Rechtbank Noord-Holland 08-10-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13538

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding over gebruik huurwoning en zorgregeling na relatiebreuk. Voorlopig wordt een birdnestregeling toegewezen: partijen gebruiken de woning week op/week af met wissel op zondag 18:00 uur en dragen in hun week de zorg voor de minderjarige. Man moet binnen drie maanden de woning verlaten; vanaf dat moment komt het exclusief gebruik aan vrouw toe. Verzoek om dwangsom bij ontruiming wordt afgewezen. Man wordt veroordeeld maandelijks een derde van de huur aan vrouw te voldoen zolang de regeling loopt.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Tijdelijke birdnesting ondanks bezwaren moeder over veiligheid
Rb neemt gestelde onveiligheid serieus: vader weerspreekt afluisteren niet en moet daarmee stoppen. Toch drie maanden birdnesting: vader anders dakloos en alternatief moeder geeft te veel wisselmomenten.

Datum publicatie19-10-2026
ZaaknummerC/15/381304
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
Trefwoorden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

In conventie voortgezet gebruik van huurwoning voorlopig toegewezen vanaf 3 maanden na vonnisdatum. Tot die tijd birdnestregeling zoals in reconventie was gevorderd. Tevens veroordeling om een derde deel van de huur aan de wederpartij te vergoeden.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/381304 / KG ZA 26-487

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.M. Kers,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J. ’t Hart.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 19 producties

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 9 producties

- de aanvullende producties 20, 21 en 22 van de vrouw

- de mondelinge behandeling van 24 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Voor de mondelinge behandeling op 24 september 2026 zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Kers en de man, bijgestaan door mr. ’t Hart.

1.3.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in november 2023 geëindigd. Uit hun relatie is op 30 januari 2019 hun dochter [minderjarige] ([minderjarige]) geboren. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige].

2.2.

Partijen bewonen nog altijd gezamenlijk een huurwoning aan het [adres], [postcode] te [plaats] (hierna: de woning).

2.3.

Er zijn meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedaan en inmiddels is het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) betrokken bij het gezin.

3Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

De vrouw vordert – samengevat - in conventie dat de voorzieningenrechter bepaalt dat zij, in afwachting van een definitieve beslissing over de voortzetting van de huurovereenkomst, bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en dat de man de woning uiterlijk binnen twee weken moet ontruimen en met alle zijn daarin bevindende eigendommen moet verlaten en de sleutels ter beschikking van de vrouw moet stellen, op straffe van een dwangsom.

Verder vordert de vrouw dat de minderjarige voorlopig aan haar wordt toevertrouwd en dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige zorgregeling bepaalt dat [minderjarige] bij de man verblijft op maandag en donderdag vanaf het einde van de schooldag tot 18:00 uur en op zaterdag vanaf karateles tot 19:00 uur, totdat partijen in het kader van het traject bij het CJG andere afspraken hebben gemaakt dan wel in een bodemprocedure anders is beslist.

3.2.

De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat van haar niet langer gevergd kan worden om nog samen met de man in de woning te verblijven. Zij stelt dat de man weliswaar heeft toegezegd de woning te zullen verlaten maar dat hij zich daarvoor onvoldoende inspant en dat door het voortduren van het gezamenlijk bewonen van de woning grote spanningen zijn ontstaan waardoor zij fysieke klachten ervaart en dat het laten voortduren van een gezamenlijk verblijf in de woning ook niet in het belang van [minderjarige] is. Daarbij stelt de vrouw dat zij sinds het einde van de relatie al drie jaar lang alle kosten voor de woning draagt hoewel de man de woning ook bewoont. Verder voert de vrouw aan dat zij door de man wordt afgeluisterd in de woning waardoor zij zich niet langer veilig voelt in de woning. De vrouw zal op korte termijn een bodemprocedure starten om het huurcontract uitsluitend op haar naam gesteld te krijgen.

3.3.

De man voert verweer. Hij verklaart dat hij wel op zoek is naar andere passende woonruimte waar hij ook met [minderjarige] kan verblijven, maar dat het niet gemakkelijk is een woning te vinden, omdat hij door zijn financiële situatie is aangewezen op een sociale huurwoning, waarvoor lange wachtlijsten bestaan. Daarbij voert hij aan dat het gemakkelijker zou zijn passende woonruimte te vinden als er een ouderschapsplan zou zijn, waarmee hij kan aantonen dat hij de zorg voor een kind heeft, maar dat het tot op heden nog niet gelukt is om daarover met de vrouw overeenstemming te bereiken. Hij voert aan dat van hem niet verwacht kan worden dat hij nu de woning verlaat, omdat dit zou betekenen dat hij dakloos zou worden en daardoor de zorg voor [minderjarige] zou kwijtraken. Hij verklaart dat hij nu bij verschillende kennissen verblijft waar hij op de bank kan slapen, maar dat dit geen situatie is die lang kan voortduren. Hij benadrukt dat een toewijzend vonnis in kort geding weliswaar een voorlopige maatregel inhoudt, maar dat die uitkomst in feite zou betekenen dat hij definitief dakloos wordt en blijft omdat de bodemprocedure nog niet eens is gestart en dat hij geen invulling kan geven aan de zorg voor [minderjarige].

3.4.

In reconventie vordert de man dat de voorzieningenrechter bepaalt:

1. dat partijen week op week af, met de wissel op zondag om 18.00 uur, gebruik maken van de woning en in de week dat de man of de vrouw aanwezig is in de woning hij/zij ook de zorg heeft voor [minderjarige],

2. dat de man een derde van de huur moet bijdragen aan de vrouw en deze uiterlijk op de 25ste van elke maand aan de vrouw zal voldoen,

3. dat de week op/week af-regeling qua zorg voor [minderjarige] doorloopt zodra de man een eigen, voor [minderjarige] ingerichte woning, heeft.

3.5.

De man stelt dat een birdnest-regeling waarbij [minderjarige] beide ouders evenveel ziet het meest in haar belang is en dat het daarom ook van belang is dat die regeling doorloopt als hij vervangende woonruimte heeft gevonden.

3.6.

De vrouw voert verweer. Zij maakt bezwaar tegen de gevorderde birdnest-regeling omdat partijen in verband daarmee met elkaar moeten kunnen overleggen, maar dat niet meer kunnen. Bovendien zou die regeling inhouden dat de man nog altijd in de woning komt waardoor zij zich nog altijd niet veilig zou voelen in haar eigen woning omdat de man haar afluistert. Ze benadrukt dat een birdnest-regeling daarom zowel voor haarzelf als voor [minderjarige] geen goede oplossing is.

3.7.

De voorzieningenrechter gaat hierna, voor zover relevant, in op de stellingen van partijen.

4De beoordeling

in conventie en in reconventie

Spoedeisend belang

4.1.

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat zowel de vrouw als de man daarbij spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de vorderingen. Partijen zijn het erover eens dat de huidige situatie waarbij beiden gezamenlijk in de woning wonen, niet langer houdbaar is. Beiden hebben daarom een spoedeisend belang bij een voorlopige beslissing over de toedeling en/of het gebruik van de woning en een verdeling van de zorg voor [minderjarige].

4.2.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van de vrouw en de man, zullen de vorderingen hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

4.3.

De huurwoning waar het om gaat is de woning waar partijen tijdens hun relatie gezamenlijk hebben gewoond. Het huurcontract voor de woning staat op naam van beide partijen. Dat betekent dat zij in beginsel allebei evenveel recht hebben op en belang hebben bij het voortgezet gebruik van de woning. Daarom zal de voorzieningenrechter een belangenafweging maken.

4.4.

Sinds het einde van hun relatie drie jaar geleden bewonen partijen nog altijd gezamenlijk de woning. Het is voldoende aannemelijk geworden dat beide partijen er belang bij hebben dat in deze situatie zo snel mogelijk verandering komt. Door deze situatie zijn spanningen ontstaan die hun weerslag hebben op partijen en ook op [minderjarige]. De man heeft in zijn conclusie van antwoord de stelling van de vrouw betwist dat partijen bij het beëindigen van de relatie de afspraak hebben gemaakt dat de man de woning zou verlaten. Op de zitting heeft de man erkend dat hij wel bereid is de woning te verlaten, omdat hij financieel niet in staat is het huurrecht van de vrouw over te nemen. Maar het is hem nog niet gelukt om een andere woning te vinden, die ook geschikt is om met [minderjarige] te wonen. De voorzieningenrechter merkt wel op dat de man zijn vertrek uit de woning niet afhankelijk kan stellen van het tot stand komen van een definitieve zorgregeling. Daarmee houdt hij de vrouw ‘gegijzeld’ in de huidige impasse. De vraag wie voorlopig in afwachting van een definitieve beslissing in de bodemprocedure met uitsluiting van de ander in de woning mag blijven wonen, hangt natuurlijk wel samen met de verdeling van de zorg voor [minderjarige]. Daarom zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw om de man te veroordelen de woning te verlaten in samenhang beoordelen met de door de vrouw en de man gevorderde voorlopige verdeling van de zorg voor [minderjarige].

4.5.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vordering om het recht te krijgen de woning voorlopig met uitsluiting van de man te mogen gebruiken erop gewezen dat ook het CJG heeft aangegeven dat het beter zou zijn voor [minderjarige] als er twee huizen zijn. Hoewel dat het meest wenselijke scenario is, doet die situatie zich op dit moment niet voor. Het is ook onduidelijk op welke termijn daarin verandering zal komen. Het is immers algemeen bekend dat betaalbare woonruimte in deze tijd schaars is, zeker als iemand, zoals de man, door zijn financiële situatie is aangewezen op een sociale huurwoning, waar lange wachtlijsten voor bestaan. De man staat ingeschreven, maar alleen met een urgentie kan hij op korte termijn een sociale huurwoning toegewezen krijgen. Het is allerminst zeker dat hij die urgentie kan krijgen. De man is daarom vooral aangewezen op alternatieven voor het vinden van een betaalbare huurwoning op korte(re) termijn. Daarbij komt dat de bodemprocedure over tenaamstelling van het huurcontract nog niet aanhangig is gemaakt en er meestal enkele maanden overheen gaan voordat in een dergelijke procedure zal zijn beslist.

4.6.

Bij deze stand van zaken komt daarom vooral gewicht toe aan het belang van [minderjarige]. Partijen hebben verklaard dat zij de zorg voor [minderjarige] in de praktijk delen. De man heeft verklaard dat partijen bij het beëindigen van hun relatie hebben afgesproken een co-ouderschapsregeling overeen te komen, maar dat het tot nu toe niet lukt om daar met de vrouw overeenstemming over te bereiken. Dit is door de vrouw niet, althans onvoldoende, weersproken.

4.7.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen de vordering van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning, omdat dat ertoe zal leiden dat hij dakloos wordt. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de door de man gevorderde birdnest-regeling van week op/week af. Volgens de vrouw heeft [minderjarige] belang bij het in stand houden van de huidige zorgregeling. Verder heeft zij erop gewezen dat de man op maandag-, donderdag- en vrijdagavond werkt en dat de door hem voorgestelde birdnest-regeling betekent dat hij dan op die avonden een oppas voor [minderjarige] zal moeten regelen. Ter zitting heeft zij voorgesteld dat de man op maandagmiddag van 14:00 uur tot 17:30 uur, woensdag van 17:00 tot 20:30 uur, donderdagmiddag van 14:00 tot 17:30 uur en zaterdag van 10:45 uur (na karateles) tot 17:30 uur in de woning alleen met [minderjarige] verblijft omdat hij nu ook op die dagen de zorg voor [minderjarige] heeft. Zij stemt er niet mee in dat de man in de woning overnacht, of hooguit één nacht (van woensdag op donderdag). De man heeft tegen dit voorstel bezwaar gemaakt, omdat hij dan feitelijk nog steeds dakloos is.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit voorstel van de vrouw onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de man, die dan geen vast onderkomen heeft en langere tijd aangewezen blijft op de welwillendheid van derden. Ook acht de voorzieningenrechter die regeling niet in het belang van [minderjarige] omdat dan sprake is van veel wisselmomenten, met de spanningen die dat tussen partijen meebrengt, terwijl [minderjarige] vooral gebaat is bij rust, regelmaat en duidelijkheid. Omdat partijen op de zitting er niet in zijn geslaagd afspraken te maken over een andere verdeling van de zorg voor [minderjarige] en het verblijf in de woning, zal de voorzieningenrechter de birdnest-regeling toewijzen zoals door de man gevorderd, dat wil zeggen een week op/week af-regeling met het wisselmoment op zondagavond om 18:00 uur. Deze regeling komt ook tegemoet aan het belang van [minderjarige] om zoveel mogelijk omgang te kunnen hebben met haar beide ouders. Deze regeling brengt mee dat zowel de man als de vrouw in zijn/haar week oppas/opvang voor [minderjarige] zal moeten regelen op de momenten dat zij aan het werk zijn, omdat hij/zij dan verantwoordelijk is voor de invulling van de zorg voor [minderjarige].

4.9.

Omdat partijen het erover eens zijn dat de man de woning zal verlaten en de man op dit moment het huurrecht van de vrouw ook niet kan overnemen, is aannemelijk dat in de bodemprocedure het huurrecht aan de vrouw zal worden toegedeeld. De birdnest-regeling die de voorzieningenrechter nu in deze uitspraak bepaalt, is daarom een tijdelijke regeling totdat het huurrecht aan de vrouw is toebedeeld. Omdat niet zeker is hoe lang die situatie nog zal duren en om de man aan te sporen ondertussen wel actief op zoek te gaan naar een eigen woning, zal de voorzieningenrechter ook de vordering van de vrouw toewijzen en de man veroordelen de woning te verlaten. De voorzieningenrechter houdt daarbij rekening met de moeilijkheden voor de man om een betaalbare huurwoning te vinden. De voorzieningenrechter zal daarom de termijn waarbinnen de man de woning moet verlaten, bepalen op drie maanden. Gedurende die periode zullen partijen uitvoering moeten geven aan de birdnest-regeling in de gezamenlijke woning, of totdat de man (eerder) beschikt over een eigen woning of (eerder) in de bodemprocedure is beslist over de voortzetting van de huur.

4.10.

De vordering van de vrouw om een dwangsom te verbinden aan de ontruiming van de woning door de man, zal de voorzieningenrechter afwijzen. Een dwangsom zou de relatie tussen partijen onnodig verder op scherp stellen en heeft bovendien geen toegevoegde waarde. Voor zover de man de woning niet vrijwillig verlaat, kan de vrouw de man via de deurwaarder gedwongen laten ontruimen.

4.11.

De vordering van de man om te bepalen dat de week op/week af-regeling voor de zorg voor [minderjarige] doorloopt zodra hij een eigen, voor [minderjarige] ingerichte woning, heeft, zal de voorzieningenrechter afwijzen. Deze vordering is prematuur. Partijen moeten de komende tijd eerst, al dan niet bijgestaan door het CJG en/of hun advocaten, afspraken gaan maken over een definitieve invulling van de zorgregeling voor de toekomst door afspraken te maken in een ouderschapsplan. Als partijen erin slagen dergelijke afspraken te maken geven zij daarmee ook een duidelijk signaal af aan [minderjarige] dat zij als ouders in staat zijn om over dergelijke belangrijke zaken afspraken te maken met elkaar. Dit schept duidelijkheid voor [minderjarige]. Bovendien valt niet uit te sluiten dat een ouderschapsplan de man mogelijk zal kunnen helpen bij zijn zoektocht naar het vinden van passende vervangende woonruimte.

4.12.

Omdat de birdnest-regeling wordt toegewezen, zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen en de door haar voorgestelde voorlopige zorgregeling te bepalen, afwijzen.

4.13.

Wel zal de man gedurende de uitvoering van de birdnest-regeling, waarbij hij voor de helft van de tijd in de woning verblijft, als tegenprestatie moeten bijdragen aan de huurlast. Overeenkomstig zijn eigen vordering zal de voorzieningenrechter de man veroordelen om maandelijks een derde deel van de maandhuur aan de vrouw te voldoen, telkens uiterlijk voor de 25e van de maand voor de daarop volgende maand. Dit betekent dus dat de man voor de eerste keer uiterlijk voor 25 oktober 2026 een derde deel van de maandhuur voor de maand november aan de vrouw moet betalen.

4.14.

De vrouw heeft gesteld dat zij zich in het geval van een birdnest-regeling nog altijd onveilig zal voelen in de woning, omdat de man haar afluistert, wat volgens haar onder meer blijkt uit een door de man overgelegd transcript van een gesprek dat zij in de woning heeft gevoerd met haar zus terwijl er verder niemand thuis was. De man heeft niet met zoveel woorden weersproken dat hij de vrouw afluistert, maar aangevoerd dat de vrouw zich ook schuldig maakt aan pesterijen tegenover hem. Voor zover het juist is dat de man de vrouw afluistert, moet hij daar onmiddellijk mee stoppen. Het afluisteren van iemand in zijn woonomgeving vormt een grote inbreuk op diens privacy en trekt een zware wissel op het gevoel van veiligheid in de eigen woning. Dat gevoel van onveiligheid van de vrouw heeft daardoor ook effect op [minderjarige]. Beide partijen zullen zich vanuit hun gedeelde verantwoordelijkheid als ouders van [minderjarige] moeten gaan gedragen op een manier die van verantwoordelijk handelend ouders verwacht mag worden. Dit betekent ook dat zij over en weer zullen moeten accepteren dat de ander aan de opvoeding van [minderjarige] invulling geeft op een manier die hij/zij het meest in het belang van [minderjarige] acht en dat zij op dat punt niet steeds eisen kunnen stellen aan de andere ouder. Ook zullen zij moeten (leren) overleggen over zaken die [minderjarige] betreffen. Zij doen er dan ook goed aan hun gesprekken met hulp van het CJG voort te zetten.

4.15.

Omdat het geschil voortkomt uit het feit dat tussen partijen een affectieve relatie heeft bestaan, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat elk van partijen de eigen proceskosten betaalt.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

bepaalt dat de man de woning aan adres [adres], [postcode] in [plaats] uiterlijk binnen drie maanden na vandaag moet ontruimen en met alle zich daarin bevindende eigendommen van hem moet verlaten en de sleutels ter beschikking van de vrouw moet stellen,

5.2.

bepaalt dat de vrouw vanaf drie maanden na vandaag en in afwachting van een definitieve beslissing over de voortzetting van de huurovereenkomst, bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan adres [adres], [postcode] in [plaats],

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

bepaalt dat partijen gedurende drie maanden vanaf vandaag, of totdat de man eerder over een eigen woning beschikt of totdat eerder een definitieve beslissing is genomen over de voortzetting van het huurrecht, afwisselend, week op week af, met het wisselmoment op elke zondag om 18.00 uur, met uitsluiting van de ander gebruik maken van de woning met [minderjarige] en diegene van partijen die in zijn of haar week in de woning verblijft, gedurende die week de zorg draagt voor [minderjarige],

5.7.

bepaalt dat de regeling ingaat vanaf zondag 18 oktober 2026 om 18:00 uur in die zin dat de vrouw vanaf dat moment tot zondag 25 oktober 2026 om 18:00 uur in de woning zal verblijven met [minderjarige] en de zorg voor [minderjarige] zal dragen,

5.8.

bepaalt dat de man vanaf de maand november 2026 een derde van de maandhuur voor zijn rekening neemt, waarbij hij zijn aandeel in de huur telkens uiterlijk op de 25e van de maand voorafgaande aan de maand waarover de huur verschuldigd is aan de vrouw voldoet, de eerste keer uiterlijk op 25 oktober 2026,

5.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

1155



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733