzoek is gericht op effectuering van het indicatiebesluit, betekent mogelijk intussen wél dat de kinderrechter – bezien vanuit een procesrechtelijk perspectief – meer armslag heeft gekregen om iets te zeggen over de plek van de plaatsing, en dat zijn binding aan het verzoek van de GI op dit punt is afgenomen.
De door de GI verzochte categorie is mijns inziens in beginsel wel leidend, maar het belang van de verzochte categorie relativeer ik tegelijkertijd, aangezien de categorieën in de praktijk ook wel willekeurig worden uitgelegd en toegepast door zowel rechter als GI, zoals hiervoor bleek. De verzochte categorie vormt mijns inziens in zoverre een buitengrens, dat de rechter niet een plaats mag bepalen die een verdergaande inbreuk op family life maakt dan de verzochte categorie. Wel is de rechter mijns inziens bevoegd een plaats te bepalen die een minder vergaande inbreuk op family life maakt (bijv. netwerkgezin), ook al valt deze plaats strikt genomen niet onder de verzochte categorie (bijv. gezinshuis), uitgaand van het lijstje van het procesreglement Civiel Jeugdrecht.
Uithuisplaatsing van een kind vormt een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde family life tussen een kind en zijn ouder of ouders en de beslissing daartoe moet dus voldoen aan de in artikel 8 lid 2 EVRM gestelde vereisten dat deze bij de wet is voorzien, een legitiem doel dient en kan worden beschouwd als in een democratische samenleving noodzakelijk. Laatstgenoemde voorwaarde omvat een subsidiariteitstoets. Dat betekent niet alleen dat de maatregel van uithuisplaatsing als zodanig pas aan de orde kan zijn als een lichtere maatregel niet volstaat, maar brengt mijns inziens ook met zich dat, wanneer uithuisplaatsing eenmaal aan de orde is, moet worden gekozen voor de voorziening of verblijfplaats die het minst ingrijpt. In dat verband komt netwerkplaatsing op. Plaatsing van het kind binnen zijn of haar eigen netwerk zal doorgaans minder stevig ingrijpen dan plaatsing in een neutraal pleeggezin of in een gezinshuis, laat staan plaatsing in een residentiële instelling. Het streven naar netwerkplaatsing is daarnaast ook in lijn met de positieve verplichting die in dit verband op de overheid rust om maatregelen te treffen om te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk wordt herenigd. Voor de kans op hereniging van kind en ouder(s) zal het in het algemeen bevorderlijk zijn als het kind zo nabij mogelijk, in het eigen netwerk, wordt ondergebracht.
3.100 Mijns inziens past het bij dit een en ander dat, als in de procedure naar aanleiding van een verweer van een ouder de mogelijkheid van een netwerkplaatsing aan bod komt, de kinderrechter de ruimte, alsook de verplichting, heeft die mogelijkheid te onderzoeken en daarover te beslissen. Mijns inziens is er geen reden om dit uitsluitend toe te staan of toegestaan te achten wanneer bij het verzoek van de GI dat strekt tot een machtiging uithuisplaatsing is vermeld dat de GI voornemens is de minderjarige te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Ook wanneer de GI een plaatsing in een voorziening van een andere categorie voor ogen staat, zou een concrete mogelijkheid van netwerkplaatsing mijns inziens door de kinderrechter moeten kunnen worden onderzocht en ook kunnen leiden tot een beslissing die netwerkplaatsing inhoudt. Zoals hiervoor onder 3.97 en 3.98 vermeld, zie ik ook geen procesrechtelijke belemmering daarvoor.
Weliswaar is de GI leidend bij de plaatsing, maar als naar het oordeel van de kinderrechter een goede mogelijkheid van netwerkplaatsing bestaat, dan behoort dit niet de pas te worden afgesneden doordat in het verzoekschrift van de GI op een andere plaatsing is ingezet.
3.100 Voor zover niet in zijn algemeenheid – ongeacht de verzochte categorie – kan worden gezegd dat als netwerkplaatsing tijdens de procedure aan de orde komt, de rechter de ruimte moet hebben om die mogelijkheid te beoordelen, geldt deze bevoegdheid van de rechter mijns inziens in ieder geval wanneer het verzoek van de GI strekt tot plaatsing in een pleeggezin of in een gezinshuis. Wat betreft de situatie dat het verzoek voorziet in pleeggezinplaatsing, vloeit dit al voort uit de bevoegdheid van de kinderrechter om binnen de reikwijdte van het verzoek te specificeren en plaatsing in een specifiek netwerkpleeggezin te bepalen.
108 Maar ook waar het verzoek van de GI een gezinshuisplaatsing betreft, zou de kinderrechter mijns inziens tot netwerkplaatsing over moeten kunnen gaan. Dat past bij het gegeven dat in artikel 2.3 lid 6 Jeugdwet plaatsing in een pleeggezin en in een gezinshuis op één lijn zijn gesteld als vormen van “inhuisplaatsing”.
3.102 De op het voorgaande gerichte klachten van de onderdelen 2 en 3 treffen doel. In het bijzonder wordt mijns inziens met recht geklaagd dat het hof heeft miskend dat de rechter wel degelijk de bevoegdheid heeft om een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing te beperken tot een minder zware maatregel zoals (in het bijzonder) een netwerkplaatsing.
3.102 In het verlengde van de onderdelen 1 tot en met 3 slaagt ook de tegen r.o. 5.4 gerichte voortbouwklacht van onderdeel 4, volgens welke het hof ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een (verdere) inhoudelijke behandeling van de grieven van de moeder, waaronder het onderzoeken van de mogelijkheid van netwerkplaatsing bij de oma.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Het procesverloop is weergegeven voor zover in cassatie van belang.
Zie r.o. 2.1 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 20 november 2025.
Productie 2 bij het verweerschrift van de GI in hoger beroep.
Productie 4 bij het beroepschrift.
ECLI:NL:GHARL:2025:7309, JPF 2026/18 en FJR 2026/28.63.
Deze en de volgende paragrafen heb ik deels ontleend aan mijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2025:825, onder 5.1-5.10, voor HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948, NJ 2026/91, m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2026/41, m.nt. K.A.M. van der Zon, JIN 2026/6, m.nt. G.H. Zijlstra.
Zie HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, NJ 2026/44, m.nt. S.F.M. Wortmann, WR 2026/17, m.nt. C.L.J.M. de Waal, JIN 2026/4, m.nt. A.H. de Jong, JHV 2026/7, m.nt. E.P.W. Korevaar, AA 20260043, m.nt. A.W. Jongbloed, r.o. 3.1.5.
Zie mijn hiervoor aangehaalde conclusie voor HR 19 december 2025: ECLI:NL:PHR:2025:825, onder 5.2 met vergelijkende verwijzing naar HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:748, NJ 2021/243, m.nt. S.F.M. Wortmann, JR-Updates.nl 2021/21, m.nt. B. Laterveer, r.o. 2.7.3.
VN Kinderrechtencomité, General Comment 14, on the right of the child to have his or her best interests taken as a primary consideration (CRC/C/GC/14), 29 mei 2013. Deze is weliswaar niet bindend, maar kan wel van betekenis zijn bij de uitleg van het IVRK. Zie HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, NJ 2026/44, m.nt. S.F.M. Wortmann, WR 2026/17, m.nt. C.L.J.M. de Waal, JIN 2026/4, m.nt. A.H. de Jong, JHV 2026/7, m.nt. E.P.W. Korevaar, AA 20260043, m.nt. A.W. Jongbloed, r.o. 3.1.3, met vergelijkende verwijzing naar EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben), punt 136 en 207.
Par. 14. De oorspronkelijke taal van dit document is Engels; ik heb gebruik gemaakt van de Nederlandse vertaling.
Par. 29.
Par. 58-76.
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, NJ 2026/44, m.nt. S.F.M. Wortmann, WR 2026/17, m.nt. C.L.J.M. de Waal, JIN 2026/4, m.nt. A.H. de Jong, JHV 2026/7, m.nt. E.P.W. Korevaar, AA 20260043, m.nt. A.W. Jongbloed.
Zie K.A.M. van der Zon, Pleegrechten voor kinderen. Een onderzoek naar het realiseren van de rechten van kinderen die in het kader van een ondertoezichtstelling in een pleeggezin zijn geplaatst (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 113-14 onderscheidenlijk p. 123-125.
Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 124.
Voluit Declaration on Social and Legal Principies relating to the Protection and Welfare of Children, with Special Reference to Foster Placement and Adoption Nationally and lnternationally, UN Document A/RES/41/85, te raadplegen via https://digitallibrary.un.org. Zie artikel 4.
UN Document A/RES/64/142, eveneens te raadplegen via https://digitallibrary.un.org. Zie in het bijzonder paragrafen 3 en 44.
Zie Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/390.
Zie Van der Zon, a.w., p. 125 (en zie voorts p. 137 en 139), met verwijzing naar EHRM 18 juni 2013, 28775/12 (R.M.S./Spanje), par. 88 en EHRM 16 maart 2010, 28680/06 (A.D. en O.D./Verenigd Koninkrijk), par. 89. In mijn hiervoor aangehaalde conclusie voor HR 19 december 2025 heb ik het kort zo verwoord dat uit het recht op family life ook “afgeleid [kan] worden dat eerst de mogelijkheden van plaatsing van het kind in het eigen netwerk (bijvoorbeeld bij de grootouders) moet worden bezien”: ECLI:NL:PHR:2025:825, onder 5.9.
M.R. Bruning e.a., Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing, Den Haag: WODC 2025, p. 54.
Zie hiervoor o.m. EHRM 15 april 2025, 45644/18 (Van Slooten/Nederland), par. 68; EHRM 22 december 2020, 64639/16 (M.L./Noorwegen), par. 79; EHRM 10 september 2019, 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), par. 205 en 208; EHRM 12 juli 2001, 25702/94 (K. en T./Finland), par. 178; EHRM 24 maart 1988, PubECHR Series A, vol. 130 (Olsson I), p. 36-37, par 81. Zie ook de hiervoor aangehaalde Guidelines for the Alternative Care of Children, par. 49.
HR 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1570, NJ 2026/14, m.nt. S.F.M. Wortmann en JPF 2025/141, m.nt. K.A.M. van der Zon.
Ik verwijs hiervoor naar de recente conclusie van A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2026:847, onder 3.14 e.v., met verdere verwijzingen.
Zie HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397, m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 4.3.3 en HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482, m.nt. S.F.M. Wortmann.
Dat beslissingen op de voet van de artikelen 1:265a-j BW niet van beoordeling in hoger beroep zijn uitgesloten, heeft de Hoge Raad nog eens uitdrukkelijk overwogen in zijn beschikking van 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:212, NJ 2024/75, r.o. 3.2, met vergelijkende verwijzing naar HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:609, r.o. 3.3.2-3.3.3. In de eerstgenoemde beschikking ging het overigens ook om een verzoek van een ouder tot netwerkplaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder, maar in die zaak was dat verzoek gegrond op artikel 1:265d lid 2, aanhef en onder c, BW. Zie ook reeds Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 23. En zie ook o.m. EHRM 17 juli 2012, nr. 64791/10 (M.D. c.s./Malta).
Zie hierover ook Van der Zon, a.w. 2020, p. 262.
Zie HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948, NJ 2026/91, m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2026/41, m.nt. K.A.M. van der Zon, JIN 2026/6, m.nt. G.H. Zijlstra, r.o. 3.5, met verwijzing naar Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 17 en p. 40-41 en HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:748, r.o. 2.10.3. Zie ook mijn hiervoor aangehaalde conclusie voor HR 19 december 2025, onder 6.3-6.4 en 9.3.
Wet van 26 april 1995 tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen (artikel 254 en volgende van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) , Stb. 1995, 255.
Zie hiervoor ook mijn hiervoor aangehaalde conclusie voor HR 19 december 2025: ECLI:NL:PHR:2025:825, onder 6.4 e.v.
Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 5.
Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 17.
Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 20-21.
Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 30.
Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 40.
Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 40-41.
Zie hiervoor ook Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 8, p. 12.
In het voorlopig verslag is onder meer (meer algemeen, onder het kopje ‘uitvoering van de ondertoezichtstelling en rechtspraak) opgemerkt dat leden van de CDA-fractie de ruimte die de kinderrechter rest wel erg beperkt vonden, omdat hij niet anders dan op verzoek kan handelen en dat handelen geen andere mogelijkheden biedt dan die welke de verzoeker hem voorlegt. Er is slechts sprake van het honoreren van het verzoek of het afwijzen daarvan, en de ruimte daartussen (dus o.a. het mindere ten opzichte van het meerdere opleggen) wordt hem volledig ontnomen, aldus deze leden; zie Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 4, p. 6 (derde tekstblok). Bij de reactie op deze opmerking in de memorie van antwoord heeft de staatssecretaris opgemerkt dat de stelling dat de kinderrechter niet minder kan toewijzen dan wordt verzocht, niet geheel juist is en dat de rechter bij verzoeken tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan de gezinsvoogdij-instelling minder bevoegdheden kan toekennen dan zij heeft verzocht; zie Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 5, p. 27 (par. 6.4). Daarmee doelt de staatssecretaris naar ik aanneem op het inperken/specificeren van de te verlenen machtiging ten opzichte van het verzoek.
Zie Kamerstukken II 1993/94, 23 003, nr. 5, p. 43, in reactie op: Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 4, p. 23.
Wet van 8 augustus 1989 houdende regelen ten aanzien van de jeugdhulpverlening, Stb. 1989, 358, laatstelijk gewijzigd bij Wet van 26 september 2002, Stb. 2002, 515.
J. de Savornin Lohman e.a., Met recht onder toezicht gesteld – evaluatie herziene OTS-wetgeving, Utrecht: Verwey-Jonker Instituut 2000, p. 81-82.
Zie hierover ook M.R. Bruning en I.J. Pieters, ‘De kinderrechter in jeugdbeschermingszaken’, in: M.J. Dubelaar e.a., Conflictoplossing: het domein van rechters? Een vergelijkende studie naar rechterlijke en alternatieve conflictoplossing in verschillende rechtsgebieden, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 153-175, in het bijzonder p. 159.
Wet van 22 april 2004, houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg, Stb. 2004, 306.
In artikel 1, aanhef en onder d, Wjz is “cliënt” gedefinieerd als “een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden”.
Besluit van 16 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg, Stb. 2004, 703.
Zie aldus B.M. Vroom-Cramer, ‘Het belang van het indicatiebesluit bij de uithuisplaatsing van minderjarigen’, FJR 2014/6, par. 1.
Vroom-Cramer wijst in dit verband naar artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit Wjz.
Zie over de Wjz in verband met uithuisplaatsing in het kader van ondertoezichtstelling onder meer: Asser/De Boer I* 2010/855-857; C.J. Forder, GS Personen- en familierecht, art. 1:261 BW, actueel t/m 1 maart 2013; M.R. Bruning e.a., Jeugdrecht en jeugdhulp, Den Haag: Sdu 2024, par. 11.2; B.M. Vroom-Cramer, ‘Het belang van het indicatiebesluit bij de uithuisplaatsing van minderjarigen’, FJR 2014/6.
Het reguliere geval; vgl. Asser/De Boer I* 2010/855.
Zie aldus ook Asser/De Boer I* 2010/857; Vroom-Cramer, a.w., par. 1.
Opmerking verdient dat met inwerkingtreding van de Wjz dus de voorheen in artikel 1:261 BW (oud) vermelde eis dat bij het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd, was komen te vervallen voor de situatie dat de uithuisplaatsing betrekking heeft op jeugdzorg als bedoeld in art. 5 lid 2 Wjz. Doordat in het bij het verzoekschrift over te leggen indicatiebesluit wel moest worden aangegeven of een machtiging werd gevraagd voor plaatsing in een pleeggezin of voor plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder, lijkt me materieel hiermee niets veranderd; vgl. ook C.J. Forder, GS Personen- en familierecht, art. 1:261 BW (oud), aant. A3, actueel t/m 1 maart 2013.
Volgens de memorie van toelichting bij de Wjz is dat bijvoorbeeld het geval bij uithuisplaatsing van een kind bij een ouder zonder gezag, terwijl de andere ouder, die alleen het gezag uitoefent, in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft; zie Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr. 3, p. 82. In de praktijk werden meer varianten van ‘netwerkplaatsing’ aangemerkt als zorg waarvoor een indicatiebesluit niet noodzakelijk is: zie hierover Vroom-Cramer, a.w., par. 1 (onder “uitzonderingen: niet-geïndiceerde zorg”).
Kamerstukken II 2001/02, 28 168, nr. 3, p. 81-82.
Zie o.m. Den Hollander en Willems-Dijkstra, a.w., onder “toetsing in de civielrechtelijke procedure”; Van der Zon, a.w. 2020, p. 256-257; Doek/Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 6e druk 2009, p. 349-350; M.R. Bruning, ‘Terugkijken en vooruitzien: de ontwikkeling in de toepassing van de ondertoezichtstelling’, in: M.R. Bruning & T. Liefaard (red.), Ondertoezichtstelling 90 jaar: versleten of vitaal?, Den Haag: Sdu 2013, p. 46-47; Asser/De Boer I* 2010/857; C.J. Forder, GS Personen- en familierecht, art. 1:261 BW (oud), aant. 6, actueel t/m 1 maart 2013.
Wet van 1 maart 2014 inzake regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet), Stb. 2014, 105.
Wet van 12 maart. 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014, 130.
Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet), Stb. 2014, 442.
Oorspronkelijk nog wel verleningsbesluit van het college van B&W of ‘individuele voorziening’ vereist in geval het verzoek werd ingediend door de raad of het openbaar ministerie, maar dat vereiste is nadien ook komen te vervallen: zie Wet van 13 oktober 2022, houdende wijziging van de Jeugdwet en enkele andere wetten in verband met de verlenging van de duur van pleegzorg en het vervallen van de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp, Stb. 2022, 408.
Kamerstukken II 2013/14, 33 983, nr. 3, p. 10.
Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht 2023/10.1.7, p. 500. Vgl. ook Van der Zon, a.w. 2020, p. 232 en p. 236-237.
De tekst van het voorstel was oorspronkelijk nagenoeg ongewijzigd overgenomen van het oude artikel 1:261 BW: zie Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 29. Zie daarover ook K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 1 onderaan, actueel t/m 11 maart 2025.
Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 2.
Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 80.
Deze richtlijn is te raadplegen via www.richtlijnenjeugdhulp.nl.
M.R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 233-235 en p. 301-302; Recht doen aan kinderen en ouders. Rapport van de reflectiecommissie familie- en jeugdrechters van de rechtbank en de gerechtshoven, 2023 (te raadplegen op rechtspraak.nl), p. 85-86.
Zelfreflectierapport 2023, p. 36.
Zelfreflectierapport 2023, p. 79. Eindevaluatie 2022, p. 301-302.
Eindevaluatie 2022, p. 233 en 301. Zelfreflectierapport 2023, p. 36. p. 54, p. 79-80.
Eindevaluatie 2022, p. 233-235. Zelfreflectierapport 2023, p. 36.
Eindevaluatie 2022, p. 234-235.
Zelfreflectierapport 2023, p. 50 en 54.
Eindevaluatie 2022, p. 233-235 en p. 301-302. Zelfreflectierapport 2023, p. 85-86.
Zelfreflectierapport 2023, p. 85.
Zelfreflectierapport 2023, p. 85-86. Vgl. ook Eindevaluatie 2022, p. 233-235
Aldus de huidige versie van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht, juli 2026.
De voetnoot in het citaat luidt: [[“Artikel 1.1 Jeugdwet ]] geeft de volgende definitie van pleegzorg: “vorm van jeugdhulp waarbij een pleegouder een jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt”.”
De voetnoot in het citaat luidt: “De Wet langdurige zorg (Wlz) regelt zware, intensieve zorg voor kwetsbare ouderen, mensen met een handicap en mensen met een psychische aandoening.”
Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, zie in het bijzonder par. 2.4 Jeugdzaken.
Zie naast de hierna besproken uitspraken ook bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7180, JPF 2016/151 en PFR-Updates.nl 2016/236 en hof Amsterdam 22 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5313.
Hof Arnhem 16 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL6961.
Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4949.
Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/417 lijken dit ten aanzien van Hof Arnhem-Leeuwarden 13 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4949 ook zo te zien. Zie ook HR 29 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1116, NJ 1994/107 (kraaiende hanen), r.o. 3.6 en zie recenter bijv. de conclusie van voormalig A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2020:957, onder 3.5, voor HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:265, RvdW 2021/242.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4024.
Rb. Rotterdam 23 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13935.
Zie HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596, m.nt. S.F.M. Wortmann over de mogelijkheid van uithuisplaatsing bij de andere ouder.
Hof Arnhem 16 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL6961.
Zie hof ’s-Hertogenbosch 8 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4658, r.o. 3.8.2. In dezelfde lijn ook hof ’s-Hertogenbosch 9 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:34, PFR-Updates.nl 2020/17.
Zie hof ’s-Hertogenbosch 11 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1531, r.o. 3.13.4.
Naast de bestreden beschikking, r.o. 5.3: hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:203, r.o. 5.6 en hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4830, r.o. 5.8. In deze laatste uitspraak wordt wel, net als in de hiervoor onder 3.72 besproken uitspraken, eerst tot uitgangspunt genomen dat het niet de taak van de rechter is aan de GI op te dragen binnen welke setting de uithuisplaatsing dient te worden gerealiseerd (r.o. 5.7).
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4830.
De bestreden beschikking, r.o. 5.2 en ECLI:NL:GHARL:2026:203, r.o. 5.6.
ECLI:NL:GHARL:2026:203, r.o. 5.7 en ECLI:NL:GHARL:2026:4830, r.o. 5.10 e.v.
Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/414 resp. 417.
Van der Zon, a.w. 2020, p. 254-258.
Voetnoot 20: Doek e.a. 2009, p. 349-350. Inmiddels is dit boek reeds tweemaal herzien. Nu onder de huidige wetgeving echter geen indicatiebesluit meer wordt vereist, wordt deze ook niet meer (uitvoerig) besproken in het boek; zie Bruning e.a. 2016.
Voetnoot 27: Zie daarover ook Bruning, in: T&C Burgerlijk Wetboek, artikel 1:265b BW, aant. 1 (online bijgewerkt tot 17 september 2019). Overigens valt bij een korte analyse van de gepubliceerde uitspraken op rechtspraak.nl op dat in de praktijk nog wordt vastgehouden aan de categorieën uit de Wet op de Jeugdzorg.
Voetnoot 28: Onder meer Chébti 2015 en Feiner 2015.
Van der Zon, a.w. 2020, p. 278-279.
K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 7.2 (actueel t/m 11 maart 2025).
HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948, NJ 2026/91, m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2026/41, m.nt. K.A.M. van der Zon, JIN 2026/6, m.nt. G.H. Zijlstra, over onder meer de mogelijkheid tot uithuisplaatsing in een informeel pleeggezin Onder de JPF-noot staat als naam van de annotator J.H. de Graaf, maar dat beschouw ik als een vergissing, aangezien in de tekst van de noot wordt verwezen naar de dissertatie van Van der Zon in een zin die begint met de woorden: “Al eerder bepleitte ik (..)”. Op rechtspraak.nl is ook Van der Zon vermeld als degene die deze uitspraak in JPF heeft geannoteerd.
M.R. Bruning e.a., Jeugdrecht en jeugdhulp, Den Haag: Sdu 2024, p. 310-311, met verwijzing naar onder meer M.R. Bruning en I.J. Pieters, ‘De kinderrechter in jeugdbeschermingszaken’, in: M.J. Dubelaar e.a., Conflictoplossing: het domein van rechters? Een vergelijkende studie naar rechterlijke en alternatieve conflictoplossing in verschillende rechtsgebieden, Deventer: Wolters Kluwer, p. 153-175 (zie in het bijzonder p. 160 en 164-165) en M.R. Bruning, ‘Zorg om de jeugdzorg; kinderrechters aan zet?’, AA 2020, p. 450-453 (zie in het bijzonder onder 3, mogelijkheden voor kinderrechters).
M.R. Bruning, T&C BW, art. 1:265b BW, aant. 1 (onder ‘bevoegdheid kinderrechter’), actueel t/m 8 september 2026.
De inhoud van het concept wetsvoorstel is te raadplegen via www.internetconsultatie.nl.
Zie ook het beroepschrift onder 14, waar de moeder verzoekt om een beperking van de door de GI verzochte machtiging.
Zie bijvoorbeeld het beroepschrift onder 19 (slot) en 60 en het petitum.
Zie bijv. K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 7.2 (actueel t/m 11 maart 2025).
Vgl. Rb. Noord-Nederland 12 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:498 waarin de kinderrechter uitgaat van een dergelijke algemene machtiging en de daarop volgende andersluidende beslissing in appel: hof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5800.
In ieder geval bij formele netwerkplaatsing, zie hiervoor onder 3.69.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
