Essentie (gemaakt door AI)
Adoptie. art. 1:227 BW en art. 1:228 BW. Kind geboren binnen relatie van moeder met duomoeder. Moeder trekt instemming in en bestrijdt adoptie met beroep op misbruik van omstandigheden, ontbreken samenlevings- en verzorgingstermijn en gewijzigde situatie (erkenning door donor). Hof oordeelt dat de uitzonderingen voor de vrouwelijke partner gelden, adoptie kennelijk in het belang van het kind is en dat moeders instemming met erkenning misbruik van gezag is art. 1:228 lid 2 sub b BW. Bekrachtiging adoptie.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 21-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.368.209/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Adoptie; Duomoeder / meemoeder |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Adoptie. Artikelen 1:227 en 1:228 BW. Kind geboren binnen relatie van moeder met duomoeder, die levensgezel van gelijk geslacht is. Gezien feitelijke gang van zaken rondom geboorte, belang van het kind bij duidelijkheid hierover en bedoeling wetgever om positie van vrouwelijke partner zoveel mogelijk gelijk te stellen aan die van mannelijke partner van biologische moeder heeft rechtbank verzoek op goede gronden toegewezen.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.368.209
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597022)
beschikking van 15 september 2026
in de zaak van
[moeder] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [moeder] ,
advocaat: mr. E.P.J. Appelman,
en
[duomoeder] (de duomoeder),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep, verder te noemen: [duomoeder] ,
advocaat: mr. R.J.Th. Leijzer.
Als belanghebbende is ook aangemerkt:
[donor/biologische vader] (de donor/biologische vader),
die woont in [woonplaats3] , verder te noemen: [donor/biologische vader] .
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 februari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 mei 2026;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. Appelman van 24 juli 2026, met producties;
- een journaalbericht van mr. Appelman van 28 juli 2026, met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 11 augustus 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren
aanwezig:
- [moeder] , bijgestaan door haar advocaat;
- [duomoeder] , bijgestaan door haar advocaat;
- [donor/biologische vader] ;
- een vertegenwoordiger van de raad.
3De feiten
[moeder] en [duomoeder] zijn op 17 februari 2025 met elkaar gehuwd.
Tijdens dit huwelijk is [in] 2025 geboren: [minderjarige]
[moeder] is bevallen van [minderjarige] en dus de biologische moeder. De zwangerschap is
in overleg met [duomoeder] tot stand gekomen met medewerking van [donor/biologische vader] als donor.
Bij verzoekschrift van 21 juli 2025 heeft [duomoeder] de rechtbank verzocht de adoptie van het toen nog ongeboren kind van de moeder uit te spreken door haar, te bepalen dat het kind na de adoptie de achternaam [gecombineerde achternaam] zal behouden en vast te stellen dat de adoptie terugwerkt tot aan het tijdstip van de geboorte van het kind. Zowel [moeder] als [donor/biologische vader] hebben schriftelijk verklaard het met dit verzoek eens te zijn.
4De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de adoptie uitgesproken van [minderjarige] door [duomoeder] , bepaald dat de adoptie terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] en vastgesteld dat [duomoeder] en [moeder] hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [moeder] [duomoeder] zal dragen na de adoptie zodat zij blijft heten: [minderjarige]
[moeder] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof om de beschikking van de rechtbank Den Bosch (het hof leest: van de rechtbank Midden-Nederland) van 5 februari 2026 te vernietigen en, opnieuw bij beschikking, het verzoek tot adoptie af te wijzen.
[duomoeder] voert verweer en zij vraagt het hof om [moeder] niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel het beroep ongegrond te verklaren.
5De motivering van de beslissing
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van artikel 1:227 lid 1 BW vindt adoptie plaats door een uitspraak van de rechtbank op een gezamenlijk verzoek van twee personen of op verzoek van één persoon.
Op grond van artikel 1:227 lid 2 BW kan het verzoek door de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder alleen worden gedaan als hij (zij) ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Deze voorwaarde geldt niet als het kind is of wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en die ouder. Van deze situatie is hier sprake.
Artikel 1:228 lid 1 BW stelt de volgende voorwaarden voor adoptie:
a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van haar verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;
b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;
c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;
f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar feitelijk gezamenlijk hebben verzorgd en opgevoed;
g. dat de ouder alleen of samen met de adoptant het gezag over de minderjarige heeft.
Op grond van artikel 1:228 lid 2 sub b BW kan onder meer aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid onder d worden voorbijgegaan indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt. [moeder] is de (enige) gezaghebbende ouder.
[moeder] erkent dat zij het in eerste aanleg eens was met de adoptie, maar stelt dat zij op grond van de gewijzigde situatie tussen alle direct betrokken inmiddels niet meer instemt met de adoptie. Zij trekt haar instemming dan ook in en spreekt het verzoek van [duomoeder] alsnog tegen. De instemming is destijds tot stand gekomen op grond van misbruik van omstandigheden. De verstandhouding tussen [duomoeder] en haar is de afgelopen periode na de behandeling in eerste aanleg sterk verslechterd. [duomoeder] zorgt volgens [moeder] niet goed voor [minderjarige] en kwijt zich niet op behoorlijke wijze van haar zorg- en opvoedtaken.
[duomoeder] gaat de strijd aan met [moeder] en houdt zich niet aan de afgesproken schema’s. [moeder] voelde zich al tijdens de zwangerschap in de steek gelaten door [duomoeder] omdat zij aangaf geen kind te willen. [duomoeder] ging mee naar de echo’s maar ging daar ruzie maken. [moeder] had een hoge bloeddruk door de stress. Zij zijn in een grote strijd beland. Mediation heeft niet gezorgd voor verbetering van de onderlinge verstandhouding. Zij wil dat er rust komt voor [minderjarige] . De adoptie is niet (meer) in het belang van [minderjarige] .
Zij volgt momenteel therapie om de echtscheiding te verwerken. Het is voor [minderjarige] van belang dat zij kan opgroeien in een veilige en stabiele gezinssituatie met haar, ook gezien het feit dat [minderjarige] primair is aangewezen op haar als hoofdopvoedster. De communicatie is zeer slecht en gezamenlijk gezag is daardoor niet in het belang van [minderjarige] . Zij en [duomoeder] zijn inmiddels uit elkaar, reden waarom niet langer voldaan is aan de samenlevingstermijn op grond van artikel 1:227 lid 2 BW. Er is ook niet voldaan aan de verzorgingstermijn die is bedoeld in artikel 1:228 lid f BW. Op het moment van het geven van de bestreden beschikking was [minderjarige] amper 2,5 maand oud. [duomoeder] heeft dus niet tenminste een jaar voor [minderjarige] kind gezorgd. [duomoeder] en zij kunnen samen [minderjarige] geen veilig en stabiel gezinsklimaat bieden. Dat maakt dat niet zonder meer aan de gestelde verzorgingstermijn van artikel 1: 228 lid 1 sub f BW voorbij had kunnen worden gegaan en dat het verzoek tot adoptie alsnog dient te worden afgewezen.
Inmiddels heeft [moeder] een relatie met de ex-partner van de donor, [naam] , met wie de donor twee kinderen heeft, leeft zij met [naam] en drie kinderen in gezinsverband en vervult donor [donor/biologische vader] daadwerkelijk de vaderrol. Zij meent dat de kans groot is dat zij met hem eerder een verzorgende rol voor [minderjarige] zal vervullen dan met [duomoeder] , aldus [moeder] .
[duomoeder] voert aan dat [moeder] en zij het bevruchtingstraject samen zijn aangegaan. Zij zijn gezamenlijk (met de donor) naar een advocaat gegaan voor het donorcontract. Zij hebben het gehele adoptietraject gezamenlijk doorlopen. Zij was aanwezig bij de geboorte en hebben nadien samen voor [minderjarige] gezorgd. [moeder] heeft zeker uit vrije wil ingestemd met adoptie. [duomoeder] onderschrijft dat jarenlange strijd niet in het belang is van [minderjarige] maar dit heeft niets te maken met de vraag of adoptie ongedaan moet worden gemaakt. [moeder] denkt dat zij [duomoeder] kan wegvlakken uit het leven van [minderjarige] . Adoptie is volgens [duomoeder] nog steeds in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft belang bij kennis over en vastlegging van haar ontstaansgeschiedenis. [moeder] en [duomoeder] hebben bij de rechtbank verklaard dat zij geen prijs stellen op een raadsonderzoek. Niet valt in te zien dat de rechtbank, mede gelet op de instemmingsverklaring, ambtshalve een onderzoek had moeten gelasten.
[moeder] wil haar verbannen uit het leven van [minderjarige] en grijpt deze procedure daartoe aan in plaats van afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [moeder] wenst de afstammingsband te verbreken omdat zij in een echtscheidingsprocedure zijn verwikkeld en de (afgesproken) rol van de donor en zijn partner [naam] door de ontstane relatie tussen [moeder] en [naam] gewijzigd lijkt te zijn. Dat is niet de bedoeling van de wetgever omdat zij als duomoeder daardoor in een aanzienlijke zwakkere positie zou komen te verkeren dan wanneer het een mannelijke partner zou betreffen. [duomoeder] betwist wat [moeder] stelt over gezamenlijk gezag en de opvoedkwaliteiten van [duomoeder] . Deze hebben bovendien geen invloed op adoptie. Daarnaast is zij van mening dat zij prima in staat is voor [minderjarige] te zorgen, wat zij ook veelvuldig deed tijdens de relatie. Het kwetst haar dat zij [minderjarige] na de bestreden beschikking al een tijd niet heeft mogen zien en daarom heeft zij een verzoek ingediend voor een zorgregeling bij de rechtbank. Zij hebben samengewoond van oktober 2022 tot april 2026 dus er is wel degelijk voldaan aan de samenlevingstermijn. Bovendien geldt deze eis niet voor de vrouwelijke partner van een biologische moeder. De verzorgingstermijn geldt ook niet omdat [duomoeder] en [moeder] gehuwd waren/zijn. [moeder] heeft inmiddels een relatie met de partner van de donor - [naam] , niet met de donor zelf. Er is een overeenkomst met de donor vader en [naam] waarbij duidelijk de intenties zijn vastgelegd van ieders rol. Een mogelijk nieuwe relatie is niet ter zake doende, aldus [duomoeder] .
Het hof stelt op basis van de stukken vast dat ten tijde van de beschikking in eerste aanleg aan alle voorwaarden van artikel 1:228 BW was voldaan, met uitzondering van de voorwaarde onder f. Op grond van lid 3 van artikel 1:228 BW geldt deze voorwaarde echter niet omdat het kind is geboren binnen de relatie van de moeder met de duomoeder, die een levensgezel van gelijk geslacht is. Dan zal het hof nog moeten oordelen over de vraag of de adoptie kennelijk in het belang van [minderjarige] is.
Voor de vrouwelijke partner van de biologische moeder van een kind geldt sinds 2009 niet meer de voorwaarde van drie aaneengesloten jaren van samenleving en ook niet de voorwaarde van een jaar voorafgaande verzorging en opvoeding van het kind. Hierdoor kan de vrouwelijke partner van de biologische moeder direct juridisch ouder worden en kan de adoptie al voor de geboorte van het kind worden verzocht. De bedoeling van de wetgever is om de positie van een vrouwelijke partner zoveel mogelijk gelijk te stellen aan die van een mannelijke partner van de biologische moeder.
[minderjarige] is verwekt door (kunstmatige) donorbevruchting. Dit bevruchtingstraject zijn [moeder] en [duomoeder] bewust samen aangegaan. Na de succesvolle bevruchting hebben zij met een gezamenlijke advocaat een verzoek tot adoptie ingediend; [duomoeder] als verzoeker en [moeder] als belanghebbende. De bevruchting en de geboorte van [minderjarige] vonden plaats gedurende de relatie tussen [moeder] en [duomoeder] . [duomoeder] was aanwezig bij de geboorte van [minderjarige] en partijen hebben in de periode daarna gezamenlijk in gezinsverband voor [minderjarige] gezorgd. [moeder] en [duomoeder] hebben beiden de geboorte van [minderjarige] gewenst en zij wilden [minderjarige] beiden verzorgen en opvoeden. Na beëindiging van de relatie is er een zorgregeling opgestart. Inmiddels is er geen contact meer tussen [duomoeder] en [minderjarige] .
[duomoeder] is bij de rechtbank een procedure tot nakoming van de zorgregeling gestart. Voor de geboorte van [minderjarige] was er intended family life tussen [minderjarige] en [duomoeder] en na de geboorte was er daadwerkelijk family life tussen hen. [minderjarige] heeft voor haar ontwikkeling en identiteitsvorming belang bij kennis over en vastlegging van haar ontstaansgeschiedenis en heeft nog iets te verwachten van [duomoeder] .
Gezien de feitelijke gang van zaken rondom de geboorte van [minderjarige] , het belang
van [minderjarige] bij duidelijkheid hierover en de bedoeling van de wetgever om de positie van een vrouwelijke partner zoveel mogelijk gelijk te stellen aan die van een mannelijke partner van de biologische moeder (waarbij de afstammingsband tussen een vader en een kind bij het einde van de relatie ook niet wordt verbroken), oordeelt het hof dat dat de rechtbank het niet weersproken verzoek tot adoptie op goede gronden heeft toegewezen.
De argumenten die de moeder in hoger beroep tegen de adoptie heeft aangevoerd,
zijn niet toereikend om tot het oordeel te komen dat de adoptie door [duomoeder] kennelijk niet in het belang van [minderjarige] is. Het door [moeder] gestelde misbruik van omstandigheden rondom het adoptietraject is onvoldoende onderbouwd. Gebleken is wel dat rond de periode van het geven van de bestreden beschikking de situatie is gewijzigd en dat de relatie tussen [moeder] en [duomoeder] is geëindigd. [moeder] heeft inmiddels een relatie met de ex-partner van [donor/biologische vader] , die samen twee jonge kinderen hebben, en op grond daarvan komt [donor/biologische vader] in het kader van de zorgregeling met die kinderen geregeld bij [moeder] en dus ook bij [minderjarige] . Ook heeft [donor/biologische vader] [minderjarige] na de bestreden beschikking erkend. Dit was, kennelijk, mogelijk omdat de adoptie nog niet was verwerkt in de registers. De aanleiding voor [moeder] om het verzoek tot ongedaan making van de adoptie in hoger beroep te doen is duidelijk het uitvlakken van iedere rol van [duomoeder] . Het hof ziet echter in wat [moeder] aanvoert geen reden om de adoptie ongedaan te maken. Zowel de donor als [naam] hebben in eerste aanleg verklaard dat [minderjarige] niets van hen te verwachten heeft. Het enkele feit dat [donor/biologische vader] [minderjarige] nadien heeft erkend en diens rol gewijzigd lijkt, maakt dit standpunt niet anders. Weliswaar is de situatie ten opzichte van het indienen van het verzoek tot adoptie gewijzigd, spreekt [moeder] het verzoek tot adoptie nu tegen en wordt niet langer voldaan aan het bepaalde in artikel 1:228 lid 1 sub d BW, maar het hof ziet de instemming van [moeder] met de erkenning van [minderjarige] in weerwil van de omstandigheid dat de rechtbank de adoptie heeft uitgesproken door [donor/biologische vader] als het misbruik maken van het gezag door [moeder] over het kind ex artikel 1:228 lid 2 sub b BW, zodat mede daarom aan de tegenspraak van [moeder] voorbij kan worden gegaan.
Omdat dit in hoofdzaak een juridische beslissing is, ziet het hof in deze procedure met de raad geen aanleiding voor een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming.
Uit het voorgaande volgt dat het hof zich voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking in stand laten (bekrachtigen). Gevolg daarvan is dat sprake is van de situatie dat de (eerdere) adoptie voorgaat boven de (latere) (instemming door [moeder] met de) erkenning door [donor/biologische vader]
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
5 februari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 15 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
