Essentie (gemaakt door AI)
Artikel 1: 265e lid 1 en lid 5 van het Burgerlijk Wetboek, gedeeltelijke gezagsoverheveling. GI verzoekt overdracht van toestemming voor medische behandeling (bloedonderzoek leeftijd en vaccinaties RVP) voor minderjarige onder toezicht en uithuisgeplaatst. Moeder met eenhoofdig gezag weigert/werkt niet mee. Hof oordeelt dat art. 1:265e BW toepasselijk is en noodzakelijk voor uitvoering OTS; niet art. 1:265h BW. Bekrachtiging van toewijzing: GI blijft belast met toestemming voor genoemde medische handelingen tot einde termijn.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 20-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.370.758 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; 1:265e BW Gedeeltelijk gezag GI bij OTS; 1:265h BW Medische behandeling bij OTS |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 1: 265e lid 1 en lid 5 van het Burgerlijk Wetboek, gedeeltelijke gezagsoverhevelingVolledige uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.370.758
zaaknummer rechtbank Gelderland 465443
beschikking van 13 oktober 2026
over de gedeeltelijke gezagsoverheveling over [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.H.P. Feiner
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd in Arnhem
en als informanten
de gezinshuisouders van [de minderjarige]
die wonen op een geheim adres
1Samenvatting
De rechtbank heeft de GI belast met het gezag over [de minderjarige] voor het geven van toestemming voor een medische behandeling, bestaande uit bloedonderzoek en vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
Verzoekster is de moeder van [de minderjarige] , geboren [in] 2015 in [plaats] (Democratische republiek Congo). De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft sinds 3 januari 2025 in het huidige gezinshuis.
Bij beschikking van 28 november 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 13 december 2026.
Bij beschikking van 17 december 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om vervangende toestemming in de zin van artikel l:265h BW voor een medische behandeling van [de minderjarige] afgewezen.
Bij beschikking van 9 april 2026 heeft de kinderrechter het verzoek om vervangende toestemming in de zin van artikel l:265h BW voor de medische behandelingen van [de minderjarige] voor een bloedonderzoek en vaccinaties (volgens het Rijksvaccinatieprogramma) afgewezen.
3De procedure bij de rechtbank
De GI heeft verzocht op grond van artikel 1:265e lid 1 sub b BW te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de toestemming voor
een medische behandeling van [de minderjarige] , toegekend wordt aan de GI.
De kinderrechter heeft het verzoek toegewezen en de GI belast met het gezag over [de minderjarige] voor het geven van toestemming voor een medische behandeling voor de termijn die nodig is om het bloedonderzoek en de vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma te laten aanbieden en maximaal tot 13 december 2026. Daarbij heeft de kinderrechter bevolen dat de gedeeltelijke gezagsoverheveling zal worden aangetekend in het gezagsregister en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 mei 2026.
4De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst.
De GI is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. De GI wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift ontvangen op 15 juni 2026
-
het verweerschrift
-
een e-mail van de gezinshuisouders van 24 september 2026 waarbij ze zich afmelden voor de zitting
[de minderjarige] heeft aan het hof geschreven dat hij niet naar het kindgesprek komt. Bij die brief heeft hij de brief gevoegd die hij eerder aan de rechtbank heeft gestuurd en geschreven dat dit nog steeds zijn mening is.
De zitting bij het hof was op 24 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
twee vertegenwoordiger van de GI.
5Het oordeel van het hof
Procedureel
Kort voor de zitting heeft de advocaat van de moeder telefonisch laten weten dat hij niet op tijd bij de zitting aanwezig kon zijn. Hij heeft daarbij verzocht om telefonische deelname aan de zitting toe te staan. Dat verzoek heeft het hof afgewezen. Desgevraagd heeft de advocaat van de moeder medegedeeld dat hij geen aanhoudingsverzoek doet en dat hij het hof verzoekt de zitting door te laten gaan en de zaak af te doen.
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan voor minderjarigen die onder toezicht staan en uit huis geplaatst zijn op verzoek van de GI bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit kan gaan om het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige die jonger is dan twaalf jaar.
1
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt belast met het gezag over [de minderjarige] voor het geven van toestemming voor een medische behandeling.
Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over. Het hof voegt hieraan het volgende toe.
Het volgen van het Rijksvaccinatieprogramma en duidelijkheid over je leeftijd wanneer daar twijfels over zijn, zijn van essentieel belang voor de ontwikkeling van een kind. De toestemming van de moeder is noodzakelijk voor deelname van [de minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en voor bloedonderzoek naar de leeftijd van [de minderjarige] . Uit de stukken blijkt dat de samenwerking tussen de moeder en de GI zeer moeizaam verloopt. Gedurende langere tijd heeft de GI geprobeerd om, met hulp van een tolk, met de moeder tot afspraken te komen over de medische behandeling die voor [de minderjarige] nodig is, haar daarover te informeren en haar toestemming te verkrijgen. Dat is niet gelukt. Ondanks meerdere gesprekken heeft de moeder geen toestemming gegeven voor de vaccinaties en het leeftijdsonderzoek. Ook na de zitting bij de rechtbank, waarbij de moeder mondeling toestemming gaf voor de vaccinaties, heeft de moeder geen schriftelijke toestemming gegeven. Daarnaast weet de GI niet waar de moeder verblijft. Onder die omstandigheden kan de toestemming van de moeder (die daar dan bovendien later weer op terug komt) voor de genoemde medische behandeling van [de minderjarige] niet worden afgewacht. Afhankelijkheid van de beschikbaarheid en medewerking van de moeder levert een te groot risico op voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] schreef eerder aan de rechtbank daarover dat hij zelf heel graag wil weten hoe oud hij echt is. Hij schrijft dat het gaat om zijn ontwikkeling, zijn plek op school, zijn sport en hoe hij behandeld wordt. Hij wil graag duidelijkheid zodat zijn leven beter bij hem past. Hij speelt op hoog niveau voetbal en voor hem is het belangrijk om tussen jongeren te mogen spelen die van zijn leeftijd zijn, schrijft [de minderjarige] . Op de zitting bij het hof is gebleken dat [de minderjarige] inmiddels de eerste vaccinatie van het Rijksvaccinatieprogramma heeft ontvangen. In verband met het leeftijdsonderzoek heeft inmiddels een afspraak bij de huisarts plaatsgevonden en staat een afspraak bij een kinderarts gepland.
Omdat bij de moeder sprake is van een terugkerend patroon van gebrek aan vereenstemming en het ontbreken van samenwerking rondom medische en ontwikkelingsgerichte beslissingen, is artikel 1:265e BW het wettelijk kader dat hier van toepassing is en niet, zoals de moeder stelt, artikel 1:265h BW.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van
18 mei 2026;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en A.T. Bol en is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026
Artikel 1: 265e lid 1 en lid 5 van het Burgerlijk Wetboek
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
