Essentie (gemaakt door AI)
Vervangende toestemming erkenning van [minderjarige 1] wordt verleend, strekkend tot vervanging van de toestemming van moeder en het kind, waarin aan de erkenning het rechtsgevolg van geslachtsnaamwijziging wordt onthouden zodat het kind de naam van moeder behoudt, met beroep op artikel 8 EVRM tegenover art. 1:5 lid 8 BW. Verzoek gezamenlijk gezag wordt afgewezen wegens onaanvaardbaar klem/verloren-risico art. 1:253c BW. Verzoek omgang wordt afgewezen gelet op ernstige bezwaren van de kinderen art. 1:377a lid 3 onder c BW.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 20-10-2026 |
| Zaaknummer | C/10/704057 / FA RK 25-5735 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Erkenning; Zorgregeling / omgang / informatie; Gezag; Overig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW) |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming erkenning door de vrouw en het kind, met onthouding rechtsgevolg geslachtsnaamwijzigingVolledige uitspraak
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704057 / FA RK 25-5735
Beschikking van 14 september 2026 over vervangende toestemming voor erkenning, het ouderlijk gezag en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J. Koenen te Rotterdam.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
mr. G.F. van den Ende, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.
1De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van deze rechtbank van 22 september 2025, waarbij mr. Van den Ende is benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] ;
-
het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 4 november 2025;
-
het bericht van de vrouw van 3 december 2025;
-
het verweerschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2026.
Daarbij zijn verschenen:
-
mr. R.W. de Gruijl, namens mr. Koenen;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de bijzondere curator;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben een gesprek gehad met de rechter.
2De vaststaande feiten
De vrouw is de moeder van de thans nog minderjarige kinderen:
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1] en
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] .
De man heeft [minderjarige 2] erkend. [minderjarige 1] is niet erkend.
De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
De vrouw en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.
3De beoordeling
Vervangende toestemming
Het verzoek strekt tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming van de vrouw en van [minderjarige 1] tot erkenning van [minderjarige 1] . De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij de verwekker is van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft nog niet de leeftijd van zestien jaren bereikt.
De erkenning schaadt de belangen van de moeder en [minderjarige 1] bij een ongestoorde verstandhouding niet en de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] komt door de erkenning niet in het gedrang. De man wenst enkel op positieve wijze een bijdrage te leveren aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en een grotere rol te spelen in het leven van [minderjarige 1] . Eventuele emotionele bezwaren van [minderjarige 1] tegen een erkenning zijn, zo stelt de vader, onvoldoende om hem toestemming tot erkenning te onthouden. Toewijzing van het verzoek tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning is bovendien in het belang van [minderjarige 1] , mede omdat de erkenning meebrengt dat de biologische band tussen de hem en [minderjarige 1] wordt onderstreept. Ook heeft zowel [minderjarige 1] als de man er aanspraak op dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHSHE:2014:5227). Daarbij merkt hij op dat een erkenning van [minderjarige 1] door hem de opvoedersrol van de moeder niet zal beïnvloeden. De man kan zich erin vinden dat [minderjarige 1] na de erkenning de geslachtsnaam [achternaam] behoudt.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Ook al is de man de verwekker van [minderjarige 1] meent de vrouw dat voldaan is aan de afwijzingsgronden van artikel 1:204 BW. Erkenning is bovendien niet slechts een papieren kwestie voor [minderjarige 1] , aangezien door de erkenning van rechtswege ook haar achternaam zal wijzigen (artikel 1:5 lid 2 jo. lid 8 BW) . [minderjarige 1] draagt sinds haar geboorte al de achternaam van haar moeder ( [achternaam] ) en die achternaam is onderdeel geworden van haar identiteit. Het wijzigen van de achternaam door de erkenning zou betekenen dat [minderjarige 1] hiermee in het dagelijks leven op allerlei vlakken zal worden geconfronteerd, zoals bijvoorbeeld op namenlijsten in de klas, schooldocumenten of bij sport of hobby's, of op andere belangrijke officiële momenten in haar latere leven.
De vrouw acht dit een uitermate belangrijk argument dat betrokken moet worden in de beoordeling of de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang zal komen. De vrouw meent dat het verzoek vervangende toestemming erkenning op grond van het voorgaande behoort te worden afgewezen, dan wel - subsidiair - dat naar de aanwezigheid van de afwijzingsgronden voor erkenning eerst onderzoek zal moeten worden gedaan door de raad.
De bijzondere curator adviseert als volgt.
Vaststaat dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] . Van feiten en/of omstandigheden die aan een erkenning in de weg staan is de bijzondere curator niet gebleken. Weliswaar is er geen contact tussen de man en de moeder en roept alleen al het idee van verplicht contact bij de moeder en [minderjarige 1] de nodige spanning en weerstand op, maar die spanning en weerstand is naar inzicht van de bijzondere curator niet te relateren aan de gevolgen van een erkenning en is ook niet van dien aard dat een erkenning de verhouding tussen moeder en [minderjarige 1] schaadt of de belangen van [minderjarige 1] door die erkenning worden geschaad.
Omdat de man en de moeder ook samen de ouders zijn van [minderjarige 2] , die wel door de man is erkend, is het daarbij voor [minderjarige 1] ook van belang dat [minderjarige 2] ook in juridisch opzicht haar broer wordt en dat broer en zus ten opzichte van de moeder en de man in dezelfde familierechtelijke betrekking staan en daardoor dezelfde juridische positie hebben.
[minderjarige 1] heeft ook hierom er recht en belang bij dat haar beide ouders ook haar juridische ouders zijn. Het is de bijzondere curator niet gelukt om [minderjarige 1] hiervan te overtuigen maar het is desondanks wel in haar belang. [minderjarige 1] heeft er belang bij dat er geen wijziging van haar geslachtsnaam komt. Om die reden verzoekt de bijzondere curator de rechtbank in de beschikking op te nemen dat aan de erkenning het rechtsgevolg met betrekking tot de geslachtsnaamwijziging wordt onthouden, in die zin dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam ‘ [achternaam] ’ behoudt indien de erkenning tot stand komt.
De raad sluit zich aan bij het advies van de bijzondere curator.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
De rechtbank moet daarbij de belangen van de minderjarige, de man en de vrouw wegen. De vrouw heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. De man heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen in een ongestoorde verhouding met de vrouw als in het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de man. Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of de vrouw. Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake als ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.
De rechtbank verleent aan de man vervangende toestemming van de vrouw en [minderjarige 1] om [minderjarige 1] te erkennen, maar het rechtsgevolg van die erkenning blijft uit, voor zover het betreft de wijziging van de geslachtsnaam. Met deze beslissing van de rechtbank wordt recht gedaan aan twee gelijkwaardige belangen van [minderjarige 1] . De rechtbank legt dat uit.
Het ene belang van [minderjarige 1] betreft duidelijkheid over haar afstamming. Tussen partijen is geen discussie dat de man de verwekker van [minderjarige 1] is. Het uitgangspunt bij het verlenen van de toestemming is dat de minderjarige en de verwekker in beginsel recht hebben op de erkenning van hun relatie als familierechtelijke betrekking. Met de raad en de bijzondere curator acht de rechtbank de erkenning in het belang van [minderjarige 1] , omdat het haar afstamming van de man juridisch vastlegt en ook voor haarzelf duidelijk maakt. Daarnaast is voor de rechtbank belangrijk dat het enkel een vastlegging van de feitelijke en juridische situatie is, die geen directe invloed heeft op de betrokkenheid van de man bij het leven van [minderjarige 1] . Dit maakt dat de vrouw niet wordt geschaad in haar belang bij een ongestoorde verstandhouding met [minderjarige 1] .
Het andere belang van [minderjarige 1] dat een rol speelt bij de beslissing van de rechtbank heeft te maken met haar geslachtsnaam. [minderjarige 1] draagt op dit moment de geslachtsnaam van haar moeder. Op grond van artikel 1:5 lid 8 BW verandert deze naam na de erkenning van rechtswege in de geslachtsnaam van haar vader, omdat [minderjarige 2] door de man erkend is en partijen bij die erkenning hebben verklaard dat hij de geslachtsnaam van de man draagt.
Voldoende duidelijk is geworden dat een wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige 1] grote gevolgen voor haar heeft, omdat haar huidige geslachtsnaam een essentieel onderdeel is van haar identiteit. De rechtbank ziet het belang van [minderjarige 1] om haar geslachtsnaam te behouden.
De keuzes die de wetgever ooit heeft gemaakt, hebben in dit specifieke geval tot gevolg dat geen expliciete mogelijkheid bestaat om de erkenning toe te wijzen met behoud van de geslachtsnaam van de vrouw. De rechtbank staat daardoor voor een wettelijk onmogelijke opgave: erkenning is in het belang van [minderjarige 1] , maar naamswijziging niet. Hoewel [minderjarige 1] belang heeft bij erkenning door de man, zal het daarmee samenhangende van rechtswege intredende gevolg – wijziging van haar geslachtsnaam – juist rechtstreeks tegen haar belang ingaan. De rechtbank kan daarom niet anders dan tot de conclusie komen dat sprake is van een situatie waarmee bij de totstandkoming van artikel 1:5 lid 8 BW geen rekening is gehouden. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat het aan de erkenning verbonden rechtsgevolg dat de geslachtsnaam van [minderjarige 1] zou wijzigen achterwege moet blijven op grond van de bescherming van haar privé- en familieleven en recht op naam, welke rechten zijn gewaarborgd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
In de praktijk betekent het uitsluiten van het rechtsgevolg dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onveranderd niet dezelfde geslachtsnaam zullen dragen, terwijl zij na de erkenning wel officieel dezelfde juridische ouders hebben. De rechtbank zal bij de beslissing over de erkenning van [minderjarige 1] geen rekening houden met het feit dat als gevolg daarvan de minderjarigen verschillende achternamen dragen. Het belang dat alle kinderen met dezelfde juridische ouders dezelfde achternaam dragen is in dit concrete geval ondergeschikt aan het belang van [minderjarige 1] bij erkenning door haar vader en het belang om haar huidige naam te behouden.
De rechtbank verklaart de vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad, omdat geen belangen zijn gesteld of gebleken die zich verzetten tegen uitvoerbaarheid bij voorraad.
De rechtbank wijst de man erop dat hij zelf met deze beschikking naar de ambtenaar van de burgerlijke stand moet gaan om de akte van erkenning te laten opmaken.
Om problemen bij de tenuitvoerlegging van deze beschikking te voorkomen, wijst de rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand erop dat hij de akte van erkenning moet opmaken als de rechtbank vervangende toestemming verleent en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Zij verwijst hiervoor naar haar beschikkingen van 26 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:7118) en 31 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10910). Dat betekent dat de ambtenaar van de burgerlijke stand niet mag wachten op de onherroepelijkheid van de vervangende toestemming. Een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
Gezag
De man verzoekt om samen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De raad adviseert het verzoek van de man af te wijzen.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen heel duidelijk geworden dat op dit moment geen enkele communicatie mogelijk is tussen partijen en dat er geen sprake is van enig respect over en weer. Onder die omstandigheden is er een onaanvaardbaar risico is dat bij toewijzing van het verzoek de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders.
Ook is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, mede gelet op het feit dat partijen al meer dan tien jaar uit elkaar zijn en de emoties tussen hen in de tussentijd niet veel minder zijn geworden.
Omgangsregeling
Omdat het verzoek van de man over het gezag wordt afgewezen, zal de rechtbank hierna enkel spreken over een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarigen in de eerste twee weken één dagdeel bij de man verblijven, daarna twee weken twee dagen bij de man verblijven en tot slot om het weekend (met overnachting) bij de man verblijven, dan wel een regeling vast te stellen welke volgens de rechtbank passend is.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek van de man.
Op grond van artikel 1:377a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
-
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
-
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
-
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
-
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af en overweegt daarbij als volgt.
De man wenst weer een rol te gaan spelen in het leven van de minderjarigen. Hierbij is omgang met hen cruciaal, aldus de man. De man geeft verder aan dat nu de minderjarigen geen contact/omgang met hem hebben, zij ook zijn familie niet kunnen zien. Dat is volgens de man niet in het belang van de minderjarigen.
De vrouw voert aan dat omgang met de man niet in het belang van de minderjarigen kan worden geacht. In februari 2020 is het de eigen keuze van de man geweest zijn omgangsverzoek in te trekken. Nadien hebben de vrouw en de kinderen dienaangaande meer dan vijf jaar lang niets meer van de man vernomen. Zij meent dat onder de gegeven omstandigheden een plaats van de man in het leven van de kinderen thans niet in het belang is van de kinderen. De vrouw is ontzettend bang dat de kinderen negatieve gevolgen kunnen en gaan ondervinden in hun dagelijkse functioneren of schoolleven als er tegen hun zin gedwongen wordt tot beslissingen waar zij emotioneel niet achter kunnen staan.
De vrouw meent dat de kinderen in de resterende periode van hun minderjarigheid zouden moeten worden ontzien, en dat een eventuele keuze om vader wel een plaats in hun leven te geven, in welk opzicht dan ook, bij de kinderen zelf moet blijven liggen.
Volgens de raad is contactherstel tussen de man en de minderjarigen tegen hun wil niet in hun belang. De raad vindt dat het op dit moment niet uitvoerbaar is om te zorgen dat de minderjarigen contact hebben met de man. Een raadsonderzoek is te belastend voor de minderjarigen.
De rechtbank ziet met de raad geen mogelijkheden om een omgangsregeling vast te leggen. In de eerder tussen partijen tussen 2016 en maart 2020 gevoerde procedure is nadat de man een verzoek deed tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen hulpverlening gestart en hebben er via het Rotterdams Omgangshuis contacten plaatsgevonden. De kinderen hebben toen kennis gemaakt met de man en er is sprake geweest van enig contactgroei. Dat heeft vervolgens niet geleid tot een door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, omdat de man zijn verzoek negen dagen voor de mondelinge heeft ingetrokken. Inmiddels zijn er weer zes jaren verstreken en geven zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] tijdens het gesprek met rechtbank aan dat zij geen enkele behoefte hebben aan enig contactherstel met hun vader. Zij zijn tevreden met de situatie zoals die nu is en hebben ook geen enkele nieuwsgierigheid naar hun vader.
In verband met de bezwaren van de minderjarigen verwijst de rechtbank ook naar
Art. 1: 377a onder c BW. Omdat geen ontzegging is verzocht zal de rechtbank het verzoek van de man tot omgang afwijzen.
Terugkoppeling aan [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
De kinderrechter zal [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een brief sturen, waarin een en ander als volgt aan hen wordt uitgelegd:
“Beste [minderjarige 2] ,
Wij hebben elkaar gesproken op de rechtbank over de verzoeken van je vader dat hij ouderlijk gezag over je krijgt en een contactregeling met jou wilt. Ik heb beide verzoeken afgewezen. Jij en je moeder hebben daar grote bezwaren tegen. Ik heb ook rekening gehouden met je leeftijd en het feit dat je je vader nauwelijks kent en hem zes jaar geleden voor het laatst hebt gezien.
Wanneer je ooit in de toekomst wel contact wilt hebben met je vader, kun je zelf met hem contact opnemen.
Ik wens je het beste!
De kinderrechter”
Beste [minderjarige 1] ,
Wij hebben elkaar gesproken op de rechtbank. We spraken erover dat je vader ook officieel je vader wil worden. Jij wilde dat niet omdat je niet wilde dat je een andere achternaam zou krijgen. Ik heb rekening gehouden met jouw wens en beslist dat je vader ook officieel je vader mag worden maar dat je achternaam niet zal veranderen. Ik heb goed begrepen dat het voor jou heel belangrijk is dat jouw achternaam die je vanaf je geboorte al hebt, niet wordt gewijzigd.
De andere verzoeken van je vader dat hij ouderlijk gezag over je krijgt en een contactregeling met jou heb ik afgewezen. Jij en je moeder hebben daar grote bezwaren tegen. Ik heb ook rekening gehouden met je leeftijd en het feit dat je je vader nauwelijks hebt gezien. Wanneer je ooit in de toekomst wel contact wilt hebben met je vader, kun je zelf met hem contact opnemen.
Ik wens je het beste!
De kinderrechter”
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
verleent [naam man] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3] vervangende toestemming voor erkenning van:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] , met de aanvulling dat aan de erkenning het rechtsgevolg met betrekking tot de geslachtsnaamwijziging wordt onthouden, in die zin dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam ‘ [achternaam] ’ behoudt indien de erkenning tot stand komt;
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw en van de toestemming van [minderjarige 1] ;
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Prooij, griffier, op 14 september 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
