Rechtbank Noord-Holland 09-10-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14286

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding waarin vervangende toestemming voor vakantie met minderjarige naar Turkije wordt geweigerd wegens strijd met recent vastgestelde zorg- en vakantieregelingen. De rechter benadrukt dat afwijking alleen bij voldoende zwaarwegende redenen kan; de door moeder gestelde behoefte aan rust en familiebezoek biedt die niet, mede omdat vakantie binnen haar eigen vakantieweken kan plaatsvinden. Belang bij naleving van voorspelbare regeling weegt zwaarder. Moeder wordt in proceskosten veroordeeld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Toestemming vakantie geweigerd: doorkruist zorgregeling met vader
Moeder wil met kind naar het buitenland en eist daarom vervangende toestemming. Een vastgestelde zorg- en vakantieregeling kan daaraan in de weg staan. Regeling partijen juist vastgesteld om dit soort procedures te voorkomen.

Datum publicatie20-10-2026
ZaaknummerC/15/382596
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenKinderen; Geschil over vakantie buitenland
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding. Weigering vervangende toestemming voor vakantie met minderjarige zoon vanwege strijd met geldende zorg- en vakantieregelingen

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/382596 / KG ZA 26-558

Vonnis in kort geding van 9 oktober 2026

in de zaak van

[de moeder]

te [plaats]

eisende partij

hierna te noemen: de moeder

advocaat: mr. H. Zobuoglu

tegen

[de vader]

te [plaats]

gedaagde partij

hierna te noemen: de vader

advocaat: mr. E. Cekic.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;
- de producties 14 tot en met 17 van de moeder;
- de producties 1 tot en met 8 van de vader;
- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit het huwelijk is op [geboortedatum] [het kind] geboren.

2.2.

Bij beschikking van 22 juli 2026 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In de beschikking is de definitieve beslissing omtrent het gezag over [het kind] aangehouden tot [datum] , in afwachting van de resultaten van een lopend uniform hulpaanbodtraject.

2.3.

In de beschikking is de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:
Tot het moment dat [het kind] naar de basisschool gaat verblijft hij in een tweewekelijks schema:

- de ene week op woensdag van 10:00 uur tot 20:00 uur en van vrijdag 10:00 uur tot zondag

10:00 uur bij de vader:

- de andere week van woensdag 10:00 uur tot donderdag 10:00 uur bij de vader:

- waarbij de overdrachtsmomenten plaatsvinden op een neutrale plek.

Vanaf het moment dat [het kind] naar school gaat verblijft hij in een tweewekelijks schema:

- de ene week van woensdag uit school tot donderdag naar school en van vrijdag uit school

tot maandag naar school bij de vader:

- de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de vader:

- waarbij de vader [het kind] uit school ophaalt en hem daar naartoe brengt.

2.4.

Daarnaast is in de beschikking de volgende definitieve vakantieregeling vastgesteld:
- gedurende vakanties die één week duren verblijft [het kind] het ene jaar bij de vader en het

andere jaar bij de moeder:

- gedurende de tweeweekse vakanties verblijft [het kind] in de even jaren de eerste week bij de

vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren is dit omgekeerd:

- tijdens de zomervakantie (vanaf 2027) verblijft [het kind] conform een schema 1-2-2-1 bij

partijen;

- tijdens vakanties zullen partijen in onderling overleg twee belmomenten per week

afspreken tussen [het kind] en de ouder waar hij op dat moment niet verblijft:

2.5.

[het kind] gaat nu nog niet naar school, maar zal vanaf [datum] naar school gaan.

3Het geschil

3.1.

De moeder vordert - samengevat - om vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] naar Turkije te reizen en daar te verblijven van [periode] .

3.2.

De vader voert verweer. De vader concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de moeder, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Omdat de geplande vakantie op korte termijn begint heeft de moeder een spoedeisend belang bij de vordering.

Inhoudelijk

4.2.

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt. Alvorens te beslissen moet de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders beproeven.

4.3.

Op de mondelinge behandeling is gebleken dat een vergelijk tussen de ouders niet mogelijk is.

4.4.

De moeder verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] naar Turkije te reizen en daar te verblijven van [periode] . De moeder voert aan dat de vader op 11 september 2026 schriftelijk op de hoogte is gebracht van de vakantieplannen met [het kind] .

4.5.

De vader weigert de toestemming voor deze vakantie omdat deze niet overeenkomt met de vastgestelde zorg- en vakantieregeling. Daarnaast heeft hij onder meer plannen om in die periode met [het kind] een bruiloft en een familiediner te bezoeken en deel te nemen aan een voetbalclinic.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat het in het algemeen in het belang van een kind is als het op vakantie kan met (één van) zijn ouders. Uitzonderingen daarop kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen, wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder, wanneer de vakantiebestemming onveilig is of wanneer een vakantie in strijd is met de tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling.

4.7.

In dit geval is er aanleiding om de door de eiser verzochte toestemming te weigeren. Niet in geschil is immers dat de voorgenomen vakantie van de moeder in strijd is met de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde zorg- en vakantieregelingen. Daarmee gaat deze procedure niet om de vraag of de door de vader gegeven argumenten aanleiding geven tot weigering van de vervangende toestemming, maar of de moeder voldoende zwaarwegende argumenten heeft gegeven om in dit geval af te wijken van de geldende zorg- en vakantieregelingen. Deze zijn in de bodemprocedure namelijk mede vastgesteld vanuit het oogpunt van rust, voorspelbaarheid en continuïteit, ook in afwachting van de uitkomst van het uniform hulpaanbodtraject.

4.8.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval. De moeder heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het echtscheidingstraject een zware periode voor haar is geweest en dat zij graag haar familie in Turkije zou bezoeken om daar uit te rusten en om [het kind] daar tijd te laten doorbrengen met haar familie. Hoewel dit op zichzelf begrijpelijk is, volgt daaruit echter niet dat dit in de door haar gevraagde periode en dus in afwijking van de zorg- en vakantieregelingen plaats dient te vinden. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat het in beginsel ook mogelijk zou zijn om de vakantie in te plannen in de periode dat [het kind] , conform de regeling, bij haar verblijft gedurende de kerstvakantie. Gelet op het gestelde doel van de vakantie is de omstandigheid dat dit de winterperiode betreft is geen reden om daarover anders te oordelen.

4.9.

De voorzieningenrechter neemt daarbij in overweging dat er in het verleden meerdere procedures tussen partijen zijn gevoerd over toestemming voor vakanties en dat de vastgestelde zorg- en vakantieregelingen juist bedoeld zijn om daarin rust en continuïteit te bieden. Het is in het belang van [het kind] dat deze in beginsel worden nageleefd. Al met al komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van de vader bij een correcte naleving van de zorg- en vakantieregelingen zwaarder weegt dan het belang van de moeder om in het door haar gewenste tijdvak op vakantie te kunnen gaan. De voorzieningenrechter zal de vordering daarom afwijzen.

4.10.

De moeder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De aard van het geschil en de historie waartegen dit wordt gevoerd staat in de weg aan compensatie van kosten. Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding. Daarvoor is buiten de in de wet voorgeschreven gevallen uitsluitend grond wanneer onrechtmatig wordt gehandeld en/of misbruik wordt gemaakt van procesrecht. Daarvan is hier geen sprake. De moeder heeft het recht een vordering in te stellen, ook als deze op inhoudelijke gronden wordt afgewezen.

De proceskosten van de vader worden begroot op:

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

760,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.290,00

5De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt de moeder in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de moeder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733