Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding waarin medewerking aan goederenrechtelijke levering van de voormalig echtelijke woning, 20 jaar na echtscheiding en overeengekomen toedeling in het convenant, is toegewezen. De verdeling staat onherroepelijk vast; levering ex art. 3:186 jo. 3:89 BW moet nog plaatsvinden. Verjaring slaagt niet; zelfs bij toepasselijkheid zou de 20-jaarstermijn (uit art. 3:234 BW of subsidiair art. 3:306 BW) nog niet voltooid zijn. Beroep op rechtsverwerking faalt. Vonnis treedt zo nodig in de plaats van de handtekening (art. 3:300 lid 2 BW).Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 20-10-2026 |
| Zaaknummer | C/09/712460 / KG ZA 26-982 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Kort geding; vordering tot medewerking aan (goederenrechtelijke) levering 20 jaar na verdeling van de woning toegewezen. Indien de vordering tot levering al vatbaar zou zijn voor verjaring, dan zou die verjaring nig niet kunnen zijn voltooid. Gedaagde kan zich ook niet met succes beroepen op rechtsverwerking.Volledige uitspraak
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/712460 / KG ZA 26-982
Vonnis in kort geding van 13 oktober 2026
in de zaak van
[de man] te [woonplaats 1],
eiser,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg,
tegen
[de vrouw] te [woonplaats 2],
gedaagde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.C. Schutte.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 september 2026, met producties;
- de conclusie van antwoord.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 2026.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn vanaf [datum] 1991 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is geëindigd op 23 augustus 2006 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 augustus 2006 in de daartoe bestemde registers.
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) deel uitmaakt van de beschikking.
In artikel 3.2 van het convenant zijn partijen met betrekking tot de voormalig echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) het volgende overeengekomen:
“De echtelijke woning (...) zal worden toegescheiden aan de man. De vrouw verplicht zich mee te werken aan de overdracht van de woning aan de man binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De totale uitkoopsom voor de vrouw bedraagt € 83.000,00.”
De man heeft de uitkoopsom van € 83.000 omstreeks januari 2006 aan de vrouw voldaan.
Op 11 april 2008 heeft de vrouw bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen de man. In deze procedure heeft de vrouw nietigverklaring of vernietiging van het convenant gevorderd en gevorderd om de verdeling van de huwelijksgemeenschap opnieuw vast te stellen. In deze procedure hebben partijen een minnelijke regeling getroffen, die is opgenomen in het proces-verbaal van 30 oktober 2008. In het proces-verbaal staat vermeld dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwesties en dat zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen.
Omstreeks 2025 heeft de man de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening (waarvoor de vrouw tot dat moment hoofdelijk verbonden was gebleven) afgelost. Vervolgens is de hypotheek geroyeerd.
Na een mededeling van de vrouw dat de man de levering van de woning nog diende te regelen, heeft de man in mei 2026 een notaris opdracht gegeven om een akte van levering op te stellen.
Bij brief van 31 juli 2026 heeft de advocaat van de vrouw de man verzocht en gesommeerd om er alsnog voor te zorgen dat de woning aan hem wordt geleverd. Hierbij heeft de advocaat van de vrouw meegedeeld dat de vrouw zich alle rechten voorhoudt om een – nadere – verdeling te vorderen.
Bij e-mails van 7 en 25 augustus 2026 heeft de advocaat van de man de vrouw gesommeerd om mee te werken aan de ondertekening van de inmiddels opgestelde verdelingsakte (productie 2 van de man).
3Het geschil
De man vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. de vrouw te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de levering aan de man van de woning, zulks middels het tekenen van de verdelingsakte bij de notaris, met bepaling dat indien de vrouw daartoe op de door de notaris vastgestelde datum niet overgaat, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de handtekening/wilsverklaring van de vrouw;
II. subsidiair: een in goede justitie te bepalen voorziening;
met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
De vrouw bestrijdt dat de man een spoedeisend belang heeft. Aan de vrouw moet worden toegegeven dat de man gelet op het tijdsverloop sinds de verdeling wellicht ook nog wel een vonnis in een bodemprocedure had kunnen afwachten. Het is de vrouw geweest die, na dat lange tijdsverloop, eerder dit jaar de man erop is gaan aanspreken dat hij nu eindelijk eens moet zorgdragen voor de afwikkeling van de verdeling. Onder deze omstandigheden is het begrijpelijk dat de man, toen hij vervolgens moest constateren dat de vrouw toch niet wil meewerken aan de levering van haar aandeel in de woning, zich gedwongen voelt nu alsnog met voortvarendheid te handelen. Deze gang van zaken schept, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, een voldoende spoedeisend belang.
In het convenant zijn partijen overeengekomen dat de woning tegen de daar door partijen vastgestelde waarde aan de man wordt zal worden toegescheiden en dat de vrouw ten gevolge daarvan een vordering uit overbedeling heeft van € 83.000. Hiermee hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling, die vervolgens door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking is vastgesteld. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. De verdeling van de woning is daarmee tot stand gekomen, zij het dat voor de overgang van het verdeelde (het aandeel van de vrouw) nog wel levering in de zin van artikel 3:186 in verbinding met 3:89 BW vereist is. Dat de noodzakelijke leveringshandeling voor de (definitieve) eigendomsoverdracht nog niet heeft plaatsgevonden, doet er niet aan af dat de verdeling (in obligatoire zin) al heeft plaatsgevonden. Partijen kunnen hierop niet anders dan met wederzijds goedvinden terugkomen.
1 Op grond van de (onherroepelijk vastgestelde) verdeling is de vrouw gehouden haar medewerking te verlenen aan de (goederenrechtelijke) levering van de woning. De vrouw kan dus niet worden gevolgd in haar standpunt dat de woning onverdeeld is gebleven en dat zij recht heeft op een (aanvullende) verdeling.
De vrouw kan zich niet met succes beroepen op verjaring van de vordering tot medewerking van de uit de verdeling voortvloeiende (goederenrechtelijke) levering van de woning aan de man. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het moeilijk denkbaar dat een dergelijke vordering aan verjaring onderhevig is (of, alternatief: een beroep op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal zijn), omdat partijen nu eenmaal gebonden zijn aan de onherroepelijke verdeling en die verdeling niet wordt aangetast door het gedurende geruime tijd uitblijven van de in het wettelijke systeem nog noodzakelijke goederenrechtelijke bevestiging van die verdeling. Bovendien hebben partijen zich overeenkomstig die verdeling gedragen: de man heeft de vordering uit de overbedeling voldaan, hij heeft de woning met uitsluiting van de vrouw bewoond en hij heeft alle eigenaarslasten voldaan. Ter zitting heeft de vrouw daar bovenop nog verklaard dat zij tot begin 2026 niet wist dat zij nog mede-eigenaar van de woning was.
Zou toch de redenering gevolgd worden dat de vordering van de man tot medewerking aan de levering aan verjaring onderhevig is, dan zou de verjaringstermijn van de betreffende rechtsvordering – hetzij gelet op de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak van artikel 3:234 BW, hetzij, bij gebreke van een andersluidende bepaling, op grond van artikel 3:306 BW – twintig jaar bedragen. Deze termijn is nog niet verstreken. Op grond van artikel 3.2 van het convenant was de vrouw verplicht om binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan levering mee te werken. De vordering van de man was daarom niet eerder dan drie maanden na 23 augustus 2006, dus 23 november 2006 opeisbaar. Een verjaring – als dat al mogelijk is – kan daarmee niet eerder dan 23 november 2006 zijn aangevangen, zodat deze – nog daargelaten eventuele stuitingshandelingen van de man – niet eerder dan 23 november 2026 zou kunnen zijn voltooid.
Ook een beroep op rechtsverwerking baat de vrouw niet. Uit niets blijkt dat partijen op enig moment na het sluiten van het convenant teruggekomen zijn op de overeengekomen verdeling. De vrouw heeft daarnaast geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zij erop mocht vertrouwen dat de man zijn recht op levering niet meer te gelde zou maken. De persoonlijke verwijten van de vrouw aan het adres van de man, die niets met de verdeling van doen hebben, zijn in dit verband niet van belang.
Dat de vrouw (mogelijk onbewust) vele jaren nog hoofdelijk verbonden is geweest voor de hypothecaire geldlening staat vanzelfsprekend op gespannen voet met de verdeling zoals die door partijen is voorbereid in het convenant. Hoewel dat (kennelijk abusievelijk) niet met zoveel woorden in het convenant is opgenomen lag het voor de hand dat de man er zorg voor zou hebben gedragen dat de vrouw door de hypothecaire schuldeiser uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou worden ontslagen. De man heeft verklaard dat hij pas recent in staat was die hoofdelijke verbondenheid te beëindigen en dat de vrouw eerder akkoord is gegaan die hoofdelijke verbondenheid voorlopig te aanvaarden (“het zo even te laten”). Als de vrouw problemen had met het (vele jaren) voortduren van die hoofdelijke aansprakelijkheid had ze de man daarop aan kunnen spreken, maar dat heeft ze niet (tot eerder dit jaar) gedaan.
Gelet op het voorgaande is het in hoge mate aannemelijk dat de vordering van de man in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De vrouw is daarom verplicht is om haar medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke levering van de woning en daarmee aan de ondertekening van de akte van verdeling. De termijn waarbinnen de vrouw haar medewerking moet verlenen wordt bepaald op zeven dagen na betekening van dit vonnis.
Aangezien dit geschil voortvloeit uit de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de levering aan de man van de woning aan de [adres], zulks door middel van het ondertekenen van de verdelingsakte bij de notaris;
bepaalt dat indien de vrouw niet tijdig voldoet aan het bepaalde in 5.1, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de akte van verdeling waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij de woning levert aan de man;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. WJ |
Zie onder meer Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/225.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
